Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 137

Chapter 1373,040 wordsPublic domain

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; — verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: —-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through) — of better employment = uit gebrek aan; They are in — of everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in — (is in great —) of = heeft hoog noodig; He died of — = kwam van gebrek om; She felt the — of it = gemis er van; To supply a much needed — = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the —s of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoeften der armen; — one = op één na; What do you —? = wat moet je? I — mamma = ik zoek naar ma’tje; I — you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are —ed = men zoekt je; The piano —s tuning = moet gestemd worden; I — for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It —s ten minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; — to know! = Och, kom! (Amer.); Volunteers were not —ing = er was geen gebrek aan; Three more are —ing = er mankeeren nog drie; Nothing is —ing to my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be —ing to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found —ing = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.

Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig, moedwillig, fladderend; — verb. dartelen, stoeien, mallen: In — sport = in overmoed; subst. —ness.

Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).

Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.

Wapping, wopiŋ.

War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; — verb. beoorlogen, strijdvoeren: A — was carried on between these powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare — against = den oorlog verklaren aan; We are engaged in a — = in een oorlog gewikkeld; To make — on = oorlog voeren tegen; To be at — = in oorlog zijn; He was at — with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at — with the flesh = voert strijd tegen; To go to — with = oorlog aangaan met; It was — to the knife (to the death) between them = het was een strijd op leven en dood; Holy — = heilige oorlog, kruistocht; — of independence; A council of — (—-council) was held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-— = onderscheidene oorlogschepen; Many prisoners of — were made = krijgsgevangenen; —ring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik; —-chest = krijgskas; —-council = krijgsraad; —-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; —-dance = oorlogsdans; — Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); —-drum = krijgstrom; —fare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; — verb. oorlog voeren, kampen, strijden; —farer = krijgsman; —-horse = strijdros; —-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; — Office = Ministerie van Oorlog; —-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot tenue; —-path = oorlogspad: We are on the —-path = op expeditie; —-ship = oorlogsschip; —-song = krijgslied; —-steed = krijgsros, strijdhengst; —-torch = oorlogstoorts; —-wasted = verwoest; —-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; —-worn = in den dienst versleten; —like = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: —like paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; — verb. kweelen, zingen, trillers slaan; —r = kweeler, zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer, het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil, wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal, werk (van een slot), buitenplein; — verb. bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in — = in verzekerde bewaring gehouden; To keep watch and — = streng de wacht houden; To put in — = gevangen zetten; The thrust was —ed off by me = gepareerd; —-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; —-penny = bewakingsgeld, waakgeld; —robe = kleerkast, garderobe: —robe keeper = —rober = bediende bij de —robe; —-room = officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; —ship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord — of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; —-pie = perenpastei; —ship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht; commandostaf: —s of the Tower = ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; — = Aware, Beware: — oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); — wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China — = porselein; Earthen— = aardewerk; Hard— = ijzerwaren; —house = pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded —house; —house-keeper = —house-man = pakhuishouder, pakhuismeester; —house-warrant = cedel; —housing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt; —-housing-system = het entrepôt-stelsel; —-room = pakkamer, uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; —ry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast, hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; — verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: — contest = heete strijd; — colour; To give one’s hands a — = z’n handen warmen; Have a — = warm je eens goed; He is — = zit er warmpjes in; You are getting — = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too — for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town — for him = hij kreeg het te benauwd; To sit pretty — = er warm inzitten; He —ed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; —ed up remains of the evening meal; —-blooded = warmbloedig; —-hearted = hartelijk, oprecht; —er = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend: —-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I — you against such a behaviour = waarschuw u voor; He —ed us of the coming of the general = kondigde aan; They were —ed off the hunt, being unfit to ride = nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are —ed off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); —er; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me — = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper — of it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take — of his example = spiegel u aan; — notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (— and woof), kromming, boegseerlijn, werptros; slib; — verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren, boegseeren, verhalen, bevloeien; —ed = krom, verdraaid, vertrokken: A —ed, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His conclusions are occasionally —ed by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; —er = werkman, die de schering aanzet; Warping: —-bank = dam om het water op een stuk land te houden; —-machine, —-mill = handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den korpskommandant; — verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: — to appear = dagvaarding; The death-— was signed by the king = doodvonnis; A search-— = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; — of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; — of attorney = procuratie of notarieele volmacht; — of caption = steekbrief; — of distress = bevel tot beslaglegging; —s were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; Without a — = ongemotiveerd; — officer = officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant aangesteld; I — you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; I — it good = sta er voor in, dat het goed is; —able = verdedigbaar, wettig (= — by law), oud genoeg voor de jacht er op (v. herten); —ee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; —er = volmachtgever, waarborger = —or, wor’ntə, wor’ntö; —y, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; —er = opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: —-hog = soort van Amer. wild zwijn; —-wort = kroontjeskruid; —less = zonder wratten; —y = vol wratten, wratachtig.

