Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 134

Chapter 1343,093 wordsPublic domain

Use, jûs, gebruik, toepassing, nut, gewoonte, behoefte, vruchtgebruik: —s of great men = gewoonten, eigenschappen; It is much in — = het wordt veel gebruikt of toegepast; — and wont = — and custom = gewone en veelvuldige praktijk; I have no — for it = ik kan het niet gebruiken, weet niet wat ik er mede zal doen; It is of great — = van veel nut; It is of no — = het is van geen nut; It is no —, little — = het helpt niets, haalt niets uit; Of what — is it? = waartoe zou het dienen; What is the — of going there? = waarom zou ik er heen gaan; There is no — in doing it = het geeft niets of; That is out of — now = het is thans in onbruik: To get out of — = in onbruik raken; I’ll make a good — of it = ik zal er een goed gebruik van maken = Put it to good —; — makes perfect = oefening baart kunst; Useful = nuttig, dienstig; subst. —ness; Useless = nutteloos, doelloos; subst. —ness.

Usher, ɐšə, subst. portier, ceremoniemeester, deurwaarder, ondermeester; — verb. inleiden, aanmelden, aankondigen: He —ed me into the room = liet of bracht mij in de kamer; We were —ed into the rudiments of Latin by you = gij hebt ons geleerd; —ism = schoolvosserij; —ship.

Usquebaugh, ɐskwəbô, (Iersche) wiskey.

Usual, jûžuəl, gewoonlijk, veelvuldig: Just as — = net als gewoonlijk; —ly; subst. —ness.

Usucaption, jûz(j)ukapš’n, rechtverkrijging op eigendom door lang gebruik.

Usufruct, jûz(j)ufrɐkt, vruchtgebruik; —uary, jûz(j)ufrɐktjuəri, subst. vruchtgebruiker; adj. in of als vruchtgebruik.

Usurer, jûžurə, woekeraar; Usurious, južûriəs, woekerend, woeker ...; subst. —ness.

Usurp, juzɐ̂p, overweldigen, ten onrechte aannemen; —ation, jûzɐ̂peiš’n, overweldiging, usurpatie; —er = overweldiger, usurpator.

Usury, jûžuri, woeker: To lend upon — = tegen woekerrente.

Ut, ɐt, ût, ut of do (muz.).

Utah, jûtâ, jûtô.

Utensil, jutensil, werktuig, (keuken) gereedschap: Kitchen —s; Sacred —s = heilige vaten.

Uterine, jûtər(a)in, uterus ...: — brother, sister = broeder (zuster) v. dezelfde moeder; Uterus, jûtərɐs, uterus.

Utilitarian, jutilitêriən, nuttigheids ..., utiliteits; subst. voorstander van —ism—nuttigheidsleer; Utility, jutiliti, nut, nuttigheid: It is of no — = van geen nut; A man of instance and — = een voorbeeldig en nuttig man; Utilization, jûtil(a)izeiš’n, gebruikmaking, benuttiging; Utilize, jûtilaiz, benuttigen, nuttig aanwenden.

Utmost, ɐtmoust, uiterste, grootste: I will use my — endeavours = mijne uiterste pogingen; The — = het uiterste, hoogste: Twenty guilders at the — = op zijn hoogst; To the — of my power = zoo goed ik kan; He did his — to succeed = zijn uiterste best.

Utopia, jutoupjə, Utopia, ideaalstaat, luilekkerland; Utopian = utopisch; subst. utopist; —ism = utopisme.

Utrecht, jûtrekt.

Utricle, jûtrik’l, blaasvormig uitgegroeide bladslip met een door een klepje gesloten opening, blaaskruid; Utricular, jutrikjulə, blaasvormig, blaas....

Utter, ɐtə, adj. volkomen, volstrekt, volslagen: — poverty = volslagen armoede; — refusal = besliste weigering; To be an — stranger to = geheel onbekend met; To (At) the —ance = tot het uiterste; You have —ly neglected my advice = volkomen in den wind geslagen; —most uiterste, verste: He oppressed them to the —most = op ondragelijke wijze.

Utter, ɐtə, uiten, uitdrukken, uitspreken, (valsch geld) in omloop brengen: The false coiners —ed several false banknotes = brachten in omloop; He did not — another word = zei geen woord meer; —able = uit te spreken, wat geuit kan worden; Utterance = uiting, uitspraak, voordracht, rede; uiterste: He gave — to the wish = uitte den wensch; His — was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk. Zie Utter 1.; Utterer = wie spreekt, of in omloop brengt.

Uttoxeter, ɐksətə, ətoksətə.

Uvea, jûviə, druifvlies (van het oog); Uveous, jûviəs: — coat = druifvlies.

Uvula, jûvjulə, huig; —r = van de huig: All his r’s are —r = hij brouwt al zijn r’s.

Uxoricide, ɐgzôrisaid, ɐksôrisaid, vrouwenmoorder; Uxorious, ɐgzôriəs, ɐksôriəs, dwaas verzot zijn op zijne (op eene) vrouw; subst. —ness.

