Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 42
Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a — flock together = soort zoekt soort: That’s a — in his cap = dat is een pluim, veer op zijne muts; She was in full — = in gala; had een gespekte beurs; You are in high — to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a — = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white — = zich lafhartig toonen; It is but the turning of a — between you and him = haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me with a desire to tar and — him = om hem eens flink zijn vet te geven (eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is —ing his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor zichzelf te zorgen; To — the oars = de riemen horizontaal over het water laten glijden; —-bed = veeren bed: —-bed conspirators = zoetsappige; —-boarding = planken beschieting (overnaads); —-brain = wuft persoontje; —-broom (—-brush) = plumeau; —-edge = scherpe kant van eene plank; —-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); —-grass = espartogras; —-headed = lichtzinnig, wuft; —-weight = kleinst mogelijk (precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van licht gewicht; —y = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.
Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; — verb. gelijken op: This house is the — of the street = het meest opvallende; Ill-(Well-)—d = leelijk (knap).
Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).
Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge, febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril, koortsig, koorts - -.
February, februəri, Februari; — Fill-dyke = Febr. de regenmaand.
Feces, fîsîz. Zie Faeces.
Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.
Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink, krachtig; —less = laf, zwak, waardeloos (Schot.).
Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.
Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.
Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; —ate, fek’ndeit, fîk’ndeit, fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; —ity, fikɐnditi, vruchtbaarheid.
Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds - -: — City = Washington; — Diet = de Duitsche Bondsdag; — Union = statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist; Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden, bonds - -.
Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; — verb. beloonen, betalen, een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ —s we had a hard year of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University) —s = collegegelden; To hold in — simple = land bezitten waarover men bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in — tail = goed, dat op bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.
Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; —-minded = zwak van geest, besluiteloos; subst. —ness.
Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden, eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His horse must have its four —s a day = moet viermaal per dag gevoerd worden; I am off my — = heb mijn eetlust verloren; He —s like a wolf = eet als een wolf; To — one’s cold = uitvieren; To — the fire = wat in de kachel doen; The operator —s the letters into the stamping-machine = schuift geregeld; He was —ing morsels from his plate into his mouth, as if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; —-pipe = aanvoerpijp; —-pump = perspomp; aanvoerpomp; —er = iemand, die voert of mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal, zijtak: Dainty —er = lekkerbek; Greedy —er = veelvraat; —ing-bottle = zuigflesch.
Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst. voelen, gevoel, gewaarwording: The baby —s his legs = probeert te gaan staan; I — for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel; He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste hem over dat onderwerp; I shall try to — him out = te polsen; I — up to much work = voel me geschikt voor; I — offended by your remark = ik acht mij beleedigd; —er = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a —er = de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; —ing = gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening, gewaarwording, geest, stemming: He has no —ing against you = niets (= geen wrok) tegen u; To excite bad —ing against = haat opwekken tegen; The —ings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The —ings are dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.
Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his — anywhere = hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your — = met de wereld gereed om u te dienen.
Feign, fein, veinzen, voorwenden: A —ed issue = een proces, om eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst. voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; — verb. een schijnbeweging maken: A — of flight = voorgewende vlucht; He made a — of writing = deed alsof hij schreef.
Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.
Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation; Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity, filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige manier van: — in the choice of words = eene gelukkige keus.
Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: — amenities = kattige lievigheden.
Felix, fîliks.
Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar); rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; — verb. vellen, omhakken; zoomen; imperf. van to fall; —-monger = koopman in huiden.
Fellah, fela, (meerv. —een, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The —een forces = de strijdmacht der fellahs.
Felloe, felou, velg.
Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent, jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t genot van een —ship: A glove and its — = en de daarbij passende handschoen; He is hail-—-well-met with everybody = goede maatjes; They are —s in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen) mede...; —-citizen = medeburger; —-commoner = student (aan Eng. Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert; —-countryman = landsman; —-craft = vrijmetselaar (tweede graad); —-creature = medemensch; —-feeling = medegevoel; —-lodger = contubernaal; —-ranker = iemand van denzelfden rang; —ship = vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en de toelage voor de fellows van een universiteit: Good —ship = collegialiteit, kameraadschap; Rule of —ship = gezelschapsrekening; —-soldier = krijgskameraad; —-traveller = medereiziger.
Felly, feli, velg.
Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk, wreed; —’s dock = beschuldigdenbank; —ious, fəlounjəs, snood, boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; —y = zware misdaad.
