Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 10

Chapter 103,362 wordsPublic domain

Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); — verb. (herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stampen, verslaan, opdrijven, doorzoeken, doorkruisen, inspannen, vermoeien, uitputten, laveeren, vallen; klotsen, betreden: — of drum = trommelslag; — of the heart (the pulse); The heart makes from 70 to 80 —s a minute; A policeman’s —, postman’s —, sentry’s — = wijk, post; I am not on your — = heb uw wijk niet; Out of one’s — = niet geschikt voor, onbereikbaar; Out of — = uit de maat; To — one’s brains (head) about = zich het hoofd breken over, zich inspannen; One —s the bush, and another gets the hare = de paarden, die de haver verdienen, krijgen ze niet; To — the charge = het sein tot den aanval geven; To — the general (alarm) = te wapen trommelen; To — hemp = braken; To — (pad) the hoof; Zie Hoof; To — a parley = het sein geven tot mondelinge onderhandeling tusschen vijandelijke aanvoerders; To — a retreat = den aftocht blazen; To — time = de maat slaan; Dead-— = doodop; —en, geslagen, gesmeed, verslagen, veel betreden, alledaagsch: —en gold = bladgoud; —en hemp; —en path = gewone weg (ook fig.); Hand-—en silver = gedreven; —ing = slaan, pak slaag, nederlaag: To get a sound —ing; To give a sound —ing = afranselen, slaan (sport); — verb. met voorzetsels en bijwoorden: To — about the bush = er om heen praten; To — at billiards, etc. = verslaan; To — back = terugslaan; To — down = neerslaan, afdingen (They — down the price), drukken van prijzen; To — hollow (= badly) = geheel verslaan; To — in = inslaan; To — a thing into one’s head (= in upon one) = inprenten; To — off = afslaan, terugslaan; To — out = uitdrijven, uitslaan; To — out of = afbrengen van: The teacher tried to — him out of lying = door slaan af te leeren; To — out of countenance = van zijn stuk brengen; To — up = alarmeeren, aanvallen, werven, kloppen, aanmaken, opkruisen; To — up and down = op en neer loopen.

Beatific, bîətifik, zaligmakend, gelukzalig; subst. Beatification; Beatify, biatifai, zalig maken, zalig verklaren; Beatitude, biatitjûd, hemelsche zaligheid, zaligspreking.

Beatrice, bîətris; Beattie, bîti of beiti.

Beau, bou (Meerv. —s of —x, bouz), fat, galant; — verb. ’t hof maken; —pot (Bough —, Bow —) = bloempot voor het raam (veroud.).

Beauchamp, bîtš’m; Beaufort, bjûfət; Beaumont, boum’nt.

Beauteous, bjûtiəs, schoon; subst. —ness; Beautifier, bjûtifaiə = verfraaier, schoonheidsmiddel; Beautiful, bjûtiful, schoon, voortreffelijk; subst. —ness; Beautify, bjûtifai, verfraaien, fraai (schoon) worden; Beauty, bjûti, schoonheid, schoone: She is an heiress and a — = een rijk en schoon meisje; — is but skin deep = schoonheid is vergankelijk; —-sleep = de slaap vóór middernacht; —-spots = moesjes; —-wash (—-water) = cosmetisch huidwatertje.

Beaver, bîvə, bever, vilt, vilten hoed; vizier, helm; —teen = soort van duffel.

Becalm, bikâm, stillen, bedaren: The fleet was —ed off Lisbon = werd door windstilte overvallen op de hoogte van L.

Became, bikeim, imperf. van to become.

Because, bikôz, bikoz, omdat, dewijl: — of = van wege, wegens.

Beccafico, bekəfikou, vijgeneter (vogel).

Bechance, bitšâns, gebeuren, overkomen.

Bechuanaland, bekuânəland.

