Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 72
March, mâtš, subst. Maart; grens, markegrond; marsch, marche, tocht, loop, geleidelijke ontwikkeling; — verb. grenzen; marcheeren, doen marcheeren, wegvoeren (off): Order of — = marschroute; I have gained (got, stolen) a — upon you = ben u vóór gekomen, u te slim af geweest; To ride the —es = de grenzen omrijden (Schotl.); (Forward) —! The general —ed the army to the enemy = rukte met het leger op tegen; We —ed down upon the enemy = rukten aan op; To — off = afmarcheeren; To — on = voortmarcheeren; oprukken tegen; To — past = voorbijmarcheeren, defileeren; The soldiers were —ed up from the barracks = men liet hen uit de kazerne rukken; —-chick = brutaaltje; —-land = grensland; —man = grensbewoner; —ing-order = marschbevel: To be (To put) under —ing-orders; —ing-past = défilé.
Marchioness, mâšənəs, markiezin.
Marconigram, mâkounigram, draadloos telegram.
Mare, mêə, merrie: Brood — = fokmerrie; A face as long as any —’s = een gezicht als een oorworm; On Shank’s — = op Apostelpaarden; He has found a —’s nest (and is laughing over the eggs) = hij dacht heel wat bijzonders gevonden te hebben, doch blijkt zich geducht te hebben vergist; Some experience will save you from —’s nests = zal u voor teleurstellingen bewaren; —’s-tail = lange vederwolk: Waterdogs (= regenwolkjes) and —’s tails, Make lofty ships have low sails.
Margaret, mâgərət, mâgrət.
Margarine, mâgərin, margarine.
Margate, mâgit.
Margay, mâgei, tijgerkat.
Marge, mâdž, rand, marge.
Margin, mâdžin, subst. rand, grens, speelruimte, verschil tusschen inkoops- en verkoopsprijs, overschot, waarborgsom; — verb. van een rand voorzien, van kantteekeningen voorzien; zich dekken: In such a work a — of error should be allowed = kan men een zeker getal vergissingen verwachten; A small — of profit = een klein voordeeltje; He is so devoted to his work, that he has not a — for social life = dat er geen tijd overschiet voor ’t gezellige leven; I sold out so as to have a larger — with which to operate = om wat meer geld in handen te hebben; He has but a narrow — on which to subsist = hij kan maar even rondkomen; Eleven to four is a sufficient — for me = van 11 tot 4 heb ik tijd genoeg; Named in the — = terzijde vermeld; To operate on a — = alléén verkoopen (b.v. van effecten) als men erop kan winnen; —al: —al notes, glosses (—alia, mâdžineiljə) kantteekeningen; —ate(d) = met een rand, gerand.
Margravate, mâgrəvit, Margraviate, mâgreivi-it, markgraafschap; Margrave, mâgreiv, markgraaf; Margravine, mâgrəvin, markgravin.
Maria, məraiə: Black — = dievenwagen; Marian, mêriən, Maria - -; The Mariana Islands, mêrianə ail’ndz, de Dieveneilanden; Marianne, mêrian.
Marigold, marigould, goudsbloem; een millioen £; — window = radvenster.
Marinate, marineit, marineeren.
Marine, mərîn, adj. zee - -, scheeps - -, marine - -; subst. marine, marinier, zeestuk: Tell that to the —s = maak dat je grootje wijs; — blue: — drive = rijweg langs het strand; — insurance = zeeassurantie; — law = zeerecht; — store dealer = soort scheepstagrijn; Blue —s = matrozen artillerie; Red —s = marine infanterie; Mercantile (Naval) — = koopvaardijvloot (de marine); Mariner, marinə, zeeman, matroos: Master — = kapitein.
Mariolatry, mêriolətri, Maria-vereering.
Marionette, mariənet, marionet (ook fig.).
Marish, mariš, subst. moeras; adj. drassig.
Marital, marit’l, echtgenoots - -, echtelijk: I have no sympathy with — wrongs = voel niets voor mannengrieven.
Maritime, marit(a)im, zee - -, marine - -, maritime - -, strand - -: — Alps = de Zee-alpen; — commerce (— trade) = zeehandel; — insurance = zeeassurantie; — power = zeemacht.
