Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 48
Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; — verb. eene gapende wonde maken: I — myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning.
Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).
Gaskins, gaskinz = Galligaskins.
Gasp, gâsp, subst. snik; — verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last — = bij den laatsten snik, op sterven; With a — = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me — = ik stond paf.
Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; —-abscess; —-catarrh = maagcatarrh; —-fever = gastrische koorts; —-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.
Gat, gat, nauwe doorvaart.
Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The — = Billingsgate = Londensche vischmarkt); — verb. binnen de poorten houden: That opened the — for all abuses = zette de deur open voor; — of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; — of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); —house = portierswoning; —man = portier, tolgaarder, baanwachter; —way = poort; —d = met poorten.
Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi: I —ed it from what he said = maakte het uit zijne woorden op; The harvest was —ed in = werd binnengehaald; He was —ed to his fathers = tot zijn vaderen verzameld; He —ed himself up = kwam tot zichzelf; Then we had time to — breath = om op adem te komen; To — flowers; She —ed her powers = verzamelde; —er = verzamelaar, oogster; —ing = verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.
Gatling gun, gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.
Gaucho, gôkou, Z. Amer. Cowboy.
Gaud, gôd, versiering, snuisterij; —iness, subst. van —y = opzichtig, bont: —-day = —ies = feest(dag).
Gaudeamus, gôdieiməs, drinkgelag, feest.
Gauffer, goufə, fijn plooien.
Gauge, geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven; — verb. meten, schatten, peilen, ijken: I have your — = ik snap je, doorzie je; I have —d your feelings; —glass = peilglas; —r = roeier of wijnpeiler; kommies; Gauging: —-rod = peilstok = —-rule.
Gaul, gôl, Gallië, Galliër.
Gault, gôlt, subst. een soort van mergel; — verb. klei brengen (op land); —-mill = kleimolen (voor steenbakkerijen).
Gaunt, gônt, gânt, schraal, mager: That’s the —, bare truth = dat is de naakte waarheid.
Gauntlet, gôntlət, gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen: He threw down the —, and my friend took it up = hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.
Gauntree, gôntrî, stellage voor vaten.
Gauze, gôz, gaas; —-wire = ijzerdraadgaas; Gauzy = gaasachtig.
Gave, geiv, imperf. van to give.
Gavel, gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht; —kind = erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld; —man = huurder van land onder de bepalingen van gavelkind.
Gavelock, gav’lok, breekijzer, werpspies.
Gaveston, gavəst’n.
Gavial, geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).
Gavot(te) gəvot, gavot, gavotte.
Gawk, gôk, koekoek, zot; —iness, subst. van het adj. —y = lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.
Gay, gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst. —ness; adj. —some.
Gayal, gaiəl, geiəl, soort rund (Brit. Ind.).
Gaze, geiz, subst. blik, aanblik; — verb. staren: At — = starend, en face; —-hound = windhond; Gazing-stock = voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.
Gazebo, gazîbou, belvedère.
Gazelle, gəzel, gazelle.
Gazette, gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant; — verb. in de staatscourant (dus: officieel) bekend maken: To be in the — = bankroet zijn; He was —d = aangesteld, bevorderd; Gazetteer, gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.
Gazogene, gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.
Gazon, gəzûn, grasperk.
Gean, gîn, Spaansche kers.
Gear, gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel, mechaniek, tandrad; — verb. tuigen, aan den gang brengen: It was thrown out of — = de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven; My ships are out of — = onttakeld; —ing = tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.
Geck, gek, nar, spot; — verb. bespotten.
Gecko, gekou, gecko.
Gee, dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan: — up, — Woo = vooruit! The horse —-up’d = het paard ging vooruit; Gee-gee = paard (in de kindertaal).
Geelong, gîloŋ.
Geese, gîs, ganzen.
Gehenna, gəhenə, Gehenna, Hel.
Geikie, gîki.
Geisha, geiša.
Gelatine, dželətîn, gelatine; Gelatinous, džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.
Geld, geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust; —er = snijder; —ing = het snijden; ruin, gesneden dier.
Gelid, dželid, ijskoud; subst. Gelidity.
Gem, džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog; — verb. met edelgesteenten tooien, ontbotten; —my = vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.
Gemara, gəmârə, tweede deel van den Talmud.
Geminate, džeminit, adj. in paren: —-leaves = tweelingbladen; Gemination = verdubbeling.
