Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 16

Chapter 162,987 wordsPublic domain

Burgundian, bəgɐndj’n, Bourgondiër; Bourgondisch; Burgundy, bɐ̂g’ndi, Bourgondië; bourgognewijn; —-pitch = soort dennenhars.

Burial, berj’l, begrafenis; —-case = metalen doodkist; —-club = begrafenisfonds; —-ground(-place) = begraafplaats; —-service = lijkdienst.

Burin, bjûrin, graveerstift, etsnaald.

Burk(e), bɐ̂k, vermoorden (eigenlijk door verstikking met een pikmasker), smoren: To — a discussion = eene discussie smoren.

Burl, bɐ̂l, subst. nop, knoop (in laken of draad); — verb. de noppen uithalen; —er = lakennopper.

Burlap, bɐ̂ləp, grof weefsel van hennep of jute.

Burlesque, bəlesk, koddig, kluchtig; subst. klucht, pots, satire, travestie; — verb. belachelijk maken (voorstellen).

Burletta, bəletə, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts.

Burly, bɐ̂li, groot, zwaar, dik, stoer.

Burma(h), bɐ̂ma, Birmah; Burman = Birmaan; Burmese, bɐ̂mîz, bɐ̂mîs, Birmaan(sch).

Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; — verb. branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn), gloeien, vonkelen: To — alive; Money —s (a hole) in his pocket = het geld brandt hem in zijn zak; He has money to — = zit tot over de ooren in het geld; To — a bawbee (= halfpenny) candle seekin’ a farthin’ = de gierigheid bedriegt de wijsheid; goed geld naar kwaad geld smijten; To — one’s boats = zijn schepen achter zich verbranden; To — the candle at both ends = zijn krachten of middelen verspillen; To — one’s fingers (ook fig.); To — away = op(af)branden; To — down = afbranden; To — out = uitbranden; To — oneself out = zijn “boel” in brand steken; To — out of house and home = (door brand) van huis en hof verdrijven; —t-out people = de menschen, die bij brand alles verloren hebben; To — to ashes (to death); —able = brandbaar; —er = brander; —ing-glass; —ing-mirror; —ing question = brandend vraagstuk; —ing scent = versch spoor (jacht); —ing shame; —ing, subst. = hitte, gloed.

Burnet(t), bɐ̂nət: Garden — = pimpernel.

Burnet(t)ize, bɐ̂nətaiz, behandelen met Burnett’s liquid (zinkchloride).

Burnish, bɐ̂niš, polijsten, bruineeren, gladmaken; —er, polijster, polijststaal.

Burnoose, Burnous, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, bɐ̂nûz, burn(o)us, boernoes.

Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A — child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen; —-ear = roest (plantenziekte); —-offering, —-sacrifice = offerande, brandoffer.

Burr, bɐ̂, subst. Zie Bur; ruwe kant (van metaal); ruimijzer; molensteen, wetsteen; (Northumbrian —) keel-r; — verb. met keel-r spreken; —-pump = scheepspomp.

Burrow, bɐrou, subst. hol; — verb. een hol graven, indringen, zich ingraven.

Bursar, bɐ̂sə, penningmeester (v. een college); beneficiant (van een leen); —y = kas (van corporatie of klooster), leen, studiebeurs (Schotl.).

Burse, bɐ̂s, studiebeurs (Schotl.).

Burst, bɐ̂st, subst. breuk, scheur, uitbarsting, snelle rit, fuif; — verb. barsten, openvliegen(gaan, springen), uitbarsten, uitvallen, inbreken: This place is a — of roses = ’t is al rozen wat men hier ziet; With a — = plotseling; They — the door = liepen in; With these words he — away, forth, from = snelde hij heen, rukte hij zich los van; He — into tears = in tranen uit; To — on = zich storten op; To — with laughing (laughter), anger = van lachen, toorn, barsten.

Burthen, bɐ̂dh’n. Zie Burden.

Burton, bɐ̂t’n, takel, talie.

