Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 25
Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst. —ness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig; subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden (leef)tijd.
Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: — of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In — of = in weerwil van; To hold in — = verachten; —ible = verachtelijk, nietig; subst. —ibleness; —uous, k’ntemtjuəs, smalend, onbeschaamd; subst. —uousness.
Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen, streven (met for); —ing = tegenstrijdig.
Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; — verb. tevreden stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords): To one’s heart’s — = naar hartelust; I am — = ik stem het toe, ben er voor; Not — = (ik stem) tegen; To — oneself = zich vergenoegen; —ed(ness) = tevreden(heid) = —ment: —ment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.
Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of —s = inhoudsopgave; — bill = inhoudsopgave van sommige couranten.
Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My — is, that.... = ik beweer, durf volhouden, dat....; Contentious, twistziek; subst. —ness.
Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.
Contest, kontest, strijd, twist, geschil.
Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: —ed election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is; To — a borough = als candidaat optreden voor; —able = bestrijdbaar, strijdig; —ant = mededinger.
Context, kontekst, samenhang; —ure, k’ntekstjə, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw.
Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs, aangrenzend, nabij (met to).
Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid.
Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland), stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken, bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het Continent: The — Powers = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); The — system, van Napoleon I; Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken.
Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In a certain — = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies = onvoorziene uitgaven: — of war = krijgskans; Contingent, k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is — on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij weggaat.
Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald, voortgezet: — fever = aanhoudende koorts; subst. —ness; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf: For a — = op den duur; In — of time = in verloop van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting, vervolg, prolongatie: — day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; —-schools = M. U. L. O. scholen; Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord, dat voortduur uitdrukt.
Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather —d fair for several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog); To be —d = wordt vervolgd; —d in our next = voortzetting in ’t volgend nommer; —d fever = hardnekkige.
Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit; Continuous: — rains = onophoudelijke regens.
Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; — verb. wringen, draaien; Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen); verrekking: To make —s = zich in alle bochten wringen; —ist = slangenmensch; woordverdraaier.
Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; — verb. een omtrek of schets maken.
Contra, kontra, contra: Per — = in tegenvordering; Contraband, kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (= —-goods); adj. (wettig) verboden: — trade; — of war; —ist, kontrəbandist = smokkelaar.
Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): —-work = aangenomen werk.
Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To — friendship = vriendschap aangaan; —ibility = inkrimpbaarheid, samentrekbaarheid; adj. —ible, —ile; —ing parties = contracteerende partijen; —ing price = leveringsprijs; —ion = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van; —or = aannemer, leverancier, sluitspier; —or-built houses = bij aanneming gebouwde.
Contra-dance, kontradâns, quadrille.
Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken; —ion = tegenstrijdigheid: That is a —ion in terms = tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig, twistziek; subst. —ness; Contradictoriness = tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (of one another).
Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In — to (from) = in tegenstelling met; Contradistinctive = tegengesteld; Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden.
Contralto, kəntraltou, tweede alt.
Contrapuntal, kontrapɐnt’l; Contrapuntist. Zie Counterpoint.
Contrariety, kontrəraiiti, tegenstrijdigheid, moeielijkheid = Contrariness = weerspannigheid; adj. Contrarious; Contrary, kontrəri, subst. tegendeel, tegenstelling; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig, vijandig, weerspannig, knorrig: On the — = integendeel; To the — = niettegenstaande: He will come, all rumours about his health to the —; Unless I hear to the — = tegenbericht krijg; — to equity = in strijd met de billijkheid; — wind = tegenwind.
Contrast, kontrast, tegenstelling.
Contrast, k’ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with), afsteken bij.
Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor.
Contravallation, kontravəleiš’n, door belegeraars opgeworpen reeks van borstweringen.
Contravene, kontravîn, in tegenspraak zijn, tegenwerken, overtreden; —r = overtreder; Contravention = tegenwerking, overtreding: He did it in — of that rule = vlak tegen dien regel in.
Contributable, k’ntribjutəb’l, bij te dragen; Contribute, k’ntribjût, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), bevorderen, medewerken; Contribution = bijdrage, brandschatting, belasting (—-bag = kerkezakje); To levy a — on = brandschatten; Contributive = bijdragend, bevorderend; Contributor = bijdrager, medewerker, bevorderaar; Contributory = bijdragend: — river = zijrivier; subst. = Contributor.
