Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 2

Chapter 22,869 wordsPublic domain

Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister, ingewikkeld; — noun = begripsnaam; — numbers = onbenoemde getallen; — subst. korte inhoud: In the — = op zich zelf beschouwd, in ’t algemeen gesproken.

Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was —ed from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; —ed = afgezonderd, verfijnd, verstrooid, ingewikkeld; —edness = onwerkelijkheid, idealiteit; —er, maker van een abstract; —ion, abstractie; afzondering, afgetrokkenheid, verduistering; —ive, afgezonderd; —ness = onwerkelijkheid, etc.

Abstruse, abstrûs, diepzinnig, duister; —ness = Abstrusity, duisterheid, etc.

Absurd, absɐ̂d, ongerijmd; —ity = —ness, ongerijmdheid.

Abundance, əbɐnd’ns, overvloed: Out of the — of the heart the mouth speaketh = waar het hart vol van is vloeit de mond van over; Abundant, overvloedig.

Abuse, əbjûs, subst. misbruik, misstand, euvel, slechte behandeling; scheldwoorden.

Abuse, əbjûz, verb. misbruiken, verdraaien, verkeerdelijk toepassen, ruw behandelen, uitschelden, schenden: He has —d my confidence = geschonden; Abusive, əbjûsiv, verkeerd, scheld..: — language = beleedigende taal.

Abut, əbɐt, grenzen aan (on); vooruitspringen (from); —ment, əbɐtm’nt, het aangrenzen; steenen beer, paalwerk bij bruggen.

Abuzz, əbɐz, gonzend.

Abysmal, əbizm’l, bodemloos; Abyss, əbis, bodemlooze afgrond; hel: They are lost in the — of time; Abyssal, afgronds...

Abyssinia(n), abisinjə(n), Abyssinië(r).

Acacia, əkeišə, acacia.

Acacin(e), akəsin, acacine.

Academic, akədemik, adj. academisch; subst. student; Academical, academisch: —s = costuum (cap and gown) van studenten en beambten: In full —s = in vol ornaat; Academician, əkadimiš’n, lid eener bepaalde academie: Royal Academician = lid der Koninklijke Academie van Schoone Kunsten; Academicism = Academism = acad. leer; Academy, əkadəmi, (hooge) school (vooral voor een bepaald vak); genootschap: Riding-, Dancing-, Military —; in Amerika wat Public School is in Engeland.

Acadia, əkeidjə, thans dichterl. voor Nieuw Schotland; Acadian = N. Schotlandsch; bewoner van N. S.

Acajou, akəžû, cachou, mahoniehout.

Acanaceous, akəneišəs, stekelig.

Acanthus, əkanthəs, acanthus.

Acatalectic, əkatəlektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of versregel).

Acatalepsy, əkatəlepsi, onbegrijpelijkheid; Acataleptic, əkatəleptik, onbegrijpelijk.

Accede, əksîd, toetreden, instemmen met (met to) ten deel vallen: To — to the throne = bestijgen.

Accelerate, əkseləreit, bespoedigen, versnellen; Acceleration, versnelling; Accelerative (= Acceleratory) versnellend; Accelerator = dat wat versnelt.

Accensor, əksensə, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk).

Accent, aks’nt, subst., accent, klemtoon, klemteeken, stembuiging, uitspraak, toon, nadruk; —s = woorden, taal (Dichterl.).

Accent, əksent, verb. accentueeren, uitspreken; Accentual = rhythmisch; klem...; Accentuate = doen uitkomen, in ’t licht stellen, accentueeren; subst. Accentuation.

Accept, əksept, aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren; Acceptability = aannemelijkheid; —able = aannemelijk, aangenaam, welkom; subst. —ableness; Acceptance, əksept’ns, aanneming, gunstige ontvangst, acceptatie: I request your kind —ance of this = verzoek u vriendelijk, dit aan te nemen; Acceptant, bereid aan te nemen; Acceptation, aksəpteiš’n, aanneming, aanvaarding; aangenomen beteekenis; —ed = aangenomen; subst. verloofde; —er = —or = acceptant.