Warwick, worik; —shire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling, kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; — verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van erts): The — and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; I’ll do the — = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a — = zich het gezicht wasschen; We must have a — = ons eens wasschen; I have sent them to the — = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t — clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t — = kan niet gewasschen; That won’t — = dat gaat niet (op); To — dishes = borden wasschen; To — one’s hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were —ed away = zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be —ed out = gaan er in de wasch niet uit; A —ed out creature = bleek; To — out an affront; She —ed up the tea-things = waschte af; Copper —ed with silver = verzilverd koper; —-ball = zeepbal; —-board = waschplank, zetboord (op boot of sloep); —-gilding = nat vergulden; —-hand-basin = waschkom; —-hand-stand (—-stand) = waschtafel; —-house = waschhuis; —-leather = zeemleer; —-pot = waschkom, waschbak; —-tub = waschtobbe; —able = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); —-man = waschbaas, waschman, bleeker; —-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: —-day; —-dress, —-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; —-glove; —-machine = waschmachine; —-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; —ian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The —ian movement = —ianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: —-looking wine = dunne, krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of —s = hij heeft allerlei kuren; —-waisted = met wespentaille; —ish = met eene wespentaille, prikkelbaar, giftig; —ish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst. —ishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den —-bowl; — verb. drinken (op het welzijn van); —-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; —er = drinkebroer; —ers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang, verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis, afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos, onnut; — verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere — = onnut; To lay — = verwoesten; Your candle is running to — = loopt af; To let a garden run to — = laten verwilderen; To — (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had —d him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; — not want not = die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be —ed = zou ongebruikt blijven liggen; —-basket = papiermand = —-paper-basket = prullenmand; —-book = memoriaal; —-gate = afvoersluis; —-paper = scheurpapier; —-pipe = afvoerbuis; —-sheet = vel misdruk; —-water = condensatiewater; —-weir = afvoerweer; —r = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; — verb. waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum — = wekker; Keyless — = remontoir; Repeating — = repetitie-horloge; Stem-winding — = remontoir; I am on the — = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good — = goed oppassen, waken; The — was relieved = de wacht werd afgelost; My — has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a — over them = ik liet hen bewaken; He set his — to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent lawyers were —ing the case = woonden het proces bij; I —ed the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He —ed over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He —ed through the long night = waakte den ganschen nacht; To — home = nakijken tot iemand thuis is; —-box = schilderhuis, wachthuisje, horlogekast = —-case = horlogekast; —-chain = horlogeketting; —-dog = waakhond; —-fire = wachtvuur; —-glass = horlogeglas; —-guard = horlogeketting of -lintje; —-hand = horlogewijzer; —-house = wachthuis; —-key = horlogesleutel; —-light = nachtlicht; —-maker = horlogemaker; —man = nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; —man’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a —man’s rattle = een ratel slaan; —-night = laatste nacht van het jaar: I attended a —-night service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; —-stand = horlogestander; —-tower = wachttoren; —word = wachtwoord, leus, motto; —er = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been — of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst. —ness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of —), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; — verb. besproeien, bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of — had flowed under the bridge (Much — had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first — = van het zuiverste water; Gentlemen of the first — = hoogsten rang; He is a prig of the first — = een verschrikkelijke kwibus; Bilge — = water onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low — = laag water: To be at at low — = in geldverlegenheid zijn; Slack — = dood tij; He has — on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold — = dat is lek; Your reasoning won’t hold — = uwe redeneering houdt geen steek; To make — = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul — = raakte met de kiel den bodem; To take the —s = de baden gebruiken; He threw cold — over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread — = watertreden; This kept my head above — = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at — = als je over een sloot moet springen To go by — = over zee gaan; To convey by — = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all —s = van alle markten thuis; We were in deep —(s) = in een moeilijke positie; You have got into hot — = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like —; To spend money like —; My mouth —s = het water loopt me om de tanden; The flowers were —d = werden begoten; To — horses = water geven; It made my mouth — = het deed me watertanden; To set a person’s mouth —ing = doen watertanden; After —ing we sailed away = nadat wij versch water ingenomen hadden; —-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis; —-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: —-bath = waterbad; —-bearer = Waterman (Dierenriem); —-bed = waterbed; —-bottle = karaf; —-buck = waterbok (Z.