Contrite, kontrait, berouwvol, boetvaardig; Contrition, k’ntriš’n, diep berouw, droefheid.
Contrivance, k’ntraiv’ns, plan, uitvinding, middel, list; zuinig overleg; Contrive, k’ntraiv, beramen, maken, bedenken, het aanleggen, overlèggen; —r = beramer, etc.
Control, k’ntroul, subst. beperking, bestuur, controle, invloed, macht; — verb. controleeren, in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot — himself = zich niet beheerschen; —lable = te controleeren; —ler = controleur, stroomregelaar; —ment = Control.
Controversial, kontrəvɐ̂š’l, strijd ..., polemisch; —ist = polemicus; Controversy, kontrəvɐ̂si, dispuut, geschil, strijdpunt; Controvert, kontrəvɐ̂t, betwisten, weerleggen; Controvertible = weerlegbaar.
Contumacious, kontjumeišəs, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend, niet verschijnend; subst. —ness; Contumacy, kontjuməsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, niet verschijnen; Contumelious = honend, verachtelijk, aanmatigend; Contumely = smaad, hoon.
Contuse, k’ntjûz, kneuzen; subst. Contusion; adj. Contusive.
Conundrum, kənɐndr’m, woordraadsel.
Convalesce, konvəles, beter worden; Convalescence = herstel, genezing; Convalescent = genezend, herstellings - -: — hospital = hospitaal voor herstellende zieken.
Convallaria, konvəlêrjə de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort.
Convection, k’nvekš’n, voortplanting; Convective = voortplantings - -.
Convene, k’nvîn, samenkomen, samenroepen, oproepen; convenieeren (Amer.); —r = die oproept, etc.
Convenience(-cy), k’nvînj’ns(i), geschiktheid, gepastheid, gemak, gelegen tijd of plaats, wagen, stoel: Do it at your (earliest) — = zoo(dra) het u voegt; Consult your own — = regel het zooals het u best past; To meet the — of = zich regelen naar; Convenient = geschikt, gemakkelijk (gelegen, te vinden): I will make it — = zal het schikken, dat....
Convent, konv’nt, (nonnen)klooster.
Conventicle, k’nventik’l, subst. conventikel, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (van afvalligen of uitgestootenen eener kerk); — verb. behooren tot (bezoeken van) conv.; —r = bezoeker van een conventicle.
Convention, k’nvenš’n, samenkomst, vereeniging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; —al, —ary = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd, gebruikelijk, conventioneel; Conventionalism = conventionalisme, het conventioneele; Conventionalist = aanhanger van het conventioneele; Conventionality = gebruikelijkheid; Conventionalize = convent. voorstellen.
Conventual, k’nventjuəl, klooster - -; subst. kloosterling.
Converge, k’nvɐ̂dž, in één punt samenkomen; —nce, —ncy = convergentie; —nt = convergeerend.
Conversant, konvəs’nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with).
Conversable, k’nvɐ̂səb’l, gezellig, onderhoudend; Conversation, konvəseiš’n, verkeer, omgang, gesprek: Criminal — = echtbreuk; We entered into — = wij raakten in gesprek; He joined in the — = hij sprak een woordje mee; Conversational = het gesprek betreffend, in gesprekvorm: — powers = spraakzaamheid; Conversationalism: That is a — = familiare uitdrukking; Conversationalist = Converser.
Conversazione, konvəsatšouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp.
Converse, k’nvɐ̂s, omgaan (spreken) met, verkeeren; —r = (onderhoudend) prater.
Converse, konvəs, subst. gesprek, gemeenzame omgang: To hold — with.
Converse, konvəs, omgekeerd, wederkeerig; subst. omkeering, tegenstelling.
Conversion, k’nvɐ̂š’n, bekeering, verandering, omkeering, conversie, toeëigening; —ist = bekeerling: A —ist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt).
Convert, konvət, bekeerde, geredde; leekenbroeder.