Access, aksəs, toegang, gehoor, genaakbaarheid, acces, aanval (van een ziekte): To have — to = toegang hebben tot; Easy of — = gemakkelijk genaakbaar; Accessary, aksəsəri, əksesəri = Accessory; Accessibility, bereikbaarheid, genaakbaarheid; adj. Accessible; Accessorial = bijkomend, medeschuldig; Accessory, aksəsəri, əksesəri, bijdragend, bijkomend, medeplichtig; subst. medeplichtige: The Accessories = al wat er bij hoort; Accession, əkseš’n, toetreding, toestemming, vermeerdering, komst (op den troon, tot eene waardigheid), aanval (van eene ziekte).

Accidence, aksid’ns, buigingsleer, beginselen.

Accident, aksid’nt, voorval, toeval, ongeluk, toevallige eigenschap: By — = toevallig; He has met with an — = heeft een ongeluk gehad, is verongelukt; —-column = kolom of rubriek van ongelukken in eene courant; Accidental = toevallig, niet essentieel; subst. toevallige eigenschap, bijzaak: — colours = bijkleuren, aanvullende kleuren.

Accipiter, əksipitə, roofvogel (vooral havik).

Acclaim, əkleim, toejuichen; subst. toejuiching: By — = bij acclamatie; Acclamation, akləmeiš’n, toejuiching, acclamatie; Acclamatory, bijvals...

Acclimatization, əklaimətaizeiš’n, əklaimətəzeiš’n, acclimatisatie: Acclimatize, əklaimətaiz, aan een zeker klimaat gewennen.

Acclivity, əkliviti, helling, steilte.

Accolade, akəleid, accolade (na den ridderslag); haakje: To confer the — on = de accolade geven.

Accommodate, əkomədeit, geschikt maken, aanpassen, verzoenen met; voorzien van; huisvesten, herbergen: If you want a nice room, I can — you = u eraan helpen; Accommodating, əkomədeitiŋ, inschikkelijk, vriendelijk; Accommodation, əkomədeiš’n, schikking, verzoening, geschiktheid, plaatsruimte, logies; wisselruiterij etc.: — bill (—-note, —-paper) = schoorsteenwissel, plezierpapier; —-ladder = trap aan de valreep; —-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen, enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare lijn.

Accompanier, əkɐmpənjə, begeleider (ook bij muziek); Accompaniment, əkɐmpəniment, begeleiding, bijwerk, toebehooren; Accompanist, əkɐmpənist, begeleider; Accompany, əkɐmpəni, vergezellen, begeleiden.

Accomplice, əkomplis, medeplichtige.

Accomplish, əkompliš, vervullen, uitvoeren; bereiken, verwezenlijken; uitrusten; —able, uitvoerbaar; —ed = volkomen, talentvol, voldongen; —er, hij, die voltooit; —ment = voleindiging, vervulling, talent, beschaving; —ments = kundigheden.

Accord, əköd, subst. overeenstemming, harmonie, schikking, accoord; — verb. overeenstemmen, toestaan, inwilligen: With one — = eenstemmig, eenparig; He did it of his own — = uit eigen beweging; —ance = overeenstemming: In — with = overeenkomstig; —ant = overeenstemmend, overeenkomstig; —ing = overeenstemmend: —ing as = al naarmate; —ing to your wish = overeenkomstig; —ing to Cocker (Gunter; Amer.) = volgens Bartjes; You must act —ingly = dienovereenkomstig.

Accordion, əködjən, harmonica; —ist = harmonicaspeler; — kilt = waaierrok; — sleeves = waaiermouwen; A frock of — cut = met waaierplooien.

Accost, əkost, verb. naderen, groeten, aanspreken; subst. aanspraak, begroeting.

Accouchement, əkûšmoŋ of əkûšm’nt, bevalling; Accoucheur, əkûšɐ̂ Accoucheuse, akušɐ̂z.