Gemini, džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).
Gemma, džemə, bladknop; —te, džemit, knoppen hebbende; —tion, džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming; Gemmiferous, džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend = Gemmiparous, džəmipərɐs.
Gemman, džem’n, samentrekking van gentleman; mv. Gemmen.
Gemmule, džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.
Gemote, gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).
Gemsbok, gemzbok, Kaapsche gems.
Gendarme, džendâm, gendarme; —ry.
Gender, džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.
Genealogic(al), dženiəlodžik(’l), džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig; —-tree = stamboom; Genealogist = geslachtkundige; Genealogy = geslachtrekenkunde, stamboom.
Genearch, dženiâk, džîniâk, stamvader.
Genera, dženərə, meervoud van Genus.
General, dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen: In — = in of over het algemeen; In a — way = in algemeenen zin, over het algemeen; The — public = het groote publiek; — assembly = wetgevende vergadering (Amer.); — dealer = iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt; — invitation = uitnoodiging eens voor al; — practitioner = geneeskundige; — servant = meid alleen; — warrant = bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen; —ism = algemeene conclusie; —issimo, dženər’lisimou, opperbevelhebber; Generality = algemeenheid, meerderheid, groote hoop: The — of people = de menschen in ’t algemeen; Generalization = generalisatie; Generalize = algemeen maken; generaliseeren; Generalship = generaalschap, beleid, handigheid.
Generate, dženəreit, voortbrengen, telen; Generating station = centrale; Generation = voortbrenging, geslacht, nakomelingen: Noah was perfect in his —s (Bijbelsch: Zie Gen. VI, 9); Generative = voortbrengend; vruchtbaar: — power = voortbrengend vermogen; Generator = voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel; Generic(al) = een genus omvattend of betreffend, geslachts ...
Generosity, dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid; Generous, dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.
Genesis, dženəsis, voortbrenging, Genesis.
Genet, džənet, genetkat, ook: dženət, soort paard.
Genetic(al), džənetik’(l), genetisch; ontstaans...: — affinity = geslachtsverwantschap.
Geneva, džənîvə, jenever; Genève: The Lake of — = Meer v. G.; — bible = bijbel van 1560; — cross = het roode kruis voor ambulances, enz.; — gown = toga (v. Presb. geestelijken); —n, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch; Genevese, dženəvîz, dženəvîs; Zie Genevan.
Genial, džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts ...; —ity, džînialiti, opgewektheid.
Geniculate(d), džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst. Geniculation.
Genie, džîni, genius; mv. Genii, džîniai.
Genista, džənistə, genista, Duitsche brem.
Genital, dženitəl, geslachts - -; —s = geslachtsdeelen.
Genitival, dženitaiv’l: — relation = eene genitiefverhouding of -betrekking; Genitive, dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.
Genius, džîniəs, (Meerv. Geniuses, džîniəsiz) genie, talent (for); Genius (Meerv. džîniai); geest, genius.
Genoa, dženouə, Genua; Genoese, dženouîz, dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.
Gent, džent, heer, snuiter; verkorting van gentleman.
Genteel, džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst. —ness.
Gentian, dženšən, Gentiaan.
Gentile, džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig; Gentilism, džentilizm, heidendom.
Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.
Gentisin, džentisin, gentianine.
Gentle, džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk; — verb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren: — birth = voorname (aanzienlijke) ....; — families; —folk(s) = menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud); —man, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man: The Old (Black) —man = de duivel; —man of property = grondbezitter; —men of the shoulderknot = lakeien; —man-at-arms = lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht; —man-commoner = betalend student, die eerst later tot de eigenlijke colleges werd toegelaten; —man-farmer = heereboer: —man-usher of the Black Rod. Zie Black Rod; —manlike, —manly = beschaafd, fatsoenlijk, beleefd; —woman = edelvrouw, beschaafde dame.
Gentry, džentri, de stand der gentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).
Genuflection, Genuflexion, dženjuflekš’n, džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.
Genuine, dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst. —ness.
Genus, džînəs (Meerv. Genera, dženəra), geslacht, klasse.
Geocentric(al), džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.
Geodesy, džiodəsi, landmeetkunde; adj. Geodetic(al).
Geoffrey, džefri.
Geogony, džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.
Geographer, džiogrəfə, aardrijkskundige; Geographic(al), džîəgrafik(’l), aardrijkskundig; Geography, džiogrəfi, aardrijkskunde.
