Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 106
Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining, richting der golven, groote hoeveelheid: Chopping, Cross — = holle zee; Pitch — = stamp-zee; You are at — = op zee; glad mis, in de war; Ships out at — = in volle zee; Between the devil and the deep — = tusschen Scylla en Charybdis; The pockets in my pocket-book are full of — = vol zeewater; He was half —s over = “sikker”; On the high —s = in volle zee; Over— settlers; The — was rolling and tossing = de zee stond zeer hol; Calling of the — = gonzend geluid, dat van de kust uitgaat, en soms verscheidene mijlen landwaarts in gehoord wordt; These fishing-smacks can bow the — = goed zee bouwen; To go to —, To follow the — = matroos worden, zijn; To go by — = over zee; When do they put to — = steken ze in zee; —-acorn = zeepok; —-air = zeelucht; —-anemone = zeeanemoon; —-bank = zeekust, dijk; —-bar = zeezwaluw; —-bathing place; —-battle: —-beat(en) = door de golven gebeukt; —-board, subst. aan zee grenzend land, zeekust; adj. aan zee grenzend; —-boat = zeeschip; —-borne = overzeesch; —-bottom; —-boy = scheepsjongen; —-breach = doorbraak; —-breeze = zeewind; —-calf = zeehond, zeekalf; —-captain = scheepskapitein; —-change = verandering door de zee teweeggebracht: The great gift of Thackeray has suffered a —-change in a voice which knows few satirical tones = Th.’s groot talent heeft in dezen (Amerikaanschen) schrijver eene groote door de zee bewerkte verandering ondergaan in eene stem die weinig satirieks heeft; —-chart; —-chest = zeemanskist; —-chestnut = zeeappel; —-coal = steenkool; —-coast = zeekust; —-cook = scheepskok: Son of a —-cook = schooier; —-cow = zeekoe; —-crow (—-cormorant, —-drake) = aalscholver; —-dog = rob, waterrat (fig.); —-egg = zeeappel; —-elephant = zeeolifant; —farer = zeeman; —-faring man = varensgezel; —-fight = zeegevecht; —-fish = zeevisch; —-fowl = zeevogel; —-fox = zeevos; —-ga(u)ge = diepgang, toestel om peilingen te doen; —-girt = door de zee omringd; —-god = zeegod; —-going = zee...; ter zee varend; —-green = zeegroen(e kleur); —-hog = bruinvisch; —-holly = zeedistel; —-horse = zeepaardje, walrus, fabelachtig dier (half paard en half visch); —-island cotton = katoen van de kusten van Georgia, Z. Carolina en Florida; —-kale = zeekraal; —-king = viking; —-legs: I have got my —-legs now = ik kan me nu vrijelijk op het dek bewegen; —-leopard, zeehond uit de Zuidzee; —-letter = zeebrief (in oorlogstijd aan ieder onzijdig schip uitgereikt); —-level = niveau; —-line = kim; lange vischlijn; —man = zeeman, matroos; —manlike = als een zeeman; —manship; —-mark = baken; —-mew = zeemeeuw; —-needle = geep; —-pad = zeester; —-pass = —-letter; —-pie = gerecht van groente en vleesch met een korst gebakken; —-piece, (—scape) = zeegezicht, zeestuk (schilderij); —-pike = geep; —port = zeehaven, zeestad; —-purse = lederachtig omhulsel waarin haaien hunne eieren leggen; —-risk = zeegevaar; —-robber = zeeroover; —-room: To get —-room = het ruime sop bereiken; —-rover = zeeschuimer, kaperschip; —-serpent = zeeslang; —-shell = zeeschelp; —-shore = zeekust; —-sick = zeeziek; —-sickness = zeeziekte; —side = zee, zeekant: We are going to the —side this summer = gaan naar eene (zee)badplaats; —-stores = (magazijn van) scheepsbehoeften; —-tang = soort van zeewier; —-term = matrozen- of zeemansuitdrukking; —-tossed = door de zee geslingerd; —-unicorn = narwal; —-urchin = zeeappel; —-view; —-voyage; —ward = zeewaarts(ch); —way = zeeweg; —-weed = zeegras, wier; —-wind; —-wing = hamdoublet; —-wolf = zeewolf, viking; —-worthiness = zeewaardigheid van een schip; —-worthy = zeewaardig.