Beck, bek, subst. knik, wenk met vinger of hand (als bevel of groet); beekje, riviertje: To be at one’s — = To be at the — and call of a person = tot iemands dienst zijn; iemand op zijn wenken bedienen; Beckon, bek’n, een wenk geven (met hand of hoofd), wenken.

Becloud, biklaud, bewolken, verduisteren.

Become, bikɐm, worden; passen, goed staan, betamen: I do not know what has — of him = waar hij gebleven is; It does not — you (= It ill becomes you) to speak like that = het past u niet; Her dress —s her = staat haar goed; She —s her dress = zij doet haar japon geen oneer aan; That’s very becoming = gepast.

Bed, bed, subst. bed, leger, huwelijk(sbed), bloembed, onderbouw, bedding, laag; — verb. in bed leggen, in een bed planten (out); in orde, in eene laag leggen, ondermetselen, te bed (ruste) gaan, overnachten: Early to — and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond; To be in —; To be brought to (= To have one’s) —; = bevallen: To get out of — with the wrong foot foremost = met het verkeerde been; To go to —; He keeps his — = houdt het bed; I have made your — = opgemaakt; As you make your — so you must lie in it = wat ge zaait zult ge oogsten; I have made up a — for you = in orde gebracht; To put to — = naar bed brengen; He took to his — and died = ging liggen; — of roses (fig.); Separation from — and board = scheiding van tafel en bed; —-chair = ziekenstoel; —-chamber = slaapkamer: Lords, Ladies (Women) of the (King’s) Queen’s —-chamber = kamerheeren, hofdames (kamervrouwen); —-clothes = bedlinnen, beddegoed; —-curtains; —ding = beddegoed, stroo, lagen (geol.); —fast = bedlegerig (Schotl.); —fellow (mate) = slaapkameraad; —gown = nachtjapon; kort jak (Schotl.); —-hangings = bedgordijnen; —-linen; —-maker = kamermeisje (aan Eng. universiteiten); —-pan = beddepan; —-post = stijl van een ledikant: In the twinkling of a —-post = in een oogwenk; —-quilt = gewatteerde overdeken; —-rest = toestel om patienten bij het opzitten te steunen; —ridden = bedlegerig; —-rock = vast gesteente; grond(slag): The family is almost down to —rock = ze hebben nagenoeg niets meer; —-room = slaapkamer; —-sore, bedsö, doorgelegen plek (wegens lange bedlegerigheid); —-spread = bedsprei; —-stead = ledikant (Chair-— = opvouwbaar ledikant); —-table = nachttafeltje; —tick = beddetijk; —time = bedtijd.

Bedash, bidaš, bespatten.

Bedaub, bidôb, besmeren, bekladden.

Bedazzle, bidaz’l, door glans verblinden.

Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken.

Bedehouse, bîdhaus, godshuis, gasthuis; Bede(s)man, Zie Beadsman.

Bedel, bîd’l, Bedell, bîdel, pedel (Oxford en Cambridge).

Bedevil, bidev’l, folteren, beheksen, in verwarring brengen, in ’t verderf storten; —ment = bezetenheid, verwarring, helsch lawaai.

Bedew, bidjû, bedauwen, bevochtigen.

Bedight, bidait, versierd.

Bedizen, bidaiz’n, bidiz’n, optooien; —ment, optooi.

Bedim, bidim, verduisteren.

Bedlam, bedl’m, subst. gekkenhuis; dolle boel; adj. gek; dolhuis ...; —ite = krankzinnige.

Bedouin; beduîn, bedouïn, zwerver.

Bedraggle, bidrag’l, nat en vuil maken.

Bedrench, bidrenš, doorweeken, drenken.

Bedwarf, bidwöf, den groei belemmeren, verkleinen, laten verworden.