Bury, beri, begraven, bedekken, bergen, vergeten en vergeven: To — the hatchet = eig. de strijdbijl begraven, vrede sluiten; —ing-beetle = doodgraver (kever); —ing ground (— place).

Bus(s), bɐs, omnibus (Meerv. —ses); ook verb: We have bussed it.

Busby, bɐzbi, kolbak.

Bush, buš, subst. struik, kreupelbosch, tak klimop (vóór eene herberg als uithangbord), oerwoud (Amer. en Austral.), vossestaart, ijzeren ring, naafbus; — verb. met rijsjes of takjes steunen, van een naafbus voorzien, ruig groeien: Good wine needs no — = geen krans; To beat about the — = er omheendraaien, niet royaal op ’t doel afgaan; To beat the — = het struikgewas kloppend doorzoeken; — fighting = guerilla; —man = boschjesman (Z. Afr.), kolonist, bijv. in Australië; —-ranger = woudlooper; een ontsnapte, van roof in bosschen levende galeiboef (Australië); —-whacker = Backwoodsman; pummel; soort zeis; —iness = ruigheid; —y = ruig, behaard.

Bushel, buš’l, schepel (8 gallons); een hoop: He measures other people’s corn by his own — = zooals de waard is vertrouwt hij zijn gasten; To hide one’s light under a — = zijn licht onder een korenmaat zetten; —age = belasting op artikelen bij het schepel verkocht.

Business, bizinəs, subst. bezigheid, bedrijf, beroep, zaken, plicht: That is not your —, no — of yours = dat gaat u niet aan; What — have you to be here? = wat hebt gij hier te maken? That is not my line of — = branche; A man of — = handelsman; — before pleasure = zaken gaan voor vermaken; That has done the — for him = dat heeft hem den knoei gegeven; He has got an eye to — = is een practische vent; — is — = zaken zijn zaken; No — done after 4 o’clock = na 4 uur gesloten; I will make it my — to please you = ik zal er voor zorgen ...; I mean — = meen het in ernst; Mind your own — = bemoei je met je eigen zaken; A — concern = handelszaak; — relations = handelsbetrekkingen; Chief — street = voornaamste winkelstraat; —like = practisch.

Busk, bɐsk, subst. balein.

Buskin, bɐskin, halve laars, cothurn, tragedie; —ed = tragisch, hoogdravend.

Buss, bɐs, subst. zoen; haringbuis (ook: Herring-—); — verb. smokken.

Bust, bɐst, borstbeeld, borst.

Bustard, bɐstəd, trapgans.

Buster, bɐstə, iets kolossaals; een groote opsnijderij (leugen); fuif; hevige wind (Amer.)

Bustle, bɐs’l, subst. drukte, beweging, rumoer; tournure; — verb. veel drukte of beweging maken, bedrijvig zijn; —r = druk, ijverig man.

Busy, bizi, adj. drukbezig, naarstig, rusteloos, bemoeiziek; — verb. bezig houden, aan het werk zetten (zijn): — at work, — doing it; He is a —body, a —-brain = bemoeial, plannenmaker.

But, bɐt, behalve, slechts, tenzij: All came back — he (him) = behalve; Away went Gilpin, who — he? = wie anders dan hij? It cannot be — you must have seen him = het kan niet anders, of; Have you got anything? Yes, — I have = nu, of ik; “You know nothing about it.” — I do = dat doe ik wèl; — for you I should be dead = zonder u; Not — what (of that) he is a good fellow = niet, dat hij niet is; — then = maar daar staat tegenover, dat; — now = zooeven; I saw him — yesterday = gister nog (pas); All — one = alle op één na.

But, bɐt: —-and-ben = voor- en achterkamer in een huisje met twee vertrekken.

Butcher, butšə, subst. slager; moordenaar, wreedaard; — verb. slachten, wreedaardig vermoorden; —-bird = wurger (vogel); —r’s-broom = muisdoorn; —y = slagersvak, slagerij, wreede moord of slachting.