Convert, k’nvɐ̂t, veranderen, bekeeren, redden, omzetten in, converteeren, omkeeren, zich veranderen, aanwenden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan: He —ed his property into money, which he —ed to his own use = te gelde maken... aanwenden; —ed India-rubber = gezwavelde; Convertibility = veranderbaarheid, etc.; Convertible = veranderbaar, enz.: — terms = gelijkwaardige uitdrukkingen.
Convex, konveks, subst. en adj. convex; Convexity = convexe vorm; Convexo: —-concave = convex-concaaf; —-convex = bol aan beide zijden; —-plane = plan-convex.
Convey, k’nvei, vervoeren, verschepen (= — by water), overdragen, overbrengen, mededeelen; de gedachte wekken: My words do not mean to — this; —able = overdraagbaar; —ance = vervoer, vervoermiddel, rijtuig, overdracht, voortplanting: Letter of —ance = akte van overdracht; —ancer = —ancing-council = een ambtenaar, die akten v. overdracht maakt; —ancing-law = recht op de overdracht van eigendom; —er = overbrenger.
Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; —-colony = —-establishment = strafkolonie; —-ship = transportschip van gestraften.
Convict, k’nvikt, adj. schuldig bevonden; — verb. schuldig bevinden, veroordeelen; bewijzen, de onjuistheid aantoonen; —ion = schuldigbevinding, overtuiging, vast geloof; —ive = overtuigend.
Convince, k’nvins, overtuigen; Convincible = te overtuigen; Convincing proof = doorslaand.
Convive, konvaiv, tafelgenoot; — verb. kənvaiv, feestvieren; Convivial, k’nvivj’l, feestelijk, vroolijk, gezellig; Conviviality = feestelijkheid, enz.
Convocate, konvəkeit, bijeenroepen; Convocation = bijeenroeping, vergadering; synode van de 2 kerkelijke provinces (Canterbury en York) waarin Engeland verdeeld is; vergadering der gegradueerden eener universiteit.
Convoke, k’nvouk, samenroepen, oproepen, samenkomen.
Convolute, konvəl(j)ût, —d, konvel(j)ûtid, ineengerold; Convolution = omdraaiing, ineenwikkeling; Convolvulus, k’nvolvjulɐs, winde.
Convoy, konvôi, konvooi, escorte: — of prisoners = transport gevangenen.
Convoy, kənvôi, convoyeeren.
Convulse, k’nvɐls, krampachtig samentrekken, schokken, schudden, hevig ontroeren: To be —d with laughter = zich een stuip lachen; Convulsion = kramp, hevige ontroering, stuip; Convulsionary = krampachtig = Convulsive: — motion = stuiptrekkende beweging.
Con(e)y, kouni, kɐni, konijn; —-burrow = konijnenhol; —-wool = konijnenbont.
Conybeare, kɐnibêə.
Conyza, kənaizə, vlooienkruid.
Coo, kû, kirren, vrijen: They were billing and —ing together = zij zaten te vrijen.
Cooee (Cooey), kûi, signaal der Austral. boschbewoners; ook verb.
Cook, kuk, subst. keukenmeid, kok; — verb. koken, bereiden, een geflatteerde balans maken, vervalschen: Too many —s spoil the broth = te veel koks bederven de brij; To — a person’s goose = iemand geducht beetnemen; To — up = opwarmen; —-shop = gaarkeuken; —ery-book; School of —ery; —ing-box = hooikist; —ing-range (-stove) = fornuis.
Cookie, kuki, koekje; (Am.).
Cooky, kuki, iemand die met Cook (den Engelschen Lissone) reist.
Cool, kûl, subst. koelheid, frischheid; adj. koel, frisch, kalm, onhartstochtelijk, onverschillig, onbeschaamd, brutaal: — verb. afkoelen, bekoelen, koelen, koel (kalm) worden (down): — as a cucumber = zoo brutaal mogelijk; bij zijn neus langs; I call it — = onbeschaamd; It cost me a — hundred = honderd guldentjes; — your brain = kalmeer je wat; He —ed his heels = hij moest lang buiten wachten; —er = koeldrank, koelvat, koelkan: Butter —er; —-headed = onhartstochtelijk, zichzelf meester; subst. —-headedness = bezonnenheid; —ish = wat koel (koud); —ness = koelheid, kalmte, koudbloedigheid, onbeschaamdheid; —th = het koel zijn.
