Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 41

Chapter 413,140 wordsPublic domain

Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen, nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook subst.: His heart —ed him = zijn moed begaf hem; He —ed to do it = slaagde niet; They —ed to do him justice = bleven in gebreke; He —ed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has —ed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work cannot — of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without — = zonder mankeeren, zeker; —ing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never — topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.

Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was — to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; — to gain it = verlangend; He would — = hij wou graag (liefst); — of = blij met.

Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel, drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; — verb. flauw vallen (away), afnemen, zwakker worden: — heart never won fair lady = die niet waagt, die niet wint; — at heart = bevreesd; I have not the —est idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with — praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); A — sound = zwak, dof; — with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; —hearted = moedeloos, flauwhartig; subst. —-heartedness; —ing = flauwte, bezwijming: In a —ing fit = in een aanval van flauwte; —ish = zwakkelijk; subst. —ishness; —ness = zwakte, moedeloosheid, onduidelijkheid.

Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy — = liefdadigheidsbazaar; —ing = kermisgeschenk.

Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder, duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk, billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The — (sex) = het schoone geslacht; She has a — knowledge of English = behoorlijke, flinke; — play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That is not — play = niet eerlijk en rond; To see — play = zorgen dat iets eerlijk toegaat; — trade = beschermde handel; He is in a — way to succeed = mooi op weg; — words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; — and square = eerlijk, rond, oprecht; — and softly = zoetjes aan; He bids — to get the place = zijne kansen staan goed; He carried it — towards them in public = deed zich mooi voor; —ly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on —ly, sells —ly well = gaat vrij goed van de hand; —-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; —-minded = oprecht; —-spoken = innemend, hoffelijk; His —-weather friends = vr. in voorspoed; —ish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; —ness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.

Fairway, fêəwei, vaarwater.

Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.

Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: — circle (— green, — ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; — fingers, — glove = vingerhoedskruid; —land = feeënland; —-like = als een fee; —-tale = sprookje.

Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) —, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good — = te goeder trouw; The — = de Christel. godsdienst; A breach of — = trouwbreuk; To keep — with = zijn woord houden jegens; To put — in = geloof hechten aan; —ful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The —ful = de geloovigen; —fully: Yours —fully = uw dienstwillige; subst. —fulness; —less = ongeloovig, trouweloos; subst. —lessness; —worthy = be- of vertrouwbaar.

Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.

Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen; bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old horse was —d up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; —ment = zwendel, diefstal, knoeiwerk; —r = bedrieger, zwendelaar, zakkenroller.

Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.

Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.

Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.

Falciform, falsiföm, sikkelvormig.

Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); —er = valkenier; —et = falkonet, smelleken; —ry = valkendressuur, valkenjacht.

Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.

Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen; lezenaar (in de kerk).

Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.

Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.

Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting, dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.), cadans, val (zeeterm); — verb. vallen, zich uitstorten, instorten, afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen worden, enz.: The — = zondenval; They tried a — (with each other) = worstelden samen; There was a general — of jaws = zij trokken allen lange gezichten; He came here in the — = in den herfst; A — overcoat = demisaison; — aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To — astern = achterblijven, zakken (van schepen); To — dead from the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To — flat = mislukken; de uitwerking missen; To — foul of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To — ill = ziek worden; To — short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan (of); To — together = elkaar ontmoeten; To — to pieces = in stukken vallen; To — to the rear = wijken; To — among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To — away = mager worden, tot slechtheid vervallen; To — away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To — back = wijken, terug krabbelen; To — back upon = terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood; To — behind = achterblijven, zakken; His face had —en in = ingevallen, mager geworden; To — in = invallen, vervallen, aantreden, aansluiten; The lease will — in on the first = het huurcontract vervalt; To — headlong into the water = voorover, hals over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell in with each other = troffen elkander; To — off = afvallen; verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To — out = uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that ... = het gebeurde, dat; To — through = in duigen vallen; I advise you to — to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To — upon (on) the ear = treffen; To — upon = aanvallen; The war fell within this year = had plaats; —ing-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid, ontrouw; —ing-off = vermindering, achteruitgang; —ing-sickness = vallende ziekte; —ing-star = vallende ster; —ing-stone = meteoorsteen; —-trap = valdeur, valluik.

Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. —ness; Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.

Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.

Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.

Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd; subst. braakland, braak; — verb. braak laten liggen: He had to rest and lie — = en mocht geen werk doen; —-crop = oogst van braakland; —-deer = damhert; —-finch = tapuit.

Falmouth, falməth.

False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist, onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play — = valsch spelen, bedriegen; If my memory does not play me — = mij niet bedriegt; He sails under — colours = hij zeilt onder valsche vlag; —-face = masker; —-faced = huichelachtig; — fire = valsch signaalvuur (om den vijand te misleiden); —-hearted = trouweloos; subst. —-heartedness; —hood = valschheid, leugen, bedrog; —ness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.

Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem. Falstaff, fôlstâf.

Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: — out = uitstamelen; I —ed from my vow = werd ontrouw aan.

Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-— = bordeelen; —d = beroemd.

Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen; subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the sceptic’s — = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond; —ity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid: (Too great) —ity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; —ities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s — = de fam. W.; —-man = huisvader; —-medicine = huismiddeltje; —-tree = stamboom; —-way: His wife is in the —-way = in gezegende omstandigheden.

Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš, uithongeren, verhongeren, versmachten.

Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. —ness.

Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de universiteit te Oxford.

Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; — verb. koelte toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He —ned the racial hatred = wakkerde aan; —-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur; —-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; —ning-machine, faniŋməšîn, —ning-mill = builmolen, wanmachine.

Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.

Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; —al = fanatiek; —ism = fanatisme.

Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful, fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst. —ness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; — verb. zich verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden; lusten: The — = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a — to it = hij kreeg er zin in; Only — = stel je voor; If you — the idea, I will act accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can —? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust? —-articles, —-goods = weelde-artikelen; —-ball = gecostumeerd bal = —-dress ball; —-fair = liefdadigheidsbazaar; —-goods = galanterieën; —-man = souteneur; — price = bespottelijk hooge prijs; —-shop = galanteriewinkel; —-sick = eenigszins getroubleerd van geest; —-skater = kunstschaatsenrijder; —-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; —-work = handwerkje.

Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.

Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.

Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.

Fanfaron, fanfəron, snoever; —ade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.

Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; —less = zonder klauwen, etc.

Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.

Fannel, fan’l. Zie Fanon.

Fanny, fani.

Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum (sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de mis worden geplaatst.

Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= —al), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; —ness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.

Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the — = het begon me te vervelen, ik kreeg het land.

Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very — = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes —thest = en is het voordeeligst in het gebruik; We had to go —-about = een heelen omweg maken; —-away = ver weg, verstrooid; To reach — back into antiquity = ver teruggaan; — and away = verreweg; — and near, — and wide = heinde en ver, overal; Few and — between = zelden voorkomend; —-fetched = vergehaald, vergezocht; — forth = heel ver; In the —-gone = in ouden tijd; He is —-gone in that science = heeft het een heel eind gebracht in; — gone in love = tot over de ooren verliefd; — gone in drink, consumption = erg dronken, in een ver stadium van tering; — in with = zeer intiem met; —most = verst; —-off = op een grooten afstand; wezenloos, starend; — other = heel anders; You are — out = hebt het heelemaal mis; —-reaching = ver-reikend; —-sighted = verziende, omzichtig; subst. —-sightedness; — West = het gedeelte der Unie ten W. van den Mississippi; By — = verreweg; So — as I am concerned = wat mij aangaat; So — so good = tot hiertoe is het in orde.

Faradization, farəd(a)izeiš’n, behandeling van ziekten door electrische stroomingen, ook: Faradism, naar Faraday genoemd; Faradize = electriseeren.

Farce, fâs, klucht, kort blijspel; Farcical, fâsik’l, kluchtig, grappig; subst. —ness.

Farcin, fâsin, Farcy, fâsi, ziekel. aandoening der lymphklieren bij paarden.