Geologist, džiolədžist, aardkundige; Geology, džiolədži, aardkunde.
Geometer, džiomətə, Geometrician, džîomətriš’n, meetkundige; Geometric(al), džîəmetrik(’l), meetkundig; —al elevation = geometrische teekening (Archit.); —al progression = meetk. reeks; Geometry = meetkunde.
George, džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld: Brown — = grof aarden waterkan; —-noble = gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00; Georgia, džödžə, Georgia; Georgian, džödžən, subst. bewoner van Georgia; adj. behoorend tot de regeering der Georges in Engeland (1714–1830).
Georgic, džödžik, tot den landbouw behoorende: —s of Virgil = landelijk gedicht van Vergilius.
Geranium, džəreinj’m, geranium.
Gerard, džerəd, Gerard, Gerrit.
Gerfalcon, džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.
Germ, džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin; — verb. ontkiemen: —-theory = leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht; — of disease = ziektekiem.
German, džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher: Cousin — = volle neef (nicht); — clock = Schwarzwalder klok; — flute = dwarsfluit; — Ocean = Noordzee; — sausage = Wiener worst; — silver = pleetzilver; — tinder = tonder, zwam; — toys = Nürnberger speelgoed; Germania, džɐ̂meinia, Duitschland; —ic, džɐ̂manik, Germaansch; —ism = germanisme; —ize = germaniseeren; —y = Duitschland.
Germane, džɐ̂mein, džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend: This subject is more — to our circumstances = staat in nauwer verband met.
Germinal, džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende; Germinant = ontkiemend; Germinate, džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst. Germination; Germinative, kiem ...
Gerrymander, džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig. Amer.).
Gertrude, gɐ̂trûd.
Gerund, džer’nd, gerundium: —-grinder = schoolvos; —ial, džərɐndj’l, tot een gerund behoorende; —ive, džərɐndiv, de vorm op ing met eene prepositie daarvoor: On coming, In crossing, etc.
Gervas, džɐ̂vəs.
Gestation, džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).
Gesticulate, džestikjuleit, gebaren maken; subst. Gesticulation; Gesticulator, džestikjuleitə, gebarenmaker; Gesticulatory language = gebarentaal; Gesture, džestjə, subst. gebaar, beweging, houding; — verb. gesticuleeren; —-language = gebarentaal = Gestural language.
Get, get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren: To — the better of = de overhand krijgen, overwinnen; To — a cold = kou vatten, een verkoudheid oploopen; To — the day = de overwinning behalen; You’ll — no good by it = het berouwen; To — hold of = vastgrijpen; To — it hot = er flink van langs krijgen; To — a mile = een mijl afleggen; To — the sack = de bons krijgen; I must — wind first = ik moet eerst op adem komen; The affair got wind = werd bekend, lekte uit; I have got the wind of you = ik heb je in de gaten; He is so weak that he cannot — about = dat hij niet loopen kan; It has got about, that you are here = het is bekend geworden; They are —ting ahead = zij gaan vooruit, het gaat hun goed; How are you —ting along = hoe staat het met de zaken? — along with you = och, loop! He has got among thieves = is terecht gekomen; I cannot — at him = kan hem niet bereiken, te pakken krijgen; It is easy to — at him = hem te plagen; The jockey was got at = omgekocht; I could not — away from him = niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken; The horse got away with him = ging er met hem van door; One of the boats had been got away = neergelaten en afgestooten; They will — before, behind us = zij zullen ons vóór-, achterkomen; I hope to — behind your tricks = dat ik achter uwe streken zal komen; I got behind the scenes = geraakte volkomen ingewijd (in de plannen); To — in the crops = binnenhalen; I’ll try to — in that picture = te koopen, te krijgen; He got into it = raakte er aan gewend; We have got off safely = zijn er goed afgekomen; I hope to see you as soon as I — off = zoodra ik vrij ben; How are you —ting on = hoe maak je het? To — out = raken uit, komen uit, voor den dag halen: I wish I could — out of this business = van dit zaakje af kon komen; I hope I shall — over it = dat ik het zal te boven komen; They got over me = bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over; At length we have got round him = hebben we hem te pakken; I fear he will not — through = dat hij niet zal slagen; To — up = in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren: She —s up linen = mangelt en strijkt; He has got up his German = heeft ‘er in’; It was got up for the occasion = afgesproken, klaargemaakt; To — asleep = in slaap geraken; To — clear of = vrijkomen van, afkomen van; I’ll — it done = ik zal het laten doen, maken; — you gone = scheer je weg; You must try to — it by heart = het van buiten te leeren; To — home = thuis komen; To — quit (rid) of = kwijtraken, afkomen van; —-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.: The —-up of the book is perfect = The book is nicely got up = de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend; —ter-up = klaarmaker; The —ters-up of a charade = de personen, die de charade voorstellen; —ting = winst, voordeel, verdienste.