-Afr.); —-bug = watertor; —-butt = water- of regenton; —-carriage = vervoer te water; —-cart = sproeiwagen; —-closet = closet, W.C.; —-cock = waterkraan; waterhoen; —-colour = waterverf, schilderij in waterverf = Painting in —-colours; —-colourist = waterverfschilder; —course = stroompje, stroom, waterloop; —-craft = schepen, booten, enz.; —-crane = waterpomp (voor een locomotief); —-cress = waterkers; —-crowfoot = water-boterbloem; —-cure = waterkuur: —-cure establishment; —-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; —-dog = waterhond; —-drain = draineerbuis; —-drainage = draineering; —-dray = soort zolderschuit; —-dressing = koudwatercompres; —-drop = droppel water, traan; —-engine = schepmolen; —fall = waterval; —-flag = gele lisch; —-flea = watervloo; —-flood = overstrooming; —-fly = oevervlieg; —-fowl = watervogel; —-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren; — verb. draineeren door greppels; —-gall = gat in den grond door hevigen regen; bijregenboog; —-gas = watergas; —-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; —-gauge = peilglas; —-gilder = iemand die de kunst verstaat van —-gilding = watervergulding; —-gruel = watergruwel; —-gruelish, flauw, smakeloos; —-hen = waterhoen (-hennetje); —-kelpie = watergeest; —-level = waterstand, waterpas-instrument; —-level-line = waterpeil; —-lily = waterlelie, plomp; —-line = waterlijn (diepgang van een schip); —-logged = vol water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom; —-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); —-man = schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; —-mark = watermerk, waterhoogte, waterpeil; —-meadow = weide die door irrigatie besproeid kan worden; —-melon = watermeloen; —-meter = watermeter; —-mill = watermolen; —-nymph = najade; —-omnibus = trekschuit; —-ordeal = waterproef; —-parsnip = breedbladige watereppe; —-pitcher = waterkan; —-plant = waterplant; —-poise = hydrometer, waterpas; —-pot = waterpot, waterkan; —-power = waterkracht; —-pox = waterpokken; —proof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; — verb. ondoordringbaar maken voor water; —-ram = hydraulische ram; —-rat = waterrat; —-rate = waterbelasting; —-ret = —-rot; —-rocket = waterrot (vuurwerk); —-rot = roten; —-scape = rivier- of zeegezicht (schilderij); —shed = waterscheiding; —side = waterkant; —-snake = waterslang; —souchy. Zie Zoutch; —-spaniel = waterhond; —-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; —-supply = wateraanvoer; —-tank = reservoir; —-tap = waterkraan; —-tight = waterdicht; —-vole = waterrat; —-wagtail = gele kwikstaart; —way = waterloop, waterweg, vaarwater; —-weed = waterpest; —-wheel = scheprad; —-works = de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); —-worn = door het water gerond of afgesleten; —age, wôtəridž, loon voor vervoer te water; —ed = gewaterd, moiré: A —ed-down belief = verwaterd; Watering: —-can = gieter; —-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; —-cart = sproeiwagen; —-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats; —-pot = gieter; —-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig, verwaterd; subst. —ness; Waterless = droog, zonder water. Zie Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: — eye = vochtig oog; — kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v. acacia (Australië); — verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met eene horde omringen; —-bark = bast der Austral. acacia; —-bird = soort bijenwolf; —-work = werk van gevlochten teen; —d; Wattling and daubing = het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde, enz., golving, sein (door wuiven); — verb. golven, wapperen, wenken, wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the —s = op (door) de golven geslingerd; He —d his hand and motioned me to a chair = hij wuifde met zijne hand; —-length = afstand tusschen twee golven; —-motion = golvende beweging; —-offering = beweegoffer (Levit. VIII, 27); —-shell = golving (bij aardbevingen); —-worn = door de golven afgesleten of gerond; —d = gegolfd, gewaterd; —less = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; —let = golfje, rimpel; —like = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I — in my conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; —er = weifelaar, besluitelooze; —ous, —y = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand, gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; — verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter worden: As close (tight) as — = zoo dicht als een pot; He sticks to me like — = hij hangt aan me als een klit; There is a man of — = jij bent een beste kerel; A stick of sealing-— = pijp lak; His eyes are —ing dim = worden dof; —-candle = waskaars; —-chandler = waskaarsenmaker; —-cloth = wasdoek; —-doll = wassen pop; —(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; —-flower = kunstbloem (van was); —-light = waskaars; —-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); —-match = waslucifer; —-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in was); —-taper = waskaars; —-tree = pruikenboom; —-vesta = waslucifer; —-wick = waspit; —work = wassenbeelden, anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s —works (familiaar: —ers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The —work room = wassenbeeldenzaal; —worker = die in was werkt, bij; —ed = gewast; —en = van was, wasachtig, week als was; —iness, subst. v. —y = als was, met was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.