Marjoram, mâdžər’m, marjolein.
Marjoribanks, mâtšbaŋks; Mark, mâk, Marcus.
Mark, mâk, subst. merk, teeken, blijk, baak, striem, nerf, stempel, spoor, doelwit, kruisje (van iemand, die niet kan schrijven), aanzien, gewicht, handelsmerk, nummer, prijs, cijfer; — verb. merken, noteeren, opschrijven, stempelen, punten geven, markeeren, maat slaan, onderscheiden, letten op, scherp onderzoeken, uitpikken, etc.: Above, below the — = te hoog, te laag; You are beside the — = gij zijt de plank mis; Near the — = het doel nabij; A man (names) of — = van beteekenis; That (He) is not up to the — = beneden peil, kan er niet door; Wide of the — = geheel mis; — of the beast (Zie Openbaring XIX, 19); High-(Low-)water — = hoog (laag) waterpeil; Load — = lastlijn, diepgang; He left his — on the country = de invloed van zijne persoonlijkheid doet zich nog gevoelen; That man will make his — = zal van zich doen spreken; God bless (save) the — = God betere het (iron.); — my words (= — me) = let op mijne woorden; To — time = den pas markeeren; They were —ed out for destruction = ten doode opgeschreven; To — with a hot iron = brandmerken; One of the —ed men of his age = groote mannen van zijn tijd; It would look —ed if you stayed away = het zou erg in ’t oog vallen; —er = aanschrijver, teller, marqueur, vleugelman, fiche; —ing-ink = merkinkt: —ing-iron = brandijzer; —ing-list = cijferlijst (School); —sman = scherpschutter.
Market, mâkit, markt, marktplaats (bezoek), navraag, aftrek, marktprijs, voordeel; — verb. de markt bezoeken, op de markt koopen of verkoopen: In the — = voorhanden, aanwezig; Clerk of the — = marktmeester; There is no — for = wordt niet gevraagd; To find (meet with) a ready — = gereeden aftrek vinden; To make — out of = profijt trekken van; Good wares make quick —s = goede waar is half verkocht; It was put upon the — = openbaar ten verkoop aangeboden; They looked like devils who were —ing a corpse = die om een lijk dobbelden; —-bell; —-cross = kruis op een markt (vroeger symbool van het marktrecht); —-day; —-dues = marktgelden; —-garden = moestuin; —-gardener = hovenier, gaardenier; —-hall = hal; —-merry = licht aangeschoten na de markt; —-place = marktplein; —-porter = marktbediende; —-price (—-rate) = marktprijs; —-report = marktbericht; —-rigging = beursmanoeuvre; —-stall = stalletje; —-town = stad met het recht eene weekmarkt te houden; —able = verkoopbaar; —ing = marktbezoek, marktvoorraad.
Marl, mâl, subst. mergel; stof, aarde; — verb, bemesten; marlen (scheepst.); —-pit = mergelgroeve; Marlaceous = mergelachtig.
Marlborough, môlbrə; mâlbərə (als plaatsn.).
Marline, mâlin, marlijn; —-spike of Marling-spike = marlpriem.
Marlow(e), mâlou.
Marly, mâli, mergelachtig, mergel ...
Marmalade, mâmeleid, marmelade.
Marmoratum, mâməreit’m, marmercement; Marmoreal, Marmorean, mâmôriəl, mâmôriən, marmerachtig, marmer...
Marmot, mâmət, marmot.
Maronites, marənaits, Maronieten (godsd. sekte aan den Libanon).
Maroon, mərûn, kastanjebruin.
Maroon, məûn, weggeloopen slaaf (West-Ind.); — verb. iemand op een onbewoond eiland opzettelijk achterlaten; wegloopen, rondboemelen: A —ing party = een gezelschap, dat een uitstapje maakt van eenige dagen en kampeert in de open lucht.
Marplot, mâplot, spelbreker; zie Mar.
Marque, mâk: Letters of — = kaperbrieven.
Marquee, mâkî, groote tent.
Marquet(e)ry, mâkətri, ingelegd werk.