Gewgaw, gjûgô, prul; adj. prullerig.
Geyser, gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.
Gharry, gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).
Ghastliness, gâstlinəs, subst. van Ghastly = doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.
Gha(u)t, gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).
Gheber, Ghebre, gîbə, geibə. Zie Gueber.
Ghee, gî, soort boterolie (Br. Ind.).
Ghent, Gent.
Gherkin, gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.
Ghetto, getou, Ghetto, Jodenkwartier.
Ghibelline, gibəl(a)in, Ghibellijn.
Ghost, goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt: He has not the — of a chance = niet de geringste kans; He gave up the — = hij gaf den geest; We needed no — to tell us that = dat begrepen we zelf ook wel; The Holy — = de H. Geest; — story = spookvertelling; —liness, subst. v. —ly = spookachtig, akelig, somber: —ly hour = spookuur, middernachtelijk uur.
Ghoorkas, guəkaz, het voornaamste ras in Nepaul.
Ghoul, gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.); —ish = demonisch.
Ghurry, gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.
Ghyll, gil, bergkloof, ravijn.
Giant, džaiənt, subst. reus; The — Mountains = het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal; —ess = reuzin; —ship = reusachtigheid.
Giaour, džauə, ongeloovige (naam voor Christenen bij de Turken).
Gib, džib, arm van eene kraan, spie; (oude) kater = —-cat.
Gibber, gibə, brabbelen, brabbeltaal spreken, snateren; —ish = brabbeltaal; adj. zonder beteekenis.
Gibbet, džibət, subst. galg, kraanbalk; — verb. ophangen; aan de kaak stellen.
Gibble-gabble, gib’lgab’l, gesnater, gezwets.
Gibbon, gib’n, Gibbon; langarmige, staartlooze aap.
Gibbose, gibous, Gibbous, gibəs, gebocheld, uitpuilend, bol; Gibbosity, gibositi, bultigheid, bolheid, uitpuiling.
Gibbs, gibz.
Gibe, džaib, subst. spot, smaad; — verb. spotten, hoonen, beschimpen, uitschelden; —r = spotter, schimper.
Gibeon, gibjən: Children of — = proletariërs, armen; Gibeonite, gibjənait, bewoner v. Gibeon (Jozua IX, 23), duivelstoejager, laagste loondienaar.
Giblets, džibləts, inwendige deelen van gevogelte, zooals lever, maag, hart, etc.
Gibraltar, džibrôltə, Gibraltar; — ape (— monkey) = magot (aap).
Gibson, gibs’n.
Gibstaff, džibstâf, peilstok, vaarboom.
Gibus hat, džaibəshat, klak.
Giddiness, gidinəs, subst. van Giddy, gidi, duizelig, zwijmelend, veranderlijk, grillig, opgewonden, onnadenkend, onbezonnen: —-brained = gedachteloos, roekeloos; —-go-round = caroussel.
Gifford, gifəd.
Gift, gift, subst. recht van geven of begeven, gave, begaafdheid; — verb. begiftigen: I would not have it for a — = ik zou het niet voor niemandal willen hebben; That appointment is in the — of the crown = wordt door de kroon vergeven; —ed with many accomplishments = met vele talenten begaafd; —edness = begaafdheid.
Gig, gig, subst. harpoen; tol; sjees, cabriolet; kaardcylinder, kaardmachine; lichte sloep; neus, farthing; — verb. met elger of harpoen steken; —-lamp = rijtuiglamp; —man = harpoenier; geldpatser; —s = bril.
Gigantean, džaigəntîən = Gigantesque, Gigantic, reusachtig, kolossaal.
Giggle, gig’l, gichelen; subst. gegichel; —r.
Gilbert, gilbət; Gilchrist, gilkrist.
Gild, gild, vergulden, verfraaien: —ed youth(s) = jeunesse dorée; —ing = het vergulden, versiering, verguldsel; —ing-metal = verguldstof.
