Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 129
True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is — enough = is volkomen waar; He was — to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland; — to one’s word; He gave us a — account of it = een nauwkeurig verhaal; — bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly — circle = volkomen; — copy = eensluidend afschrift; To come — = uitkomen (v. droomen); To go — = goed loopen (v. horloges); To hold — = waar blijven; To prove — = waar blijken; —-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; —-born = echt, van wettige geboorte; —-bred = van echt ras, van goede opvoeding; —-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. —-heartedness; —-love, subst. minnaar, geliefde; —-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v. wederzijdsche trouw en liefde); —penny = eerlijke vent; —ness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.
Truffle, trɐf’l, truffel; —-dog = truffelzoeker (hond); —-hunter.
Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.
Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.
Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.
Truly, trûli: Yours — = hoogachtend uw, etc.
Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; — verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for —s = vragen; To lead off a — = opkomen met; To play —s; He was put to his —(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up —s = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are —s; —ed-up = verzonnen, waardeloos: An accusation was —ed up against us = werd tegen ons verzonnen; —ery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.
Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; — verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last — = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of —s = fanfare; He blows (sounds) his own — = verkondigt zijn eigen lof; He —ed forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; —-call = trompetsignaal; —-fish = trompetvisch; —-fly = schapenhorzel; —er = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.
Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; — verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: —d cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.
Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; — verb. afrossen.
Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; — verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them — = laat ze loopen; —-bed = rolbed; —-head = kop v. een kaapstander; —-tail = krulstaart.
Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: —s = —-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; —-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; —-maker = koffermaker; —-root = hoofdwortel; —-sleeve = pofmouw.
Trunnel, trɐn’l = Treenail.
Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).
Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; — verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He —ed on his rags = hing zijne lompen om; He —ed up his hair = bond op; A —ed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); —-maker = breukbandenmaker.
Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; — verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ — = vereeniging van distillateurs; Breach of — = trouwbreuk; Position of — = post van vertrouwen; To give — = crediet geven; You are in my — = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in — = effecten, etc. in bewaring; The watch was committed to my — = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’t put your — in such people = stel geen vertrouwen in; I took it on — = op goed geloof; I will — him no further than I can see; it was —ed to my care = toevertrouwd aan; I will — you with this = u dit toevertrouwen; — me for that = daar kunt ge op aan; — him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; —ship; Trustful = vertrouwend; subst. —ness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. —ness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.
Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He did — = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the —? = waarom zegt gij de waarheid niet; In — = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a — = waarlijk; —-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. —fulness.
Truttaceous, trəteišəs, forellen...
Try, trai, subst. proef, poging; — verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a — at = eens probeeren; I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will — conclusions with him = het tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work tries a man = pakt je aan; We will — this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; To — on = passen; probeeren: I tried on my new coat = paste; To — it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To — out = doorzetten, uitsmelten: We will — the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; —-sail = gaffelzeil, bezaan; —-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.
Trygon, traigən, pijlstaartrog.
Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are — to a man = hard voor; A — climate = ongezond klimaat; He is very — = geeft veel last.
Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; —ing-place = plaats van bijeenkomst.
Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.
Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.
T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.
Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; — verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a — = bakersprookje; —s = boterkooper; —-fish = knorhaan; —-frock = japon, die gewasschen kan worden; —-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd); —-pair = soort v. roeiboot; —-thumping = lawaaierige oratie; —ber = soort v. houweel; —by = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.
Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).
Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; — verb. van pijpen of buizen voorzien: The — = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber — = gummislang; Test-— = reageerbuisje.
Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of tuberkels: — consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous = Tuberose.
Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; — boiler = stoomketel met vlampijpen; — bridge = kokerburg; — post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den vorm van een buisje.
Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; — verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken), tokken (van eene kip): — of drum = slag op trom; It was nip and — with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; —-shop = suikerbakkerij; —-in (= —-out) = traktatie; I have —ed them in warmly = heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was —ed in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He —ed up his sleeves = stroopte op; They —ed him up as best they could = pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.
Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.
Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: — style = Gothisch-Engelsche bouwstijl.
Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.
Tufa, tjûfə, tufsteen; —ceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit —.
Tuff, tɐf, tuf(steen).
Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), spitse baard; — verb. in bosjes of hoopjes verdeelen (groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-—; —-hunter = klaplooper, flikflooier; —ed = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.
Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; — verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: — of war = touwtrekken; The real — of war will come on the electoral question = de ware strijd; I had a hard — of it = het heeft me veel moeite gekost; He was —ged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; We were —ging against wind and tide = roeiden tegen; —boat = sleepboot.
Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. —al = —ary.
Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); —-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.
Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.
Tulle, tûl, tule.
Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; — verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; —-down = bouwvallig: It would be good to improve those —-down fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To — in = naar kooi gaan; To — to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; — up, will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.
Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.
Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; —ity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = —ness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.
Tump, tɐmp, subst. heuveltje; — verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).
Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).
Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; —uariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. —uary, tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = —uous, tjumɐltjuəs; subst. —uousness.
Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.
Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier, etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; — verb. in ’t vat doen; —-bellied = met ronden, dikken buik.
Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; —-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.
Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.
Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; — verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The — the old cow died of = een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) — = zal je wel anders leeren; To be in — = gestemd, gemutst; My piano is out of — = ontstemd: He was rather out of — to-day = niet erg gestemd; That costs to the — of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; —ful = welluidend, zangerig; subst. —fulness; —less = klankloos, stil, onwelluidend; —r = stemmer.
Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.
Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; —le = kleine tunica, vliesje.
Tuning, tjûniŋ: —-fork = stemvork; —-hammer, —-key = stemhamer, stemsleutel.
Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.
Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.
Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.
Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= —-net); — verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: —s of light = lichtbundels; —-pit, —-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.
Tunny, tɐni, tonijn.
Tup, tɐp, subst. ram; — verb. dekken, bokken.
Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.
Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.
Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity = —ness.
Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.
Turbine, tɐ̂bin, turbine; —-steamer.
Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).
Turbot, tɐ̂bət, tarbot.
Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.
Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.
Turd, tɐ̂d, drek.
Tureen, tjurîn, soepterrine; —-ladle = soeplepel.
Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; — verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of — = stapels turf; A sod of — = zode; He is on the — = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; I have broken with the — and sold my stud off = doe niet meer aan de rensport; —-clad = met zoden bedekt; —-cutter; —-fire; —-hedge = scheiding door eene bank van zoden; —-house = stulp van plaggen; —-moss = veenland; —man = liefhebber van rensport; —-seat = zodenbank; —-spade = spade om zoden te steken; —ing: —ing-iron, —ing-spade = spade voor het steken van zoden; —less = zonder zoden; Turfite, tɐ̂fait = —man; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan behoorende.
Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend; Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. —ity, tɐ̂džiditi = —ness.
Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.
Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; —ish, subst. en adj. Turksch(e taal): —ish bath = bad (van 116° tot 165°); —ish delight = soort v. lekkers; —ophile, tɐ̂kəfail, Turkenvriend.
Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk —; Zie Talk; —-bird (Zie Wry-neck); — carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; —-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a —-cock; —-hen = kalkoensche hen.
Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; — verb. in onrust zijn, zich afsloven.
Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; — verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen, etc.: A — of fate = lotswisseling; In the — of a hand = in een oogenblik; At the — of the river, road = bij de bocht; The — of a wager = de kans; His answers are mere —s of wit = geestige zetten, wendingen; A — of work = klein karwei; One good — deserves another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a — at any game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of — in his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me such a — = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a — for desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your — = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take —s = elkaar afwisselen; Things have taken a favourable — = een gunstigen keer genomen; He does so at every — = bij elke gelegenheid; We must go there by —s, in —(s) = om beurten; You must do it in — = op uwe beurt; Each in his — = ieder op zijne beurt; The tide was on the — = het getij begon te kenteren; Done to a — = goed gaar; — for — = leer om leer; These advantages —ed to real account = leverden inderdaad wat op; My brain (head) —s = ik word duizelig; The leaves — in autumn = worden geel; The mutton has —ed with the hot weather = is bedorven; We were —ed adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He —ed aside = keerde zich om; To — loose = loslaten (van honden bijv.); To — pale = bleek worden; To — sour = zuur worden; He —ed his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; He —ed his back (up)on us = wendde ons den rug toe (ook fig.); It —ed the balance (scale) = deed de schaal omslaan; He has —ed