Marquis, mâkwis, markies; —ate, mâkwisit, markisaat.
Marriage, maridž, huwelijk(splechtigheid): By — = aangetrouwd; One — makes a-many = van bruiloft komt bruiloft; To ask in — = ten huwelijk vragen; —-articles = huwelijksvoorwaarden; —-certificate = trouwakte; —-contract = huwelijkscontract; —-favours = witte strikken of linten, bouquet witte bloemen bij een bruiloft gedragen; —-licence = huwelijksvolmacht; —-lines = huwelijksbewijs; —-portion = huwelijksgift; —-ring = trouwring: —-service = de liturgie bij het kerkelijk huwelijk; —-vow = huwelijksgelofte; —able = huwbaar; —ables = huwbaren; Married: Newly — couple = jonggehuwden; — life (state).
Marrow, marou, merg, kern, pit: Vegetable — = mergpompoen; To go by the — stage = te voet gaan; —bone = mergpijp; —bones = knieën (Zie Cleaver): Down on your —s = op je knieën! —fat = mergvet; —fat pea = groote erwt; —less; —y.
Marry, mari, trouwen, huwen, uithuwen: — in haste, repent at leisure = snel getrouwd, lang berouwd; He married below his station = beneden zijn stand; Is your brother a married man? No, he is not a —ing man = is uw broer getrouwd? Neen, dat is geen man om te trouwen.
Marry, mari, verbastering van Mary: —, you are right = waarachtig je hebt gelijk.
Mars, mâz, Mars (oorlogsgod, planeet).
Marsala, mâsâlə, Siciliaansche wijn.
Marseilles, mâseilz.
Marsh, mâš, drassig land, moeras: —-fever = malaria; —-fire = dwaallicht; —-gas = moerasgas; —-mallow = gewone heemst; —-marigold = dotterbloem; —-parsley = selderie; —iness, subst. v. —y = drassig, dras ...
Marshal, mâšəl, subst. maarschalk; ceremoniemeester; schout, i.e. hoofd van een Amerikaansch Judicial District, overeenkomend met een Sheriff in Engeland; — verb. rangschikken, scharen, ordenen, rangeeren (Amer.): Earl — = opperceremoniemeester aan het Eng. hof (erfelijke waardigheid in het geslacht Norfolk); —ship.
Marshalsea, mâšəlsî, vroegere gevangenis voor gijzelaars in Londen (Southwark).
Marsupial, mâsiûpiəl (Mv. Marsupialia, mâsiupieiljə), subst. buideldier; adj. buideldragend, beursvormig; Marsupium = buidel van de Marsupialia.
Mart, mât, subst. markt, marktplaats; — verb. verhandelen, schacheren.
Martello(tower), mâtelou(tauə), gewelfde, ronde kusttoren, kustfort.
Marten, mât’n, marter(-vel).
Martial, mâš’l, krijgshaftig, krijgs....: Court — = krijgsraad; — law was proclaimed in the country = de krijgswet werd afgekondigd; — music.
Martin, mâtin, zwaluw: Bank — = oeverzwaluw; House — = huiszwaluw; St. —’s Day = 11 Nov.; (St.) —’s Summer = Martinmas summer.
Martinet, mâtinet, dienstklopper: He gives himself — airs; He has a touch of the — = is een echte dienstdoener; —ism = dienstklopperij.
Martingal, mâtiŋgal, Martingale, mâtiŋgeil, springteugel; doove Jut (Scheepst.); voortdurende verdubbeling van den inzet: He played the — on fate = bond een wanhopigen strijd aan tegen.
Martinmas, mâtinmas, St. Maarten (Nov. 11): — summer = mooie dagen laat in den herfst.
Martyr, mâtə, subst. martelaar; — verb. den marteldood doen sterven, martelen: I’m quite a — to the gout = lijd verschrikkelijk aan; —dom = martelaarschap; —ology, mâtirolədži, geschiedenis of lijst van martelaren.
Marvel, mâv’l, subst. wonder; — verb. zich verbazen, benieuwd zijn: It is a — of cheapness = wondergoedkoop; — of Peru = bonte wonderbloem; I — where he can be = ik wou wel eens weten waar hij is; —lous = wonderbaar; subst. —lousness.