V.

V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) = zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb) Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei) M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb) irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk; Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery) Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. = variae lectiones = verschillende lezingen.

Va, vâ, ga voort (muz.).

Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd, vacature: The — has been filled up = is vervuld; He stared into (at) — = keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand, onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain — = vacant zijn, etc.; Made — by the death of X = open gekomen; A — stare = een onwijze, nietszeggende blik; Such nations are — of our glorious civilization = hebben niet.

Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van, vernietigen: He —d the throne = hij deed afstand van den troon; Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v. plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: —-days.

Vaccinal, vaksin’l, vaccine...; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren, inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory —; Anti — Society; Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter; Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: — lymph = — matter = koepokstof; — pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə, koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.

Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.

Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating; Vacillation = weifeling, flikkering.

Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip; Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. —ness; Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: —-brake = luchtrem; —-cleaner = stofzuiger; —-tubes = luchtledige buizen.

Vade, veid, verwelken, verdwijnen.

Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.

Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj. rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; —age, vagəbondidž, landlooperij: To live in —age = vagebondeeren; —ism = —age; —ize = rondloopen, rondzwerven.

Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.

Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l, scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (—eitid), met een scheede, scheedevormig.

Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj. zwervend, zonder vaste woonplaats.

Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. —ness.

Vails, veilz, fooi(en).

Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk, lichtzinnig, dwaas: — hope = ijdele hoop; It was all in — = vergeefsch; Don’t take God’s name in — = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst. —ness = Vainglory.

Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit. Ind.).

Val, val, Valentijn.

Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om bedgordijnen, enz.; — verb. met franje of draperie versieren.

Vale, veil, vallei.

Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri, afscheids ...: — address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.

Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).

Valencia, vəlenšiə = Valance.

Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St. Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus, valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.

Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).

Valet, valət, valei, subst. bediende; — verb. als kamerdienaar dienen of begeleiden.

Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; —ism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.

Valhalla, valhalə, Walhalla.

Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst. —ness.

Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; —ate, valideit, geldig maken, legaliseeren; —ity, vəliditi, kracht, geldigheid = —ness.

Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.

Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.

Valkyr, valkə, walkure; adj. —ian, valkîriən; —ie, valkîriə, walkure.

Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = — wig.

Valley, vali, dal: — of a roof = dakhoek; — of tears = tranendal.

Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə, dapperheid, moed, onverschrokkenheid.

Valparaiso, valpəraizou.

Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the —s were saved = de kostbaarheden; A — friend; —ness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; — verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren: For — received = waarde ontvangen, genoten; To the — of = ter waarde van; The — was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) — (a good —) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true — = schatten op (ook fig.); To set much — upon = veel waarde hechten aan; To — dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were —d at half the original cost = geschat op; You may — on us two months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der factuur; —less shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer = schatter, taxateur: Eminent —s = bekende taxateurs.

Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel, ventiel, klep: Safety-— = veiligheidsklep; —d, valvd, v. kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen betreffend: He died of — disease of the heart = aan eene hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.

Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).

Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He —d the claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).

Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; — verb. oplappen, een lied accompagneeren op ’t gehoor af: To — up an excuse = verzinnen; He has a knack of —ing up forgotten operettas = weer op te lappen; —er = (schoen)lapper; —ers = kousen.

Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = —-bat), uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in —s; het bloedzuigen of afpersen.

Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter bescherming van de hand.

Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen, baard (van een veer); — verb. vooropgaan, in een van vervoeren, wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)— = verhuiswagen; Luggage-— = goederenwagon; To lead the — = vooropgaan.

Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.

Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw, barbaarsch; Vandalism = vandalisme.

Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= — collar); adj. als in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; — verb. den rand schulpen of punten.

Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een veer), diopter.

Vanellus, vəneləs, kievit.

Vanguard, vangâd, voorhoede.

Vanilla, vənilə, vanille.

Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He —ed from the sight = verdween uit het gezicht.

Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.

Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though —ed he could argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; —er = overwinnaar.

Vansire, vansaiə, manguste.

Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got — of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of — = van eene geschikte plaats; So much to the — = zooveel te goed, daarenboven; —-ground = gunstige plaats of ligging.

Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. —ity, vəpiditi = —ness.

Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable, verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable, veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization, veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize, verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig, opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. —ness; Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; — verb. verdampen, “geuren” of bluffen, droevig stemmen: —s = vapeurs, luimen, grillen; —-bath = damp- of stoombad; —ing = blufferig, snoevend: —ish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = —y.

Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).

Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk, ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. —ness.

Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be at — = het oneens zijn; They were set at — = tegen elkaar opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.

Varicella, variselə, waterpokken.

Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: — stocking = kous voor lijders aan — veins = aderspatten.

Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit, schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n, schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid, veelzijdigheid, verschil, varieteit: —-entertainment = varieteitenvoorstelling; —-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.

Variola, vəraiələ, kinderpokken; —r = Variolous, vəraiəlɐs, tot de kinderpokken behoorende.

Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers voorzien, b.v. — edition of Shakespeare’s works.

Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. —ness.