his coat = is afvallig geworden; She —ed colour = verschoot van kleur; To — the corner = het hoekje (crisis van een ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have —ed the corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To — a couplet = een versje maken; She can — an epigram and point a satire = iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never —ed a hair = en sneed hen geen enkele maal; To — one’s hand to = zich toeleggen op; He could — his hand to many things = kon van alles maken; The news has —ed his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol gebracht; He —ed informer on me = hij verklikte mij; Will you — the key? = omdraaien; A merchant must — his money = steeds omzetten; I will try to — a penny = een duit te verdienen; — the points = verzet den wissel; To — the enemy’s position = omtrekken; To — soldier = soldaat worden; The medicine —s my stomach = ik walg van; The tables were —ed = de bordjes werden verhangen; I —ed the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To — tail = op de vlucht gaan; To — turtle = omslaan: Everything has —ed turtle = alles ligt overhoop; To — about = zich omkeeren; — again = keer terug, om; To — away = zich afwenden: He —ed away from the path of duty = verliet; I have —ed him away = weggezonden, ontslagen; To — money away = opsparen, wegleggen; To — back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was —ed down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was —ed upside down = onderstboven gekeerd; —-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; — of a letter = omgevouwen rand; I have —ed it in = naar binnen gevouwen; He —ed it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To — in = naar kooi gaan; He —ed in with me = ging met mij naar bed; The road —s in and out = kronkelt gedurig; To — into = veranderen in; — this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He —ed German ballads into English verse = bracht ... over; He —ed of a deadly colour = werd doodsbleek; He is —ed (of) fifty = boven de vijftig; The hour was —ed of six = het was over zes; To — off the gas, the steam = uitdraaien, afsluiten; To — off an article = op ’t papier gooien; To — on the gas = de gaskraan open zetten; She —ed on her tears = begon te schreien; Everything —s on your answer = hangt af van; The fate of the country —s on the king’s decision = hangt af; — him out = zet hem de deur uit; We have —ed out the cows = de koeien in de weide gedaan; It —ed out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; He did not — out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have —ed it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will — out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It —ed out to be = bleek te zijn; The book is well —ed out = ziet er keurig uit; A well —ed-out stranger = net gekleed; His clothes had been —ed out by the best tailor = waren geleverd; —-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He —ed over more than fifty thousand pounds a year = zette om; We have —ed over a new leaf = zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He —ed over and continued reading = sloeg het blad om; I have —ed it over and over = van alle kanten bekeken; The money was —ed over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was —ed over = werd omgeworpen, sloeg om; I —ed it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let us — over = van plaats veranderen; —over = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: —over table = klap(speel)tafeltje; He —ed round = veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then —ed round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to — round = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were —ed to the stage = op het tooneel gericht; What shall I — to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; You must try to — this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To — up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will — up in time = dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); — up page the seventh = sla op; — it up = schei uit daarmee! To — up one’s nose at = den neus optrekken voor; I —ed his arguments upon himself = sloeg hem met zijn eigen woorden; I —ed upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; The conversation —ed upon all kinds of topics = liep over allerlei onderwerpen; She will be married —ed Michaelmas = na; —-bench = kleine draaibank; —-cap = schoorsteengek; —-coat = afvallige; —-cock = opzichter v. de waterleiding; —-down collar; —dun = snorder (jongensspeelgoed); —key = cipier; —pike = tolhek, slagboom, wenteltrap; —pike-man = tolgaarder; —pike-road = straatweg met tollen; —-screw = schroevendraaier; —-sick = draaiziek; —sole = kroontjeskruid; heliotroop; —spit = spitomdraaier; —stile = molentje, haspel op voetpaden; —-stone = soort steenlooper; —-table = draaischijf (op spoorwegen); —er = kunstdraaier, varieteit van duif; —ery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: —-lathe = draaibank; —-platform = draaischijf (voor spoorwagens); —-point = keerpunt.
Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; —-radish = knolradijs.
Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.
Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.
Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).
Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; —-ship = torenschip; —ed = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.
Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); — verb. schildpadden vangen; —-back = helmslak; —-dove = tortelduif; —-shell = schildpad; —-soup = schildpadsoep.
Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: — order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.
Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.
Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): —ed = met slagtanden; —er = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; —y = —ed.
Tussaud, tusou.
Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; — verb. worstelen, vechten: We had a sharp — with the enemy = een vinnigen strijd.
Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. —y.
Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!
Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: — angel; — spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een college belast met het algemeen toezicht (= College —), of die de studie leidt (Private —); — verb. onderwijzen, berispen; —ial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; —ship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.
Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).
Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; — verb. wauwelen, kletsen; —r = leuteraar.
Twain, twein: In — = in tweeën.
Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.