Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 64

Chapter 643,474 wordsPublic domain

Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; — verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden, etc.: I am —ing you = houd je op; It won’t — (well) = blijft niet goed; To — aloof = zich op een afstand houden; To — at bay = van zich afhouden; To — close = geheim houden; To — silent (silence) = zwijgen; He kept crying = hij schreide maar door; He kept us waiting = liet ons wachten; To — company = gezelschap houden; To — company with = verkeeren met; To — (one’s) counsel = zwijgen, een geheim bewaren; Do you — figs? = hebt gij ook vijgen te koop? To — garrison at = in garnizoen liggen; To — one’s ground = stand houden; To — bad (late), good (early) hours = altijd laat, vroeg thuis zijn; To — house = huishouden; To — pace with = op de hoogte blijven van, meegaan met; Put your trust in God, and — your powder dry; — thy shop and thy shop will — thee = pas op uw zaak en uw zaak zal u onderhouden; To — one’s temper = zich inhouden, kalm blijven; To — terms = college loopen; To — time = in de maat blijven; To — touch of, in touch with = voeling houden met; To — watch = wacht houden; To — one’s silver wedding = vieren; — it back = houd het geheim, bedwing u; He kept down his anger = onderdrukte; — from sin = laat af van; He kept me from my lessons = hield mij af; I kept the knowledge of it from him = onthield hem; I could not — from saying it = niet nalaten; To — in (after school-hours) = nahouden; It’s well to — in with her = op goeden voet te blijven; To — off = afweren, afhouden (van); I could not — myself on my legs = niet op de been blijven; The army was kept on foot = werd onder de wapenen gehouden; He kept on taking the first turning to the right = nam maar steeds; He kept on turning = hij keek maar steeds om; — it on = ga zoo door; — on with your algebra by yourself = ga zelf door; To — out of harm’s way = voor gevaar, ongelukken behoeden; These advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; The ship was kept to = bij den wind gehouden; To — to a promise = houden aan; I — to my own people = houd me bij; To — together = bijeen houden, vereenigd blijven; The ship was kept under weigh (way) = gaande gehouden; He could not — up with me = hij kon mij niet bijhouden; — it up, boys! = houd vol; He kept me up to the letter of the contract = hield mij strikt aan; —er = houder, bewaarder, opziener, opzichter, cipier: —er of the Great Seal = Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); —er of the Privy Seal = geheimzegelbewaarder; —ership; —ing = bewaring, opzicht, hoede, hechtenis, voeding; In —ing with = harmonieerend met; You are here in safe —ing = in veilige hoede; —ing-room = huiskamer; —sake = gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of (As a) —sake = als gedachtenis.

Keeve, kîv, subst. tobbe, kuip, mand; — verb. in eene kuip zetten te gisten.

Keg, keg, vaatje.

Keighley, kîthli; Keightley, kaitli; Keith, kîth.

Kek, kek, kijk, zie (Z.-Afr.).

Kelp, kelp, kelp, een ruwe soda uit wier of zeegras.

Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.).

Kelson, kels’n, kolsem. Zie Keelson.

Kelt, kelt, kelt; wollen stof van zwarte en witte wol gemaakt.

Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont.

Ken, ken, subst. gezichtskring, ordinaire kroeg of kosthuis; — verb. waarnemen, bespeuren, onderscheiden, kennen: Beyond one’s — = te hoog (fig.), onbegrijpelijk; Out of — = onzichtbaar, buiten het gezicht; Within — = zichtbaar; —ning = gezichtsgrens op zee (20 miles); —nings = herkenningsteekens, merken op de kust (scheepsterm).

Kench, kenš, kuip, vat (Amer.).

Kendal: — Black Drug, kend’lblakdrɐg, laudanum; — green, kend’lgrîn, groen laken (voor jagers, enz.).

Kenelm, kenelm; Kenilworth, kenilwɐ̂th.

Kennel, ken’l, subst. hondenhok, hok, vossenhol, “meute”, goot, poel; — verb. in een hol wonen, in een hok opsluiten: — coal = gaskool; —-raker = voddenraper.

Kensington, kenziŋt’n.

Kent, kent, Kent; adj. —ish: —-fire = applaus met rhythmisch handgeklap.

Kentucky, kentɐki.

