Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 23

Chapter 232,921 wordsPublic domain

Commerce, koməs, handel, verkeer, omgang; een kaartspel: — Union = tolverbond; — of ideas = gedachtenwisseling.

Commercial, kəmɐ̂š’l, handels ...: — college = handelsschool; — education = handelsonderwijs; — relations = handelsbetrekkingen; — room = monsterkamer in een hotel voor handelsreizigers; —-school = handelsschool; — traveller = handelsreiziger.

Commination, komineiš’n: —-service = een deel van de liturgie der Eng. kerk, op Aschwoensdag gelezen, waarbij Gods toorn tegen zondaars wordt uitgesproken; Comminatory = dreigend.

Commingle, kəmiŋg’l, (zich) vermengen.

Comminute, kominjût, tot gruis of poeder maken; inkrimpen; subst. Comminution.

Commiserate, kəmizəreit, beklagen; subst. Commiseration.

Commissariat, komisêriət, subst. de intendance van het leger, de daartoe behoorende officieren; ook adj.: All the — animals had been killed = al het slachtvee (voor het leger) was gedood.

Commissary, komisəri, gemachtigde; officier van het Commissariat: — Court = gerechtshof (van een graafschap) inzake erfenissen; —-general = generaal-intendant.

Commission, kəmiš’n, subst. opdracht, last, lastbrief, commissie(loon); officiers-aanstelling (bij marine of leger): — verb. machtigen, belasten, in commissie bestellen; een commission verleenen: Ships in — = in dienst gestelde schepen; — of (the) peace = aanstelling tot vrederechter; To be put into the — of Peace = benoemd worden tot vrederechter; — of lunacy = commissie van onderzoek naar den toestand der geestvermogens; —-agent = (—-merchant); —al = gevolmachtigd; —ed officer = officier; Non —ed officer = onderofficier; —er = gevolmachtigde, commissaris, lid van een commissie, commissionair = —aire.

Commissure, komišuə, voeg, naad.

Commit, kəmit, toevertrouwen, toewijzen, gevangen nemen, blootstellen, compromitteeren, (zich) verbinden, doen, bedrijven, naar eene commissie verzenden: He rarely —s himself in speaking = hij zegt zelden domme of gekke dingen; I would not — myself to these conclusions without examining the affair myself = ik wou niet instemmen met dergelijke conclusies; He —ted himself to that course = besloot tot die wijze van doen; They stand —ted to that policy = moeten volgen; Parliament has the power of —ting = het recht om wetten enz. in handen eener commissie te stellen, of een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen; He —ted these words to memory = leerde van buiten; To — to paper = op papier brengen; —ment = verwijzing, overdracht, inhechtenisneming; —table = te begane; —tal = subst. toewijzing, gevangenneming, bevel daartoe, begaan; adj. I thought of a non-—tal thing to say = ik bedacht mij op iets, dat ik gerust kon zeggen, waardoor ik mij niet bloot gaf; —tee, kəmitî, commissie, comité; —tee, komitî, curator (van een idioot of krankzinnige); —ter = bedrijver, lastgever.

Commode, kəmoud, hoog dameskapsel (van vroeger tijd); latafel; stilletje.

Commodious, kəmoudjəs, geriefelijk; subst. —ness; Commodity, kəmoditi, gerief, gemak, handelsartikel, waar.

Commodore, komədö = Captain of the Fleet = rang tusschen schout-bij-nacht en kapitein ter zee; bevelhebber van een eskader; het voorop zeilend schip van een koopvaardijvloot.