Varix, vêriks, aderspat, krampader.

Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; —ry = het grauw of gespuis.

Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.

Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (= Black —); — verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A — of civilisation = vernisje; —er.

Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.

Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).

Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk zijn, varieeren.

Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti, toestand der vaten, rijkheid aan vaten.

Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.

Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.

Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; —age, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; —ed = geknecht.

Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos, onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery — = de oceaan; That is a — project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away — sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. —ness.

Vat, vat, vat, kuip; — verb. in een kuip doen.

Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders of the — = de pauselijke banbliksems.

Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling; Vaticinator = profeet.

Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; —ois = Waldenser(s).

Vaudeville, voudvîl, vaudeville.

Vaughan, vôn, vôən.

Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf, gewelfd vertrek; sprong, volte; — verb. verwulven, overwelven; voltigeeren: He —ed into the saddle = sprong in den zadel; —er = springer, voltigeur; —ing-horse = paard (gymn.).

Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; — verb. bluffen, snoeven op, zich beroemen: To make a — of; —er.

Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.

Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: — Gardens.

’Ve = have.

Veal, vîl, kalfsvleesch (—s = kalfsvellen); —-cutlet; —-tea = kalfsbouillon; adj. —y = jong, kalverachtig.

Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).

Vedette, vədet, ruiterwacht.

Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.

Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen (scheepst.): The wind —ed to the north = liep om naar het N.; — and haul = beurtelings vieren en aanhalen; — away = — out = vieren; —ing, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.

Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (—s = groente); adj. plantaardig, planten....: — earth (— mould, — soil) = plantenaarde, humus; — kingdom = plantenrijk; — marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst. vegetariër: — diet = plantaardige voeding of voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend, den plantengroei bevorderend.

Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift, onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.

Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen in te nemen): The printing-press has become the — of ideas = het voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....

Vehmic, feimik, vîmik, veimik: — court = Veemgericht.

Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; — verb. sluieren, verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the —, which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the — = den sluier aannemen: You have —ed your looks from your friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; —ed voice = gedempte stem.

Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming, luim; — verb. aderen, marmeren: In the giving — = in goedgeefsche stemming; There is a grating — in him = hij heeft iets onaangenaams over zich; He was in a rattling — = zat op zijn praatstoel; I am not in the — for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will put you in the — to do it = u aanleiding zal geven; — of thinking = gedachtengang; —let = kleine ader; —y = vol aderen, aderrijk.

Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium, vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.

Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).

Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst. Vellication; adj. Vellicative.

Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); —-paper, —-post = velijnpapier; adj. —y.

Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd, rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi, snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean, retarded, uniform, virtual — = toenemende, afnemende, eind-, begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.

Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.

Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on — all your life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) — = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn, katoenfluweel = Cotton —; —s = jachtopziener (naar zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: —s = fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.

Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti = omkoopbaarheid, veilheid.

Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; —ee, vendî, kooper; —er = verkooper; —ible = verkoopbaar; —ibles = verkoopbare goederen; —ibleness = verkoopbaarheid; Street —ors = venters.

Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).

Vendetta, vəndetə, bloedwraak.

Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); — verb. opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least lacquered with the — of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk voorkomen ervan; —-moth = snuitmot.

Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. —ness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator = vereerder.

Venereal, vinîriəl: — desire = geslachtsdrift; — disease = venerische ziekte.

Venery, venəri, jacht(vermaak).

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= — blind); — boat = gondel; — chalk = talkpoeder; — door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There were — masts along the route, from which streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; — weight = “presse-papier” van glas.

Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.

Vengeance, venž’ns, wraak: With a — = met buitengewone kracht of hevigheid; To cry for —; They wreaked their — on me = koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.

Venial, vîniəl, vergeeflijk: — sin = vergeeflijke zonde; Veniality = —ness.

Venice, venis, Venetië.

Venison, ven(i)z’n, wildbraad.

Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); —-mouthed = giftig, kwaadaardig; —-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst. —ness.

Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.

Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting, bekendmaking, vrije loop; — verb. een opening maken, uitlaten, lucht geven, uiting geven, slaken: To find — = een uitweg vinden; He gave — to his anger = gaf lucht aan; It has taken — = is ruchtbaar geworden, uitgelekt; To — oneself = zijn hart lucht geven; To — one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; —-hole = luchtgat; —-peg, —-pin = zwikje; —-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were —d = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.

Ventral, ventr’l, buik..: — fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = —s of the heart (brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.

Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie, inzet, kans; — verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at (for) a — = op goed geluk af; To put a thing to a (the) — = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the — = de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to — at (upon) it = er mij in te begeven; To — out = zich buiten wagen; Nothing — nothing have = die niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.

Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the — = naar een ander (rechts)college overbrengen.

Venus, vînəs, Venus; —-hair = venushaar; —-shell = venusschelp.

Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity, vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden.

Veranda(h), vərandə, veranda.

Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.

Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid: — agreement, message; — quibbling = ijdel woordenspel; A — translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: — report.

Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.

Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk, wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.

Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend, onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper; slangenmarmer.

Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.