Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 138
Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan, manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte, aanloop, middel, vak: He has a — with him = hij heeft zoo iets over zich; Where there is a will there is a — = willen is kunnen; That’s the — = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that —, is it? = ah! zit de vork zóó in den steel; That’s the — of wives = zoo doen onze vrouwtjes; It is the other — about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; — in, — out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told me so by the — = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my photo by — of apology = bij wijze van excuus; That is by — of learning a trade = het is met het doel om; We went there by — of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a long — = op lange na de eerste maal niet; For once in a — = bij uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my — = ge hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your — for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general — = over ’t algemeen; The picture is, in a —, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the — of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the — here = dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the —? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-— place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the — on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of my — = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the — = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s — = zorg dat u niets kwaads overkomt; He went out of his — to inform me of it = gaf zich heel veel moeite; I won’t go out of my — to benefit you = wil geen moeite doen te uwen behoeve; He lives over the — = hier tegenover; The ship got under — (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of — for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; —s and means = bronnen van inkomsten: The committee of —s and means has granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any — he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad — = er slecht aan toe; He has got into bad —s (fallen in evil —s) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every — = in alle opzichten; She is in the family — = ze moet bevallen; The village lies half — between the towns = halverwege tusschen; He went London — = den weg naar Londen op; He begged his — back to his native village = ging al bedelende; Clear the —, there! = maak ruim baan; Come this —, sir = kom eens hier, baas(je); Come your —(s) = allo! ga mee; He elbowed his — through the crowd = baande zich een weg door; He got his own — = kreeg zijn zin; He went his —(s) = ging heen, vertrok; He has gone the — of all flesh (of all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long — with the minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) — = zijn zin hebben; Will you lead the —? = vooropgaan; I had lost my — = ik was verdwaald; He is sure to make his — in the world = zal zijn weg wel vinden; At your age you must make (a) — for another = moet ge plaats maken, wijken; We made the best of our — home = maakten dat we zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own — = gij moet zelf weten wat ge doet; He took his — to Antwerp = vertrok naar; interj. (= Away) weg: — back! = terug; Go (your) — = ga weg! Oh, do — John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) —s = stapelblokken (Scheepst.); —-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een vrachtwagen): Express, ordinary, parcel —-bill = lijst van de ijl-, vracht-, bestelgoederen; —-board = leemader; —-bread = groote weegbree; —farer = reiziger; —faring = het reizen; —faring-tree = wollige sneeuwbal; —going = vertrekkend, reis—: —going crop = oogst van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; —(z)goose = jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; —lay, weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); —layer = belager; —-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; —-maker = baanbreker, voorlooper; —-mark = wegwijzer; —-passenger = onderweg opgenomen passagier (Amer.); —side, subst. weg, kant van den weg: Tales of a —side inn = verhalen in eene herberg aan den weg; —-station = tusschenstation (Amer.); —-warden = wegopzichter; —sore = —-worn = moe van het reizen.
Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. —ness.
Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); —-ship.
We, wî, wij: It is — = wij zijn het.
Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende, gebrekkig: This coffee is as — as ditch-water = zoo slap als spoelwater; He is as — as water in his wife’s hands = als was in de handen van zijne vrouw; That is his — side and it is there you must take him = dat is zijne zwakke zijde; The — spot in the scheme = het zwakke punt; In the struggle for life the —est go to the wall = bezwijken de zwaksten; — verbs = zwakke werkwoorden; —-eyed = met zwakke oogen; —-headed = met gering verstand; —-hearted = flauwhartig; —-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden; —-made = zwak gebouwd, onsterk; —-minded = zwak, besluiteloos; —-sighted = met een zwak gezicht; —-spirited = lafhartig, beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; —er; Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv. zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a — for = zwak hebben voor.
Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen; — verb. striemen: — and woe = wel en wee; The common, general, public — = het algemeene welzijn of nut.
Wealth, welth, rijkdom, overvloed = —iness; adj. —y = rijk.
Weald, wîld, open boschland: The — = zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.
Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no desire to — him from Bessie = aan B. te onttroggelen; —ling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.
Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no — handy but a poker = een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, —s down” = handen omhoog, wapens neerleggen! —ed = gewapend, toegerust; —less = ongewapend.
Wear, wîə.
Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode; — verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its ornaments had suffered much from the — and tear of time = door den tand des tijds; There is yet a good year’s — in that coat = die jas kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for — = nog niet veel versleten; To be all the — = algemeen gedragen worden; She —s the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to — it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen; You — your sweet smile to day = hebt uw vriendelijken glimlach; To — the willow = om de(n) geliefde treuren; Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day —s away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks will never — away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will — off with time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time wore on = ging voorbij; To — out = afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van, uitgeput; To — ill = zich slecht houden; His patience is wearing thin = raakt op; This cloth —s well = houdt zich goed in het dragen; You — (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; —able = geschikt om te dragen; —er = drager, wat uitslijt; —ing: —ing-apparel = lijfdracht, kleederen.
Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend; subst. —ness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk; — verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for): I am — of working = het werken moe; I am — with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij; The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of patience = zijn geduld verliezen.