Coolie, kûli, koelie.
Coom, kûm, dik wagensmeer, roet, zaagmeel, stof, vuil.
Coomb, kûm, maat van vier bushels (± 141 L.); ook: Comb, koum.
Coon, kûn, verkorte vorm van Racoon, waschbeer: You are a gone — = je bent erbij, voor de poes (Am.); Old — = slimmerd.
Coop, kûp, subst. kippenhok, konijnenhok, kuip.
Cooper, kûpə, subst. kuiper; mengsel van half stout en half porter; — verb. kuipen; bederven, vervalschen; begrijpen (Am.): —ed up = opgeknapt; —age, kûpəridž, kuiperswerk, kuiperij, kuipersloon = —y.
Co-operant, kou-opər’nt, medewerkend; meewerkende oorzaak; Co-operate, kouopəreit, samen-, medewerken; Co-operation = samenwerking, medewerking; Co-operative: — Society = Vereeniging Eigen Hulp; — Stores = winkel v. E. H.; Co-operator = medewerker.
Co-ordinate, kouödinit, adj. van dezelfde orde of macht; subst. coördinaat; — verb. (kouödineit), doen coördineeren, samenvatten, in overeenstemming brengen; Co-ordination = coördinatie.
Coot, kût, meerkoet.
Cop, kop, pakken, gappen, stelen.
Copaiba, kəpeibə = Balsam of —.
Copal, koup’l, copal.
Copartner, koupâtnə, deelhebber, compagnon; —ship = compagnieschap.
Cope, koup, koorhemd, kap; (blader)dak, uitspansel (= — of heaven); — verb. met een mantel (dak, koepel) bedekken; een kapgewelf vormen; bestrijden, tegemoet treden; handel drijven; wedijveren, meedoen: To — with = voldoen aan; This —s best with women = daarmee komt men bij vrouwen het verst; The doctors could not — with all the wounded = konden al de gewonden niet helpen.
Copenhagen, koup’nheig’n.
Coper, koupə, vaartuig, dat aan de visschers op de Noordzee jenever, etc. verkoopt.
Copernican, kəpɐ̂nik’n, van Copernicus.
Copestone, koupstoun, sluit-, hoek-, of deksteen.
Cophetua, kəfetjuə.
Copier, kopjə, copiïst, naäper, copieermachine.
Coping, koupiŋ, muurkap: —-stone = Copestone.
Copious, koupjəs, overvloedig, volledig, wijdloopig, vrijgevig; subst. —ness.
Copper, kopə, subst. rood koper, ketel, koperen munt; klabak, smeris; adj. van koper; — verb. met koperen platen bedekken; —ed = —-bottomed = gekoperd; —-beech = bruine beuk; —-head = vergiftige slang (Am.); heimelijke vijand; scheldnaam (in den Am. vrijheidsoorlog) voor een Noord-Amerikaan, die het met de Zuidelijken hield (—-headism); —ish = koperachtig; —-plate = koperplaat, kopergravure; —-smith; —-wire; —-worm = paalworm; —y = koperachtig, koper - -; naar koper smakend.
Copperas, kopərəs, koperrood.
Coppice, kopis, onderhout, kreupelboschje.
Coprolite, koprəlait = Coprolith, coprolieten, dreksteen.
Copse, kops, onderhout wegsnoeien, of aanplanten; subst. = Coppice; Copsy = met struikgewas begroeid.
Copt, kopt, Kopt; —ic, subst. en adj. Koptisch(e taal).
Copula, kopjulə, koppelwoord; Copulate, verb. paren; copuleeren; Copulation, verbinding, paring; Copulative, adj. verbindend, parings - - - -; subst. copula, verbindingswoord.