Seal, sîl, subst. rob, zeehond; zegel, lak, bezegeling, bevestiging, verzekering; — verb. zegelen, bezegelen, stempelen, bevestigen, sluiten, zijn zegel hechten aan: The great — = ’s rijks zegel; Lord Keeper of the great — = grootzegelbewaarder; Writs were issued under the great — = met ’s rijks zegel; To affix (put, set) one’s — to = zijn zegel hechten aan; A —ed book = een boek met 7 zegelen (fig.); To — a letter = lakken; —-engraver = stempelsnijder; —-ring = zegelring; — skin = robbevel; —er = robbenvisscher (persoon en vaartuig); —er of weights and measures = ijker (Amer.); —ery = robbenvangst, plaats daarvoor; Sealing = zegel - -; robbe - -; —-vessel = schip voor robbenvangst; —-wax = zegellak.
Seam, sîm, subst. zoom, naad; litteeken, laagje, maat van 8 bushels (290,8 L.); — verb. zoomen; met litteekens bedekken; —less = zonder zoom of naad; —y = met naden of zoomen: You see only the —y side of things = slechts van den ongunstigen kant; Everything has its fair as well as its —y side = je kunt de dingen van twee kanten beschouwen; He wore his coat the —y side without = het binnenste buiten.
Seamstress, semstrəs, naaister.
Seance, Fr. uitspr. séance (vooral spiritistisch).
Sear, sîə, adj. droog, dor; subst. dorheid; — verb. schroeien, branden, ongevoelig maken: In the — of the leaf = in den herfst; The wound was —ed up = dichtgeschroeid; —ed = verdroogd, dor, verhard, ongevoelig.
Search, sɐ̂tš, subst. het zoeken, onderzoek; — verb. onderzoeken, nasporen, sondeeren, visiteeren, fouilleeren, bestrijken (mil.), doordringen (v. koude): To go in — of (To make — after (for)) = zoeken, navorschen; To institute a strict — into = een nauwkeurig onderzoek instellen naar; The right of — = het recht aan bevelhebbers gegeven om schepen en scheepspapieren van andere naties in oorlogstijd te onderzoeken; In — of = zoekende naar; The truth was —ed out at length = werd uitgevorscht; —-light = (electrisch) zoeklicht; —-warrant = machtiging tot huiszoeking; —er = onderzoeker, visiteur, sonde, boterboor; Searching, subst. nauwkeurig onderzoek; adj. onderzoekend, nauwkeurig, scherp: There were —s of heart over that religious question = die godsdienstvraag leidde hen er toe tot zichzelven in te keeren; He gave me a — look = zag mij doordringend aan; — smell = doordringend, scherp; A — March-wind = een snerpende Maartsche wind; —ness = doordringendheid.
Season, sîz’n, subst. seizoen, geschikte tijd, tijdperk, jaargetijde; — verb. geschikt maken, gewennen, rijp maken of worden, kruiden, smakelijk maken, uitdrogen (van hout): Oranges were not in — = ’t was niet de tijd voor; He came in — = hij kwam van pas; Your remark is out of — = niet op hare plaats; The dead, dull, silly — = komkommertijd; The London — = de tijd van Maart-Augustus (in Londen, wanneer het parlement zijne zittingen houdt); The compliments of the — = gelukwensch met kerstmis en nieuwjaar; The height of the — = de tijd dat de “season” in vollen gang is; —-ticket = maand- of abonnementskaart; —(-ticket) holder = houder van eene maand- of abonnementskaart; The meat is not well —ed = niet goed gekruid; He is —ed to it = er tegen gehard; He —ed his speech with pleasant anecdotes = kruidde; —able = geschikt, gepast, gelegen: It is —able weather for Christmas = net weer voor; —er; —ing = toebereiding, kruiderij.