Common, kom’n, subst. gemeenteweide, meente; adj. (al)gemeen, gewoon, gebruikelijk, openbaar, van lagen rang, plat, onrein, gemeenschappelijk, gemeenslachtig (van subst. en werkw.); — verb. gezamenlijke grondrechten hebben; samen eten: We have it in — = gezamenlijk; He is above the — = meer dan gewoon; It is out of the — = buitengewoon, ongewoon; — carrier = vrachtrijder; — divisor = gemeene deeler; — council(man) = gemeenteraad(slid); — crier = stadsomroeper; — gender = van ’t zelfde gramm. geslacht; — hall = raadhuis; aula; — law = gewoonterecht (tegenover het geschreven recht); — noun = gem. zelfst. nmw.; — Pleas = oud gerechtshof; thans opgenomen onder de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; Book of — Prayer = ritueel en gebedenboek der Angl. kerk; — sense = gezond verstand: That is a — sense remark = van gezond verstand getuigende; —able = gezamenlijk, gemeenschappelijk; —age = gezamenlijk bezit, gemeenschappelijk recht; —alty = burgerij (wat niet tot den adel behoort); —er = burger; lid van het House of Commons; iemand, die mede recht heeft op gemeenschappelijken grond: Gentleman —er = betalend student, die eerst in later tijd werden toegelaten; —ish = vrij algemeen, alledaagsch; —place, kom’npleis, subst. gewoon onderwerp, gewone uitdrukking, gemeenplaats, memorandum; adj. gewoon, alledaagsch; — verb. in een memorandum of commonplace-book aanteekenen; —s, komənz, het volk; de leden van het Lagerhuis = House of —s; voedsel (aan eene algemeene tafel): His cheeks were hollow; he had been on short —s for four years = hij had het schraal van eten gehad; Doctors’ —s = oud gerechtshof bestaande uit 5 hoven, vervangen door het Probate Court, thans Prob. Division van het Hooggerechtshof; —ty = land, aan twee of meer toebehoorende; gemeenteweide; —weal, kom’nwîl, het algemeen welzijn; —wealth, kom’nwelth, gemeenebest, staatslichaam, statenbond, republiek (in Engeland onder Cromwell: 1649–1660).

Commorance, -cy, komər’ns(i), domicilie; Commorant = wonend.

Commotion, kəmouš’n, beroering, beweging, drukte, tumult.

Communal, komjun’l, kəmjûn’l, communaal; Commune, komjûn, gemeente, commune (Fr.), communie: To hold — (with) = spreken met, raadplegen.

Commune, kəmjûn, komjun, spreken met, raadplegen; deelnemen aan het Avondmaal (Amer.); de communie ontvangen (Kath. kerk).

Communicability, kəmjûnikəbiliti, mededeelbaarheid; Communicable, kəmjûnikəb’l, mededeelbaar; Communicant, kəmjûnikənt, avondmaalsganger, communicant; Communicate, kəmjûnikeit, mededeelen, schenken, openbaren, omgang hebben, in verbinding staan met, deelnemen aan het Avondmaal, communiceeren, ter communie gaan.

Communication, kəmjûnikeiš’n, mededeeling, omgang, communicatie (middel), verbindingsweg: —-cord = noodrem; Evil —s corrupt good manners = kwade samensprekingen bederven goede zeden; Communicative = mededeelzaam; subst. Communicativeness; Communicator = mededeeler, noodlijn; Communion, kəmjûnj’n, verbinding, gemeenschap, omgang; Avondmaal; communie: — cup, table, service = avondmaalsbeker, -tafel, -dienst.

Communism, komjunizm, eigendomsgemeenschap, communisme, socialisme; Communist; adj. Communistic(al).

Community, kəmjûniti, gemeenschap, gemeente(wezen).

Commutability, kəmjûtəbility, vervreemdbaarheid, verwisselbaarheid; adj. Commutable.

Commutation, komjuteiš’n, verwisseling, verandering; abonnement (Amer.); stroomwisseling, aflossing; adj. Commutative; Commutator = stroomwisselaar; Commute, kəmjût, verruilen, ineens betalen in plaats van in termijnen, veranderen, wisselen: The sentence of death was —d into lifelong imprisonment = het doodvonnis werd veranderd in.

Compact, kompakt, verdrag, overeenkomst, verbond; Compact, k’mpakt, adj. aaneengesloten, vast, kort, bondig, bestaand uit (of); — verb. krachtig verbinden, nauw vereenigen, verdichten: A —ly built young fellow = kort en stevig ventje; —ness = beknoptheid, soliditeit, stevigheid.