Keogh, kîou, als plaatsnaam; kjou, als persoonsnaam; Keokuk, kîəkɐk.

Kept, kept, P. Imp. en P.P. van To Keep: Badly — up = slecht onderhouden; — mistress, bijzit.

Kerb(stone), kɐ̂b(stoun), trottoirband.

Kerchief, kɐ̂tšif, doek.

Kerf, kɐ̂f, kerf, insnijding (van eene zaag).

Kermes, kɐ̂mîz, kermes, een soort van schildluis: — grains = scharlaken korrels.

Kermess, kɐ̂mes, kermis, gecostumeerd weldadigheidsfeest (Amer.).

Kern, kɐ̂n, Oud Iersche of Hooglandsche voetknecht, landlooper, karn; binnenhalen van den oogst en oogstfeest; —-baby = met korenaren versierde pop bij het oogstfeest.

Kernel, kɐ̂n’l, subst. pit, kern, korrel; — verb. korrelen: He that will eat the —, must crack the nut; To have no — = niet degelijk zijn.

Kernooze, kənûz, kennen, op de hoogte zijn van; —r = kenner, connaisseur.

Kerosene, kerəsîn, gezuiverde petroleum.

Kerrie, keri, werpknots (Z.-Afr.).

Kerse, kɐ̂s, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Not worth a — = geen zier waard; Verg. Not worth a damn).

Kersey, kɐ̂zi, subst. grove, wollen stof; ook adj.: —s = broek van die stof.

Kerseymere, kɐ̂zimîə, casimir.

Kestrel, kestr’l, torenvalk.

Keswick, kezik.

Ket, ket, kreng, vuil.

Ketch, ketš, kits, kaag (vaartuig).

Ketch, ketš = Jack —.

Ketchup, ketšəp, soort v. saus. Ook Catsup en Catchup gespeld.

Kettle, ket’l, ketel: Here is a pretty — of fish = dat ’s een mooie boel; —drum = keteltrom, pauk; theevisite; ook verb. = pauken; —-drummer = paukenslager; —-maker = ketelmaker.

Kevel, kev’l, kruisklamp (scheepst.); steenhouwershamer.

Kew, kjû.

Key, kî, sleutel, toets, klep, toonaard, oplossing, vertaling; — verb. vastpinnen; stemmen, spannen: We have the — of the position = het voornaamste punt der positie; The pope has the power of the —s = de macht over den hemel; That fellow has the — of the street = de stumperd heeft geen thuis, kan niet in huis; To be in — with = in harmonie met; —-basket = sleutelmandje; — bit = (sleutel)baard; —board = klavier (van orgel of piano); —-bone = sleutelbeen; —-bugle = klephoorn; —hole = sleutelgat; —-note = grondtoon; —-pipe = pijp; —-ring = sleutelring; —-screw = schroefsleutel; —-stone = sluitsteen; —-word = slagwoord; All —ed up = klaar voor het gebruik; —less watch = remontoir.

Keziah, kəzaiə.

Khaki, kâki, bruingeel, khaki; subst. khaki stof, soldaat in khaki uniform: Dressed in —.

Khalifa, kalifə, kalifa; —te, kalifeit, keilifeit, kalifaat.

Khan, kan, kân, Aziat. gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd; karavanserij; Khanate, kanit, kânit, rechtsgebied van een khan.

Khartoum, kâtûm.

Khedival, kədîvəl, van den Khedive; Khedivate, kədîvit, ambt(sgebied) van den Khedive; Khedive, kədîv, onderkoning (van Egypte).

Khel, kel, een Afghaansche stam.

Khirkah, kɐ̂ka, een gelapt kleedingstuk door dervischen gedragen.

Khoras(s)an, kourasân.

Khubber, kɐbə, bericht.

Khud, kɐd, ravijn.

Kiack, kiak, Boed. tempel.

Kibe, kaib, open winterblaar.

Kibitka, kibitkə, Russisch rijtuig, als slede te gebruiken; Tartaarsche tent.