Seat, sît, subst. zetel, stoel, bank, zitting, zitplaats, landhuis, lustslot, tooneel; — verb. zetten, plaatsen, inwijden, vaststellen: A city is or has been the — of a bishop; The — of war was transferred to Bohemia = het tooneel van den oorlog; Keep your — = blijf zitten; He resumed his — = ging weer zitten; Take a — = ga zitten; He wanted to vacate his — = zijn ambt neer te leggen; Pray be —ed, Will you not be —ed? = wil u niet gaan zitten; —ing = stof voor zittingen (van stoelen, enz.).
Sebaceous, sibeišəs: — gland = vetklier.
Sebastian, sibastj’n.
Secale, sikeilî, rogge: — cornutum = moederkoren.
Secant, sîk’nt, subst. snijlijn; adj. snijdend, verdeelend.
Secede, sisîd, zich afscheiden of terugtrekken: He —d from the royal party; —r = afvallige, afgescheidene.
Secern, sisɐ̂n, scheiden, afscheiden; —ent, subst. en adj. afscheidingsorgaan, afscheiding bevorderend (middel).
Secession, siseš’n, afscheiding: The war of — = de burgeroorlog in Amerika (1861–65); Secessionist = afgescheidene; iemand die het in den burgeroorlog met de Zuidelijke staten hield (Amer.); deze wordt ook kortweg Secesh, siseš, genoemd: The — Bauers = de Boeren, die niet Krügers regeering steunden.
Seclude, siklûd, afsluiten, buitensluiten, afzonderen; —d = afgezonderd: He leads a —d life = leeft zeer afgezonderd en eenzelvig; Seclusion, siklûž’n, afzondering, uitsluiting: To live in —; Seclusive, siklûsiv, afzonderend, uitsluitend.
Second, sek’nd, subst. tweede, secondant, helper, seconde, secundawissel; adj. tweede, tweede (inferieure) kwaliteit, volgende op, ondergeschikt, ander; — verb. steunen, helpen, laten volgen: I can play a — on the piano = accompagneeren; — in command = onderbevelhebber; I am — to none in love of country = doe voor niemand onder; He got his — breath (wind) = kwam weer op adem; Every — day = om den anderen dag; To play — fiddle = de tweede viool spelen; On — thoughts = bij nader inzien; — youngest = op een na de jongste; The motion was —ed = werd gesteund; He came off —-best = was op één na de beste, trok aan ’t kortste eind; —-cousin = achterneef (-nicht); —-hand = uit de tweede hand, voor oud: A —-hand bookseller = tweedehandsboekhandelaar; —-hand witness = getuige, die wat hij meedeelt, slechts van hooren zeggen heeft; —-mourning = lichte rouw; —-rate = van den tweeden rang: A —-rate actor = acteur van den 2en rang; —-sight = vermogen om profetische visioenen te zien; Secondary, subst. afgevaardigde, gedelegeerde; adj. ondergeschikt, niet oorspronkelijk, ontleend, bijkomend: — circumstances = bij-omstandigheden; — colours = secundaire kleuren; — tints = zachte, grijze tinten; Seconder = steuner, bevestiger.
Secrecy, sîkrisi, geheimhouding, eenzaamheid, omzichtigheid: In — = in ’t geheim, stilletjes; I bound them over to —, enjoined — on them = legde hun geheimhouding op; I trusted to (relied on) your — = vertrouwde (rekende) op uwe geheimhouding: Secret, sîkrət, subst. geheim, stil gebed (bij de mis); adj. geheim, verborgen, stil, vertrouwelijk: The great — = het hiernamaals; Official — = ambtsgeheim; It was an open — = publiek geheim; In — = stilletjes; Can you keep a —? Then keep this (a) — = een geheim bewaren? Houd dit dan geheim; I would not let him into this — = ik wou hem niet in dit geheim inwijden; To let out a — = verklappen; subst. —ness.