Companion, k’mpanj’n, subst. gezel, kameraad, makker, compagnon, laagste graad in eene ridderorde, kampanje, kapluik (bij de trap van eene kajuit), koekoek (uitstekend dakvenster); adj. vergezellend; — verb. vergezellen: —-hatch = kap boven de kajuitstrap; —-ladder, —-stairs, —-way = kajuitstrap; —able = gezellig; —less; —ship = gezelschap.

Company, kɐmpəni, subst. gezelschap, maatschappij, gilde, genootschap, compagnie, bemanning: I will bear, keep you — = u gezelschap houden; To be in — with, in the — of = in gezelschap van; Two is —, three is none = twee is gezellig, drie is te veel; He kept — with our servant = had verkeering met onze meid; My friend sees no — = is zéér eenzelvig; She wept for — = schreide mee; — verb. het gezelschap genieten van: I companied with very interesting people.

Comparable, kompərəb’l, vergelijkbaar; Comparative, k’mparətiv, vergelijkend, betrekkelijk; subst. comparatief; A —ly small sum = betrekkelijk geringe som.

Compare, k’mpêə, vergelijken, gelijkstellen, gelijk zijn, in den comparatief zetten; zich laten vergelijken; subst. vergelijking: His eloquence may be —d to a thunderstorm = kan worden vergeleken bij; I cannot — the one statesman with the other = vergelijken met; On our comparing notes, many circumstances tallied with wonderful exactness = toen wij onze bevindingen vergeleken (van gedachten wisselden), kwamen vele omstandigheden merkwaardig juist overeen; You cannot — (You — disadvantageously) with your friend = gij kunt een vergelijking met uw vriend niet doorstaan; Beyond —, past — = onvergelijkelijk.

Comparison, k’mparis’n, vergelijking, trappen van vergelijking: Beyond all —, Out of all —, Without — = onvergelijkelijk; By way of — = vergelijkenderwijze; To bear (stand) — with = de vergelijking doorstaan met.

Compartment, k’mpâtm’nt, afdeeling, coupé, vak.

Compass, kɐmpəs, subst. omtrek, omvang, omweg, ruimte, grens, bestek, bereik, kompas; — verb. omvatten, omringen, bekleeden, verkrijgen, bedenken, beramen, tot stand brengen: We have boxed the — = zijn de rij rond geweest; He fetched a — = hij maakte een omweg, ging niet recht op het doel af; We speak within — in asserting this = wij zeggen niet te veel met dit te beweren; True as a — = echt waar; They — heaven and earth to make one proselyte = doorzoeken hemel en aarde; He —ed his end = bereikte zijn doel; I felt resolved to — revenge = op wraak te peinzen; —-box = kompashuisje; —-card = kompasroos; —-saw = cirkelzaag; —-timber = kromhout; —-window = vooruitspringend boogvenster; —es = passer.

Compassion, k’mpaš’n, subst. medelijden; — verb. beklagen, zich erbarmen; —ate, k’mpašənit, adj. mededoogend, medelijdend; — verb. k’mpašəneit, beklagen, medelijden hebben met.

Compatibility, k’mpatibiliti, vereenigbaarheid, bestaanbaarheid; Compatible, k’mpatib’l, bestaanbaar, passend, vereenigbaar (met with).

Compatriot, k’mpeitriot, k’mpatriot, subst. landgenoot; adj. uit hetzelfde land; subst. —ism.

Compeer, k’mpîə, subst. evenknie, gelijke, makker; — verb. evenaren.

Compel, k’mpel, dwingen, drijven, verplichten: That actor —led tears from his audience = dwong zijn gehoor tranen af; —ler = verzamelaar.

Compend, kompend, —ium, k’mpendj’m, kort begrip, verkorte opgaaf; Compendious = beknopt, bevattelijk; subst. —ness.

