Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 40

Chapter 402,991 wordsPublic domain

Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To — oneself = het vaderland verlaten; subst. Expatriation.

Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not —ed to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in blijde verwachting; —ance = verwachting, hoop, opschorting; —ant = hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n, verwachting, vooruitzicht, belofte: To have —s from an old aunt = wat ‘te wachten’ hebben; — of life = vermoedelijke levensduur; — week = de week tusschen Hemelvaartsdag en Pinkster.

Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel); Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration, ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).

Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid; utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst. hulpmiddel, redmiddel.

Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen, snel afmaken of verrichten: The revolution was —d, instead of delayed = verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed, vlugge verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary = expeditie...: — troops; Expeditious, ekspidišəs, Expeditive, əkspeditiv, Expeditory, əkspeditəri, vaardig, vlug.

Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten; —lant, uitdrijvend middel; —ler: Pain-—ler = pijnstillend middel.

Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; —iture, əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere —iture of words (breath) = slechts verlies van woorden.

Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my — = op mijne kosten; To be at the — of = moeten betalen; I am sorry you were put to such — = dat gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great — = hij maakte veel kosten; Expensive = kostbaar; subst. —ness = kostbaarheid, duurte.

Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; — verb. ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no — = onervaren; It was outside all our — = zoo iets hadden we nog nooit beleefd; — is the best teacher = — is a good school = de onderv. is de beste leermeesteres; — keeps a dear school = door schade en schande wordt men wijs; — teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen; He —d religion = werd bekeerd (Amer.); An —d teacher = een ervaren onderwijzer; Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment, əksperiment, subst. proef; — verb. proeven nemen, experimenteeren (on); Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte; Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.

Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig, bedreven: To get — at = ervaren worden in; subst. —ness.

Expey = Expensive.

Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of — = Groote Verzoendag; adj. Expiatory: — sacrifice = zoenoffer.

Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood, vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: — execution = terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə, uitademen, den laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This ticket —d yesterday; Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The — of the copyright = het vervallen van het copierecht.

Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To — away = door toelichting uit den weg ruimen; —able = verklaarbaar; —er = verklaarder; Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come to an — with = het eens worden met; Explanatory notes = verklarende aanteekeningen.

Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend = Expletory.

Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit, uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend = Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig; subst. Explicitness.

Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen, verwerpen: An —d notion = opgegeven denkbeeld; He —d with his grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn vriend; —nt = ontploffingsgeluid; —r = ontploffingsmiddel.

Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; — verb. exploiteeren, uitbuiten, benutten, gebruiken (tot zijn doel); —ation, eksplôiteiš’n, exploitatie, uitbuiting, verkenning; —er, uitbuiter.

Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative = Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.

Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing; Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper, ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend: — cotton = schietkatoen; — signals = knalsignalen; subst. —ness.

Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential: — equation = vergelijking met den onbekende als exponent; — quantity = exponentiaal grootheid.

Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; —-duties = uitgaande rechten; —-trade = uitvoerhandel.

Export, əkspöt, uitvoeren; —able = uitvoerbaar; —ation, ekspöteiš’n = uitvoer; —er = exporteur.

Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.

Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen, ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen, uiteenzetten: They —d the child = lieten ... aan zijn lot over; Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring; tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk, woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə, blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent —), onthulling, uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by — = doodvriezing, etc.

Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen; Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator = afkeurder; adj. Expostulatory.

Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.

Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj. duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; — verb. uitdrukken, betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in beeld brengen; —-man = beambte bij een —-office = expeditiekantoor (Amer.); —-train = sneltrein; He —ed himself very distinctly = drukte zich uit; —ible = uitdrukbaar; Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring, voorstelling: He loves you past — = meer dan woorden kunnen zeggen; Expressive = vol uitdrukking, krachtig: — language = krachtige, levendige taal; — of deep interest = groote belangstelling uitdrukkende; subst. —ness.

Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory) expropriation = onteigening (bij de wet).

Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend; afdrijvend (middel).

Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.

Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation; Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory, əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: — Index = lijst van boeken, door den Paus verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen zijn gezuiverd.

Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd, keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst. —ness; Exquisitism = fatterigheid.

Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous, əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.

Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.

Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel); Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.

Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.

Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.

Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.

Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid; subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore, əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz, voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.

Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken, verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich verspreiden, beslag leggen: An invitation was —ed to me = mij ook werd eene uitnoodiging gezonden; I — my best hopes to you = ontvang; A more —ed book = omvangrijker boek; This group requires —ed notice = het is noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; He had the most —ed powers = de meest uitgebreide volmacht; —ible = uitrekbaar; Extensibility = uitrekbaarheid; adj. Extensible, əkstensib’l = Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension, əkstenš’n, uitbreiding, uitstrekking, verlenging, rekken, uitgebreidheid; omvang; Extensionist, əkstenšənist, iemand, die vóór extension (d.i. uitbreiding en verspreiding van universitair onderwijs) is; Extensive, əkstensiv, uitgebreid, veelomvattend: — knowledge = uitgebreide kennis; subst. —ness; Extensor, strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang, beslaglegging: To a certain — = tot op zekere hoogte; To the — of = ten bedrage van; He laughed at me to such an —, that I got my back up = lachte zóó om mij, dat ik boos werd.

Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation; Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.

Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste, buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: — angle = buitenhoek; —ity, əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor uiterlijke dingen.

Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst. Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war = verdelgingskrijg.

Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig = —al, subst. uitwendig deel; —als = uitwendige deelen, uitwendige ceremoniën en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality = uiterlijkheid.

Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.

Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande, niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction = blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.

Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren, vernietigen, opheffen, delgen; adj. —able; Extinguisher = uitblusscher, dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.

Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen; subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort eg of wieder.

Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.

Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. —ion; —ionary = afpersings - -; —ionate = onbillijk, buitensporig; —ioner = woekeraar.

Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art — = plaat als premie bij een tijdschrift; I took her on as — = (nood)hulp; adj. daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and twenty shillings a week for board and lodging: no —s = zonder meerdere kosten; — pay = toelage; —-postage = strafport; — special = extra tijding; — work = extra werk, strafwerk.

Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: — of beef = vleeschextract.

Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To — a tooth (To have a tooth —ed) = trekken (laten); To — the root of = den wortel trekken uit; —able = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel, afkomst, geboorte: — of roots = worteltrekking; Extractive = uittrekbaar; extract; Extractor = trekker, tang (voor (tand)artsen).

Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait, uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n, uitlevering: Law of — = uitleveringswet.

Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.

Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.

Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.

Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).

Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.

Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.

Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid, verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend, overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.

Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van bloed); subst. Extravasation.

Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens, hoogste graad: — unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous in the — = het is allerbelachelijkst; To carry to —s = op de spits drijven; —s meet = de uitersten raken elkander; He was in extremis = lag op het uiterste; Extremist, əkstrîmist, ultraradicaal, ultra; Extremity, əkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood, buitengewone gestrengheid of heftigheid: Driven to — = tot het uiterste gedreven; The extremities = de ledematen of extremiteiten: Nether —s = beenen; To push matters to —s = op de spits drijven.

Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate, ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.

Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.

Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid, overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.

Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative = uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden, afgescheiden worden.

Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; —ant (= —ing) = juichend, jubelend; subst. —ation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.

Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation, əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.

Eyas, aiəs, jonge valk.

Eyder, aidə, de Eider.

Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); — verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the — does not see, the heart does not grieve over; —s front! = Staat! (milit.); —s left (—s right) = richt u! The — of day (of the morning) = de zon; The — of a dome = ronde opening in; The — of an egg = hanetree; The — of a needle; It shows to the — of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet voor het geestesoog; The —s of a ship = kluisgaten; I could find no favour in his —s = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am getting my — in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an — over her = een waakzaam oog houden over; He has an — to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an — to my money = had het gemunt op; I have an — to business = ik let op de zaken, affaire; I will keep an — on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He looked upon me with an evil — = zag mij met een scheel oog aan; He sees a thing with half an — = met een half oog; I see — to — with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set —s on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn the blind — = een oogje dicht doen; —-ball = oogappel; —-beam = oogstraal; —-bolt = oogbout (scheepst.); —bright = oogentroost (plant); —brow = wenkbrauw; —-drop = traan; —-flap = oogklep; —glass = monocle, oogglas; —hole = kijkgat; —lash = wimper; —let = oog, vetergaatje, reefgat; —let-hole = vetergaatje; —lid = ooglid; —-opener = iets verbazends; —piece = oculair, oogglas; —-salve = oogzalf; —reach = —shot; —-servant = oogendienaar; —-service = oogendienst; —shot = gezichtsafstand: He was within (out of) —shot = hij was in (uit) het gezicht; —sight = gezicht, gezichtsvermogen: His —sight begins to fail = zijne oogen worden zwak; —sore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t oog: He is an —sore to me; —-string = oogzenuw; —-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my —-teeth here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; —-wash = oogwater = —-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); —witness = ooggetuige.

Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.

Eyot, aiət, riviereilandje.

Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in — = rondgaande rechters.

Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.

Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.

F.

F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet, feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. = f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts; F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs; Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological) S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p; F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o. b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal) A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical) S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft = foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F. W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S. = F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).

Fa, fâ, fa.

Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.

Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: — Society = een soc. pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie beoogt.

Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; — verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; —d animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande; —r = fabeldichter.

Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).

Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof, fabrikaat; —ate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. —ation; —ator = hij die vervaardigt, enz.

Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs, verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: — age = vóórhistorische tijd; subst. —ness = Fabulosity = fabelachtigheid.

Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.

Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid, onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat, vlak, façade; — verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: — of a coin = beeldzijde; In the — of day = op klaarlichten dag; The —s of a square = de zijden van een carré; This is unpardonable in — of the facts = met het oog op de feiten; He did it in — of all that is honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the — of it = op ’t eerste gezicht; To be — to — = tegenover elkaar staan; To fly in the — of danger = tegemoet snellen; I laughed in his — = in zijn gezicht; I will say so before his —, in his — = waar hij bij is; She said it with a little — = ietwat brutaal; I could not see my hand before my — = geen hand voor oogen; He told it me to the — = vlak in ’t gezicht; The King accepted the poor supplicant’s — = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer — = trok een raar gezicht; He entreated (sought) the King’s — = ’s konings gunst; He has his — at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two —s = men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long — = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry — = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of —s = allerlei gezichten trekken; I’ll put a good — on it = het van den besten kant beschouwen; He set his — against his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left —! Right —! = links-, rechtsom; Right about —! = rechtsomkeert; He —d the card = hij keerde om; He —d the consequences = aanvaardde; To — the enemy = het hoofd bieden; The country-seat —s the high-road = staat met de voorzijde naar; To — the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien; The room —s South-east = ligt op; It was more than my heart could — = verdragen, weerstaan; To — about = zich omkeeren; He —d his men down = overblufte; He wanted to — me down = hij wou mij door onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He —d it out = hij hield het brutaal vol; —-ache, feiseik, —-ague, feiseigju, aangezichtspijn; — and hood = driekleurig viooltje; —-card = heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); —-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een doode; —-guard = masker; —r = slag in ’t gezicht, teleurstelling.

Facet, fasət, facet; — verb. met facetten slijpen.

Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur; Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. —ness.

Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: — angle = gelaatshoek; — contractions = gelaatsverwringingen.

Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig, licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a — pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.

Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud, wending, zwenking (Mil.): — of tea = thee kleuren ter vervalsching.

Facsimile, faksimili, subst. facsimile; — verb. eene juiste nabootsing geven van.

Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In — = inderdaad, feitelijk.

Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult, opstand; —ist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs, partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. —ness.

Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.

Factitive, faktitiv, causatief: — object, zooals b.v. het woord duke in: The queen made him a duke.

Factor, faktə, agent, facteur, factor; —age, faktəridž, commissieloon; —ship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand = fabrieksarbeider.

Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.

Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief; Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin, bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The — = medische faculteit, de medici.

Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; —dish = grillig; —dist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; —dy = vol fads.

Faddle, fad’l, beuzelen.

Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; — verb. verwelken, verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.

F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces, fîsîz, faecaliën, bezinksel.

Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; — verb. zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel gebruiken: —ged out = doodop; —-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje, slot.

Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel; oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; — verb. samenbinden; To smell of the — = naar den mutsaard rieken; —-voting, bestond hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.

Fagin, feigin.

Fagotto, fagotou, fagot.