Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 117
Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and — = buffet, met toonbank en stellage.
Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= —-bird); — verb. op stelten zetten, kunstmatig opheffen: On —s = op stelten; hoogdravend; To go (walk) on —s; —-walker = steltlooper; —edness = hoogdravendheid.
Stilton, stilt’n: It’s not the — = dat past niet; — cheese, een te St. bereide kaassoort.
Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.; Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel, opwekkend middel, stekel: To give a — to = aansporen, opfleuren.
Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging (= —s of conscience); — verb. steken, prikkelen, pijn doen, pijnlijk treffen: Your narrative —s me to the heart = is me een steek door het hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung with sorrow = smartelijk getroffen; —er = stekel, steek, pijnlijke slag, vorstig weer: He received a —er in his face = een harden slag; —-bull = pieterman; —-fish = kleine pieterman of steekvischje; —ray = —tail = stekelrog = —aree, stiŋgərî; —ing: —ing-nettle = brandnetel; —less.
Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.
Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; — verb. stinken, in slechten reuk staan: It —s in the people’s nostrils = het is het volk een walg; —-pot = stinkpot; Stinkard = stinkdier.
Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde hoeveelheid, toebedeelde taak; — verb. beperken, eene bepaalde taak aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They — themselves = bekrimpen zich; He does not — his confidence = is niet karig met; —ed in growth = in den groei belemmerd; They were —ed to a certain number of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; —edness = beperking; —less = overvloedig.
Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.
Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.
Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch without stippling or varnish; —r = punteerpenseel.
Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj. (stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.
Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven, geraas; — verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan, op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a — = baarde veel opzien; Not a breath is —ring = er beweegt zich geen windje; There is no money —ring = er komt geen geld onder de menschen; There is no news —ring = er is niets geen nieuws; Is nobody —ring? = is nog niemand op? My blood was —red = raakte aan ’t koken; You shall not — abroad (from the house, a step out of this house) to-day = je komt vandaag de deur niet uit; Something —red in my memory = kwam op in mijne herinnering; He —red the hot mixture round and round = roerde maar steeds; These measures —red up the nation = schudden de natie wakker; —-about = haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de 26e Zondag na Pinkster.
Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the — = zijn voet in den beugel; —-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de valreep); —-leather (—-strap) = riem van den stijgbeugel; —-oil = flink pak ransel.
Stitch, stitš, subst. steek (— in the side = steek in de zijde); — verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren graven: Without a — of clothes = stuk kleeren; A — in time saves nine = werk op tijd maakt welbereid; She made several false —es = verkeerde steken; The surgeon —ed up the wound = naaide de wond dicht; —-wort = sterremuur.
Stive, staiv, smoren.
Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.
Stoat, stout, wezel, hermelijn.
Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas; lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad, veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas, bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -, vast, stam - -; — verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van vee voorzien, bevolken, opslaan: Dead — = werktuigen en producten; Live — = levende have; Rolling — = rollend materieel; Working — = materiëel; —s = blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten, stapelblokken: We must get it on the —s soon = op stapel zetten; To put in the —s = in het blok zetten; He cried his — = ventte luide; The clergyman took — of the young fellow = nam op; The notary took — of everything = maakte een inventaris op; He took little — in the Franco-Russian alliance = stelde weinig vertrouwen; To be in — = goed bij kas zijn; To have in (on) — = in voorraad; — of learning = schat van kennis; — in trade = bedrijfskapitaal; — piece = répertoirestuk; His — remarks = vaste, steriotype aanm.; Being over—ed, we cannot insert your paper = aangezien we te veel copie hebben; We are well —ed with everything = ruim van alles voorzien; A garden —ed with raspberries = vol frambozen; —-breeder = veefokker; —-broker = makelaar in effecten; —-dove = kleine boschduif; —-exchange = effectenbeurs; —-farm = boerderij voor veeteelt; —-farmer; —-feeding = mesten; —-fish = stokvisch: Mute as a —-fish = zoo stom als een visch; —-gilliflower = winterviolier; —-holder = aandeelhouder; —-jobber = effectenhandelaar of speculant; —-jobbery; —-list = koerslijst; —-man = veehoeder; —-market = geldmarkt; veemarkt; —-pot = pot waarin bouillon staat te trekken; —-raiser = fokker; —-rider = bereden veehoeder (Austr.); —-rose = stokroos; —-station = fokstation; —-still = bewegingloos; —-taking = inventarisatie; —-ticker = instrument, dat den stand der beurs aangeeft; —-watering = nominale vergrooting van kapitaal; —-yard = omsloten plaats voor vee. Zie Stockish.
Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; — verb. omheinen, met palisaden versterken.
Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.
Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his —s (in his —-feet) = op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill his — = hij wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a — = (met kerstmis door kinderen); To make a — = een kous maken; —-frame = machine om kousen, enz. te weven; —-yarn = breiwol.
Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.
Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely — us with information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet, onverteerbaar.
Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; —al = stoicijnsch; subst. —alness; —ism = leer der Stoicijnen, ongevoeligheid.
Stoke, stouk, stoken: —-hold = —-hole = stookruimte (-gat); Stoker = stoker: Gas —s.
Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt; stola: Groom of the — = opperkamerheer (in Engeland).
Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.
Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. —ity, stoliditi = —ness.
Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging, moed, toorn, norschheid, aanmatiging; — verb. slikken, verduwen: To disorder (spoil, upset) one’s — = zijn maag bederven; My — rises = ik word misselijk; It goes against the — with me = stuit me tegen de borst; To have little — for = weinig trek hebben in; Such food sticks in the — = ligt zwaar op de maag; To turn a person’s — = misselijk maken; He —ed that injury = slikte die beleediging; —-ache = maagpijn, buikpijn; —-pump = maagpomp; —-worm: The —-worm gnaws = mijn maag jeukt; Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik, maagversterkend, maag...; maagmiddel: — fever = gastrische koorts.
Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen, hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; — verb. steenigen, met steenen plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The philosopher’s — = de steen der wijzen; — of offence = steen des aanstoots; To break —s = steenen kloppen; I will not cast the first — at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out of a — = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill two birds with a — = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a — standing = geen twee steenen op elkaar laten; To leave no — unturned = niets onbeproefd laten; To mark with a white — = (als iets bijzonders) met een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon the —s = rondslenteren; To — plums = de pitten uit pruimen verwijderen; —-age = steenperiode; —-blind = stekeblind; —-bottle = kruik; —-break = knollige steenbreek; —-broke = aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was close on —-broke = want ik was “er aan toe”; —-buck = steenbok; —-chat(ter) = roodborst-tapuit; —-coal = anthraciet; —-coral = massief koraal (tegenover getakt); —crop = muurpeper; —-curlew (-plover) = griel; —-cutter = steenhouwer; steensnijder; —-dead = morsdood; —-deaf = stokdoof; —-falcon = steenvalk; —-fruit = steenvrucht; —-hammer = steenhamer; —-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; —-hatch = bontbek-pluvier; —-hearted = met een hart van steen; —-horse = hengst; muurpeper; —-mason = steenhouwer; —-pit = steengroeve = —-quarry; —’s-cast, —’s-throw = steenworp: Within a —’s-throw = op den afstand v. een steenworp; —-still = volkomen stil, bewegingloos; —-wall = steenen muur; —-walling tactics = parlementaire obstructie; — ware = aardewerk of steengoed; —work = metselwerk; —-wort = waterhalm; Stoniness, subst. v. Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder geld; —-hearted = hardvochtig.
Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.
Stook, stuk, subst. 12 schoven; — verb. in schoven zetten.
Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals b.v. bij knotwilgen); — verb. uitspruiten: Between two —s we come to the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; — of repentance = zondaarsbank (Schotl.); —-pigeon = lokduif, lokvogel.
Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart); stoep, bordes (Amer.); — verb. bukken (ook fig.), zich vernederen of verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen: His hair is grizzled, and he begins to — = gedoken of gebukt te loopen (= Has a —, Walks with a —); He —ed to the meanest measures = verlaagde zich; —-shouldered = met ronde schouders.
Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde, leesteeken, toets, klep, register (orgel); — verb. verstoppen, dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden, onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen met een stop, etc.: Full — = punt; To come to a — = blijven steken, hokken, plotseling blijven staan; Put a — to his nonsense = maak een einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him to — off = dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; — thief! = houd den dief; He —ped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where are you —ping? = logeert gij; To — a neighbour’s light = betimmeren; Will you — (stay) supper? = blijven soupeeren; —-cock = kraan; —gap = noodhulp, bladvulling, stopwoord, nestkuikentje; —-order = opdracht met limitatie; —-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are —-watch excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen; Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris), staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst. wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw om vast te maken; — verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A —ed bottle; A —less cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk; Stopping: —-place; —-train = boemeltrein; Stopple, subst. stop, prop; — verb. met een stop sluiten.
Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.
Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis, magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; — verb. opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien: In — = voorhanden; To have (keep) in —; A great pleasure, a scolding is in — for you = staat je te wachten; I lay great — on my introduction by you = stel grooten prijs op; To set great — by = op hoogen prijs stellen; —s = benoodigdheden; coöperatieve winkel of bazaar: The army and navy —s = de coöperat. winkels der ambtenaren van oorlog en marine; Baby —s = magazijnen voor kindergoed; Commissary of —s = intendant; The ship was —d to the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste toe voorzien; —house = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer: This booklet is a —house of facts = bevat een schat van feiten; —-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); —-room = magazijnkamer, bergplaats; —-ship = proviandschip; Storage, stôridž, opberging, bergloon, opstapeling, verzameling; — battery = accumulator.
Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping: Four-— = met 4 verdiepingen). Zie Story.
Stork, stök, ooievaar; —’s-bill = reigersbek (plant).
Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; — verb. bestormen, stormen, woeden: A — of applause = stormachtige toejuichingen; A — of bullets = kogelregen; A — of rain = plasregen; —s of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a — = door een storm overvallen; This raised a — of indignation = deed ontstaan; The town was taken by — = stormenderhand; A period of — and stress = tijd van opwinding en onrust; The — and Stress period in German literature = de “Sturm und Drang” periode in de D. letterkunde; They were —ed at with shot and shell = ontvangen met een regen van; —-beat(en) = door stormen geteisterd; —-bird, —-finch = stormzwaluw; —-cock = groene specht; —-cone = kegel als stormsignaal; —-drum = cylinder als stormsignaal; —-jib = stormstagzeil; —-sail = stormzeil; —-signal = stormsignaal; —er = bestormer; —ful = onstuimig; —ing party = stormloopende troep; —iness, subst. v. —y = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; —y-petrel = stormzwaluw.
Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.
Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping; — verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken: But that’s another — = heel wat anders; That is but an idle — = een praatje; He is wrong in the upper — = het schort hem in de bovenste verdieping; Here my — ends = nu is mijn verhaal uit; As the — has it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a long — short = om kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen leugentjes; —-book = vertelselboek; —-teller = verhaler, verteller; leugenaar; —-telling = het verhalen, of leugens vertellen; —-writer. Zie Storied.
Stot, stot, jonge stier.
Stoughton, stout’n.
Stound, staund, stekende pijn; verwondering; — verb. pijn doen; verdooven.
Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.
Stour, stûə, strijd, tumult.
Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.
Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper, sterk, gezet, gewichtig: With a — heart = moedig, dapper; —-built = krachtig gebouwd; —-hearted = moedig, dapper, subst. —-heartedness; —ish = vrij gezet; —ness = stevigheid, flinkheid, gezetheid.
Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; — verb. warm houden, in een broeikas zetten: Peat — = theestoof; Spirit — = theelichtje; Wooden — = stoof; —pipe hat = kachelpijp, hooge hoed.
Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were — in, and her rudder was lost = werden ingeloopen.
Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: — that = schei daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats, bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe — = veilig geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.
Stowe, stou; Stowel, stouəl.
Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie voor scheelheid.
Strachan, strôn.
Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding (Amer.); — verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder — cannot be the characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte; He rode —-legged = schrijlings.
Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler = zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some —s of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet; Straggling: — houses = verspreid liggende huizen; A — street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke, slordige baard.
Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd, onmiddellijk: It is as — as you can go = al maar recht uit; To do the — thing = eerlijk handelen; To be in the — for home = huistoe gaan; To act (speak) — from the elbow = ronduit, royaal; To bring matters — = in orde brengen; To contradict — out = vierkant tegenspreken; Do it — = direct; I gave it him — = heb het hem ronduit gezegd; To lie — out = rechtuit; To look — in the face; We shall make it — = in orde brengen, recht maken; To pull — = terecht trekken; To set — = terecht zetten, in orde brengen; He is a — up and down man = door en door eerlijke vent; —-fronted corset = corset “droit devant”; Straighten = recht maken: To — one’s glasses, necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously —ed myself = richtte me op; This mistake ought to be —ed out = verholpen; Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst. —ness; Straightness = rechtheid, etc.; Straightway = onmiddellijk, dadelijk.
Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging, streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant, stijl, afkomst, ras, karaktertrek; — verb. rekken, uitrekken, verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken, dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog — = zijn bulhondenmanier (toon); He read on in the same — = op denzelfden toon; That is rather a — on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij; There was a great — on the masts = de masten hadden heel wat te houden; Expectation is still on the — = de verwachting is nog hoog gespannen; To take too high a — = een te hoogen toon aanslaan; You — courtesy = je maakt te veel complimenten; To — one’s eyes = erg inspannen; You — the law and all the rules in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To — every nerve = alle krachten inspannen; To — a point = te ver gaan: That would be —ing a point = dat zou overdrijving wezen; To — one’s voice = uitzetten; —ed interpretation = gewrongen uitlegging; —ed relations = gespannen verhoudingen; To — after novelty by starting paradoxes = uit zijn op iets nieuws; They — at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The curtain —ed a restful light into the room = liet doordringen; To — off the water = het water afgieten; All the impurities were —ed out = het werd gezuiverd van; We have —ed the milk through linen = gefiltreerd; —er = zijgdoek, vergiet; —ing = inspanning, etc.; blikgat.
Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The —s of Gibraltar = de straat van G.; We were in a — (in great —s) = zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to —s = in ’t nauw brengen; The —est advocate of popular rights must acknowledge this = de meest onvervalschte voorstander; — formality = stijve vormelijkheid; In — of money = in geldverlegenheid; —-jacket (—-waistcoat) = dwangbuis; —-laced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We are not so — = wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken, beperken, strak aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance has —ed me in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To be in —ed circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid, gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.
Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort zijspoor.
Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.
Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; — verb. op het strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the —s of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan; —ed goods; —-wolf = bruine hyena.
Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: — to say, he did not know me = ’t is vreemd; I am — in London = onbekend in (met); subst. —ness; Stranger = vreemdeling, onbekende, nieuweling, oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no — here = deze buitenlander is hier goed bekend; He is a — to this business, our plans = eene nieuweling, niet op de hoogte van; To make a (no) — of a person = als (niet als) een vreemde behandelen.
Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To — a bill = een wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; —r = worger, onderdrukker; —s = droes bij paarden; Strangulated, straŋgjuleitid: — hernia = beklemde breuk; Strangulation, straŋgjuleiš’n, worging, beklemming.
Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking, baardschraper; — verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen, aanzetten op een riem: Endless — = riem zonder eind; —s = souspieds; —-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt omdat er geen zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf; Strapping = flink, groot en sterk gebouwd: A — young fellow.
Strasburg, strasbɐ̂g.
Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al), strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist, stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.
Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö; Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.
Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum, streit’m, laag.
Stratus, streitəs, laag wolken.
Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo, waardeloos, onecht; — verb. met stroo vullen of omwinden: A — shows how the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen; He is a man of — = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde persoon; Women in the — = kraamvrouwen (plat); It is not worth a — = geen lor waard; I do not care a — (two —s) = het kan me geen zier schelen; To condemn to — = voor stapelgek verklaren; A drowning man will catch at a — = zich aan een stroohalm vastklampen; His eyes draw —s = het zandmannetje komt; We got from the bed on the — = wij geraakten van het bed op het stroo; He does not sit here to pick —s = hij zit hier ook niet om vliegen te vangen; You have been picking —s = gij zijt aan het stroodorschen geweest; To split —s = spijkers op laag water zoeken; —-bail = waardelooze borgtocht; —-bid = schijnbod, ook verb.; —-board = strookarton; —-bonnet = stroohoed; —-bottomed = met zitting van stroo; —-built = van stroo gemaakt; —-colour = lichtgele kleur; —-cutter = hakselmachine; —-hat = stroohoed; —-mattress; —-paper = stroopapier; —-rope = strootouw; —-wisp = wisch; —-yard = asyl voor dakloozen; —y = van stroo, als stroo.
Strawberry, strôberi, aardbei; —-leaf = symbool van hertogelijke waardigheid: To work for the —-leaf = naar den hertogstitel streven; —-tree = aardbeziënboom.