Secretariat(e), sekrətêriat, secretariaat; Secretary, sekrətəri, secretaris, minister, secretaire, secretarisvogel: The Home, Colonial, Foreign — = de Minister van Binnenl. Zaken, van Koloniën, van Buitenl. Zaken; The — of War = Minister van Oorlog; Private — = particulier secretaris; — of an embassy (legation) = gezantschapssecretaris; —ship.
Secrete, sikrît, verbergen, verhelen, afzonderen, afscheiden (uit het bloed, enz.); Secretion, sikrîš’n, afscheiding; Secretive = afscheiding bevorderend; geheim, heimelijk; subst. —ness; Secretory of Secretory = afscheidend.
Sect, sekt, sekte; —arian, sektêriən, subst. afgescheidene; ook adj.: —arian school = confessioneele school; —arianism = sektegeest; —arianize = van sektegeest doortrekken; —ary = aanhanger eener sekte.
Sectile, sektil, splijtbaar.
Section, sekš’n, snijding, doorsnede, sectie (med.), afdeeling, paragraaf, stuk (staats)land van 640 acres (Amer.); — verb. in secties verdeelen: Longitudinal — = overlangsche doorsnede; Transverse — = dwarse doorsnede; —al = tot eene section behoorende, uit sections bestaande; —alism = particularisme; Sector = sector; Sectorial, sektôriəl, subst. snijtand; adj. snijdend.
Secular, sekjulə, subst. wereldlijk priester; adj. wereldlijk, honderdjarig, wat men slechts na groote tijdsruimten kan waarnemen, seculair: — clergy = seculieren; —ism = naam van een ethisch stelsel op de natuurlijke zedeleer gegrond; —ist, subst. aanhanger van —ism; adj. tot —ism behoorende; —ity, sekjulariti, wereldsgezindheid; —ization = secularisatie; —ize = seculariseeren.
Secundine, sekəndain, nageboorte.
Secure, sikjûə, adj. veilig, vertrouwend op, zeker, verzekerd; — verb. beveiligen, vastmeeren (van schepen), verzekeren, beschermen, beperken, zich verzekeren van, pakken, opsluiten: The name of a great man is already — to him = hem al gewaarborgd; I have —d two seats in the stalls = twee plaatsen genomen; In this way you will be —d against such mistakes = zult gij u hoeden of bewaren voor; Amply —d = voldoende gewaarborgd; Security = veiligheid, verzekerdheid, pand, borg(tocht), waarborg, obligatie: Government securities = staatspapieren; — is mankind’s greatest enemy = het zich veilig weten of wanen met daaruit voortspruitende zorgeloosheid is ’s menschen grootste vijand.
Securiform, sikjûriföm, bijlvormig.
Sedan, sidan, draagstoel = —-chair.
Sedate, sideit, kalm, rustig, bezadigd; subst. —ness.
Sedative, sedətiv, subst. en adj. pijnstillend of kalmeerend (middel).
Sedentariness, sed’ntərinəs, subst. v. Sedentary, sed’ntəri, zittend: Mine is a — life = ik heb een zittend leven.
Sederunt, sidîr’nt, zitting van een hof; uitdrukking om aan te wijzen wie ter zitting waren.
Sedge, sedž, zegge, rietgras.
Sedgemoor, sedžmûə; Sedgwick, sedžwik.
Sedgy, sedži, met sedge begroeid.
Sedilia, sidailjə, officieele zitplaats van den celebreerenden priester aan de rechterzijde van het altaar = Sedile, sədaili.
Sediment, sediment, bezinksel, neerslag, ketelsteen; —ary = sedimentəri, sedimentair: —ary rocks.
Sedition, sidiš’n, opstand; Seditious, sidižəs, oproerig, muitziek; subst. —ness.
Seduce, sidjûs, verleiden, verlokken; subst. —ment; —r = verleider, lokmiddel; Seducible = verleidbaar; Seduction, sidɐkš’n, verleiding; Seductive = verleidend, verleidelijk, verlokkend; Seductress = verleidster.
Sedulity, sidjûliti, naarstigheid; adj. Sedulous, sedjulɐs; subst. —ness.