Fare, fêə, subst. voedsel, kost, gerecht, vracht, passagier; — verb. zich bevinden, varen, gaan, zich voeden: Half —s = halve of kinderkaarten; Regulation — = tarief; Bill of —s = tarief (in omnibus of huurrijtuig); Bill of — = menu, spijskaart; — you well = vaarwel; —-meter (for cabs) = taxometer; Farewell, fêəwel, subst. afscheid, vaarwel: He bade — to his country = zeide vaarwel; adj. afscheids... (fêəwel): A — address = afscheidsrede; interj. (fêəwel) vaarwel! adieu!

Farina, fərainə, fərînə, bloem van meel; zetmeel; Farinaceous, farineišəs, melig, meel bevattend: — food = meelkost; Farinose, farinous, meelhoudend, met meelachtig stof bedekt.

Farm, fâm, subst. boerderij, pachthoeve; — verb. pachten, verpachten, bebouwen, den landbouw uitoefenen, kinderen uitbesteden: This house was let to — = verhuurd; —-bailiff = rentmeester; —-crossing = (spoor)overweg bij een boerderij; —-dog = waakhond; —-hand = arbeider, knecht; —-house = boerenwoning; —-labourer = boerenarbeider; —-produce = landbouwproducten; —-stead(ing) = boerenplaats; —-yard = erf; —er = pachter, landman; —ery = boerenerf met huizen, schuren enz.; —ing, subst. landbouw; adj. landbouw...

Farnborough, fânbərou; Farne Islands, fân ailəndz; Farnham, fânəm.

Faro, fêrou, een hazardspel.

Faroe, fêrou: — Isles; Farquhar, fâkwâ, fâk(w)ə.

Farrago, fəreigou, mengelmoes.

Farrier, fariə, subst. hoefsmid, paardendokter; —y = hoefsmidsbedrijf, smederij.

Farrow, farou, subst. big, worp biggen; adj. gust (niet drachtig) van eene koe (Dial. en Amer.); — verb. biggen werpen.

Farther, fâdhə, Farthest, fâdhist, comp. en superl. van far; —-more = bovendien.

Farthing, fâdhiŋ, ¼ penny; —’s-worth = waarde van een farthing.

Farthingale, fâdhiŋgeil, soort hoepelrok (16de en 17de eeuw).

Fasces, fasîz, bundel, fasces (Oud-Rome): — of flowers.

Fascia, fašiə, band, gordel, vooruitstekende lijst, zwachtel; Fasciation, fašieiš’n, zwachtelen, verband; Fascicle, fasik’l, bundeltje, aflevering; Fascicular, fəsikjulə, Fasciculate(d) = tot een bundeltje vereenigd.

Fascinate, fasineit, betooveren, verrukken, bekoren, boeien; subst. Fascination.

Fascine, fəsîn, fascine, bundel rijshout voor milit. doeleinden.

Fash, faš, hinderen, plagen, lastig zijn (Dial.).

Fashion, faš’n, subst. fatsoen, aard, wijze, vorm, patroon, mode, trant, kleederdracht, chic, voornaamheid; — verb. vormen, fatsoeneeren, gepast maken voor: The — = de groote wereld; —s = de heerschende modedracht; After a —, In a — = tot op zekere hoogte; In the — = in de mode; —able = naar de mode, chic, beschaafd, welopgevoed; subst. —ableness; —ist = modegek; iemand, die aan den vorm hangt; —-monger = fat, modepop; —-sheet = modeplaat.

Fast, fâst, vast, onbewegelijk, bevestigd, gehecht, getrouw; snel, vóórloopend, vlug, los, geëmancipeerd; losbandig: My watch is — = vóór; You are a little — = je horloge gaat wat voor; You go too — = je oordeelt wat haastig; He plays — and loose with his principles = hij is niet beginselvast; He is as — asleep as a church = hij slaapt als een otter; — beside = vlak naast; — by = dichtbij; — colours = “waschecht”; — freight = ijlgoed; — friends = dikke vrienden; — man, woman = roué, wufte, geëmancipeerde vrouw; —-sailing = snelzeilend; — train = sneltrein; Fasten, fâs’n, vastmaken, bevestigen, sluiten, vestigen, opleggen, zich hechten of vastklemmen: He can — an article on any journal = kan ... in ieder tijdschrift geplaatst krijgen; I have —ed a fib on him = ik heb hem wat wijs gemaakt; He —ed a quarrel on his opponent = zocht ruzie met; —er = knijpertje; —ing = slot, grendel, sluiting; Fastness = snelheid; losbandigheid, versterking, fort.