Mary, mêri, Marie: — Janes = dienstboden; A Hail — = Ave Maria; —land, mêrilənd, merilənd; Marylebone, maribən, maribən; Marymas, mêrimas, Maria Boodschap (25 Maart).
Mascle, mask’l, ruitvormig stuk op een geschubd pantser; open ruit (Herald.); —d.
Mascot(te), maskot, mascotte.
Masculine, maskjulin, mannelijk, krachtig, flink, onvrouwelijk, brutaal; subst. —ness = Masculinity.
Mash, maš, subst. mengelmoes, mengvoer, brouwsel; liefje, minnaar, vlam; — verb. vermengen, fijn stampen, mout verdunnen, verliefd worden op, het hoofd op hol maken; gek zijn op; den fat uithangen: Mary is —ed on you = verkikkerd op je; —er = damesgek, fat; soort boord; —y = papperig.
Mashie, maši, een ijzeren kolf bij het golfspel.
Mashonaland, məšounəland.
Mask, mâsk, subst. masker, maskerade(pak), gemaskerde, dekmantel, scherm, vossekop, voorwendsel, draai; — verb. (zich) maskeeren, vermommen, bedekken: —(ed)-balls; —er = gemaskerde.
Maslin, mazlin, subst. messing: — kettle = ketel daarvan gemaakt.
Mason, meis’n, steenhouwer, vrijmetselaar; — verb. metselen, steenhouwen; —ic, məsonik, maçonniek: —ic emblems, jewels = vrijmetselaars-insignes; —ic hall (lodge) = loge; —ry = metselaarswerk, vrijmetselarij.
Masque, mâsk, Masquerade, maskəreid, Zie Mask.; —r.
Mass, mâs, massa, troep, hoop, gesloten formatie van cavalerie, brigade kolonne van infanterie; — verb. (zich) tot een massa verzamelen: The —es and the classes = het volk en de aristocraten; A — of information = groote hoeveelheid kennis; The Boers are —ing in entrenched positions; —-meeting = algemeene bijeenkomst; —iness, subst. v. —y = omvangrijk, zwaar, in massa.
Mass, mas, mis: To attend (the) —, To go to —; To say — = de mis lezen; High (Low, Morning) — = hoogmis (stille —, vroeg—); —-book.
Massachusetts, masətšûsəts.
Massacre, masəkə, subst. moord, bloedbad; — verb. in het wilde moorden.
Massage, masidž, masâž, massage: Massagist, masâdžist, masseur.
Masseter, masîtə, kauwspier.
Masseur, Masseuse, beide Fr. uitspr.
Massinger, masinžə.
Massive, masiv, massief; subst. —ness.
Mast, mâst, subst. mast; vrucht van eik of beuk, eikels, beukenoten; — verb. van masten voorzien; mesten: He has served before the — = als gewoon matroos gediend; The flag floated at half—-high = woei halfstok; —-beam = zeilbalk; —-head = subst. top van den mast; — verb. in top hijschen; voor straf naar boven in den mast zenden; —-hoop = band of hoepel om den mast; —ed: Four —ed vessel = schip met 4 masten = Four-—er; —less = zonder masten.
Master, mâstə, subst. meester, vader (v. armhuis, etc.), heer, baas, “vrind”, eigenaar, jongeheer, magister, kapitein of gezagvoerder; adj. voornaamste, hoofd - -, meester - -; — verb. vermeesteren, meester worden, overwinnen, temmen: The — and matron of a workhouse = vader en moeder; Under-— = ondermeester; He is a — at it = hij is het meester; — of the horse = stalmeester; — of (the) (Fox)hounds = jagermeester van een vossenjachtclub; —-at-arms = provoostgeweldiger; —-builder = bouwmeester; —-hand = meesterhand; —-key = looper; —-man = opzichter, baas; —-mariner = gezagvoerder: —-mason = meestersteenhouwer; —mind = buitengewone geest, supérieur mensch; —piece = meesterstuk; —-spring = hoofdveer; —-stroke = meestertrek, meesterstuk; — theme = hoofdthema; —work = meesterstuk; —dom = heerschappij; —ful = bazig, despotisch; —hood = meesterschap; —less = zonder meester; —liness, subst. v. —ly = meesterlijk, meesterachtig; —ship = meesterschap, meerderheid; leeraarschap: The French —ship = betrekking van leeraar in het Fransch; —y = heerschappij, grootere voortreffelijkheid, meerderheid, voorrang: To gain (get, obtain) the —y = de overhand winnen, heerschappij verkrijgen, onderwerpen.