Butler, bɐtlə, bottelier (hoofd der mannelijke bedienden); —y = wijnkelder, provisiekamer.

Butment, bɐtm’nt. Zie Abutment.

Butt, bɐt, subst. stoot, dik uiteinde, kolf, eindpunt, grens, mikpunt, schijf, schuttersdoelen, soort bot, achterste, kruis, zoolleer; groot vat (± 476 L. wijn ± 443 L. bier); kussen; — verb. met den kop stooten, wegduwen, aankomen tegen: He ran — into it = pardoes, plompverloren; This path —s down upon the main road = loopt uit op; —-end = kolf, hoofdzaak.

Butter, bɐtə, subst. boter; — verb. met boter besmeren, honig om den mond smeren (fig.); boteren: Melted — = botersaus; Oiled — = gesmolten boter; He looks as if — would not melt in his mouth = alsof hij geen tien kan tellen, erg zoetsappig; — on bacon = zuivel op zuivel, overdaad; —-boat = sauskom; —-cup, (—-flower) = boterbloempje; —-cooler; —-dish = botervlootje; —-fingered = onhandig (van iemand die alles laat vallen); —fly = kapel of vlinder (ook fig.); gaffel waarover de teugels loopen bij een hansom: A —fly kiss = vluchtige zoen; —milk = karnemelk; —-mould = —-print = botervormstempel; —-scotch = soort v. kokinje; —-trier = boterboor; —ine, bɐtərîn, bɐtərin, margarine; —y, subst. provisiekamer of -kast; ververschingslokaal (voor E. studenten in de colleges); adj. boterachtig, week.

Butteris, bɐtəris, mes (v. een hoefsmid).

Buttock, bɐtək, achterste (gew. meerv.), bilstuk, gat (van het schip).

Button, bàt’n, subst. knop, oog, balletje, knoop, wervel; — verb. van knoopen voorzien, vastknoopen: It is not worth a — = het is geen cent waard; —s = piccolo: He has a soul above —s = hij is boven kleinigheden verheven; To —-hole = aanklampen: —-hole, subst. knoopsgat, bouquetje of roosje in het knoopsgat (= —-holer); — verb. knoopsgaten maken, aanklampen, zich laten knoopen; —-hook = knoopenhaakje; —-nail = spijker met ronden kop; —-tree = Conocarpus; —-ware = garen en band.

Buttress, bɐtrəs, subst. beer (metselwerk); — verb. steunen (gew. met up).

Butty, bɐti, subst. kameraad, maat; —-collier = hoofd van de —-gang = een groep mijnwerkers arbeidend volgens het —-system = stelsel, volgens hetwelk het loon voor een aangenomen werk onder de arbeiders wordt verdeeld.

Buxom, bɐks’m, ferm, stevig, mollig; levendig, dartel: —ness.

Buy, bai, koopen, omkoopen: To — dear = duur betalen (fig.); To — at = bij; To — back = terugkoopen; — from, of = van; — for, with = voor; To — in = in(op)koopen, terugkoopen; To — off = afkoopen, vrijkoopen, omkoopen; To — out = uitkoopen; To — over = omkoopen; To — up = opkoopen; I have bought the refusal of that house = ik kan (tot zekeren tijd) dat huis voor een bepaalde som krijgen; —able = koopbaar; —er = kooper.

Buzz, bɐz, subst. gegons, gefluister, gerucht, gril; kortharige pruik, aanstellerig mensch; — verb. gonzen, fluisteren, in ’t geheim rond vertellen; interj. stil! —-saw = cirkelzaag; —er = gonzend insect.

Buzzard, bɐzed, subst. buizerd; domkop.