See, sî, subst. rechtsgebied of waardigheid van een (aarts)bisschop: Apostolic (Holy, Papal) — = de Heilige Stoel.
See, sî, zien, aanschouwen, ondervinden, bezoeken, spreken, omgaan met, geleiden, zorgen voor, oppassen, inzien, doorzien: That’s the truth, —! = snap je; Don’t you — = zie je wel? I — = jawel; He came to — my daughter (Amer.) = maakte het hof; — that everything is in order = zorg dat alles in orde is; I’ll — you paid = zorgen, dat je je geld krijgt; We don’t — much company, much of him = ontvangen weinig bezoek, zien hem niet vaak; Will you — him to bed? = te bed brengen; To — to the door = uitlaten; He saw me downstairs = ging met mij de trap af en liet mij uit; I have —n quite enough of him = ik ben hem moe; He wanted to — all fair = dat alles in den haak was; I’ll — you home, (to the station) = u thuis, naar het station brengen; I will — you somewhere first = vóór dit gebeurt mag jij naar den duivel loopen; I will — about it = er voor zorgen, het overwegen; To — after = zorgen voor, toezien op; I — into your plans = ik doorzie uwe plannen; I will — you off = naar trein of boot brengen; He soon saw round their plans = doorzag, begreep geheel; I will — you through = er doorhelpen; Will you — to it? = er voor zorgen; I will — to your dinner = zorgen dat je wat te eten krijgt; Let me go and — = eens gaan kijken; —ing, subst. gezichtsvermogen; conj. aangezien, voor zoover; —r, sîə, ziener, profeet; —ress = profetes.
Seed, sîd, subst. zaad, nakomelingschap, afstamming; — verb. zaaien, zaad schieten: The few — = de weinige zaadjes; The — of David = Davids nageslacht; The flowers have run to — = hebben zaad geschoten; The business has run to — = is verloopen, achteruitgegaan; To sow the —s of discord; —-basket = zaaikorf; A —-bed of crime = broeinest van misdaad; —-bud = zaadknopje; —-cake = kruiderig gebak, kruidkoek; —-coat = zaadbolster, zaadomhulsel; —-corn, —-grain = zaaikoren; —-leaf, —-lobe = zaadvlies, zaadlob; —-pearl = stofpareltje; —-plat, —-plot = kweekerij, zaaibed; —-seller, —sman = zaadhandelaar; —-time = zaaitijd; —-trade; —ed = zaaddragend, bezaaid; —ling, subst. zaaiplant; adj. uit zaad ontsproten; —iness, subst. v. —y = vol zaad, kruiderig; kaal, schabbig; “katterig”.
Seek, sîk, verb. zoeken, doorzoeken, begeeren, zijne toevlucht nemen tot, pogen, etc.: In his knowledge of men and things he is sadly to — = is hij al bitter slecht op de hoogte; A man so much to — is ill qualified for that post = iemand die zóó slecht op de hoogte is; To — every possible means = beproeven; You must — after truth = naar waarheid streven; I have sought for it = ik heb er om gezocht; To — a lady in marriage = dingen naar de hand van; —er = (onder)zoeker.
Seem, sîm, schijnen, lijken, doorgaan voor: I —ed to see him = ik meende, dat; Things are not what they — = de schijn bedriegt; It would — that he has been slandered = het schijnt wel; It —s to me that you are right = het schijnt mij toe; —ing, subst. schijn, voorkomen; adj. schijnbaar, oogenschijnlijk; He is —ingly virtuous = in schijn; subst. —ingness, —liness = fatsoen, aangenaam voorkomen; —ly = betamelijk, geschikt, gepast: It is not —ly for you to be present = het past u niet.
Seen, sîn, p. part. van to see.
See-saw, sîsô, subst. wip(plank), wippen, schommelen; adj. op en neer (heen en weer) gaand; — verb. op en neer (heen en weer) gaan, wippen: Life is a — between gravity and jest = beweegt zich tusschen; To have a game (To play) at — = wippen.