Mastic, mastik, mastik, mastikboom (= —-tree); —-cement.
Masticate, mastikeit, kauwen, fijn snijden; subst. Mastication; Masticator = hakmachine; Masticatory = kauw - -.
Mastiff, mastif, bulhond, kettinghond.
Mastodon, mastədon, mastodont.
Mat, mat, subst. mat, grof vlechtwerk; — verb. met matten beleggen, dooreen vlechten, verwarren, in de war zijn of raken: She rubbed her boots on the — = veegde af; His —ted hair = verward haar; He was —tedly unkempt = ongekamd, met verwarde haren; —-grass = borstelgras; —ting = matten, matwerk, stof voor matten.
Mat, mat, dof, mat; subst. wit metaal, matbijtel; — verb. matteeren; —-gold = matgoud.
Matabele, matəbîl.
Matador(e), matədö, matədö, matador.
Match, matš, subst. zwavelstok, lucifer, lont; weddenschap, wedstrijd, partij, partuur, gelijke, paar, span; huwelijk; adj. bij elkaar passend; — verb. paarsgewijze vereenigen, verbinden, iets passends uitkiezen, evenaren, opgewassen zijn tegen, zich meten, passen bij: Is it a —? = wedden? It is a —! = top! The — will not come off = de wedstrijd gaat niet door; I am no — for him = ben niet tegen hem opgewassen; He is a — for them all = hij staat ze allemaal; He is more than a — for you = je de baas; To light (strike) a — = een lucifer aanstrijken; You two are well —ed = jullie beiden hoort net bij elkaar; This —es it nicely = komt er mooi bij; To — pennies = pennies opgooien (dobbelen); Not to be —ed (Vergel.: — to none) = onvergelijkelijk; To be ill-(well-)—ed = slecht (goed) bij elkaar passen; —-box = lucifersdoosje; —-girl = meisje dat lucifers verkoopt; —lock = snaphaan; —-maker = lucifersfabrikant; koppelaar(ster): She is a —-making woman = zij mag graag zoo’n beetje koppelen; —-wood = hout voor zwavelstokken, splinters: The carriage collapsed like —-wood = viel in elkaar als tonder; —able = vergelijkbaar; —less = onvergelijkelijk; subst. —lessness.
Mate, meit, subst. maat, kameraad, helper, echtgenoot(e), mannetje, wijfje; — verb. vereenigen, trouwen, paren: Chief — = eerste stuurman; Cook’s — = koksmaat; Mating-season = paartijd.
Mate, meit, mat (schaakspel); — verb. mat zetten.
Mater, meitə, moeder, “ouwe vrouw”.
Material, mətîriəl, subst. (bouw)stof, materiaal; adj. stoffelijk, lichamelijk, gewichtig, belangrijk, materialistisch: He bought the house for its —s = voor afbraak; That is — to your welfare = van ’t hoogste belang voor uw welzijn; His health improves —ly = gaat hard vooruit; They were left —ly undisturbed = in hoofdzaak met rust gelaten; —ism = materialisme; —ist; —istic = materialistisch; —ity, matirialiti = stoffelijkheid; —ization = verstoffelijking; —ize = verstoffelijken, realiseeren, stoffelijk voordeel (of resultaat) opleveren; een stoffelijken vorm aannemen: All our announcements and posters have failed to —ize = al onze advertenties en aanplakbiljetten hebben niets gegeven; —ness = Materiality.
Maternal, mətɐ̂n’l, moederlijk, moeder.., van moederszijde; Maternity = moederschap: —-hospital = kraaminrichting.