By, bai, bij, nabij, door, volgens, naar evenredigheid van, gedurende, tegen, etc.: — all (any) means = toch vooral (— no means = vooral niet); — chance = bij toeval; — degrees = trapsgewijze; — far = verreweg; To get (to know) — heart = van buiten leeren (kennen); — our lady(kin) = bij de H. maagd; — little and little = langzamerhand; — the name of = genaamd; Passengers — the ‘Nederland’ = met; — nine o’clock = tegen; — reason (virtue) of = krachtens; — the run = alles te zamen; — the side of = vergeleken bij; Older — ten years = tien jaar ouder; — this time = tegen; It is seven — my watch = volgens, op; He said it — way of excuse = bij wijze van; I went to Italy — way of France = over Fr.; — the way = in ’t voorbijgaan, à propos; — word of mouth = mondeling; Day — day = dag aan dag; One — one = één voor één; — the —(e) = à propos; To be — oneself = alleen; I do not know how he came — all that money = kwam aan; When thieves fall out, honest men come — their own = als dieven ruzie krijgen, komen de eerlijke menschen aan wat hun toekomt; Do — others as you wish to be done — = behandel anderen, zooals; He has two children — her; I live — my trade = van mijn beroep, ambacht; To set great store — = op hoogen prijs stellen; To take example — = nemen aan: To travel — rail, sea, land, water, etc. (Maar in a carriage, vessel, steamer); —-bidder = opjager (bij verkoopingen); —-blow = buitenbeentje, onecht kind; —-book = kladboek; —-business = bijzaakje; —-corner = sluip- of schuilhoek; —-election = tusschentijdsche verkiezing; —-end (—-purpose, —-view) = nevenbedoeling; —gone = voorbijgegaan: In the —gone = in verloopen jaren; Let —gones be —gones = laten we het gebeurde vergeten; —-interest = eigenbelang, persoonlijk belang; —-lane = zijlaan; —-law (plaatselijke) verordening; —-name = scheld- of spotnaam; —-part = bijrol; —-passage = zijgang; —-path = zijpad; —-place = achterhoek, schuilhoek; —-play = stil spel; gebaren; —-product = nevenproduct; —-road (—-way) = zijweg, geheime weg; —stander = toeschouwer; —-street = zijstraat, achterafstraat; —-word = spreekwoord, bijnaam, mikpunt.

Byard, baiəd, borstriem (van een mijnwerker), om karren voort te trekken.

Bye, bai, sportterm met allerlei beteekenissen; vaarwel (= good-bye = —-—); To go —-— = slapen gaan.

Byre, baiə, koestal.

Bysshe, biš.

Byssus, bisəs, linnen, katoenen of zijden stof van buitengewoon fijn weefsel (bij de Ouden); de vezelen, waarmede schelpdieren zich aan rotsen klampen; bosje of kuif.

Byzantian, bizanš’n, Byzantijn(sch); Byzantine, bizantain, bizəntain; Byzantium.

C.

C, sî, A.C. = Ante Christum = vóór Christus; C natural = C; C. flat = C-mol; C. sharp = C-dur; C = 100; C. B. = Companion of the Bath = ridder van de Bath-orde; CC = 200; Cf. = confer = vergelijk; Camb(ridge); Cantab = student van Cambridge University; Cant(erbury); C(are) O(f) = per adres (op brieven); Cath(olic); Celt(ic); C(ommissionary) G(eneral); Chap(ter); Chas. = Charles; Chem(istry); C(ost), I(nsurance), F(reight) = kosten, assurantie en vracht inbegrepen (uitspr.: Sif); C(ity) I(mperial) V(olunteer); C(ash) O(n) D(elivery) = tegen rembours; Colloq(uial); Comp(arative); Conn(ecticut); Corr(esponding) Mem(ber); Cor(responding) Sec(retary); C(ertificated) T(eacher); C(yclist) T(ouring) C(lub); C(ome) Q(uick) D(anger) = een Marconisein voor schepen; Cwt = a hundredweight; Cyc(lopaedia).

Caaba, kâ-a-ba, kaäba, de zwarte heilige steen in Mahomed’s moskee te Mekka. Ook het tempeltje zelf.