Seethe, sîdh, koken, zieden; —r = kookketel.
Seg(g), seg, os.
Segment, segm’nt, subst. segment; — verb. in s. verdeelen: — of a circle (sphere); —al, segment’l, segməntəl, segment....; —ation = verdeeling (verdeeld zijn) in segmenten.
Segregate, segrigit, adj. afgescheiden, afgezonderd, uitgelezen; — verb. segrigeit, afzonderen, afscheiden; subst. Segregation, segrigeiš’n.
Seid, sîd, sei-id, sî-id; Seidlitz, sedlits: — powder = bruispoeder; — water.
Seignior, sînjə, subst. heer: Grand — = grootwaardigheidsbekleeder, de sultan van Turkije; —age, sînjəridž, regaal, muntloon, winstaandeel van uitvinder of schrijver; —ial, sinjôriəl, heeren - -.
Seine, sein.
Seine, sîn, zegen (vischnet); —r.
Seize, sîz, grijpen, vatten, confisqueeren, beslag leggen op, in ’t bezit stellen, aantasten, bevangen: I will — the very first opportunity = de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; We were landowners now duly —d and possessed = behoorlijk in genot en bezit van land gesteld = We had been duly —d of our property; To be —d with a cramp = kramp krijgen; —r; Seizin, sîzin, bezit, inbezitneming; Seizor = beslaglegger.
Seizure, sîžə, inbezitneming, beslaglegging, arrestatie, plotselinge aanval (van eene ziekte, b.v.), overrompeling: I told her the cause of her father’s — = haar vaders aanval van beroerte; To take — of = in bezit nemen.
Sej(e)ant, sîdž’nt, zittend met recht vooruitstekende voorpooten (Herald.).
Seldom, seld’m, zelden: — or never = zelden of nooit; — if ever = zoo ooit.
Select, silekt, adj. uitgelezen, keurig; — verb. uitkiezen: The company is small but — = klein maar rein; — committee = speciale parlementaire commissie; — writers = uitgelezen schrijvers; —-man = jaarlijks gekozen ambtenaar om de belangen der stad en de naleving der wetten te bevorderen (Amer.); Selection, silekš’n, keuze, keur: He formed a choice — of pictures = eene keurige verzameling; Natural — = natuurlijke teeltkeus; Selective, silektiv, nauwkeurig uitkiezend; Selectness, silektnəs, uitgelezenheid; Selector, silektə, uitkiezer.
Selene, səlîni, Selene, de maan.
Self, self, subst. en pron. persoon, ik(heid), bloem of bloesem van uniforme kleur: I am not my— = mezelf niet; Scrooge saw his former — = zijn vroeger ik; He is my other — = mijn tweede ik; He leads a life for — = is een egoist; The thing speaks for it— = is duidelijk genoeg; The love of — is innate to man = de eigenliefde is den mensch aangeboren; He did it of him— = uit eigen vrijen wil; — do, — have = niets gaat boven den man zelf; —-abasement = zelfverlaging, zelfvernedering; —-absorption = het opgaan in zichzelf; —-abuse = misbruik van eigen vermogens, zelfbevlekking; —-acting = zelfwerkend; —-annihilation = zelfvernietiging; —-assertive = aanmatigend; subst. —-assertion; —-command = zelfbeheersching; —-communing = te rade gaan met zichzelf; —-complacency = zelfingenomenheid; —-conceit = ingebeeldheid; —-conceited = ingebeeld; —-confidence = zelfvertrouwen; —-conscious = zelfbewust; —-consumer = haard met rookverbranding; —-contained = eenzelvig, zichzelf meester, afgesloten: —-contained flats = bovenhuizen met aparten opgang; —-control = zelfbeheersching; —-denial = zelfverloochening; —-destruction = zelfmoord; —-effacing = zichzelf wegcijferend; —-esteem = achting voor zichzelf; —-evident = klaarblijkelijk, zoo klaar als de dag; —-existence = zelfstandig bestaan; —-feeder = zich zelf voedende (regelende) machine; —-fertilization = zelfbevruchting; —-glorification = zelfverheerlijking; —government = zelfregeering, eigenbestuur; —-importance = eigendunk; —-interest = eigenbelang; —-love = eigenliefde; —-made = door zichzelf gebracht waar men is, door eigen inspanning geslaagd; —-moved = automatisch; —-possessed = kalm, bedaard; To regain one’s —-possession = zelf beheersching; —-registering; —-reliance = zelfvertrouwen; —-reproach = zelfverwijt; adj. en subst; —-reproving; —-respect; —-righteous = eigengerechtigd; subst. —-righteousness; —same = precies dezelfde; —-seeker = egoïst; —-seeking = zelfzuchtig; —-sufficiency = zelfgenoegzaamheid, eigenwaan; adj. —-sufficient; —-supporting = in eigen behoeften voorziend; —-trust = zelfvertrouwen; —-will = eigenzinnigheid, koppigheid; —-willed = koppig, zelfstandig, onafhankelijk; —ish = zelfzuchtig; subst. —ishness.