Compensate, komp’nseit, k’mpenseit, goed maken, vergoeden, opwegen; Compensation = vergoeding, compensatie, tegenrekening: Workman’s — Act = ongevallenwet; —-balance (pendulum) = compensatieslinger; adj. Compensative = Compensatory; Compensator = compensator.

Compesce, k’mpes, bedwingen, beteugelen.

Compete, k’mpît, wedijveren, strijden om.

Competence, kompitens, Competency, kompitensi, bevoegdheid, welgesteldheid, gepastheid: They led a life of competence = zij konden het goed stellen in de wereld; He has a competency = kan zich goed redden; Competent = bevoegd, toereikend, overeenkomstig.

Competition, kompitiš’n, mededinging, wedijver, concurrentie, kooplust; Competitive, k’mpetitiv, vergelijkend (van een examen b.v.), mededingend; Competitor = mededinger, concurrent; Competitress = Competitrix.

Compilation, kompileiš’n, verzameling.

Compile, k’mpail, samenstellen, samenvoegen, verzamelen; een aantal ‘runs’ maken (cricket); subst. —r.

Complacence, k’mpleis’ns, Complacency, k’mpleis’nsi, welbehagen, voldoening, aangename wijze van optreden, manieren, enz.; beleefdheid; Complacent = behaaglijk, etc.

Complain, k’mplein, subst. klacht; — verb. klagen, morren, aanklagen: He —ed of the boys = klaagde over; To — to = zich beklagen bij; —ant = klager, lijder, eischer; —ing = klagend, onpasselijk; subst. klacht; —t = klacht, aanklacht, kwaal, ongesteldheid.

Complaisance, kompləz’ns, kompləzans, beleefdheid, hoffelijkheid, inschikkelijkheid; adj. Complaisant of Complaisant.

Complement, kompliment, subst. aanvulling, volle getal, volheid, toevoegsel, het bijkomende, complement; — verb. aanvullen: Three meals a day was the Homeric — = de taks, het aantal in de dagen van H.; The — of the squadron = getalsterkte; Complemental, Complementary = aanvullend, complementair.

Complete, k’mplît, adj. volledig, voltooid, af, volkomen; — verb. afmaken, voltooien; subst. —ness; Completion = voltooiing, vervulling; Completive = volkomen makend; Completory, subst. de completen, het deel van het Brevier, dat het officium van den dag afsluit (Kath. Kerk); adj. vervullend, voltooiend.

Complex, kompleks, subst. het geheel; adj. samengesteld, ingewikkeld.

Complexion, k’mplekš’n, gelaatskleur, teint, voorkomen; temperament, lichaamsgesteldheid.

Complexity, k’mpleksiti, samengesteldheid, ingewikkeldheid.

Compliance, k’mplaiəns, toegeving, toestemming, onderwerping: In — with = overeenkomstig; Compliant, toegevend, inschikkelijk.

Complicate, komplikeit, adj. ingewikkeld; — verb. verwikkelen, verwarren; Complication = verwikkeling, complicatie (Med.).

Complicity, k’mplisiti, medeplichtigheid.

Compliment, kompliment, subst. plichtpleging, lof, vleierij: —s of the season = Nieuwjaarswenschen; (Make) my best —s to = mijne hartelijke groeten aan; With the author’s —s = van den schrijver.

Compliment, kompliment, verb. complimenteeren, gelukwenschen, complimenten maken; —al = beleefd, beleefdheids ... = —ary (op boeken) = presentexemplaar.

Complin(e), komplin = Completory, de completen (Kath. kerk): To go to —s.

Comply, k’mplai, voldoen, toegeven aan, toestemmen: I complied with his wishes = voldeed aan; —ing = Complaisant.

Compo, kompou, compositie; mengsel, enz.; het woord is kort voor Composition.

Component, k’mpoun’nt, subst. en adj. samenstellend (deel).

Comport, k’mpöt, overeenkomen, overeenstemmen, zich gedragen; subst. compôte, kompət: She —ed herself with much gravity; The hangings do not — with the furniture = het behangsel past niet bij het ameublement; —ment = gedrag, houding.