Weasand, wîz’nd, luchtpijp.
Weasel, wîz’l, wezel: Catch a — asleep! = jij zult mij te pakken nemen! —-faced = met een scherp en mager gezicht.
Weather, wedhə, subst. weder of weer; — verb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen: Fair, fine, settled — = mooi, bestendig; Foul, Wild — = slecht, onstuimig; How is the —? = What is the — like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of — = had met hevige stormen te kampen; The — has been very settled these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The cold — at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship makes good (bad) — = houdt zich goed (slecht) in een storm; To sing and dance all —s = de huik naar den wind hangen; — and wind permitting = wind en weder dienende; To — a cape = bovenlangs zeilen; To — a point = bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden; To — a ship = de loef afsteken; This ship is sure to — (out) the storm = dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in; —-anchor = anker aan de windzijde; —-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A —-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat; —-bitten = verweerd; —-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= —-boarding); — verb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.; —-bound = door het weer teruggehouden of opgehouden; —-box = weerhuisje; —-breeder = een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken; —-cloth = verschansingskleed, presenning; —cock = weerhaan, wispelturig persoon: She is rather —cocky = wispelturig; —-eye: He keeps his —-eye open = hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet; —-fish = modderkruiper; —-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the —-gauge of a person = iemand de loef afsteken; —-glass = weerglas; —-house = weerhuisje; —-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of venster); —-proof = tegen het weer bestand; —-prophet = weervoorspeller; —-quarter = loefzijde, windkant; —-report = weerbericht; —-roll = het overhalen van het schip naar loefzijde; —-side = loefzijde; —-strip = tochtlat; —-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; —-vane = windwijzer; —-wise = weerkundig; —-worn = verweerd; —ed = door het weer geteisterd, verweerd; —ing = verweering; glooiing, afwatering; —ly = loefgierig.
Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To — all pieces on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever; —-bird = wever(vogel); draaikever; —-fish = pieterman; —’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: —-loom = weefgetouw.
Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A —, piping, shrill Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! —-faced = met mager, uitgedroogd gelaat; zie Wizen.
Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies; — verb. als met een weefsel bedekken; —-eye = nagelvlies op het oog; —-foot = zwempoot; —-footed = met zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: — feet; Webbing = geweven banden voor gordels, etc.
Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He has been —ded to truth from his infancy = de waarheid is zijne leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It was only a marriage and no —, there was no breakfast and no feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond — = 25-, 50-, 60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china — = 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; —-breakfast = lunch na de huwelijksvoltrekking; —-cake = bruiloftstaart; —-card = huwelijkscommunicatie; —-day = trouwdag; —-dower = huwelijksgift; —-favours = rozetten door de bedienden gedragen; —-feast = huwelijksfeest; —-garment; —-gown; —-ring = trouwring; —-tour, —-trip = huwelijksreis(je).
Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge); — verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin (small) end of the — = hoed u voor den eersten stap; To — one’s way = dringen door; —-bone = wiggebeen; —-inscription = opschrift in spijkerschrift; —-shaped = wigvormig = —wise.
Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder Josiah Wedgwood (1730–95).
Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of — = buiten huwelijk geboren; To enter upon — = in ’t huwelijk treden.
Wednesbury, wenzb’ri.
Wednesday, wenzdi, Woensdag.
Wee, wî, klein: A — bit = een klein beetje.
Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meest —s); — verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a lover of the —? = rookt gij graag; Ill —s grow apace (never wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) —s = in haar weduwenrouw; Many defects will have to be —ed out first = uitgeroeid; —-grown = met onkruid begroeid; —(ing)-hook = wiedijzer; —-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en struiken; —er = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding: —-shears = wiedschaar; —-tongs (—-forceps) = wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.
Week, wîk, week: Will you come a — from Sunday = Zondag over eene week; Next —, Last — = aanstaande, verleden week; The last — = de laatste week; The next — = de volgende week; Next — or — after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) — = vandaag over acht dagen; — and — about = om de andere week; — in, — out = week in, week uit; I’ll call again a — or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic — = zeven jaren; —day = werkdag; —-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.
Ween, wîn, denken, wanen, meenen.
Weep, wîp, subst. het schreien; — verb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private — = schreide in haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (= —ers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly —ers; Weeping: —-ash = treuresch; —-birch = treurberk; —-elm; —-rock = dropsteen; —-spring = sijpelende bron; —-tree = treurboom; —-willow = treurwilg.
Weet, wît, watersnip, riethoen.
Weever, wîvə, pieterman (visch).
Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; —led —(l)y = vol wormen.
Weft, weft, inslag, weefsel.
Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ± 1453,946 L.; Zie Wey); — verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten: We are getting under — at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He was —ed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been —ing it carefully = zorgvuldig overwogen; They —ed anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility —ed him down = drukte hem; The flour was —ed out to the poor women = toegewogen; That does not — (with him) = dat beteekent niets (bij hem); —-bridge = brugbalans; —able = weegbaar; —age, weiidž = weegloon; waaggeld; —er = weger; Weighing: —-house = waag; —-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; — verb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross — = bruto gewicht; Dead — = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net — = netto gewicht; Set of —s = stel; He is a person of some — = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light — became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short — = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no — with me = weegt niet bij mij; It has a special — just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth its — in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great — = van veel gewicht zijn; This I give you only to make — = om het gewicht vol te maken; To pull up the —s of the clock; His mind must not be —ed with all that stuff = niet bezwaard worden; His words were —ed with the sorrow of parting = waren droevig door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.
Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.
Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering: — Sisters = schikgodinnen; (= —s); To dree one’s — = zich in zijn lot schikken (Schotl.).
Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen; —er.
Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; — verb. verwelkomen: Most — home = hartelijk welkom thuis; And — = en van harte; You are quite — to it = het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen; You are — to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and — = om mijn part was hij doodgegaan; To bid — = welkom heeten; He made us — = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s — = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; —r = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.
Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); — verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together, but properly —ed = maar zitten behoorlijk in elkaar; —able = wat geweld kan worden; —er = wie welt; A —ing heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte; —ing-furnace.
Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.
Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.
Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; — verb. opwellen, ontspringen, vloeien: The — of a carriage = flesschenkeldertje van een wagen; The — of an orchestra = zitplaats (in een theater) voor het orkest; She is at the —s = gebruikt de wateren; Tears would — (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The —ing tears suffused her eyes = de opwellende tranen; —-boat = visschersschuit met bun; —-deck = deel van het dek tusschen bak en groote hut; —-drain = draineerbuis; — verb. draineeren; —-head = bron, oorsprong, bronwel; —-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap; —-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; —-sinker = putgraver, -boorder; —-spring = bron; —-staircase = wenteltrap; —-sweep = lange stok om water te putten; —-water = wel- of bronwater.
Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very — = ik ben heel goed; I am — with that family = op goeden voet; It is — with = staat goed met; Where it is — with me, there is my country = waar het mij goed gaat; That’s — = in orde; It is all very — for B. to talk of burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always — to look ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is —, they have had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; — to live long! hoe heerlijk is het; The — and the ailing = gezonden; —, I never = heb ik ooit van m’n leven! —! = welnu! Hoe staat het? etc.; — done = Bravo! All’s — that ends — = eind goed al goed; Leave — alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as — stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as — as rich = zoowel... als; You may — say so = dat zegt gij wél; All — and good = alles goed en wel; If you have some better engagement — and good = enfin, dan is het niet anders; He was sitting — back in his arm-chair = flink, ver achterover; The servant is — enough, but = vrij goed; The clergy are — to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is — nigh sixty = welhaast; To be —-off = goed “af” zijn, het goed hebben; To be —-off for = goed voorzien van; At six we were — on our way = een heel eind op weg; We are — on in July = een groot deel van Juli is al om; To be — out of = gelukkig af zijn van; Before he was — out of the room = goed en wel de kamer uit was; —-a-day = helaas! —-advised = goed geraden, welonderricht; —-affected = genegen, welgezind; —-appointed = volledig uitgerust, keurig ingericht; —-authenticated = door goede autoriteit gestaafd; —-balanced = evenredig, gelijkmatig; —-behaved = van goed gedrag, fatsoenlijk; —-being = welzijn; —-beloved = veelgeliefd, dierbaar; —-born = van goede geboorte; —-bred = beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming; —-chosen = juist gekozen; —-conditioned = in goeden staat; —-content(ed) = gelukkig, tevreden; —-derived = van goede afkomst; —-deserving = verdienstelijk; —-disposed = welgezind; —-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; —-dressed; —-educated; —-favoured = knap uitziend; —-fed; —-founded = op goede gronden steunend; —-informed = goed op de hoogte; —-knit = krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; —-known = (wel)bekend; —-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); —-mannered = van goede manieren, welgemanierd; —-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; —-meant = oprecht, hartelijk; —-met = heil, welkom; —nigh = bijna; —-paid = goed betaald; —-proportioned = goed geëvenredigd; —-read = belezen; —-refined = hoogst beschaafd; —-remembered = welbekend; —-reputed = te goeder naam bekend, beroemd; —-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of —-seasoned soldiers = beproefde soldaten; —-set = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; —-spoken = vriendelijk; —-thumbed = beduimeld, veel gelezen; —-timed = tijdig; —-to-do = welgesteld: The —-to-do = de gegoede burgerstand; —-wisher = wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; —-won = eerlijk verdiend; —-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.
Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: — (boot) = laars met lange schacht.
Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: —-flannel = fijne soort v. flanel; —man = inwoner van Wallis; —-rabbit, —-rarebit, Zie Rabbit; —-wig = kalotje (van wol of sajet); —woman.
Welsh, welš, zie Welch(er).
Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag; — verb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the — = totaal afgedragen.
Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; — verb. zich wentelen, rollen, baden; —-race = rennen met de zwaarste belasting; —-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).
Wemyss, wîmz.
Wen, wen, wen, uitwas.
Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; — verb. boeleeren; —er = boeleerder.
Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We —ed our way to the town = begaven ons.
Wend, wend; —ic; —ish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.
Went, went, imperf. van to go.
Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).
Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.
Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.
We’re, wîə = we are.
Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.
Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.
Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.
Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; —ism.