Bee, bî, bij, wesp, hommel; vereeniging of bijeenkomst van buurlieden tot het gezamenlijk verrichten van arbeid of uitoefenen van liefdadigheid: Husking-— = voor maïs pellen; Sewing-— = naaikransje; Spelling-— = wedstrijd in het spellen, etc.; He has a — in his bonnet, hears a — humming in his head = hij is niet recht snik (rusteloos, opvliegend); —-bread = bijenbrood; —-dress = pak van den ijmker; —-eater = bijeneter; —-farmer = ijmker; —-garden = plaats waar de korven staan; —-glue (—swax) = raat of was; —hive = korf; —-keeper = bijenhouder; —-line = kortste weg tusschen twee plaatsen; —s-wing = dun vliesje op oude portwijn.

Beech, bîtš, beuk, beukeboom; —-gall = galnoot; —-mast, —-nut = beukenoot; —-wheat (Zie Buckwheat): —en = beuken.

Beef, bîf, rundvleesch, spierkracht; (geslachte) os; meest Mv. beeves of —s = rundvee (Amer.); Hung —, Smoked — = rookvleesch; —-eater = spotnaam voor de Yeomen of the Guard; —-tea = bouillon; —-steak = runderlapje; —-witted = stom als een os; —y = vleezig; gespierd.

Been, bîn, part. perf. van to be.

Beer, bîə, bier: Strong, small — = zwaar, dun (licht) bier: You talk small — = je wauwelt; He thinks no small — of himself = heelt een hoogen dunk; There would be more — and skittles about my little jaunt = ik zou er meer lol van willen hebben; That man’s lot is not all — and skittles = niet alles rozengeur en maneschijn; Native —s = binnenl. biersoorten; —-barrel = biervat; —-engine (= —-pump) = bierpomp; —-house (= —-shop) = bierhuis; —-money = geld aan meid of knecht in plaats van bier; —y = vol bier, beneveld.

Beest, bîst, = Beestings = Beastings.

Beet, bît, biet, kroot: —-radish, —-rave = beetwortel; —-root = biet: To blush like a —-root; — sugar = beetwortelsuiker.

Beetle, bît’l, subst. tor, kever.

Beetle, bît’l, zware houten hamer, stamper; — verb. stampen, figuren indrukken; —-head = heiblok, ram; domkop.

Beetle, bît’l, uitsteken, overhangen; —-browed = met vooruitstekende ruige wenkbrauwen, norsch.

Befall, bifôl, overkomen, gebeuren.

Befit, bifit, passen, betamen.

Befog, bifog, in mist hullen, verwarren.

Befool, bifûl, voor den gek houden, bedotten.

Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus): To sail — the wind; I love her — any other woman = boven; —-cited (—-mentioned) = vroeger vermeld; —-going = voorafgaand; —hand, biföhand, vooraf, van tevoren, vooruit: He will be —hand with you = u vóór zijn; She was anxious to be —hand with his lightest wish = te voorkomen; I am —hand with the world = ik kan mij goed redden, heb goede vooruitzichten; — time = in vroeger tijd.

Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen.

Befriend, bifrend, als vriend handelen jegens, beschermen, bijstaan.

Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: Miss N., may I — a dance of you = u verzoeken om; I — your pardon = vraag u excuus; I — your pardon? = wat blieft u? To — the question = het punt in kwestie voor uitgemaakt of bewezen aannemen; I — to inform (send) you = ik ben zoo vrij, heb de eer; He —ged for bread; He tried to — me off, but my father would hear of no pardon = hij trachtte gedaan te krijgen, dat de straf mij werd kwijtgescholden; —ging friars = bedelmonniken; Mayoralties that go a-begging for lack of men = waarvoor zich niemand aanmeldt.

Begad, bigad = Bij God.

Began, bigan, imperf. van to begin.

Begaum, bîgôm = Begum.

Beget, biget, voortbrengen, kweeken: Kindness —s kindness; —ter, vader, bewerker.