Copy, kopi, subst. afschrift, manuscript, exemplaar, kopie, model; — verb. afschrijven, nabootsen: Foul — = concept, ontwerp; That’s — = dat is een bekende zaak; He made — out of it = maakte er gebruik van voor krant of tijdschrift; He set us copies = hij schreef ons een regel voor om na te schrijven; To take — of = tot voorbeeld nemen; To — fair, To — out = in ’t net schrijven (To write out a fair —); To — from nature; —-book = schrijfboek (voor schoonschrift), copieboek; —hold, kopihould, een soort erfpacht (Het erfpachtsrecht van den Holder of a Copyhold Estate bestaat in een copy van de inschrijving daarvan in the Court Rolls van de Manor waarvan elke copyhold steeds een deel uitmaakt. Voldoet de holder slechts aan zekere Customs of the Manor, dan staat zijn bezit even vast als dat van eenig landeigenaar); —ing-ink (—-paper, —-press) = copieerinkt, etc.; —ist = Copier; —right = copierecht: The paper was duly —righted = het recht op den inhoud van het blad (of artikel) was (werd) volgens de wet verzekerd.
Coquet, kəket, coquetteeren; —ry, koukətri, kəketri, behaagzucht; —te, kəket, behaagziek meisje, coquette; —tish = coquet.
Cor, kö = Coroner; Corinthians.
Coracle, korək’l, visschersboot, bestaande uit een houten geraamte met leer of wasdoek overtrokken (Ierl.).
Coral, kor’l, subst. koraal, kinderrammelaar; adj. van koraal, koraalachtig: —-beads = koralen halssnoer; —-diver; —-fishing; — island; Coralliferous = koraalbevattend; Coralliform, Coralliform = koraalvormig; Coralline, korəl(a)in, koraal...; subst. koraalmos, koraaldier; —lite, korəlait, koraliet.
Corb, köb, kolendragers- of mijnwerkersmand, aalmoezenmand.
Corban, köb’n, offerande als gevolg van eene gelofte (bij de Israelieten); de offerande van schapen (bij de Mahomedanen), die onder de armen verdeeld worden.
Corbeil, köb’l, schanskorf.
Corbel, köb’l, subst. draagsteen of draagijzer, nis, kraagsteen van eene Corinthische zuil; — verb. laten steunen op een corbel; —-steps = geveltrapjes, trapgevel; —-table = aan den muur bevestigde, op een corbel rustend uitsteeksel.
Cord, köd, subst. touw, snoer, band, streng, snaar; vadem hout (128 kub. voeten); — verb. met een touw binden (ook: — up), vamen; —-maker = touwslager; —wood = vademhout; Cordage = touwwerk.
Cordate(d), ködeit(id), hartvormig.
Cordelia, ködîljə.
Cordelier, ködəlîə.
Cordial, ködj’l, subst. hartsterking, opwekkend middel, likeurtje; adj. hartelijk, hartsterkend, opwekkend; Cordiality = hartelijkheid; Cordiform, ködiföm, hartvormig.
Cordilleras, ködiljêrɐz, ködiləraz, Sierra Nevada, Rotsgebergte; de Andes.
Cordite (powder), ködait, cordiet.
Cordon, köd’n, lint, cordon; rand van een muur: —s and decorations = lintjes; — bleu = hoogste onderscheiding; beste kok.
Cordova, ködəvə; Cordovan, ködəv’n, corduaan = — leather.
Corduroy, ködjurôi, ködərôi, geribd katoen, fluweelachtige stof voor broeken (= —s); —-road = weg van dikke stukken hout door venen of moerassen (Amer.).
Core, kö, hart, binnenste, kern, klokhuis; — verb. boren (v. appels), inzouten; —r = appelboor.
Corea, kərîə.
Co-regency, kourîdžənsi, mederegentschap; Co-regent.
Co-religionist, kourilidžənist, geloofsgenoot.
Co-respondent, kourispond’nt, mede-aangeklaagde, medeminnaar of medeplichtige (bij een echtscheidings-proces).
Corf, köf, sleeptrog in mijnen.
Coriaceous, kourieišəs, lederen, taai.
Coriander, kouriandə, koriander.
Corinth, korinth; —ian, kərin-thiən, Corinthisch; subst. fat, aristocratisch amateur (tegenover den professional prize-fighter); Coriolanus, kəraiəleinəs, koriəleinəs.
Co-rival, kouraiv’l, medeminnaar, -dinger; —ship = wedijver; —ry.