Cab, kab, soort rijtuig, bril = overdekte plaats voor den machinist op de locomotief; — verb. in een cab rijden: We have —bed it; —man, kabm’n, koetsier; —-stand = standplaats voor —s; Cabby = —man.

Cabal, kəbal, subst. cabaal, samenspanning, politieke intrigue; — verb. samenspannen; —ler = intrigant.

Cab(b)ala, kabəla, geheime wetenschap, aan Mozes geopenbaard en den Rabbis overgeleverd, ter verklaring van de Schrift; mystiek; Cabalist, kabəlist, Rabbi, bedreven in de Cabala; mysticus; Cabalistic(al) = mystiek.

Caballine, kabəl(a)in, paarde(n) - - -: — spring = hengstebron = Hippocrene.

Cabaret, kabəret of Fr. uitspr. kroeg.

Cabas, kaba, kabas, reismandje.

Cabbage, kabidž, subst. kool, koolkop; de stof, die bij kleermakers door de naald gaat; — verb. een kop vormen bij ’t groeien; zich stukjes goed toeëigenen; —-butterfly = koolwitje (de —-worm is er de larve van); —-headed = dom; —-lettuce = kropsla; —-tree = koolpalm.

Cabin, kabin, subst. kamertje, hut, kajuit: — verb. opsluiten of wonen in eene cabin; —ed, cribb’d, confined = achter slot en grendel; —-boy.

Cabinet, kabinet, kabinet (in allerlei beteekenissen); photo in kabinetformaat: — council = Meeting of the C., ministerraad; —-maker = kabinetwerker; —-picture = kabinetstuk.

Cable, keib’l, subst. kabeltouw, ankerketting, telegraafkabel, kabelbericht; — verb. met een kabel vastmaken; kabelen: A —’s length = 185,5 M.; To pay out a — = een tros vieren; A — (message) = een kabelbericht = —gram; —-laid = als een kabel gedraaid; —-(rail)road, —-railway = kabelspoor; —-room = —-tier, keib’ltîə, kabelgat; —t = kleine kabel.

Caboodle, kəbûd’l, rommelzoo (Amer.).

Caboose, kəbûs, kombuis; veldkeuken; een aan een goederentrein aangebrachte wagen voor beambten en arbeiders; een woning (Amer.).

Cabriolet, kabriəlei, cabriolet.

Cacao, kəkeiou, kakâou, cacaoboom; —-butter = cacaoboter.

Cachalot, katšelot, potvisch.

Cache, kaš, geheime bewaarplaats; — verb. verbergen.

Cachet, kašei, zegel.

Cachinnation, kakineiš’n, luid, aanhoudend gelach; Cachinnatory = luid lachend.

Cacholong, katšoloŋ, cacholong.

Cachou, kəšû, cachou, cachoupil voor rookers.

Cackle, kak’l, subst. gekwaak, gekakel, gewauwel; — verb. kwaken, wauwelen, giechelen; —r = snaterende gans, kakelende kip; wauwelaar.

Cacography, kəkogrəfi, cacographie.

Cacology, kəkolədži, slechte uitspraak.

Cacophony, kəkofəni, cacophonie.

Cactaceous, kakteišəs, cactusachtig; Cactal, kakt’l, cactus - -; Cactus, kaktəs, cactus.

Cad, kad, poen, ploert; —dish, ploertig.

Cadastral, kədastr’l, kadastraal; Cadastre, kədastə, kadaster.

Cadaver, kədeivə, kədavə, lijk; Cadaverous, lijkachtig, lijkbleek, lijk - - -; subst. —ness = lijkachtigheid, etc.

Caddice, Caddis, kadis, soort pluksel; ook = —-bait (—-worm) = larve van de —-fly = watermot.

Caddie, kadi, drager der kolven (golfspel).

Caddy, kadi, theebus.

Cade, keid, subst. vat haring (500 stuks), vat sprot (1000 stuks); ooilam, verwend kindje; adj. tam; — verb. met de hand groot brengen.