Sell, sel, subst. bedrog, beetnemerij; — verb. verkoopen, handelen, aftrek vinden, verkocht worden; bedriegen, beetnemen: An awful (No end of a) — = een gemeene beetnemerij; To — cheap, dear; To — one’s life dearly; The article —s rapidly (readily) = gaat grif van de hand; My description of the earthquake sold twenty thousand = er werden 20000 exemplaren verkocht van; The paper —s thousands in the capital = in de hoofdstad worden duizenden exemplaren verkocht; I discovered he had sold me = dat hij mij “verlakt” had; I sold it for a song = voor een appel en een ei; The —ing off had begun = uitverkoop (liquidatie); He sold out = verkocht zijne officiersplaats (zijn aandeel in de zaak); To — up = de eigendommen van een debiteur laten verkoopen; —er.
Seltzer water, seltsəwôtə, Selterswater.
Selvage, Selvedge, selvidž, zelfkant, geweven rand: —d = met een zelfkant.
Semaphore, seməfö, optische telegraaf; Semaphoric(al), seməforik(’l): — sign; Semaphorist = bediener van een semaphoor.
Semblance, sembl’ns, gelijkenis, schijn, voorkomen; adj. Semblant.
Semen, sîm’n, zaad; meerv. Semena, seminə; Seminal, zaad.., kiem...
Semi, semi, half, gedeeltelijk; —-annual(ly) = halfjaarlijks(ch); —-annular = halfrond; —-breve = heele noot = vier crotchets; —circle = halve cirkel; —circular = halfrond; —colon = komma-punt; —-detached houses = aan één kant vrijstaande; —-diameter = halve middellijn; —-fluid, subst. en adj. taai vloeibaar (iets); —-lunar = als een halve maan; —-metal = halfmetaal; —-official = officieus; —ped = halve voet (in prosodie); —pedal, semipîd’l, een halven voet hebbend; —-quaver = zestiende noot; —-tone = halve toon; —tonic, semitonik, van een halven toon; —-spheric(al) = half bolvormig; —-vocal = onvolkomen klinkend; —-vowel = halfklinker, vloeiletter.
Seminarian, seminêriən, seminarist = Seminarist; Seminary, seminəri, kweekschool, seminarium: Elementary, Superior — = klein, groot seminarie.
Semite, semait, Semiet; adj. Semitisch: An Anti-—; Semitic, səmitik, Semitisch: The Anti-— party; — Languages = Semitische talen.
Semola, semələ, Semolina, seməlînə, Semolino, seməlînou, griesmeel.
Sempervive, sempəvaiv, huislook.
Sempiternal, sempitɐ̂n’l, eeuwigdurend, eindeloos.
Sempstress, semstrəs, naaister.
Senary, senəri, zes bevattend, zestallig.
Senate, senit, senaat, hoogerhuis (Amer.); —-house = senaatsgebouw; Senator, senətə, senator; —ship; Senatorial, senətôriəl, senaat of senator behoorende (eig. Am.); Senatus, səneitɐs, academische senaat.