Account, əkaunt, subst. (be)rekening, conto, rekenschap; bericht, verhaal, verslag; reden; verklaring; belang, voordeel; — verb. berekenen, aanrekenen, achten, houden voor, rekenschap geven, verklaren, verantwoordelijk zijn: It is of no — = van geen belang; On my — = om mij, wat mij aangaat; I do it on — of you = om, ter wille van; I began life on my own — = op eigen verantwoordelijkheid; On no — = in geen geval; He was called to — = ter verantwoording; To cast —s = rekeningen opmaken; To dodge an — = eene verwachting teleurstellen; The smaller of the two prize-fighters gave a good — of himself = hield zich kranig; We will give a good — of our enemies = ons kranig houden tegenover; They had all gone to their — = waren voor Gods rechterstoel geroepen; I lay that to your — = zet het op uwe rekening; To leave out of — = buiten rekening laten; He makes his — of it = profiteert er van (bij); I make no — of omens = geef niet om; He placed a nice sum to my — = op mijn credit; He will certainly render a good — of the work entrusted to him = zich goed kwijten van; You must try to turn it to good — = er zooveel mogelijk van te profiteeren; Every man was —ed for, either as dead or prisoner = verantwoord; It will not be difficult to — for our absence = te verklaren; There is no —ing for tastes = over den smaak valt niet te twisten; I will — for it = neem het op mijne verantwoording; He —s dearly of all his friends = schat hoog; —-current = rekening-courant; —-day = betaaldag; Accountability, əkauntəbiliti, verantwoordelijkheid; Accountable, verantwoordelijk, rekenplichtig; Accountancy, əkaunt’nsi, bekwaamheid of arbeid van een Accountant, əkaunt’nt, subst. accountant; —ship, ambt van accountant.

Accouple, əkɐp’l, samenkoppelen; —ment, koppeling.

Accoutre, əkûtə, uitdossen, uitrusten; —ments = uitrusting.

Accredit, əkredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen; gelooven, toeschrijven: He was —ed with miraculous power = hem werd toegeschreven; Accreditation: Letter of — = geloofsbrief.

Accrescent, əkres’nt, toenemend; Accrescence, toeneming; Accretion, əkrîš’n, aanwas, toename, samengroeiing; Accretive = toenemend.

Accrue, əkrû, aangroeien; voortspruiten: Much good may — to you from it; —d interest to date = opgeloopen interest tot den dag toe.

Accubation, akjubeiš’n, Accumbency, əkɐmb’nsi, het aanliggen aan een maaltijd bij de Ouden; Accumbent, aanliggend tegen.

Accumulate, əkjûmjuleit, ophoopen, verzamelen, toenemen; Accumulation, (op)hoop(ing); Accumulative, accumuleerend; Accumulator, accumulator.

Accuracy, akjurəsi, nauwkeurigheid; adj. Accurate; subst. —ness.

Accurse, əkɐ̂s, vervloeken; —d, Accurst = vervloekt, goddeloos.

Accusable, əkjûzəb’l, laakbaar, aanklaagbaar; Accusant, aanklager; Accusation, aanklacht, beschuldiging.

Accusative, əkjûzətiv, subst. 4de nv.; ook adj.; Accusatorial, əkjûzətôriəl, den aanklager betreffend; Accusatory, əkjûzətəri, beschuldigend; Accuse, əkjûz, beschuldigen, aanklagen; Accuser, aanklager.

Accustom, əkɐst’m, gewennen, gewoon zijn; —ed = gewoon, gewend.

Ace, eis, eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within an — (of) = op een haar na.

Acephalous, əsefəlɐs, koploos.

Acer, eisə, ahorn; —ic acid, əserikasid, ahornzuur.

Acerb, əsɐ̂b, zuur, wrang; streng; —ity, wrangheid, scherpheid, hardheid, gestrengheid.

Acerose, asərous, acerous, als kaf; naaldvormig = Acerous, asərɐs, ook: zonder voelhorens.

Acervate, əsɐ̂veit, in trossen groeiend.

Acescency, əsesənsi, zuurheid; adj. Ascescent, zuur wordend, wrang.

Acetate, asiteit, azijnzuurzout; Acetic acid, əsetik- of əsîtikasid, azijnzuur; Acetone, asitoun, azijngeest; Acetose, asitous, asitous, Acetous, asitɐs, azijn....

Acetylene, əsetilîn, acetyleen.