Kick, kik, subst. schop, terugstoot (van ’t geweer): — verb. schoppen, stooten, achteruitslaan, zich verzetten: He has a good deal of — in him this morning = hij is van morgen slecht in zijn hum; —-off = eerste schop; At the age of 14 she —ed the beam at 180 pounds = haalde ze al 180 pond; He —ed the beam = werd te licht bevonden, verloor het; To — the bucket = dood gaan; To — against kismet = zich tegen het noodlot verzetten; The horse —s at everybody = slaat naar iedereen; His stomach —ed at the medicine = walgde van: I —ed him out to sink or swim = ik liet hem aan zijn lot over; To — over the traces = uit den band slaan; Don’t — up a row here = maak hier geen standje of opstootje; He —ed up his legs (heels) = sprong vroolijk rond; He was —ed upstairs into a splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg; —er = schopper, voetbalspeler, paard dat achteruit slaat, dwarskop; He is alive and kicking = springlevend.

Kickshaws, kikšôz, beuzelarijen, wissewasjes, liflafjes (tegenover “soliede” kost).

Kicksies, kiksiz, broek: —-builder = kleermaker.

Kid, kid, subst. jonge geit, geitenleer, glacé-handschoen, kind, onzin, zwendel, vaatje, platte schotel, takkebos; adj. van geitenleer; — verb. ter wereld brengen, bedotten: There is no —ding about him = men kan op hem aan; Many candidates — to their constituents = houden hunne kiezers voor het lapje; —-gloves = glacé-handschoenen; —dy = ventje; dief; — verb. bedotten; —ling = klein geitje.

Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.

Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.

Kiddy, kidi. Zie Kid.

Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; —per = steler (van kinderen), zielverkooper.

Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same) — = zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; —-bean = witte boon; —-form = —-shaped = niervormig.

Kiefekil, kifikil, meerschuim.

Kildare, kildêə.

Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.

Kilkenny, kilkeni.

Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit: She dances to — = zij is een onvermoeide danseres; To — time = den tijd dooden; It would be a case of — or cure = er op of er onder; —-devil = rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a —-joy = een spelbederver, een “saaie Klaas”; —-time = tijdverdrijf; —ing = doodelijk, onweerstaanbaar, vreeselijk: You are too —ing = je laat me nog doodlachen; To look —ing = er onweerstaanbaar uitzien.

Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.

Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.

Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.

Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; —-dry = in een oven of eest drogen; —-hole = mond van een oven.

Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə, kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer; Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).

Kilsyth, kilsaith.

Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; — verb. opnemen; —ed = (loodrecht) geplooid.

Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms a— = met zijne armen in de zijde.

Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj. verwant, van dezelfde soort: He is next of — = de naaste bloedverwant; No — no care = geen koeien, geen moeien; I do not care for him and all his kith and — = en zijne geheele familie; —sfolk = verwanten; —sman, —swoman = bloedverwant(e); —ship: My feeling of —ship = mijne gehechtheid aan mijne verwanten.

Kinchin, kinšin, kindje; — cove = jonge dief.

Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk, goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in — = in natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a — = er nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has grown out of — = is uit den aard geslagen; I — of thought you were there = ik dacht soms, (ook wordt — of verbasterd tot —er; Amer.); To send one’s — regards = vriendelijk laten groeten; —-hearted = goedhartig; subst. —-heartedness; —liness = welwillendheid, vriendelijkheid; adj. —ly; To take something —ly of a person = iets goed opnemen; To take —ly to something = met iets op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens —ly on this food = zet flink vleesch aan van; —ness = vriendelijkheid, etc.

Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; — mistress = Kindergartner, kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.

Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden, opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This —d discontent to flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used as kindlings = als vuuraanmakers.

Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van denzelfden aard.

Kine, kain, koeien.

Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph, kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik, bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope, kainîtəskoup, kinîtəskoup.

King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); — verb. tot koning verheffen; den koning spelen (it); —-at-arms = wapenkoning; —’s-bench = vroeger een gerechtshof; —’s (Queen’s) evidence = medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; —’s evil = scrofula: To touch for the —’s evil = door handoplegging genezen: —’s-yellow = koningsgeel; —’s coach (cushion): To carry in a — = op saamgevouwen handen dragen (kinderspel); —-craft = regeerkunst, staatkunde; —-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; —-fish = soort van makreel; —-fisher = ijsvogel; —-killer = koningsmoorder; —-post = middenstijl van het dak; —-wood = hard Braziliaansch hout; —dom, koninkrijk: The —dom of God; Animal, mineral and vegetable —dom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; —dom-come = de eeuwigheid: He went to —dom-come = hij is overleden; —let (—ling) = koninkje; —less; —like = —ly = koninklijk; —ship.

Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; — verb. kinken: There had not been the slightest — or hitch = geen enkele kink in de kabel; We got the business out of the — = aan den gang, aan het rollen; —y = met bochten.

Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.

Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.

Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: —skin.

Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking; — verb. zouten en rooken: —ed herring.

Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): —-session = kerkeraadsvergadering.

Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.

Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.

Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).

Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; — verb. kussen, even aanraken: To — and be (make) friends = afzoenen; To — the book = bij het eed afleggen het N. testament kussen; To — the dust = in het stof bijten; To — the earth, the ground = zich onderwerpen; The ministers —ed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door de koningin de hand te kussen); We —ed hands to the wilderness = zeiden vaarwel; She —ed her hand to her uncle = gaf haar oom kushandjes; They —ed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf; —-in-the-ring = een zeker gezelschapsspel; —-me-quick = kleine dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t oor; —able = om te zoenen; —ing: —ing-crust = dat deel van eene broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood; As easy as —ing = doodgemakkelijk.

Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele rommel” (= All the —, The whole —), katje; — verb. in een kit verpakken.

Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.); jongensspel: — cannio = kinderspel met lei en griffel.

Kitchen, kitš’n, subst. keuken: —-dresser = aanrechtbank; —-garden = moestuin; —-maid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die alléén kookt); —-middens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum; —-range = keukenfornuis; —-stuff = keukengroenten; vet, schuim; —-wench = keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.

Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel: To fly a — = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken; —-flyer (ook fig.); —-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij; —s’-foot = soort van gele tabak.

Kith, kith, verwanten. Zie Kin.

Kitten, kit’n, subst. jonge kat; — verb. jongen werpen; —ish = speelsch, dartel.

Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = —-gull.

Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = — cattle = lastig, moeielijk, netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk.

Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.

Kive, kaiv. Zie Keeve.

Kiwi, kîvi, kiwi.

Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.

Klick, klik, tikken.

Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).

Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).

Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij: There is a — in doing it = men moet er slag van hebben; To have the —, To know the — of it = den slag er van beet hebben; To lose the —; —er = paardenvilder; —er’s yard = paardenvilderij; —ers = notenkraker.

Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop; tak van een gewei; —giness, subst. v. —gy = knoestig, ruw, narrig.

Knap, nap, knappen, breken; —per = soort hamer.

Knapsack, napsak, ransel, knapzak.

Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.

Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).

Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); —ry = schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: — trick = schurkenstreek; subst. —ness.

Knead, nîd, kneden: —ed in the same trough = van hetzelfde maaksel, met één sop overgoten; —er = kneder, kneedmachine; —ing-trough = bakkerstrog.

Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the —s of the gods = afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his —s = iemand doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a — after every round = namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van een der secondanten); To go (down) on one’s —s = op de knieën vallen; To take across one’s — = over de knie leggen; To whip a boy over one’s — = voor zijn broek geven; —-breeches = kuitenbroek; —-cap = kniebeschermer, knieschijf; —-deep = tot aan de knieën; —-high = tot aan de knieën; —-haltered = gekniepoot; —-holly, —-holm = ruscus, kleine steekpalm; —-joint = kniegewricht; —-pan = —-cap; —-piece = kromhout.

Kneel, nîl, knielen: —er = knielkussen of bankje.

Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; — verb. (de doodsklok) luiden.

Kneller, nelə.

Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.

Knew, njû, imperf. van to know.

Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche afstamming: —s = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.

Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest —s).

Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; — verb. snijden, doorsteken, polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the — = strijd op leven en dood; —-blade = lemmet; —-board = slijpplank; zitbank bovenop een e omnibus; —-cleaner = poetsmachine; —-edge = scherpe kant van het mes; —-grinder = messen- en scharenslijper; —-rest = messenleggertje; —-sharpener = mesaanzetter; —-tray = messenbak; Knifing affrays = gevechten met messen.

Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); — verb. tot ridder slaan; — of the blade = ijzervreter; — of industry = zwendelaar; — of the needle (shears, thimble) = ridder van de el = kleermaker; — of the road = struikroover; — of the rueful countenance = van de droevige figuur; — of the shire = vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement; —-errant = dolende ridder; —-errantry = dolende ridderschap; —age = de ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun aller namen; —hood = ridderschap: Order of —hood = ridderorde; —like = ridderlijk; —liness, subst. v. —ly = ridderlijk.

Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten, fronsen, vlechten, zich vereenigen: He — his brow (the brows) = fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen); —ter = breid(st)er, breimachine; Knitting = breiden, breiwerk: —-cotton = breikatoen; —-machine = breimachine; —-needle, —-pin = breinaald, breipen; —-sheath = breipenscheede; —-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.); —-yarn = breigaren.

Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.

Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel: Electric —s = drukknoppen; —biness, subst. v. —by = knobbelig, knoestig, etc.

Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.

Knobstick, nobstik, onderkruiper.

Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; — verb. slaan, stooten, kloppen: He has been —ing about the whole day = heeft rondgeboemeld; He is —ing himself about = hij vliegt van ’t een op ’t ander; That man was —ed about = leelijk toegetakeld; He —ed his enemy down = velde neer, sloeg tegen den grond; The picture was —ed down to me for 600 guilders = werd mij toegeslagen; I will not — off one penny = geen stuiver afdoen; The workmen have —ed off = hebben opgehouden met werken; (—ing-off time); He was —ed over in the street = neergeveld, overreden; Hastily —ed together = saamgeflanst; Are you going to fight or to — under? = het opgeven, toegeven? I am quite —ed up = ik ben doodop; He —s up easily = is gauw ’op’; You’ll — up = je zult je ziek maken; A —er-up = porder; He has —ed that opinion on the head = den kop ingedrukt; To — out of time = zijn bekomst geven; He was —ed silly = deed zoo’n val (kreeg zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; —-about = luidruchtig, rusteloos; variété (artist); —-down = verpletterend (nieuws), uiterste (prijs); —-kneed = met de knieën binnenwaarts; —-knees = binnenwaarts gebogen knieën; —-out = afspraak om bij eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te krijgen; —er = klopper: Up to the —er = piekfijn, fameus; —ing-ghost = klopgeest.

Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; — verb. luiden (vooral van de doodsklok).

Knollys, noulz.

Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; — verb. met knoppen versieren.

Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling, knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten), schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); — verb. knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard — = een moeilijk te ontwarren knoop; How many —s is she going now? = hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-— = huwelijksband; To cut the — = doorhakken; —-grass = duizendknoop, varkensgras; —ted: The many-—ted waterflags = veelknoopige; —tiness, subst. v. —ty = vol knoopen, moeielijk: That is rather a —ty point = lastig punt.

Knout, naut, nût, subst. knoet; — verb. met de knoet straffen.

Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do not — how to do this problem = weet niet op te lossen; You — very well what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I — him for a clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not — his own mind = weet zelf niet wat hij wil; He —s what is what = heeft z’n weetje, is een gladde kerel; He does not — which is which = kan personen of zaken niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it = ik heb het hem nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you — better in future = ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet; —-all = weetal; —-nothing = weetniet; —able = kenbaar; subst. —ableness; Knowing = glad, slim: He is a — one = gewikst; There is no — what he may do next = men kan niet weten, wat hij nu weer zal doen; subst. —ness; Knowledge, nolədž, kennis, wetenschap, geleerdheid: He has not gone there, to my — = voor zoover ik weet; — is power = kennis is macht; —-box = kop.

Knowles, noulz; Knox, noks.

Knub(ble), nɐb(’l), knopje; — verb. onhandig omgaan met, slordig inpakken.

Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel; — verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a person’s knuckles = op de vingers tikken; I am not going to — under (down) = wil niet toegeven, mij onderwerpen; —-bone = knokkel, bikkel(spel); —-duster = boksijzer; —-joint.

Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; —ed = —ly.

Knutsford, nɐtšfəd.

Kobold, koubould, kabouter.

Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).

Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.

Koff, kof, kofschip.

Koh-i-noor, kouhinûə.

Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.

Kopeck, koupek, kopeke.

Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).

Koran, kôr’n, kərân, koran.

Kosher, koušə, koscher.

Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).

Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid; — verb. met de kourbash slaan of martelen.