Cadence, keid’ns, Cadency, keid’nsi, cadans, rythme = Cadenza, kədenzə.

Cadet, kədet, jongere of jongste zoon; kadet.

Cadge, kadž, venten, bedelen; —r = venter; smulpaap.

Cadgy, kadži, lustig, dartel, lichtzinnig.

Cadi, kâdi, keidi, Kadi.

Cadiz, keidiz, Cadix.

Cadmean, kadmîən, van Cadmus, Thebaansch; Cadmus, kadməs.

Cadogan, kədoug’n.

Cadre, kadə, kader.

Caduceus, kədjûsiəs, staf van Mercurius.

Caducous, kədjûkəs, vroeg (ontijdig) vallend, broos.

Caecum, sîk’m, blinde darm.

Caedmon, kadm’n.

Caesar, sîzə, Caesar, keizer, autocraat; —ian, sizêrj’n: — operation = keizersnede; —ism, sîzərizm, absolute regeering.

Caesura, sizjûrə, caesuur; —l = caesuur - -.

Caffeic, kəfîik, kafəik: — acid = koffielooizuur; Caffein, kəfîin, kafiin, kafiain, caffeïne.

Caffer, Caffre, kafə, kaffer; kafir; Caffraria, kəfrêriə, het Kafferland.

Cage, keidž, subst. kooi; gevangenis, ijzergaas net (= Wire —, om een gasbrander), liftkooi; — verb. in eene kooi sluiten; — of a stair-case = trappenhuis; —ling = opgesloten vogel.

Cagmag, kagmag, subst. bedorven vleesch, taaie gans; adj. walgelijk, oneetbaar.

Cahoot, kəhût, subst. compagnieschap (Am.); — verb. handelen in vereeniging: To be in —s = onder één deken slapen (fig.).

Caic, kaîk, kaïk.

Caiman, keim’n, kaaiman.

Cain, kein: To raise — = den boel op stelten zetten.

Caique = Caic.

Cairn, kêən, kegelvormige steenhoop (als monument of herinneringsteeken).

Cairo, kairou.

Caisson, keis’n, keisûn, caisson.

Caitiff, keitif, subst. schurk; adj. laag, gemeen.

Caius, keiəs.

Cajuput, kadžəput, kajapoetolie (-boom).

Cajole, kədžoul, bevleien, aftroggelen (out of); —r, vleier; —ry, vleierij.

Cake, keik, koek, gebak; suffer; — verb. tot een koek vormen, zich zetten tot een koek: My — is dough = ’t is mis; There’d be no more —s and ale = geen pret, vroolijkheid; They are —s and ale to him = zijn een feest voor hem; They go off like hot —s = zij gaan als koek, grif van de hand; You cannot eat your — and have it = je kunt je geld maar eens uitgeven; —-walk = oorspronkelijk een danswedstrijd tusschen fraai uitgedoste negerparen met een cake als prijs; Caky = koekachtig.

Calabar, kaləbə, soort pelswerk.

Calabar-bean, kaləbâbîn, Afrikaansche boon (ook toetsboon genoemd, omdat zij als toets diende van de schuld of onschuld van de van hekserij aangeklaagden).

Calabash, kaləbaš, pompoen, kalebas.

Calaboos, kaləbûs, kaləbûz, gevangenis (Amer.), — verb. opsluiten.

Calabria, kəleibriə, kalâbriə, Calabrië.

Calais, kalis.

Calamanco, kaləmaŋkou, kalmink.

Calamint, kaləmint, kalament, kattenkruid.

Calamitous, kəlamitɐs, rampspoedig; Calamity, kəlamiti, ramp, ellende, tegenspoed.

Calamus, kaləmɐs, kalmus; herdersfluit.

Calandra, kəlandrə, kalander-leeuwerik; korenworm.

Calash, kəlaš, calèche; kap.

Calcar, kalkâ, fritoven; calcineeroven; —eous, kalkêriəs, kalkachtig, kalkhoudend: — spar = kalkspaath.