Ache, eik, subst. pijn: Chest-—; Face-—; — verb. pijn doen, pijn lijden: My back (sides) ached; I ached in every limb.

Acheen, ətšîn, Atjeh; Acheenese, atšənîz, Atjeher; Acheron, akəron, Acheron.

Achievable, ətšîvəb’l, uitvoerbaar; Achieve, ətšîv, volbrengen, voleinden, verwerven: To — a great success = behalen; Achievement = succes, wapenfeit; wapenteeken: Men of — = beroemde.

Achilles (tendon), əkilîz(tend’n), Achilles (pees).

Achromatic, akrəmatik, achromatisch; Achromatism, Achromaticity = achromatisme; Achromatize, achromatiseeren.

Acicular, əsikjulə, Aciculate, əsikjulit, Aciculiform, əsikjûliföm, naaldvormig.

Acid, asid, subst. zuur; adj. zuur, scherp: An — drop = zuurballetje; Acidify = zuur maken; Acidity, zuurheid; Acidulate, əsidjuleit, zuur maken: —d drop = zuurballetje; Acidulent = zuur, norsch; Acidulous, zuurachtig, scherp.

Acknowledge, əknolədž, erkennen, toegeven, (de ontvangst) berichten, waardeering uitdrukken over: I — (receipt of) your favour of the 14th inst. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer; I — the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.); Acknowledgment = erkenning, belooning, dank, bericht van ontvangst.

Acme, akmi, toppunt; adj. voortreffelijk.

Acock, əkok, brutaal, uitdagend.

Acold, əkould, koud.

Acolyte, akəlait, misdienaar.

Aconite, akənait, monnikskap (plant).

Acorn, eikön, eikel: —-cup, —-shell = eikeldopje; —ed = eikels voortbrengend, met eikels gevoed of voorzien.

Acorus, akərɐs, kalmus.

Acotyledon, əkotilîd’n plant zonder zichtbare zaadlobben; adj., —ous.

Acoustic, əkûstik of əkaustik, het gehoor betreffend, gehoor...: — duct = gehoorbuis; — nerves = gehoorzenuwen; Acoustician = geluidkundige; Acoustics, əkûstiks of əkaustiks, geluidsleer.

Acquaint, əkweint, berichten, bekend maken; —ance = bekendheid, kennis, vriend: He had made —ance with him, the —ance of him; To maintain the —ance = aanhouden; An —ance of mine = vriend van mij; —anceship, bekendheid.

Acquiesce, akwies, berusten, zich neerleggen bij, inwilligen, toegeven; —nce = berusting; —nt = geduldig, toegevend.

Acquirable, əkwairəb’l, verkrijgbaar; Acquire, əkwaiə, verkrijgen, verwerven; Acquirement, verwerving: —s = talenten.

Acquisition, akwiziš’n, het verkregene, aanwinst, verkrijging; Acquisitive = hebzuchtig; subst. —ness.

Acquit, əkwit, vrijstellen, vrijspreken, (zich) kwijten; —tal, vrijspraak; —tance, vervulling, vereffening: Forbearance is no —tance = uitstel is geen afstel.

Acre, eikə, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M2): God’s —, godzeikə, Godsakker; —age, eikəridž, het gezamenlijke land: The —age of Holland amounts to = de gezamenlijke landerijen van Nederland zijn groot...; —d, eikəd, grond bezittend.

Acrid, akrid, scherp, bijtend; Acridity, scherpheid.

Acrimonious, akrimounjəs, scherp, bits; Acrimony, akriməni, scherpheid, bitsheid.

Acrobat, akrəbat, acrobaat, koorddanser; Acrobatic, acrobatisch; —ism, acrobatisme.

Acropolis, əkropəlis, Acropolis, burcht.

Acrospire, akrəspaiə, subst. (mout)kiem; —d = kiemend.

Across, əkros, əkrôs, dwars, kruiselings, scheef, breed, aan gene zijde: To come — = aantreffen; opkomen (in den geest); With arms — = de armen over elkander.

Acrostic, əkrostik, subst. naamdicht; ook adj. = —al.