Beggar, begə, subst. bedelaar, arme kerel, vent; — verb. tot den bedelstaf brengen, berooven, overtreffen: —s cannot be choosers = nood leert bidden; Set a — on horseback and he’ll ride to the devil = als niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet; The scene —s description = gaat alle beschrijving te boven; —-my-neighbour = een kaartspel voor kinderen; —liness = armzaligheid; —ly = armzalig; —y = armoede: —y is no vice = armoede is geen schande; Reduced to —y = tot den bedelstaf gebracht; Zie Beg.

Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen: Let us — at the beginning = bij; To — with I must tell you = om te beginnen; —ner, beginneling; In the —ning = in den beginne; Every —ning is difficult = alle begin valt zwaar; Everything must have a —ning = een keer moet de eerste zijn.

Begird, bigɐ̂d, omgorden, omringen, omsluiten.

Begone, bigon, scheer je weg, ruk uit!

Begonia, bigounjə, begonia.

Begotten, bigot’n, voortgebracht: God’s only — Son = de zoon Gods; Zie Beget.

Begrime, bigraim, bezoedelen, bemorsen.

Begrudge, bigrɐdž, misgunnen.

Beguile, bigail, bedriegen, verschalken, korten, aangenaam doorbrengen: The fairy voices —d me on = de feeënstemmen verlokten mij, om steeds verder te gaan; He —d the difficult path with pleasant stories = door zijne aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden van ons pad niet; That might have well beguiled, Even haughty Eblis of a sigh = kon zelfs E. eene zucht ontlokt hebben; —ment = bedrog; —r = bedrieger.

Beguine, begin, Begijn.

Begum, bîg’m, eene Indische prinses, voorname dame.

Behalf, bihâf, behoeve, voordeel, belang: In (On) (the) — of = ten behoeve van; in naam van, van wege.

