Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 128
Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To — grapes = druiven treden; To — (the) water = water treden; To — in a person’s (foot)steps (fig.); He —s on it, —s it under foot = vertrapt het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire = uitgetrapt; —-mill = tredmolen; —er; Treadle, tred’l, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; — verb. trappen.
Treason, trîz’n, verraad: High — = hoogverraad; —able = verraderlijk; subst. —ableness.
Treasure, trežə, subst. schat; — verb. vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He —d up all these memories = bewaarde zorgvuldig; —-house = schatkamer; —-seeker = schatgraver; —-trove = gevonden schat; Treasurer = schatmeester: —ship.
Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën (—-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords); —-bill (—-bond, —-note) = schatkistobligatie; —-bench = voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of Commons; —-warrant = schatkistontvangbewijs.
Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; — verb. behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a — to me = genot, traktatie; It is my — now = nu moet ik een rondje geven; He insisted on standing — = wou trakteeren; You have —ed me well, ill = mij goed, slecht behandeld; He —ed of many subjects = handelde over; He —ed us to a bottle and some excellent cigars = schonk eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He —ed me to the theatre; I’ll — myself to a new coat = me de weelde veroorloven; Ambassadors were sent to — with Russia = te onderhandelen; —er = onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling; Treatment = behandeling, handelwijze: I am under — = geneesk. behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a — = verbreken, aangaan, schenden; — of commerce; — of partition = verdeelingsverdrag; They are in — with the Greeks = in onderhandeling met.
Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant, sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); — verb. verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy —s = jongenssopranen; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.
Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); — verb. in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen, op de leest zetten: As the — so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the — = hij heeft het hoogste punt bereikt; I have got you up a — = in mijn macht, je zit er leelijk in; — of knowledge = boom der kennisse des goeds en des kwaads; — of life = boom des levens; Books, bound in —-calf = kalfsleer met boomfiguren; —-deity = afgodsboom; —-frog = boomkikvorsch; —-louse = bladluis; —-nymph = dryade; —-toad = boomkikvorsch; —-worship = boomvereering; —less = zonder boomen; —like = als een boom.
Treenail, trîneil, houten nagel.
Trefoil, trîfôil, klaver(blad).
Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.); —-chain.
Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; —-fence; —-gate; —-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.; —ed = met latwerk.
Trelawny, trəlôni.
Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; — verb. beven, rillen, sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a — = beef over mijn geheele lijf; He —d with fear = van angst; To — in every limb, in one’s shoes; —ment = triller (muz.); —r = bever, riller; Trembling: — in the balance = onzeker; —-poplar = ratelpopulier.
Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. —ness.
Tremolo, treməlou, triller, trilling.
Tremor, tremə, rilling, huivering: In a —; — cordis = hartklopping; Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. —ness.
Trenail = Treenail.
Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; — verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the —es = begon met de loopgraven; —-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy = scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher = graver, houten schotel, broodplank, tafel: —(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; —-man = goed en smakelijk eter = —-mate.
Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; — verb. geeren, zich richten, loopen, zich uitstrekken: The — of the sea-shore = de bocht der zeekust; The coast —ed to north = de kust liep noord.
Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.
Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag, vooral voor overledenen.
Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; — verb. doorboren of trepanneeren; —ner.
Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis.
Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; — verb. overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: Forgive us our —es as we forgive them that — against us = vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; To — on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden.... misbruik maken van; No —ing on the railway is allowed = de toegang tot den spoorweg is verboden; I hope I have not —ed upon your time = niet te veel van uw tijd geroofd heb; —er.
Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; —ed.
Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; —-board = teekenbord; A —-bridge = schraagbrug; —-work = steigerwerk of viaduct op palen en schragen (Amer.).
Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.
Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.
Trevet, trevet. Zie Trivet.
Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).
Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. —ness; Trial, traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving: By way of —; On — = op proef; On one’s — = in verhoor, in onderzoek; Hour of —; He’s a great — to us = baart ons veel zorgen; A — man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and — of the libraries = plaag en beproeving; A — at bar = processen waarbij de 4 rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3 Courts geen zaken behandeld konden worden; A — by jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his — = werd in verhoor genomen, vervolgd; To commit for — = naar een rechtbank verwijzen; Let him have a — = laat het hem eens probeeren; To make a — of = de proef nemen; To move for a new — = appelleeren; To be put on (committed for) — = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer gave much satisfaction in her —s = op den proeftocht (= —-trip); —-balloon = proefballon (ook fig.).
Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə, driehoekig: — compasses = passer met drie beenen; Triangulate, traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.
Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.
Tribal, traib’l, v. een stam: The — rules which regulate savage life; Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; —s-man, lid van een stam.
Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.
Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.
Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel, biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; —ship.
Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier (= — stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To pay the — of nature = den tol der natuur betalen; —-money = cijns, schatting.
Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.
Trice, trais, ophijschen.
Trice, trais, oogenblikje: In a — = in een wip.
Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.
Triceps, traiseps, driehoofdig.
Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis, trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.
Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).
Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); — verb. bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s — = kwajongensstreek; —s of fortune = grillen; Don’t come your —s here = haal hier geen streken uit; He has done the — = is dood, kapot; He always had the bad — of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd — = één slag (trek) meer; I knew every — of his face = iedere uitdrukking; I know a — worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a — or two = is uitgeslapen; He played you a bad — = heeft u eene leelijke poets gebakken; To show —s = kunstjes vertoonen; He —ed me out of a considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic —-changes = die dramatische verrassingen; —er = bedrieger; —ery = bedriegerij, bedotterij; —iness, subst. v. —y; —ish = vol streken, bedriegelijk; subst. —ishness; —siness, subst. v. —sy; —ster = bedrieger, schurk; —sy = schalksch, snaaksch, fijn; —y = vol streken, ondeugend, snaaksch.
Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood —d down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.
Trick-track, triktrak, triktrakspel.
Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.
Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); —ed.
Tricot, trîkou, tricot.
Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; — verb. op een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.
Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.
Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; —ate(d), traidentit (—eitid), met drie tanden.
Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de stad betreffend.
Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.
Tried, traid, beproefd: A — friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een bepaald rechter.
Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.
Trifid, traifid, in drieën gespleten.
Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; — verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon —s = zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money = ge vermorst; Don’t — with me = houd me niet voor den gek; —r = beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.
Trifoliate(d), traifouljit (—eitid), driebladig; Trifolium, traifoulj’m, klaver.
Trifurcate(d), traifɐ̂kit (—eitid), met drie takken of vorken.
Trig, trig, keurig, netjes.
Trig, trig, subst. remblok, remschoen; — verb. remmen, vastzetten.
Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the — = afvuren; —-guard = beugel (onder den trekker).
Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; —al, trigən’l, driepuntig, driehoekig; Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.
Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.
Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.
Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking = rijden goed op driewielers.
Trilateral, trailatər’l, driezijdig.
Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.
Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.
Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.
Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r), tremblant (muz.); — verb. trillen, vibreeren.
Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).
Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.
Trilogy, trilədži, trilogie.
Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; — verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): We are in good — = in goeden staat, op alles voorbereid; She was dressed in regulation — = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of — = slecht gestouwd; I —med him = veegde hem den mantel uit; To — a candle = snuiten; Will you — the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen, etc.); He —med the lamp = maakte de lamp in orde; I have —med this piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were —med = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To — one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independent members do not — to political demagogues = schikken zich niet naar; —mer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; —ming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; —mings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with —mings; —ness = netheid, etc.
Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.
Trinal, train’l, drievoudig: — unity.
Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.
Trinidad, trinidad.
Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; —ism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: —-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust; —-Sunday = Zondag na Pinkster; —-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans — Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.
Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; — verb. intrigueeren.
Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.
Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).
Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.
Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.
Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; — verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-— = op hun huwelijksreisje; Her foot —ped = zij struikelde; I —ped him up = heb hem den voet gelicht; They —ped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was —ped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.
Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.
Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.
Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.
Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. —al, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.
Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; — verb. verdrievoudigen; —-crown = pauselijke kroon; —-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication = verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.
Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).
Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.
Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.
Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap —s = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a sort of — or ambling canter much affected by South-African horses.
Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.
Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.
Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.
Trise, trais, opeischen.
Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. —ion, traisekš’n.
Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.
Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.
Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. —ness.
Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a — among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.
Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst. Trituration.
Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; — verb. zegepralen, zegevieren: He has —ed over all difficulties = glansrijk overwonnen; —al, traiɐmf’l, zegevierend: —al arch = eereboog; —al car = zegekar; —ant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: — car (chariot) = zegekar; —er = triumphator.
Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; —ate, traiɐmvirit, driemanschap.
Triune, traijûn, drieëenig.
Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.
Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a — = ik ben zoo gezond als een visch.
Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: — name = populaire naam voor dier of plant; —ity, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend iets: — verb. —ize; subst. —ness.
Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.
Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).
Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; — verb. schreeuwen (van een hert).
Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.
Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.
Trochee, troukî, trochee.
Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.
Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.
Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).
Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).
Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; — verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.
Trollop, troləp, slons, slet; —y = slonzig, vuil, zedeloos.
Trollope, troləp.
Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.
Trombone, tromboun, schuiftrompet.
Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; — verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s — = ritmeester worden; He sold out, and the sale of his — gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; —s of the line = linietroepen; To levy (raise) —s; —ing the colours = paradeeren; A —-horse = cavaleriepaard; —-ship = transportschip; —er = cavalerist, transportschip: He swears like a —er = vloekt als een dragonder.
Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.
Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.
Tropic, tropik, subst. keerkring: — of Cancer = kreeftskeerkring; — of Capricorn = steenbokskeerkring; The —s = de Tropen; —al = tropisch, beeldsprakig: —al fruit.
Trossachs, trosaks.
Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; — verb. draven, in draf zetten: Little —s of four or five years old = kleine hummels; A jog-— = sukkeldrafje; At (On a) full — = in vollen draf; He brought his horse to a — = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full — = in vollen draf; To go for a — = een eindje omstappen; To keep a person on the — all day = in touw houden (fig.); To — out = voorrijden; We’ll have to — you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.
Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my — = op mijn woord; In — = voorwaar, waarachtig; They plighted their — = beloofden elkaar trouw.
Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: —-horse = harddraver; —-match = harddraverij.
Trottoir, trotwâ, plaveisel.
Troubadour, trûbədûə, troubadour.
Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; — verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the — to = zich de moeite geven om; To be in — = in zorgen zitten; To bring — upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; —s like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into — = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting — = geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some — = dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the —? = de moeite doen, u den last getroosten; You might hare saved me that — = dien last kunnen besparen; I will spare no — = geen moeite ontzien; Don’t — (your head) about this = heb daar geene zwarigheid over; I will — myself no more about him = me niet meer druk om hem maken; May I — you for the gravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in —d water = in troebel water visschen; —r = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is — = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst. —ness; A troublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.
Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = — of the sea.
Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.
Troupe, trûp, troep tooneelspelers.
Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of — = eene broek; To go into — = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s — = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.
Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.
Trout, traut, forel(len); —-coloured = forelkleurig (wit met zwarte spikkels); —-farm = kweekerij; —let = kleine forel.
Trouvère, trûvêə, minnezanger.
Trove, trouv. Zie Treasure; —r = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of —r = aanklacht wegens deze toeëigening.
Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.
Trowbridge, troubridž.
Trowel, trauəl, subst. troffel; — verb. met een troffel opleggen; You are laying it on with a — = legt het er dik op (fig.).
Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): —(-weight) = gewicht van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver en juweelen; medicijnen.
Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; — verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run — = wegloopen; —-school = school voor geregelde verzuimers.
Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of — = witte (parlementaire) vlag; A — to your doggerel = schei uit met je gerijmel; You have broken (the) — = den wapenstilstand verbroken; To make — with = een wapenstilstand sluiten; —-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.
Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; — verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; —-man = ruilhandelaar, wagenrijder; —-system = gedwongen winkelnering; —age, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; —ful = wagenvol.
Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; — verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; —-bed = ledikant op rolletjes; He —s to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and — for social success = kruipen en buigen zich; —r = kruiper.
Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.
Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He —d after his father = sukkelde achter zijn vader aan.