Act, akt, subst. handeling, daad, wet, oorkonde, akte, disputatie, bedrijf; — verb. doen, handelen, (in)werken, volbrengen, opvoeren, spelen, zich gedragen: —s of the Apostles = Handelingen...; — of God = godswil; — of Grace = amnestie; — of Honour = acte van interventie; — of indemnity = acte van indemniteit; — of Parliament = parlementswet; He was caught in the (very) — = op heeterdaad; He —s up to his promise = handelt overeenkomstig; I will — upon it = dienovereenkomstig; —-drop = scherm, dat tusschen de bedrijven wordt neergelaten; —able = geschikt om op te voeren, uitvoerbaar; —ing = subst. het spelen, het spel; adj. handelend, tijdelijk, plaatsvervangend: An —ing copy = een exemplaar van een tooneelstuk, zooals het gespeeld wordt.

Action, akš’n, handeling, daad, beweging, gang, werking; voordracht, uitdrukking; mechaniek, gevecht, aanklacht, proces: To bring an — against a person for = iemand aanklagen wegens; I threatened the driver with an — = aanklacht; The hour for — came = het ging op een vechten; —able, akš’nəbl, strafbaar (in rechten): Your words are —able.

Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.): — bonds = prioriteitsobligaties; — capital = activa; — partner = werkend; Activity = bedrijvigheid, vlugheid, behendigheid.

Actor, aktə, tooneelspeler; —-manager, theater-directeur (die meespeelt); Actress, aktrəs, tooneelspeelster.

Actual, aktjuəl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk, werkzaam; actueel; Actuality = werkelijkheid; Actualities = actueele omstandigheden; —ize, aktjuəlaiz, verwerkelijken.

Actuary, aktjuəri, gerechtsschrijver; actuaris.

Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, in beweging brengen; Actuation, aandrijving, werkende kracht.

Aculeate(d), əkjûljit(-eitid), stekelig, van prikkels of een angel voorzien, scherp, bits.

Acumen, əkjûm’n, scherpzinnigheid; Acuminate, əkjûmineit, spits; Acumination, spitsheid; Acuminous, puntig.

Acute, əkjût, adj. puntig, scherp, fijn, doordringend, schrander; akuut (van ziekten): An — angle; Acute-angled (= — angular); —ness, puntigheid, etc.

Ad (= advertisement): It was a paper of local news and local —s.

Adage, adidž, spreekwoord, gezegde.

Adagio, adâdžou, langzaam; adagio.

Adam, ad’m, Adam, menschelijke zwakheid, broodheer: —’s ale = water; —’s apple = adamsappel in zijn verschillende beteek.; —’s flannel = melige toorts; —’s needle = Jucca; —ite, Adamiet; adj. menschelijk.

Adamant, adəmant, adamant; groote hardheid: His heart is of — = zoo hard als steen; Adamantin(e), diamantachtig; onverwoestbaar.

Adapt, ədapt, geschikt of passend maken (to, for); toepassen; bewerken naar (from); —ability, aanwendbaarheid; —able, aanwendbaar; —ation = aanpassing, bewerking; —ed = passend, geschikt; subst. —edness; —er = bewerker; —ive, geschikt tot aanpassen; subst. —iveness.

Add, ad, bijvoegen, vermeerderen, verhoogen, optellen (met up): Added to = plus, toegevoegd aan, uitgebreid; Addendum = toevoegsel, bijlage.

Adder, adə, adder; —-bolt = —-fly = waterjuffer; —’s tongue = addertong; —’s wort = adder(slangen)wortel.

Addible, adib’l, vermeerderbaar.

Addict, ədikt, (zich) overgeven aan: —ed to liquor = verslaafd aan den drank; —edness; —ion, neiging, verslaafdheid.

Addition, ədiš’n, bijvoeging, vermeerdering, optelling: In — to = behalve dat, buiten en behalve; — sum = optelsom; Additional = bijgevoegd, extra, bij...: An — petticoat = een rok meer.

Addle, ad’l, bedorven, onvruchtbaar; — verb. bederven, onvruchtbaar maken, verwarren: He has been addling his brains = zich suf zitten denken; —d eggs = bedorven; Never mind such —-brain = domkop; —-brained (-headed, -pated) = suf, stom.