Calcedon, kalsidon, calcidoon, vuile ader in edelgesteenten.

Calcic, kalsik: —-chloride = chloorcalcium; Calciferous, kalkhoudend; Calcify, kalsifai, verkalken; Calcimine = stukadoorskalk; — verb. witten.

Calcination, kalsineiš’n, calcineeren, oxydatie; Calcine, kalsain, kalsin, calcineeren; tot asch verbranden.

Calcium, kalsiəm, Calcium.

Calcography, kalkogrəfi, (koper)plaatsnijkunst.

Calculable, kalkjuləb’l = berekenbaar; betrouwbaar; Calculate, kalkjuleit, berekenen, rekenen, ramen, begrooten, geschikt zijn, zich leenen tot; zich voornemen, vermoeden (Amer.): A calculating boy = een rekengenie; Calculating-machine; Calculation = berekening; Calculative = berekenend; A lightning calculator = snelrekenaar.

Calculous, kalkjulɐs, steen...

Calculus, kalkjulɐs, (mv. Calculi), steen, graveel; berekening: The — of probabilities = kansrekening; Algebraical — = algebra; Differential — = differentiaal-rekening; Integral — = integraal-rekening; Literal — = algebra.

Ca(u)ldron, kôldr’n, groote ketel.

Caleb, keiləb.

Calecannon, keilkan’n, Iersch gerecht (gestampte aardappelen en moesgroente).

Caleche, kəleš = Calash.

Caledonia, kalədounjə, Schotland; —n = Schot(sch); —ns = een soort quadrille.

Calefacient, kalifeišn’t, adj. en subst. verwarmend (middel); Calefaction, kalifakš’n, verwarming; Calefactor = klein kookfornuis; Calefactory = verwarmend.

Calembourg, kal’mbûə of Fr. uitspr. woordspeling.

Calendar, kal’ndə, subst. kalender, register, rol; — verb. registreeren: Perpetual —, Tear-off —; Turn-over —; —-month = zonnemaand.

Calender, kal’ndə, subst. kalander; — verb. kalanderen; —er.

Calends, kal’ndz, eerste dag van iedere maand bij de Romeinen: At (on) the Greek — = nooit.

Calendula, kəlendjulə, goudsbloem.

Calenture, kal’ntjulə, ijlende koorts (door de hitte in tropische gewesten).

Calf, kâf, (Meerv. Calves, kâvs), kalf (ook fig.), kalfsleer; kuit: To kill the fatted —; —-love = kalverliefde; —-skin = kalfsvel (leer).

Calhoun, kalhûn.

Caliban, kaliban, verdierlijkt wezen, wildeman.

Caliber, Calibre, kalibə, kəlîbə, kaliber; gesteldheid, waarde; bevattingsvermogen: —-compasses. Zie Callipers; Calibrate = kalibreeren; van graadstrepen voorzien; subst. Calibration.

Caliciform, kalisiföm, kelkvormig.

Calico, kalikou, calicot (in Amerika bedrukt katoen); —-ball = bal, waarop de dames katoenen japonnen dragen.

California, kaliföniə; —n = Californiër, Californisch.

Caligo, kəlaigou, vlek op het hoornvlies.

Calipash, kalipaš, kalipaš, groenachtig vleesch van een schildpad aan de rugzijde; Calipee, kalipî, kalipî, geelachtig vleesch van een schildpad aan het buikschild.

Caliph, kalif, keilif, kalif; —ate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.

Calisthenics, kalistheniks, vrije- en orde(n)-oefeningen (vooral voor meisjes).

Calix, kaliks, keiliks = Calyx.

Calk, kôk, subst. ijsspoor, scherpe kalkoen, ijsnagel; — verb. van ijssporen voorzien, op scherp zetten, calqueeren (kalkeeren), breeuwen; —in = ijsspoor, etc.; —ing-iron = breeuwmes, kalefaatijzer.