Compose, k’mpouz, samenstellen, samenvoegen; bevredigen, tot bedaren brengen, in orde brengen, voorbereiden; zetten (drukkerij), componeeren, dichten, ontwerpen: What was it —d of? = waaruit bestond het?; —d = kalm; rustig; subst. —dness; —r = componist; Composing draught = kalmeerende drank; Composing-frame (-room, -machine, -stick) = zettersraam, etc. zethaak.

Composite, kompəzit, samengesteld, compositie - - (i.e. hout en ijzer); subst. samenstelling, mengsel; — candle = stearinekaars; — carriage = spoorwegrijtuig met verschillende klassen; — number = deelbaar getal; Composition, kompəziš’n, samenstelling, mengsel, geaardheid, opstel, arbeid, werk, schikking, verdrag, afkooping, bevrediging, het aangenomen bedrag, het letterzetten: A — of a shilling in the pound = een accoord van vijf percent; He has no fear in his — = kent geen vrees; Compositor = letterzetter.

Compost, kompo(u)st, subst. mengmest; pleisterkalk, gemengd nieuws; — verb. mesten; bepleisteren.

Composure, k’mpoužə, kalmte, bedaardheid, bezadigdheid: He upset my — = hij bracht mij van mijn stuk.

Compote, kompout, compôte.

Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: — fracture = dubbele breuk; — interest = interest op interest; — leaf = sameng. blad; — system = stelsel om mijnwerkers in eene afgesloten ruimte te houden.

Compound, k’mpaund, samenstellen, vermengen, vereenigen, bereiden, delgen, schikken, accordeeren: The matter was —ed for = geschikt; He —ed for his escape = maakte een accoord; He —ed the felony = hij trok de aanklacht in na schadeloosstelling; We —ed some hot stuff = bereidden wat warmen drank; —able = aflosbaar, etc; —er = menger, bereider; hij, die een accoord aangaat.

Comprador, komprədö, Chineesch handelsagent voor Europ. handelshuis.

Comprehend, komprihend, omvatten, insluiten; begrijpen; Comprehensibility = begrijpelijkheid; Comprehensible = duidelijk, begrijpelijk; Comprehension = bevatting, begrip; omvang; Comprehensive = veelomvattend, uitgebreid, groot; bondig: subst. —ness.

Compress, kompres, compres, doek.

Compress, k’mpres, samendrukken, verdichten; Compressibility = samendrukbaarheid; Compressible = samendrukbaar; —ion = samendrukking, bondigheid, beknoptheid; —ive = samendrukkend; —or = drukverband, soort machine, kettingstopper.

Comprise, k’mpraiz, bevatten, insluiten.

Compromise, komprəmaiz, subst. minnelijke schikking, overeenkomst; tusschending; — verb. schikken, bijleggen; compromitteeren, op ’t spel zetten: A life of — = van geven en nemen; I will so far — the matter as to accompany you thither = ik zal er mij dan toe laten vinden er met u heen te gaan; To — one’s principles = het met zijne beginselen op een accoordje gooien; Let us — opinions = laten wij het zien eens te worden.

Compromit, komprəmit, in gevaar stellen, compromitteeren.

Comptant, kaunt’nt, contant geld.

Comptoir, koŋtwö, kantoor, toonbank.

Comptroller, k’ntroulə. Zie Controller.

Compulsion, k’mpɐlš’n, dwang: On (By) — = gedwongen; Compulsory = dwingend, gedwongen, dwang - -: — attendance = verplicht schoolbezoek; — military service.

Compunction, k’mpɐŋkš’n, wroeging, gewetensknaging; Compunctious = berouwhebbend.

Compurgation, kompɐ̂geiš’n, vrijspraak van een beschuldigde op de beëedigde verklaring van 12 personen; Compurgator of kəmpɐ̂gətə = iemand die zoo’n verklaring aflegt.