Felt, felt, subst. vilt(en hoed); — verb. met vilt bedekken, tot vilt maken; imperf. van to feel.
Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.
Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).
Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.
Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant, vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: — die = holle stempel, waarin de male die geslagen wordt; — rhymes, — rimes = rijmen met ongeaccentueerde lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; — screw = moerschroef; — woman = teere, zwakke.
Feme, fem: — covert = gehuwde vrouw; — sole = ongehuwde vrouw.
Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: — gender = vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize = verwijfd maken, verweekelijken.
Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.
Fen, fen, moeras, moerasland; —-berry = veenbes; — colonies = veenkoloniën; —-duck = soort v. wilde eend; —-fire = dwaallichtje.
Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen, handigheid (in ’t debat), heler; — verb. omheinen, beschutten, verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be (ride, sit) on the — = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at her —s = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To — a question = pareeren, ontwijken; He studiously —d round the points = hij ontweek opzettelijk de kwestie; —-month = gesloten jachttijd (van 9 Juni–9 Juli); —r = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l, verdedigbaar: The —s = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: —-foil = degen; —-gloves = schermhandschoenen; —-pad = borstleder (van den —-master = schermmeester).
Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to — for himself = laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.
Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).
Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; —ism = Fenianisme.
Fennel, fen’l, venkel.
Fenny, feni, moerassig.
Fent, fent, opening of split.
Feod, fjûd. Zie Feud.
Feof, fef, subst. leengoed; — verb. met een leen begiftigen; —ee, fefî, leenman; —er, —or, fefə, leenheer.
Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v. ziekten); subst. —ness.
Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan Europeanen gegeven.
Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).
Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; —ability = gistbaarheid; —able = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering; —ative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. —ativeness.
Fern, fɐ̂n, varenkruid: —-owl = nachtzwaluw; —-seed = (onzichtbaar makend) varenzaad; —y = vol varens.
Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. —ness = Ferocity, fərositi.
Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; — verb. uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have —ed it out = ben het op listige wijze te weten gekomen; —-eyes = kleine, slimme oogen; —er = jager met een fret, speurhond (fig.).
Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.
Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous, ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.
Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.
Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.
Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; — verb. overzetten; —-boat = veerboot; —man = veerman.
Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility; Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz, vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.
Ferule, ferûl, subst. schoolplak; — verb. met de plak geven.
Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt, subst. —ness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst. Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.
Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; —-point = het middelpunt van een wapenschild.
Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.
Fester, festə, subst. zweer, fistel; — verb. zweren, etteren, rotten, woeden.
Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive = feestelijk, feest...: — mirth = feestvreugde; In a — disposition = in feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid, feestvreugde.
Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; — verb. met guirlandes, enz. tooien.
Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I —ed him from behind = greep hem van achteren aan; He was —ed in (out) = gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be —ed out = zal wat uitgehaald moeten worden; She was —ed to = bijgebracht; To — up = plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness of the last act must be —ed up = het trekkerige van het laatste bedrijf moet verholpen worden; To — a compass = een omweg maken; To — a pump = eene pomp aan den gang maken; She —ed a deep sigh = slaakte een diepen zucht; That is rather far-—ed = nogal ver gezocht; —-candle (—-light) = dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt; —ing, pakkend, bekoorlijk.
Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.
Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. —ness.
Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: —-man = fetisch priester of aanbidder; —ism = feticisme; —ist = fetisch aanbidder.
Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.
Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; — verb. boeien, belemmeren, binden; —less = vrij, ongedwongen.
Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken, voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.
Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.
Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.
Feud, fjûd, leen; —al system = leenstelsel = —alism = feudalisme; —ality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; —alize = leenroerig maken; —ary = —atory = leenman.
Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; — verb. koortsig maken: In a — of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low — = binnenkoorts; —few = koorts- of moederkruid; —-weakened = door de koorts verzwakt; —ish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst. —ishness.
Few, fjû, weinige(n): The —er the better = hoe minder (menschen) hoe liever; A — = eenige; A good — = aanzienlijk getal; In — = in ’t kort; — and far between = hoogst zeldzaam; —ness = gering aantal.
Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig, vreemd, zonderling, mistroostig: You are —, and I prophesy a headache for you to-morrow = je bent niet gewoon.
Fez, fez, fez, Turksche muts.
Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.
Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.
Fib, fib, subst. leugen(tje); — verb. jokken, afranselen: Don’t tell —s = jok nu niet; —ber = jokker = —ster.
Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad; Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous, faibrəs, vezelachtig.
Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.
Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. —ness.
Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond of tusschen wijs- en middelvinger bracht.
Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: — art = keramiek.
Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious = verdicht, nagemaakt, onecht; subst. —ness; Fictive = Fictitious.
Fictor, fiktə, modelleur.
Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.
Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.
Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); — verb. vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first — = hij speelde de eerste viool (ook fig.); To take first — = de leiding nemen; —-bow = strijkstok; —-bridge = kam; —-case = kist; —-de-dee = malligheid; —-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj. wauwelachtig, beuzelend; — verb. drukte maken om niets, beuzelen; —-stick = strijkstok: I don’t care a —-stick = ik geef er geen zier om; —sticks’ ends = geleuter; —-string = vioolsnaar; —r = vioolspeler, zesstuiverstuk.
Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.
Fidele, faidîlə.
Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.
Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid, zenuwachtig persoontje; — verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig maken: Her arm seemed to have got the —s = niet stil te kunnen blijven liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You — me by your presence = ge maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; —y = gejaagd, zenuwachtig.
Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: — mark = bewijs van vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his — capacity = betrekking van vertrouwen.
Fie, fai, foei!
Fief, fîf, leengoed.
Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld, uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal deelnemende paarden; — verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the — = hij wedde op den favourite; The — was fought, lost, won = slag; The army took the — and kept it during the summer = het leger trok te velde en bleef daar den ganschen zomer; A — of ice = groote (drijvende) ijsmassa; — of view = gezichtsveld; —-allowance = extratoelage aan te velde zijnde soldaten; —-artillery = veldartillerie; —-bed = veldbed; —-book = veldboek (voor het landmeten); —-day = dag voor velddienst, dag van groote drukte, vertoon, etc.; —-duck = kleine trap; —-equipage = velduitrusting; —fare = veldjakker, kramsvogel; —-glass = veldkijker; — marshal = veldmaarschalk; —-mouse = veldmuis; —-officer = stafofficier; —-piece (—-gun) = stuk veldgeschut; —-practice = velddienstoefening; —-sports = jachtvermaak, enz.; —-works = schansen; —er = een bepaald speler bij cricket.
Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. —ish; subst. —ishness; —like = duivelsch, demonisch.
Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst. —ness.
Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has been served with a writ of —.
Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri, vurig, hartstochtelijk, opvliegend: — substances = licht ontbrandbare stoffen; —-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om de stammen te wapen te roepen.
Fife, faif, subst. fluit, pijp; — verb. pijpen, op eene fluit spelen; —r = pijper.
Fifteen, fiftîn, (maar — boys, fiftîn bôiz), vijftien; —th = vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): — monarchy men = dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou heerschen; —ly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen ’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.
Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): —s! = loop heen, ’klets’; In full — = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef; I don’t care a — for what you say = geef geen zier; —-eater (—-pecker) = vijgeneter; —-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected to the —-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; —-shell = schelp in den vorm eener vijg of peer.
Fight, fait, subst. gevecht, strijd; — verb. vechten, strijden, bevechten, laten vechten: A hand-to-hand — = man tegen man; A running — = het nazetten van en vuren op een vluchtenden vijand; Single — = tweegevecht; To make a brave — = zich kranig houden; To show — = de tanden laten zien, zich te weer stellen; I will — you = ik daag je uit; To — shy of = uit den weg gaan, vermijden; To — a battle = slag leveren; To — a duel = duelleeren: To — the tiger = dobbelen (Amer.); He fought his way through the crowd = baande zich met geweld een weg; We will — it out together = het samen uitvechten; —er = vechter, vechtersbaas, boxer; —ing-alliance = of- en defensief verbond; —ing-cock = kemphaan; The —ing efficiency of our fleet = vechtvermogen; —ing-top = mars (op een oorlogschip).
Figment, figm’nt, vinding, verdichtsel.
Figuline, figjul(a)in, pottebakkersaarde, vaas van kunstaardewerk.
Figurant(e), figjurânt, figurant (ook fig.).
Figurate, figjureit, gefigureerd; Figuration, figjureiš’n, voorstelling, afbeelding, type; Figurative, figjurətiv, figuurlijk, zinnebeeldig, bloemrijk.