Address, ədres, subst. toespraak, adres, verzoekschrift; aanzoek; manieren, manier van optreden; handigheid; — verb. adresseeren; (zich) richten tot, aanspreken; aanvangen; een adres richten tot: —-book; He has a (is a man of) pleasant — = hij maakt een aangenamen indruk; Wanted a cook; editor has — = adres bij den uitgever dezes; He paid her his —es = maakte haar het hof; To — the house = in ’t parlement spreken; To — the King = zich tot den Koning richten; Addressee, adrəsî, geadresseerde; —er, afzender, adressant.

Adduce, ədjûs, aanvoeren (als bewijs); —nt = aanvoerend, aantrekkend; —r = bewijzer; Adducible = aanvoerbaar.

Adduct, ədɐkt, aantrekken; Adduction = het bijbrengen; Adductive = aantrekkend, bijbrengend.

Adelaide, adəleid, Adelheid; Aden, âd’n, eid’n.

Adenoid, adənôid: — growths = adenoïde vegetaties.

Adept, ədept, ingewijd; subst. ingewijde.

Adequacy, adikwəsi, geschiktheid, voldoendheid, gepastheid; Adequate, adikwit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; subst. —ness.

Adhere, ad-hîə, aankleven, aanhangen, getrouw blijven; —nce, aankleving, aanhankelijkheid, vasthouden (to); —nt = aanklevend, aanhangend; subst. aanhanger; Adhesion ad-hîž’n, adhesie; Adhesive, ad-hîsiv, adj. gegomd; aanklevend, aanhankelijk, blijvend: — envelope = gegomde enveloppe; — plaster = hechtpleister; subst. —ness.

Adieu, ədjû, subst. afscheid; adv. vaarwel.

Adige, âdidž, adidž, Etsch (rivier).

Adipocere, adipəsîə, lijkenvet; Adipose, adipous, adipous, vethoudend, vet..; nierenvet: — tissue = vetweefsel; Adiposity, vetheid.

Adit, adit, toegang; afvoerkanaal.

Adjacency, ədžeis’nsi, aangrenzen, het aangrenzende; adj. Adjacent = aanliggend, aangrenzend.

Adjectival, adžəktiv’l, adžəktaiv’l, bijvoeglijk; Adjective, adžəktiv, subst. bijv. naamwoord; adj. bijvoeglijk.

Adjoin, ədžôin, aanvoegen, aangrenzen.

Adjourn, ədžɐ̂n, uitstellen, verdagen, schorsen; zich begeven: The meeting was —ed; The meeting —ed for lunch; The company —ed to an ante-room = begaf zich; —ment, verdaging; verplaatsing; He moved an —ment to the ladies = stelde voor zich te begeven naar.

Adjudge, ədžɐdž, toewijzen; oordeelen; subst. Adjudgment = Adjudication.

Adjudicate, ədžûdikeit, berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over): He was —d (a) bankrupt = hij werd failliet verklaard; Adjudication = toewijzing, uitspraak: — of bankruptcy = faillietverklaring; — order = faillietverklaring; Adjudicator = scheidsrechter.

Adjunct, adžɐŋkt, subst. aanhangsel, toevoegsel, toevallige eigenschap; adjunct; adj. verbonden, vereenigd; Adjunction, toevoeging; Adjunctive, toevoegend.

Adjuration, adžureiš’n, plechtige eed, dringende bede, eedsformule; Adjuratory = door een eed gestaafd; Adjure, ədžûə, bezweren; Adjurer, Adjuror = beëediger.

Adjust, ədžɐst, geschikt maken, in orde brengen, afwikkelen, beslechten; —able: —able chair = verstelbaar; —er, ijker; —ing-screw = stelschroef; —ment = schikking, ijking.

Adjutancy, adžut’nsi, adjudantschap; Adjutant, adžut’nt, adjudant; soort vogel; Adjuvant, ədžûv’nt of adžuv’nt, helpend, bevorderlijk; subst. helper, hulpmiddel.