Fast, fâst, vasten; subst. vasten, vastentijd: I hope I shall — my illness off = ik hoop, dat ik door onthouding (vasten) er weer bovenop kom; I am obliged to — from reading = mij van lezen te onthouden, spenen; —-day = vastendag; —er = vaster.

Fasti, fastai, Romeinsche kalender of registers.

Fastidious, fəstidjəs, kieskeurig, moeilijk te voldoen; subst. —ness.

Fastigiate(d), fəstidžit(-eitid), naar boven spits toeloopend.

Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste deel; — verb. mesten, vet worden: The — is in the fire = de poppen zijn aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of — in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the — of the land = het vette der aarde genieten; —-brained, (—-headed, —-witted) = dom, suf; —-head = domkop; —-guts = dikzak; —ling = jong gemest dier; —ness = vetheid, vruchtbaarheid; —ten, fat’n, vet mesten, mesten, zich mesten, vet worden; —tiness = vetheid; —ty = vettig: —ty degeneration = vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; —ism = fatalisme; —ist = fatalist; adj. —istic; —ity, fətaliti, noodlottige gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The —s = schikgodinnen; As sure as — = zoo zeker als wat; —d = voorbestemd; —ful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; — verb. aannemen (als kind), zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven: Adoptive — = aangenomen vader; Putative — = vermoedelijke vader; —s of the Church = Kerkvaders; Conscript —s = Romeinsche Senatoren; —-in-law = schoonvader, stiefvader; —-long-legs = langbeen (mug); He —s the works of others, and wishes to — his anonymous books on me = hij geeft zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; —hood = vaderschap; —land = vaderland: The —land = Duitschland; —liness = vaderliefde; —ly = vaderlijk; —ship.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); — verb. vademen, omvatten, begrijpen, doorgronden; —-line = loodlijn; —less = ondoorgrondelijk, bodemloos.

Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; — verb. afmatten, vermoeien, kwellen; —-cap = politiemuts; —-dress = corvée-tenue; —-duty = corvée (milit.); —-party = troep voor eene corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous, fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A — smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot, achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor (jacht), afbreking (van eene mijnader); — verb. fouten maken: Whose — is it? wiens schuld is het? It is my —; He always finds — with me = hij heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find — = van klagen en pruttelen; The hounds were at — = het spoor bijster; If he is severe, his love of learning is in — = draagt zijne liefde voor de wetenschap de schuld; He is good to a — = hij is overdreven goed, doodgoed; He has —ed in several passages = fouten gemaakt; He is a regular —-finder = echte brompot; pruttelaar; —-finding = bedilziek; —iness = onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; —less = onberispelijk; subst. —lessness; —y = gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling, vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; — verb. begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren, gelijken op: Orange —s = oranjestrikken; I received your — of the 1st inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have lost — in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your — = met uw verlof, welnemen; I have done it in your — = te uwen behoeve; To be in — with (out of —) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the — = het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid; Under — of the night = begunstiging; —able = gunstig, genegen, bevorderlijk; subst. —ableness; —ed = begunstigd, lievelings...: Ill-—ed = met ongunstig uiterlijk; Well-—ed = met knap uiterlijk; —ite, feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...: That is my —ite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver; —itism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); — verb. jongen werpen; —-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen voor: He —ed (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: — and leal = houw en trouw (Schot.); —ty = trouw aan leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; — verb. vreezen, duchten, vermoeden: For — of = uit vrees voor; No — of that = geen vrees daarvoor; —ful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend; subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness; —naught = —nought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; —some = angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; — verb. feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as good as a feast = genoeg is overvloed; —-day = feestdag; —-rite = feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig, vlug, bekwaam, netjes: — of juggling, goocheltoer; —ness = vlugheid.