Computable, kəmpjûtəb’l, kompjutəb’l, berekenbaar; Computation = rekenen, berekening, omslag; Compute = (be)rekenen, omslaan, overwegen.

Comrade, komreid, kameraad, “burger”; —ship.

Con, kon, subst. het tegen: Pro and — = het vóór en tegen.

Con, kon, zorgvuldig nagaan, van buiten leeren; een schip sturen door aanwijzingen van den roerganger: He —ned over his lessons = leerde zijne lessen van buiten; He —ned thanks = betuigde zijn dank.

Concatenate, kənkatəneit, aaneenschakelen; subst. Concatenation.

Concave, konkeiv, subst. holte, (hemel), gewelf; adj. hol, concaaf; — verb. uithollen; Concavity, kənkaviti, holheid; Concavo-concave = hol aan de beide oppervlakten; Concavo-convex = hol aan de eene, bol aan de andere zijde.

Conceal, k’nsîl, verbergen, geheim houden, wegstoppen, vermommen; —able = wat verborgen kan worden; A —ed royalist = verkapte; —er = verberger, heler; —ment = geheimhouding: Place of — = schuilhoek.

Concede, k’nsîd, toegeven, opgeven, toestaan, toestemmen: To — attention to = schenken.

Conceit, k’nsît, subst. bevatting, begrip, meening, valsche waan, verwaandheid; eigenaardige, grillige opvatting of denkbeeld, spitsvondige geestigheid; — verb. opvatten, zich verbeelden: He was a little out of — with her = hij mocht haar niet meer zoo graag; A man of a quick — = vlugge bevatting; A —ed fellow = verwaande vent; —edness = inbeelding, geaffecteerdheid.

Conceivable, kənsîvəb’l, denkbaar, begrijpelijk; Conceive, k’nsîv, een denkbeeld vormen, denken, zich voorstellen, begrijpen, bevatten, opvatten, zwanger worden, ontvangen.

Concentrate, kons’ntreit, kənsentreit, in een punt vereenigen, concentreeren, samentrekken op; subst. Concentration; Concentrative = geneigd of dienend tot concentratie; Concentrativeness.

Concentre, k’nsentə, in een middelpunt samenkomen (samenbrengen); Concentric = Concentrical = concentrisch; subst. Concentricity = de eigenschap van of geschiktheid tot concentreeren.

Concept, konsept, begrip; Conceptual: — incongruities = begripsverwarringen, inconsequenties; Conception = voorstelling, begrip, opvatting, gedachte, ontwerp; ontvangenis.

Concern, k’nsɐ̂n, subst. zaak, onderneming, ding; belang, bezorgdheid, angst; — verb. betreffen, aangaan; ontstellen, bezorgd maken: A manufacturing — = fabriekszaak; I have no — with it = niets mee te maken; That is no — of any one’s = dat gaat geen mensch wat aan; I do not care for the whole — = ik geef niets om het heele spul: Common —s = alledaagsche zaken; Forget such worldly —s now = wereldsche zaken; I am —ed for your welfare = stel belang in (maar maak mij ongerust over); He was greatly —ed for the loss, his friend had suffered = hij had erg te doen met; To be —ed in a plot = betrokken bij; I am not —ed with his opinions = - - - gaan mij niet aan; So far as I am —ed = wat mij aangaat; —ing = betreffende; —ment = zaak: He has no —ment for it = hij bekommert er zich niet om.

Concert, konsət, overeenstemming, harmonie, concert: The European —; They acted by — = één van zin; I have acted in — with your wishes = overeenkomstig uwe; —-hall; —ize = concerten geven.

Concert, k’nsɐ̂t, samenwerken, afspreken, een plan maken, meerstemmig arrangeeren: The —ed works were Beethoven’s Seventh Symphony and Schumann’s Quartet in A minor = de uitgevoerde, ten gehoore gebrachte stukken.

Concertante, kontšɐ̂tanti, concertstuk voor solo-instrumenten; Concertina, konsɐ̂tînə, concertina (soort v. harmonica); Concerto = concertstuk (voor solo met begeleiding).