Administer, administə (Administrate) besturen, beheeren, executeeren, verschaffen, toedienen: To — an oath = afnemen; To — the law = rechtspreken; Administration = beheer, toediening, ministerie; Administrative = administratief, bevorderlijk; Administrator, of Administrator, administrateur, executeur (v. een intestate); vr. Administratrix.

Admirability, admirəbiliti, bewonderenswaardigheid; Admirable, admirəb’l, bewonderenswaardig; subst. —ness.

Admiral, admir’l, admiraal, admiraalschip; —ship, admiraalschap; —ty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw: —ty Court = Oud Gerechtshof voor alle zaken, die met de scheepvaart in verband staan; thans overgebracht naar de Admiralty Division of the High Court of Justice.

Admiration, admireiš’n, bewondering: She performed to — = speelde wondermooi; Note of — = uitroepteeken; Admire, admaiə, bewonderen; —r = bewonderaar.

Admissibility, admisibiliti, toelaatbaarheid, aannemelijkheid; adj. Admissible; Admission, admiš’n, toegang, toegeving, installatie, entrée: Free — = vrije toegang; —-fee = toegangsprijs.

Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I — it = erken; It —s of no excuse = het laat zich niet verontschuldigen: To — of no change = geen verandering ondergaan; This ticket will — two persons = geldt voor; subst. —tance: No — = verboden toegang; No — except on business = verboden toegang voor het publiek; —tedly = zooals algemeen wordt erkend.

Admixture, admikstšə, bijmenging, bijmengsel.

Admonish, admoniš, vermanen, waarschuwen; subst. Admonition, adməniš’n; Admonitory = vermanend.

Adnascent, adnas’nt: — plant = parasiet.

Ado, ədû, drukte, moeite: Much — about nothing = veel geschreeuw en weinig wol; There’s a nice — = dat is een mooie boel! Without any more — = zonder verdere omslag.

Adolescence, adəlesəns, jeugd(ige leeftijd); Adolescent = jeugdig; subst. jongeling, jong meisje.

Adolphus, ədolfəs, Adolf.

Adonean, adənîən, Adonic, ədonik, Adonisch; Adonis, ədounis, Adonis; Adonize = zich adoniseeren.

Adopt, ədopt, (als kind) aannemen; aanwenden, zich bedienen van: You — a disagreeable tone to me = ge permitteert u; —able = aanneembaar; —ed = aangenomen; genaturaliseerd (Amer.); —ion = aanneming; —ive = adoptief, vreemd.

Adorable, ədörəb’l, aanbiddelijk; subst. —ness; Adoration = aanbidding; Adore, ədö, aanbidden, vereeren; —r, aanbidder.

Adorn, ədön, versieren, verheerlijken; —ment, versiering.

Adrian, eidriən, Adriaan; Adriano, adriânou; Adriatic, eidriatik of adriatik: — Sea = Adriatische Zee.

Adrift, ədrift, rondzwalkend: To send — = in een boot zetten en laten drijven; To turn — = aan zijn lot overlaten, wegzenden.

Adroit, adrôit, behendig, handig (at); —ness, handigheid.

Adscript, adskript, subst. en adj. lijfeigen(e) = Adscriptitious, adj.; —ion, lijfeigenschap.

Adulate, adjuleit, kruipend vleien; Adulation, adjuleiš’n, kruiperij; Adulator, kruiper; Adulatory, vleiend, kruiperig.

Adult, ədɐlt, subst. en adj. (de of het) volwassen(e); —ness, het volwassen zijn.

Adulterant, ədɐltərənt, middel ter vervalsching; Adulterate, ədɐltərit, adj. vervalscht; verb. ədɐltəreit, vervalschen; Adulteration, vervalsching; Adulterator, vervalscher.

Adulterer, ədɐltərə, echtbreker, afgodendienaar; Adulteress, ədɐltərəs, echtbreekster; Adultery, ədɐltəri, overspel; Adulterine, ədɐltərin of ədɐlterain, adj. onecht, vervalscht; Adulterous, overspelig, afvallig; Adultery = overspel, afgodendienst.

Adumbrate, ədɐmbreit, schetsen, aanduiden: The difficulties here —d; Adumbration = schets.