Behave, biheiv, zich gedragen: To — oneself = zich (netjes) gedragen, zoet zijn: If you are pretty —d = zoet bent; Behaviour, biheivjə, gedrag, optreden: To put a person upon his good — = iemand verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich goed te gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; —ing, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder dan, na: — before = achterste voren; To fall — = achterblijven; To leave — = achterlaten; To look — = omkijken; To stay — = thuisblijven, achterblijven; — your back = achter uw rug (ook fig.); — the scenes = achter de schermen (ook fig.); You are — your time = over; The train is — time = over zijn tijd; To be — the times = achterlijk; There was something — his words = stak wat achter; —hand = achterlijk, achterstallig, ten achteren: To be —hand in the world = in moeielijke omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt; —ment(s) = achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: —! = kijk! — me = daar ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) — of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It —s one to be = men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time — = voor het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: —d = vertraagd, te laat, door den nacht overvallen: A —d traveller; —d efforts; —d wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: —ing-pin = houten of ijzeren nagel (scheepsterm); — there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst. oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in zijn tijd): A — handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst. aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of — = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks — your words; Our hopes —d our fears = we misleidden onszelf met te blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my — = naar mijn beste weten; That is past all — = bepaald ongeloofelijk; My firm — is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven, onderstellen: Nice weather, isn’t it? I — you = dàt zal wel waar wezen, dàt beloof ik je; To — in = gelooven aan; That fellow —s, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van alles; Come, let us make —! = een kinderspelletje doen, waarbij men ’t een of ander voorstelt; He made — to read = hij deed net of hij las; Believer, geloover, geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To — noble deeds, a man; —ment, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (—s = glazen-, scheepst.), kelk; verk. v. Arabelle of Isabella; — verb. de bel aanhangen; schreeuwen (van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There is the front-door — = er wordt gebeld; Funeral — = doodsklok; To answer the — = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the — = de belhamel zijn; To bear (carry) away the — = de overwinning behalen; To curse one with —, book and candle = excommuniceeren; met verwenschingen overladen; To pull (ring, touch) the — (the streetdoor bell) = bellen, aanbellen; To toll the — = plechtig luiden, kleppen; Coral and —s = rinkelbel; Who is going to — the cat? = wie zal de kat de bel aanbinden? —-buoy = klokkeboei; —-button = electr. belknop; —-flower = campanula of klokbloem; —-founder = klokkegieter; —-glass = glazen stolp; —-harness = tuig met bellen; —man = omroeper; —-metal = klokkespijs; —-pull (—-rope) = schellekoord; —-punch = instrument met bel om kaartjes te knippen; Electric —-pushes = knoppen; —-ringer = klokluider; —-shaped; —-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc; —er, afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: —-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; — verb. zwellen, dik worden, uitzetten: Your eyes are too big for your — = je oogen zijn grooter dan je maag; To eat the calf in the cow’s — = de kip slachten, die de gouden eieren legt; A man given to (fond of) his — = die slechts zijn buik dient; Hoof to — = ventre à terre; The bellied sails = bolle zeilen; —-ache = buikpijn, koliek; —-band = buikriem; —ful = buikvol; pak slaag; —-god (—-slave) = gulzigaard; —-pinched = uitgehongerd; —-timber = voedsel; —-worm = spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen, geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you —? = waar hoor jij thuis? That word does not — here = is niet op zijn plaats; —ings = eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The — = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in de hel (onderwereld): The realms — = het schimmenrijk; It is — him = beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) —.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem, ring (van Jupiter); kampioensgordel; — verb. omgeven, omringen: —-railway = ceintuurbaan; To have the — = ‘de week’ hebben (van officieren); To have too much wine under one’s — = achter de knoopen; To hit below the — = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen), ook fig.; To hold the — = kampioen zijn; —ed cruiser = kruiser met een pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To — oneself = zijn lot beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; — verb. van banken voorzien; tot aanzien brengen: The — and the bar = de rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) — = oud gerechtshof; thans de Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; The Treasury — = bank der ministers in The House of Commons; He was raised to the — = tot rechter benoemd; —er = vroeger bestuurslid van een Inn of Court; thans lid van het uit de besturen der 4 Inns gevormde college: Council of Legal Education, dat de examens voor Barrister afneemt; —-warrant = bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd door een Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; — verb. buigen, krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn, onderwerpen, overhangen, aanslaan: —s = berghout; The — (Bar) sinister, eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar den rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We have been on the — = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a — = bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd; To — a sail = aanslaan; They — their way homewards = richten hunne schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te gaan, geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work = ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong gewend, oud gedaan; We must not — the bow till it breaks = de boog kan niet altijd gespannen zijn; —-leather, zoolleer; —able, buigbaar; —er = spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is — you (your dignity); He thinks it — him; On the earth —.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde; bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj. Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede; dankzegging; —al = zegenformulier boek; Benedictory, benədiktəri, — prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor (Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven predikantsplaats: The — was only open to = voor de prebende kwamen slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig; Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; —ness: Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.); ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel, weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= — night); — verb. nuttig zijn voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken uit (by): — of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een wereldlijke rechtbank terecht te staan; Maternity — = uitkeering (volgens de ziektewet) bij bevalling; Medical — = genees-, en heelkundige hulp; Sanatorium — = verpleging in sanatoria; Let us give him the — of the doubt = laten we den bestaanden twijfel in zijn voordeel uitleggen; For the — of his health = in het belang; The Egyptians never —ed by French influence; —-society = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom; — building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent, welwillend, weldadig: — fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde stof; adj. Bengaalsch: — cane = Spaansch riet; — light = Bengaalsch vuur; — tiger = koningstijger; —ee, —i, beŋgôlî, —ese, beŋgôlîz, Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk, ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; —ant, binign’nt, liefderijk, etc.; —ity, binigniti, liefderijkheid, goedheid, welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst. neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me to the top of my — = tot het uiterste; — (= —-grass) = struisgras; To take (to) the — = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: —ed with cold; subst. —edness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol = Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. —al = —ment; Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; —ment = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.