Mathematic(al), mathimatik(’l), wiskundig: —al master = leeraar in de wiskunde; —ian, mathimətiš’n, wiskundige; —s = wiskunde: The higher —s.
Mather(s), madhə(z), Mathew, mathjû.
Matie, meiti, maatjesharing.
Matins, matinz, vroegdienst, metten; Matinee, matinei, matinée; morgenjapon.
Matricidal, meitrisaid’l, matrisaid’l, moedermoord betreffend; Matricide, meitrisaid, matrisaid, moedermoord(er).
Matriculate, mətrikjuleit, immatriculeeren, (zich laten) inschrijven in de matricula (= naamlijst); subst. Matriculation.
Matrimonial, matrimounj’l, huwelijks...: — agents; — duties = huwelijksplichten; He is —ly inclined towards her = wenscht haar tot zijne vrouw; Matrimony = huwelijk, huwelijke staat.
Matrix, meitriks, matriks, baarmoeder, matrijs, de vijf eenvoudige kleuren bij het wolverven (zwart, wit, blauw, rood en geel).
Matron, meitr’n, matrən, matrone, deftige dame, directrice van eene instelling of inrichting; —age, meitrənidž, matrənidž, de gezamenlijke matrons, moederlijke zorg; —al = matroneachtig; adj. bejaard; —hood = —age; —ize = als oudere dame (of moeder) eene jonge vergezellen; —like = —al = —ly; —ship.
Matter, matə, subst. stof, zelfstandigheid, onderwerp, voorwerp, zaak, gewicht, etter, kopij (drukkerij), enz.; — verb. van belang zijn: What is the — = wat is er, scheelt er aan? There is always something or other the — with him = hij heeft ook altijd wat; It is a — of five pounds = zoo wat 60 gld.; That is a — of course = dàt spreekt vanzelf; — of fact = daadzaak: As a — of fact = feitelijk; He is a —-of-fact person = door-en-door practisch, nuchter; That is a great — = dat is van groot gewicht; It is not a — of pence but principle = niet om de knikkers, maar om ’t recht van ’t spel; I might go there for that —, for the — of that = wat dat aangaat; No — = het kan niet schelen; It is no — of mine = ’t gaat mij niet aan; No such — = niets daarvan; The subject — = stof, inhoud; It does not — = het kan niet schelen; It —s to us all = is van belang voor ons allen; It cannot greatly — = het doet er niet veel toe; —ful = van gewicht, kracht of beteekenis.
Matthew, mathjû; Matthias, məthaiəs.
Mattock, matək, houweel.
Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair —, Wire —.
Maturate, matjureit, rijp worden; subst. Maturation; Maturative = rijpend, ettering bevorderend (middel).
Mature, mətjûə, adj. rijp, gerijpt, geheel ontwikkeld, voorbereid, vervallen (van wissels): A —d plan = wel overlegd, goed doordacht; —d wine = belegen wijn; —ness = Maturity = rijpheid, vervaltijd (van wissels): At (On) maturity = op den vervaldag.
Matutinal, matjutain’l, mətjûtin’l, vroeg, morgen...: — bath; — habits = gewoonte vroeg op te staan.
Maud, môd, Maud; wollen plaid (Schotl.).
Maudlin, môdlin, sentimenteel, schreierig als een dronken mensch; subst. —ism.
Maugre, môgə, niettegenstaande.
Maul, môl, subst. groote houten hamer, moker; — verb. ranselen, verpletteren, beschadigen, mishandelen: They were severely —ed = leelijk toegetakeld, scherp gecritiseerd.
Maulstick, môlstik, schildersstok.
Maunder, môndə, mândə, op huilerigen toon spreken, mompelen, bazelen; subst. gebazel; —er = brompot.
Maundy-Thursday, môndi-thɐ̂zdi, Witte Donderdag, waarop; — money wordt uitgedeeld door den Royal Almoner in Whitehall (gewoonlijk een penny voor elk levensjaar van den vorst).
Maurice, môris, moris; Mauritania, môriteinjə; Mauritius, môrišəs.
Mausoleum, môsəlîəm, praalgraf.