Gilead, giliəd.
Giles, džailz, Gilles: St. — (vroeger beruchte) buurt in het centrum van Londen.
Gilfillan, gilfilən.
Gill, gil, kieuw, kaak, lel, het vleesch om en bij de kin, vadermoorder (boord); —-flap = kieuwklep.
Gill, džil, meisje, liefje, snol; —-flirt = dartele meid.
Gill, džil, ¼ Pint (= 0.14 L.).
Gillet, džilət, Gillian, džilj’n, dartele meid.
Gillie, gili, Hooglandsche dienaar, vooral bij rijden en jagen.
Gilliflower, džiliflauə, tuinanjelier.
Gilmore, gilmö; Gilpin, gilpin; Gilson, gilsən.
Gilpy, gilpi, vroolijke gast(-meid).
Gilravage, gilravidž, subst. opgewonden pret, rumoerig partijtje; plundering; — verb. plunderen, verwoesten; —r = rumoerige, wanordelijke klant, roover, plunderaar.
Gilray, gilrei.
Gilt, gilt, adj. verguld; subst. verguldsel; jong wijfjesvarken: The ominous Three — Balls = lommerd; —-edged = verguld op snede, fijn, chique.
Gim, džim, chique, fijn, net.
Gimbal, džimb’l, beugel, om het kompas aan te hangen.
Gimcrack, džimkrak, prul, speeldingetje; adj. prullerig.
Gimlet, gimlət, subst. (dril)boor; — verb. boren, draaien.
Gimp, gimp, gimp, soort van passement.
Gimp, džimp, net, fijn, keurig, slank, schraal.
Gin, džin, jenever; strik, machinerie, kraan, foltertuig, braak; inboorling, oude vrouw (Austral.); — verb. braken (van vlas), ontkorrelen, vangen; —-horse = molenpaard; inlandsche vrouw (Austral.); —-mill, —-palace, —-shop = kroeg, drankhuis.
Ginger, džinžə, gember, iets pikants; —-beer = gemberbier; —-brandy (—-cordial) = drank, gemaakt van spiritualiën, gember, etc.; —bread = peperkoek; geld: To take the gilt off the —bread = van de aantrekkelijkheid berooven; —bread-nuts = pepernoten; —bread-stall (-booth) = koekkraampje; —bread work = prulsieraden; —ly = voorzichtig, behoedzaam; netjes, keurig, geaffecteerd.
Gingham, giŋ’m, gingang, katoenen stof; groen katoenen paraplu.
Ginglymus, džiŋglimɐs, giŋglimɐs, scharniergewricht.
Gipsy, džipsi, subst. Zigeuner, de taal der Z., donker uitziend persoon; heks, sluwe bedriegster; adj. Zigeuners ..., Zigeunerachtig; — verb. in de open lucht leven, buiten eten; —-cart = reis- en woonwagen; — herb = gemeene wolfsklauw; —fy, džipsifai, zwart of donker maken; —ism = gewoonten en zeden der Zigeuners, bedrog.
Giraffe, džiraf, giraffe.
Girandole, džir’ndoul, kandelaar met armen, vuurrad (stuk vuurwerk).
Girasol, džirəsol, Europeesche heliotroop; girasol (edelgesteente).
Gird, gɐ̂d, subst. kneep, steek, sarcasme, hoonlach; — verb. doorsteken, spotten met of lachen om (at); omgorden, vastbinden, aangorden; —er = spotter; dwarsbalk; —le, subst. gordel, band, omtrek, boog; — verb. omgorden, insnijding om een boomstam maken, omvatten: He had (held) the people under his —le = hij hield het volk er onder.
Girl, gɐ̂l, meisje, dienstmeisje; tweejarige reebok; —-friend = vriendin(netje); —hood = de meisjesjaren; —ish = meisjesachtig, meisjes - -; subst. —ishness.
Girondist, džirondist, Girondijn.
Girt, gɐ̂t, P.P. en P. Imp. van to gird.
Girth, gɐ̂th, buikriem, band, omvang; — verb. omgorden, omgespen.
Gisborne, gisbən, Gislebert, giz’lbət, Gijsbert(us).
Gist, džist, hoofdpunt (v. redeneering of vraag): I told him the — of my errand = doel van mijne boodschap; That is the — of it = dat is de kern der zaak; Here lies the whole — of the matter.
Giusto, džustou, in de maat (muziek).