Cork, kök, subst. kurk; — verb. kurken, onderdrukken, kniezen, met een kurk zwart maken; —-jacket = zwemvest; —-oak; —screw = kurketrekker; —screw stairs = wenteltrap; —age fee = kurkengeld; To pull the — out of an entertainment = het spel bederven; To draw a — = een bloedneus slaan; To smell the — = drinken; —ed = naar de kurk smakend; —er = kurker; dooddoener; spelbreker; —ing = kolossaal; —ing-machine = toestel om flesschen te kurken; —ing-pin, groote doekspeld, bakerspeld, naald om insecten op te steken; —y = kurkachtig, wankel, schichtig, naar de kurk smakend; —y flavour.
Cormorant, kömər’nt, aalscholver, waterraaf; vraat.
Corn, kön, subst. korrel, koren; maïs (Am.), whisky (Amer.); likdoorn; — verb. pekelen, zulten; met graan of haver voederen; tot korrels maken: There is — in Egypt = er is overvloed; He measures our — by his own bushel = zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten; —-chandler, köntšandlə, korenhandelaar; —-crake = kwartelkoning (spriet); —-cutter = maaimachine (Amer.); —-exchange = korenbeurs; —-floor = (—-loft) = korenzolder; —-mill; —-plaster = likdoornpleister; —-poppy = gewone klaproos; —-salad = veldsalade; —-stalk = korenhalm; —-violet, könvaiəlit, onechte kantvrucht; —-weevil, könwîv’l, graan- of klanderworm; —ed = gepekeld; aangeschoten; —ing-house = korrelhuis.
Cornac, könək, kornak.
Cornea, könjə, hoornvlies.
Cornel, kön’l, eetbare kornoelje = —-berry, —-cherry.
Cornelia, könîljə.
Cornelian, könîlj’n, cornalijn, corneool.
Cornelius, könîljəs; Cornell, könel.
Corneous, köniəs, hoornachtig.
Corner, könə, subst. hoek, bocht, geheime plaats; kliek, die door opkooping den prijs opjaagt; — verb. in een hoek zetten (fig.); den prijs van iets opjagen, eene schaarschte verwekken door opkooping: To drive into a — = in het nauw brengen; To put (stand) one in the — = in den hoek zetten; To turn the — = het hoekje (crisis) te boven zijn; Atween the four —s of the parish = in de geheele; To be at the four —s for = niet weten waar vandaan te halen; To be within the four —s of = behooren tot; The — = Tattersall’s bij Hydepark Corner; To — a person = in ’t nauw brengen; —-boy = lanterfanter; (—er =) —-man = lid van een corner of kliek; —-stone; —-wise = met vooruitspringenden hoek.
Cornet, könət, hoorn, cornet, ruiterbende onder bevel van een cornet; doctorssjerp, neepjesmuts, peperhuisje; —cy = rang van cornet.
Cornice, könis, kroonlijst; —-pole = stok (van overgordijnen).
Corniculate, kônikjulit, gehoornd, hoornvormig.
Cornish, köniš, van Cornwallis; subst. bewoner en taal v. C.; —-engine = soort van stoompomp.
Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.
Cornute(d), kônjût(id), gehoornd.
Cornwall, könwôl; Cornwallis, könwolis.
Corollary, korələri, kəroləri, gevolgtrekking uit het voorafgaande.
Corona, kərounə, krans, kroontje, kroon (van een kies), kring (vooral om de maan); Coronal = kroon - -, krans - -: — bone = voorhoofdsbeen; —-feathers = kuifveeren; Coronary = kroonvormig, kransachtig: — arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen; Coronate(d) = eene kroon, krans, kuif dragend; Coronation = kroning: —-oath = kroningseed.
Coroner, korənə, lijkschouwer: —’s inquest = gerechtelijke lijkschouw.
Coronet, korənət, kroontje, krans; —ed = met een kroontje.
Coronule, korənjûl, zaadkroontje.
Corporal, köpər’l, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: — punishment = lijfstraf.
Corporal, köpər’l, —e, köpəreili, corporale, een met figuren bestikt lijnwaad waarop de hostieschotel en de kelk worden geplaatst.