Mauve, mouv, subst. purperkleur; adj. purperkleurig.
Mavis, meivis, zanglijster.
Maw, mô, pens, krop, maag; bek: Hold your —; —-seed = papaverzaad; —-worm = spoelworm; huichelaar.
Mawkish, môkiš, walgelijk; overgevoelig, kieskeurig; subst. —ness.
Maxilla, maksilə, kaakbeen, bovenkaak; —ry, maksiləri, maksiləri, tot de kaak behoorende, kaak....
Maxim, maksim, grondstelling, leerspreuk.
Maxim, maksim: — gun = soort van repeteerkanon.
Maximal, maksim’l, maximaal.
Maximilian, maksimilj’n.
Maximum, maksimɐm, subst. maximum; adj. grootst.
May, mei, Mei, lente, meidoorn, Meifeest; — verb. het Meifeest vieren; —-bloom = meidoorn; —-bug, —-chafer = meikever; —-day = eerste Mei; —-duke = meikers; —-flower = meidoorn, dotterbloem, pinksterbloem, koekoeksbloem; —-fly = soort watervlieg (Sialis lutaria); —-lady, —-queen = meikoningin; —-lily = lelietje v. dalen; —-meeting = Mei-bijeenkomst (van godsdienstige sekten en staatkundige partijen); —-pole = meiboom, boonestaak (fig.), “kip op hooge pooten”; To go a-—ing = naar het Meifeest gaan; —er = iemand, die aan het Meifeest deelneemt.
May, mei, mogen, kunnen, misschien kunnen: Be this as it — = laat dit zijn zoo het wil; As one — say = om zoo te zeggen; He that will not when he —, When he will he shall have nay = Wie niet wil wanneer hij mag, Krijgt een “neen” op later dag; Come what come — = laat er gebeuren wat er wil; It — be fine to-morrow = het is morgen misschien wel mooi weer; —be = kan zijn, misschien; —hap = misschien, toevallig.
Mayence, Fr. uitspr. Mainz; Mayfair, meifêə; Mayhew, meihjû; Maynooth, meinûth, meinûth; Mainwaring, manəriŋ.
Mayor, meijə, mêə, burgemeester (in Engeland); adj. —al; —alty = burgemeestersambt; —ess = burgemeestersvrouw; —ship.
Mazard, mazəd, schedel, kop; soort kers.
Maze, meiz, subst. doolhof; verlegenheid; — verb. verbijsteren, in verlegenheid brengen; subst. —ment = Maziness.
Maz(o)urka, məzɐ̂kə, məzûəkə, mazurka.
Mazy, meizi, verward, verlegen.
Me, mî, mij: That’s — = dat ben ik.
Mead, mîd, mee (drank); weide (dichterl.).
Meadow, medou, weide, weiland: —-land = weiland; —-mouse = veldmuis; —sweet = moeras-spiraea; theeboompje (Amer.); —y = uit weiden bestaande.
Meager, Meagre, mîgə, adj. mager, schraal, onvruchtbaar: A — correspondent = die weinig schrijft; subst. —ness.
Meal, mîl, maal, maaltijd; meel; maismeel (Amer.); — verb. tot meel of poeder wrijven, met meel bestrooien: You shall be paid in — or malt = in elk geval, hoe dan ook; He made a — of it = at er zijn bekomst van; —-brimstone = fijne zwavel; —-man = meelhandelaar; —-meat = meelspijs; —-time = etenstijd; —-worm; —ies, mîliz, maïs (Z.-Afr.); —iness = meligheid; —y = melig, droog, als met meel bestoven; —y-mouthed = schuchter, zoetsappig.
Mean, mîn, laag, gering, armelijk, gemeen, onbeteekenend, slaafsch, krenterig: No — foe = een tegenstander, dien men niet moet onderschatten; There was nothing — about the party = het was eene royale partij; He has a — look about him = de krenterigheid ziet hem de oogen uit; You are too — for anything = je bent al heel min; —-born = van lage geboorte; —-spirited = kruiperig; subst. —-spiritedness; To think —ly of = geringschatten; —ness = nederige stand, gemeenheid, krenterigheid.