Concession, k’nseš’n, vergunning, concessie; Concession(n)aire, Fr. uitspraak, Concessionary, k’nseš’nəri. Concessioner (Amer.), concessionaris; Concessive = vergunnend, concessief.

Conch, koŋk, zeeschelp; —a, koŋkə, oorschelp; gewelf van een halfkoepel of nis; —ifera, koŋkifərə, schelpdieren met twee schelpen; —iferous, koŋkifərɐs, schelpen voortbrengend of bevattend; —ology, koŋkolədži, kennis van schelpen en hare bewoners.

Conciliar, k’nsiljə, Concilium - - -.

Conciliate, k’nsiljeit, verzoenen, bevredigen, (voor zich) innemen: A conciliating person = innémend mensch; Conciliation = verzoening, etc.; Conciliative, Conciliatory = verzoenend; Conciliator = bemiddelaar.

Concise, k’nsais, beknopt, zaakrijk; subst. —ness.

Concision, k’nsiž’n, besnijdenis; beknoptheid.

Conclave, konkleiv, (geheime) kardinaalsvergadering; de vergaderde kardinalen, hunne vergaderzalen, geheime zitting.

Conclude, k’nklûd, besluiten, beslissen, bepalen, opmaken uit, ten einde brengen, vaststellen, eindigen, sluiten: To — alliances (peace) = sluiten; I — from your words to his guilt = ik maak uit uwe woorden op, dat hij schuldig is; To be —d = slot volgt; Conclusion, k’nklûž’n, besluit, einde, afloop, gevolgtrekking: I will try —s with him = mij met hem meten; Conclusive, k’nklûsiv, afdoende, beslissend: — evidence = afdoend bewijs; subst. Conclusiveness.

Concoct, k’nkokt, samenkoken, bereiden, zuiveren, overlèggen, smeden, beramen, verteren; —ion = bereiding, overleg; beraming; —er = bewerker.

Concomitance, k’nkomit’ns, Concomitancy, co-existentie: In — with = tegelijk met.

Concomitant, k’nkomit’nt, subst. het begeleidende of bijkomende; adj. vergezellend, bijkomend.

Concord, koŋköd, eendracht, overeenstemming, harmonie; —ance, k’nköd’ns, overeenstemming, index, concordans; —ancy = overeenstemming; —ant = overeenstemmend; —at, k’nködat, overeenkomst, concordaat.

Concourse, kon(g)kös, toeloop, samenloop, menigte, vergadering.

Concrete, koŋkrît, kənkrît, subst. concreet begrip; beton; adj. compact, concreet, uit beton bestaande: The floor is — = de vloer is van beton; —-steel = Ferro— = gewapend beton.

Concrete, k’nkrît, een compacte massa vormen (daartoe vereenigen), kristalliseeren, met beton bouwen; —ness = concreetheid, geronnen of bevroren zijn, verdikking; Concretion = vastworden, vaste massa, verharding; Concretionary = door concretion ontstaan.

Concubine, koŋkjubain, bijzit; Concubinage, k’nkjûbinidž, concubinaat.

Concupiscence, kənkjûpisens, wellust, zondige begeerte, ontucht; adj. Concupiscent = Concupiscible.

Concur, k’nkɐ̂, samenkomen, samenvallen, overeenkomen, overeenstemmen, bijdragen tot, medewerken: I — in this opinion, wish = ben het daarmede eens; To — with the views of an author; —rence, k’nkɐr’ns, Concurrency, k’nkɐr’nsi, samenvallen, overeenkomst, vereeniging, goedkeuring, medewerking: Their entire —rence with our plan; We acted in —rency = wij traden gemeenschappelijk op; —rent, k’nkɐr’nt, subst. bijkomende omstandigheid, medewerker, mededinger; adj. samenwerkend, mededingend, gelijktijdig; subst. —rentness.

Concuss, k’nkɐs, schokken, dwingen (into); —ion = schok, botsing; afdreiging: —ion of the brain = hersenschudding; Concussive = schokkend.