Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 37
Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my — in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; —s = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); —al, eləment’l, de elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: —al spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders, gnomen, sylphen en undinen; —alism, eləmentəlizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; —ariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; —ary, eləmentəri, eenvoudig, elementair: —ary education = lager onderwijs.
Elephant, eləf’nt, olifant: White — = een weinig benijdenswaardig bezit (meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen; To see the white — = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in ongunst. zin); To have seen the white — = de nieuwste knepen kennen, slim zijn; —paper = olifantspapier (711 × 534 mM.); —iasis, eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-, olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid, eləfantoid, olifantachtig.
Eleusinian, eljusiniən.
Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken, van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = —d: Slightly —d = aangeschoten; —d railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n, verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest — = in mijne volle lengte; Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.
Eleven, ilev’n, elf, elftal: The — = de Apostelen; At the —th hour.
Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; —-arrow, —-bolt, —-dart = vuursteen (in den vorm van een pijl); —-child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte); —-fire = dwaallicht; —-lock = Poolsche vlecht (haarziekte); —in, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende; —ish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.
Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.
Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).
Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.
Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.
Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l, verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An — = geschikte partij; subst. —ness.
Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).
Eliminant, ilimin’nt, eliminante.
Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde stellen, elimineeren; subst. Elimination.
Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.
Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.
Elite, ilît, élite.
Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: — of life = levenselixer = Life’s —.
Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n, ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.
Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.
Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an — = als men hem den vinger geeft, neemt hij de geheele hand; —-wand = ellestok, el.
Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.
Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al), iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.
Elm, elm, iep; —en = iepen; —(en)-tree; —y = met veel iepen.
Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.
Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; —ary = de wijze van spreken betreffend; —ist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.
Elodes, iloudîz, zweetziekte.
Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.
Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.
Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst. —ment.
Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.
Else, els, ander, anders, bovendien: What —? = nog iets? —-ways = op eene andere manier; —where = elders, ergens anders; Somewhere — = ergens anders.
Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.
Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst. Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder; Elucidatory: — notes = verklarende aanteekeningen.
Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj. Elusive; Elusory = bedriegelijk.
Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.
Elvish, elviš = Elfish.
Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m, Elysium, Paradijs.
Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.
Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: — editions.
’Em, əm, samentrekking van them.
Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.
Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit; The emanations of radium = uitstraling.
Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation; He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (Austral.).
Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.
Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.
Embale, əmbeil, emballeeren.
Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. —ment.
Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; —ment = indijking, dijk, kade.
Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; — verb. beslag leggen en tegenhouden.
Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He —ed his fortune in trade = stak ... in; Don’t — in such a trade = laat u niet in met; —ed in litigation = in een proces gewikkeld; subst. —ation, embâkeiš’n.
Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen maken, verwarren; —ment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.
Embassador. Zie Ambassador.
Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.
Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: —d fields = slagvelden.
Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.
Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. —ment.
Ember, embə: — days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is voorgeschreven; quatertemper; —-fast; —-tide.
Ember, embə, ijsduiker = —diver, —-goose.
Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.
Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. —ment; —r = verduisteraar.
Embitter, əmbitə, verbitteren.
Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren; blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren, verheerlijken; —ment, —ry, heraldieke versiering.
Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; —ata, əmblemətə, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig; Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.
Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.
Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen, vereenigen, omvatten, organiseeren.
Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.
Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.
Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; —ed = gedreven.
Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.
Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.
Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. —ment.
Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.
Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; — verb. omhelzen, gretig aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van jury); —(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen; Embracive = alles omvattend: That is an — title.
Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To — messages.
Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van deur- of vensteropening.
Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.
Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); —y = borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): —y frame = borduurraam.
Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: —ed with each other = met elk. gebrouilleerd; subst. —ment.
Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In — = in den eersten en onvolkomen toestand; —nal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.
Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst. —ation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.
Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: — green = smaragdgroen; — Isle = Ierland.
Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen, ontstaan; subst. —nce, ook Emergency = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In case of — = geval van nood; In an — = desnoods; —-door = nooddeur; —-loan; —-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.
Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor — = emeritus predikant.
Emerods, emərodz, aambeien.
Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.
Emerson, eməs’n.
Emery, eməri, amaril: —-paper = schuurpapier; —-wheel = slijprad.
Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar — = braakwijnsteen.
Emeu, îmju. Zie Emu.
Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; —-ship; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.
Emilia, imîljə; Emily, emili.
Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid, onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently = in hooge mate.
Emir, imîə, îmə, emir.
Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.
Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend = Emissory.
Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten, uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.
Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.
Emmet, emət, mier.
Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).
Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.
Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; —al = ontroerend, gemoeds...
Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.
Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; — verb. zulk een lijst maken, hen oproepen.
Emperil, əmperil = Imperil.
Emperor, empərə, keizer: Purple — = pauwenoog (kapel); — paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.
Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: — form = de vorm van een bevestigend werkwoord met to do.
Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The — City = (bijnaam van) New-York; — Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin Victoria); — gown.
Empiric, əmpirik, empirisch (= —al); subst. empiricus, kwakzalver; —ism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.
Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; — verb. gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his — = aan ’t werk; To be —ed = in dienst zijn; He —ed himself actively whilst there = werkte hard; —able = bruikbaar; —ee = emplôi-î, employé; —er = werkgever, principaal; —ment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of —ment = werkloos.
Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar, magazijn.
Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.
Empress, emprəs, keizerin.
Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.
Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch, ijdel, nutteloos, woest en ledig; — verb. ledigen, uit- of weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was — of everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the — = den bons; —-handed = met leege handen; —-headed = onwetend; —-hearted = harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).
Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.
Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig = Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.
Ems, emz.
Emu, îmjû, casuaris (Australië); —-wren = klein Australisch vogeltje.
Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He —d popularity; Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.
Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).
Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.
Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor emulsie, verzachtend.
Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.
Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.
Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen, spelen, volvoeren: To — a part = eene rol spelen; —ment = wetsbekrachtiging, wet, verordening; —or = wetgever; —ure = volbrenging.
Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; — verb. emailleeren, glazuren, opsmukken; —lar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; —ler = emailleerder, brandschilder.
Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be —ed of = verliefd op.
Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. —ment.
Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: —d in black silk = gestoken, gedost.
Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.
Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.
Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.
Enchain, əntšein, ketenen, boeien; —ment = aaneenschakeling.
Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: —ed ring = tooverkring; —er = toovenaar, betooveraar; —ment = betoovering; —ress = heks, betooverende vrouw.
Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren; drijven, sieren; —r = graveur, ciseleur.
Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.
Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.
Enclitic, ənklitik (= —al), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.
Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The —d = bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting, insluiting.
Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium, ənkoumj’m, lof, loftuiting.
Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. —ment.
Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an — = biscouplet geven; —! = bis!
Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; — verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd bieden.
Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. —ment; —r = begunstiger.
Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen, inbreuk maken, misbruiken: He —ed on my kindness = maakte misbruik van; —ment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.
Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.
Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no — = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.
Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek; adj. rondgaand.
Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; —n = Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).
End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens, oogmerk, doel, resultaat, nut; — verb. eindigen, ophouden, een einde maken aan, besluiten, voleindigen: The — justifies the means = het doel heiligt de middelen; The — is not yet = het einde is niet te voorzien; There’s an — of the matter = daar is de zaak mee uit; At an — = ten einde, uit; At the — = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) — = ten einde raad; In the — = bij slot van rekening; No — = vreeselijk, erg, enorm: No — of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on — = veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on — = zonder stoppen; His hair stood on — = was te berge gerezen; To no — = vergeefs; To this — = met dit doel; World without — = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an — = afloopen; He cannot make both —s meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux bouts); He put an — to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan zijn leven); He roamed to the —s of the earth = zwierf tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that —s well = eind goed, al goed; —-all = slot, einde voorgoed; —ing = einde, uitgang; —less = eindeloos; subst. —lessness; —long = rechtuit; —most = laatst, uiterst; —ways, —wise = overeind, rechtop, in de lengte.
Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.
Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; —ing, dier, lief: —ing terms = lieve namen of woorden; —ment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.
Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; — verb. pogen, trachten.
Endecagon, əndekəgon, elfhoek.
Endemic, əndemik (= —al), subst. endemie, locale ziekte; adj. inheemsch, endemisch.
Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om de houtblokken te steunen.
Endive, endiv, andijvie.
Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis = hartvliesontsteking.
Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj. Endogamous: — marriage.
Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.
Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen, onderschrijven: These typewriters are —d as the best = verklaard de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is; —ment = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.
Endow, əndau, begiftigen, doteeren; —er = schenker; —ment = huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.
Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.
Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur, voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure, əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon het lang uithouden.
Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.
Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The — = de Duivel; de tijd; How goes the —? = hoe laat is het; The hands of the — = wijzers v. d. klok.
Energetic (= —al), enədžetik, krachtig; —s, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of — = de leer van het behoud van het arbeidsvermogen.
Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.
Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. —ment.
Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen; —ment = begiftiging, leenbrief.
Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; — verb. overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window —s the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.
Enfist, ənfist: The book —s the reader = pakt, bindt.
Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen eerbiedigen: The law was —d = werd streng toegepast; —d absence = gedwongen; subst. —ment.
Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven; subst. —ment: — of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.
Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in dienst treden (— oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am —d = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They —d in general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close — = algemeen gevecht van man tegen man; I am under an — to him = ik ben jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an — = eene verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your —s = betaal uwe schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.
Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.
Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-—, Locomotive-—); — verb. van machines voorzien: Light — = losse machine; —-driver = machinist; —-hose = brandspuitslang(en); —-house = machineloods, brandspuithuisje; —-man = machinist, spuitgast; —-wright = locomotiefconstructeur.
Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.), officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip); — verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil —; Electric —; Practical — = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was —ed = op touw gezet; With a little tact it could be —ed = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld worden; Civil and Military —ing = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie; —ing-drawing = machineteekenen.
Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.
England, iŋlənd; —er = Brit, Engelschman: A Little —er = tegenstander van de uitbreiding van het rijk.
English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; — verb. verengelschen, in het E. overbrengen; She (He) is — = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) — = zuiver Engelsch; —man = Engelschman; —woman = eene Engelsche; —ry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.
Engorge, əngödž, gulzig verslinden; —d = volbloedig; —ment = vraatzucht; congestie.
Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. —ment.
Engrail, əngreil, kartelen, versieren; —ment = gekartelde of uit een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.
Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: —ed with filth = door en door vuil.
Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; —r (on copper, on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.
Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen, aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; —er = copiïst; subst. —ment.
Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten, verdwijnen (onder de aarde).
Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst. —ment.
Enid, înid.
Enigma, inigmə, raadsel; —tic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig, duister; —tize = in raadselen spreken.
Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.
Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).
Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken, bezitten; zich vermaken (= — oneself): Did you — your holiday = hebt ge plezier gehad in de vacantie? —able = genietbaar, genotvol; —er = bezitter, genieter; —ment = genot, vreugde.
Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.
Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.
Enlard, ənlâd, lardeeren.
Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over, in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education —s the heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. —ment.
Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten; subst. —ment.
Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.
Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen voor, werven, dienstnemen (into): I got him —ed into my company; I — my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. —ment: Voluntary —.
Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; —er = opwekkend middel.
Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.
Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.
Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: —gon, eniəgon, negenhoek; adj. Enneatic(al): — days = iedere negende dag van eene ziekte; — years = ieder negende jaar van een menschenleven.
Enniskillen, eniskilən.
Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. —ment.
Enoch, înok.