Figure, fig(j)ə figuur, vorm, voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, afbeelding, persoonlijkheid, voorbeeld, pracht, prijs, cijfer, de passen (bij het dansen); — verb. vormen, afbeelden, voorstellen, figuurlijk gebruiken, figureeren, figuren vormen, met figuren versieren, becijferen, cijferen: What a — you are = wat zie jij er uit! What is the —? = op hoeveel komt dat? Trustworthy —s = vertrouwbare cijfers; To be bad at —s = een slecht rekenaar zijn; He cuts (makes) a good (poor) — = een goed (treurig) figuur; To go the whole — = al het mogelijke doen; He lives in — = hij voert een grooten staat; To sell at a great — = voor hoogen prijs; I will not sell it under three —s = onder £100 (= 3 cijfers); He —d down several couples with his amiable partner = hij danste (in den country-dance) tusschen de rij der dansers door; We have —d it out = het uitgerekend; It is easy to — these sums up = op te tellen; —-head = vóórsteven- of galjoenbeeld; —-maker = modelleur; —-weaver = damastwever; —d = gebloemd, met figuren; Figurette, figjuret = Figurine, figjurîn, beeldje.
Fiji, fîdži: — Islands; Fijian, fîdžiən, (bewoner, taal) van F.
Filament, filəment, vezel, draad, meeldraad; Filamentous = vezelig, draderig.
Filander, filəndə, filandə, soort van kangoeroe; soort ingewandsworm; —s = ziekte bij valken.
Filbert, filbət, hazelaar, hazelnoot; —-nails = bolle, spits toeloopende, sierlijke nagels.
Filch, filš, stelen, kapen; —er = dief.
File, fail, subst. snoer, draad, rist papieren (met datum, korte inhoud, etc. op de rugzijde), lijst, catalogus, rot (mil.); vijl, geslepen vent; — verb. aanrijgen aan een file, deponeeren in ’t archief, indienen van stukken, in rotten marcheeren, vijlen, afvijlen, glad maken; The rank and — = het kader en de manschappen; On — = stelselmatig gerangschikt; Indian (Single) — = eendenmarsch; The soldiers —d off = marcheerden af in eene rij achter elkaar; —, please = wil de zaak als afgedaan beschouwen; —-cutter = vijlmaker; —-leader = voorste soldaat van een File; Filings = vijlsel.
Filial, filj’l, kinderlijk: Filiation = affiliatie.
Filibeg, filibeg = Kilt.
Filibuster, filibɐstə, subst. vrijbuiter, roover; obstructionist (Amer. = —er); — verb. op roof of buit uitgaan: A —ing expedition = rooftocht.
Filices, filisîz, orde der varens; Filical = tot de varens behoorende; Filiciform = varenvormig; Filicoid = fern-like.
Filiform, filiföm, draadvormig, dun.
Filigree, filigrî, subst. filigraan; ook adj. —d = met filigraan versierd.
Fill, fil, subst. bekomst, hoeveelheid tot vulling; — verb. vullen, volstoppen, verzadigen, bevredigen, bezetten, bekleeden, volbrassen; vol worden: I have eaten and drunk my — = volop gegeten en gedronken; She has fretted her — = is uitgemokt; To gaze one’s — at = zich zat zien aan; Two —s of tobacco = pijpjes tabak; To — the bill = aan alle eischen voldoen; To — an order = een bestelling uitvoeren; To — parts = rollen bezetten; To — sails = zeilen doen zwellen; To — teeth (Amer. voor to stop); To — in = dichtstoppen, dempen, aanvullen: The article was —ed in = het artikel werd geplaatst; His face —ed out = werd dikker; Shall I — you out a glass = vullen? To — up = geheel innemen, vol maken of worden; dempen: To — up a vacancy (a canal); The loan was —ed up = werd volteekend; The ship —ed up with water there = nam daar voldoenden watervoorraad in; —er = vuller, trechter, vulsel, stopwoord; —ing-in pieces = vulstukken.
Fillet, filət, subst. band (om het hoofd of om het haar), filet; lendestuk, vleesch zonder been (als schijf of rollade opgediend), lijst; — verb. met een hoofdband omringen of binden, versieren, tot een schijf of rollade maken, met lijsten versieren.
Fillibeg, zie Filibeg; Fillibuster, zie Filibuster.
Fillip, filip, subst. knip (voor den neus); aansporing; — verb. knippen (met de vingers): To give a — = aanzetten.
Filipeen, filipîn, filipîn, filippine.
Filly, fili, merrieveulen, wildebras.
Film, film, subst. vlies, film (phot.); — verb. met een vlies bedekken: The pools were —ed with frost = er lag een vliesje ijs op; subst. —iness; adj. —y = vliezig, zeer dun, fijn; —y-fern = schildvaren.