Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 51
Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong, onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of worden: Do you see any — in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit? On the — side of fifty = onder de 50 jaar; —back = Amer. bankbiljet; — cloth = speeltafel: Board of — cloth = een soort van Hof-Rechtbank onder den Hofmaarschalk; biljart; —-coloured = bleek, ziekelijk; —-crop = groenteoogst; —-eyed = groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch, achterdochtig: The —-eyed monster = de jaloerschheid; —hand = nieuweling; —-finch = groenling, vlasvink; —-fly = groene vlieg; bladluis; —foil; zie Foil: — foil smalls = groenkleurige korte broek; —gage = reine claude, groene pruim; —grocer = handelaar in groenten; —horn = nieuweling, sul; —house = oranjerie, broeikas; —land(er) = Groenland(er); —-room = kamer voor de niet optredende acteurs; —sickness = bleekzucht; —-stall = groentenstalletje; —-sward = grasveld; —wood = woud in den zomer; —ery, grînəri, massa groene planten, plaats waar ze gekweekt worden; —hood = onrijpheid, onervarenheid; —ish = groenachtig; groen (fig.); —ness = groenheid, jeugd, onervarenheid; —y = —ish.
Greenwich, grînidž.
Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen (Schotl.); —ing = groet.
Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst. —ness.
Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek); Gregory, gregəri, Gregorius.
Grein, grîn.
Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek (die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop, als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen, op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.
Gremio, grîmiou, gremiou.
Grenada, grəneidə.
Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.
Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.
Gresham, grešəm; Greville, grevil.
Grew, grû, imperf. van To grow.
Grewel, grûəl, straffen, verslaan.
Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.
Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel; — verb. grijs maken of worden; The — mare = vrouw, die de broek aan heeft; The —s = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle schimmels zijn = Scots —s); —-bird = lijster; —-hound = hazewind; snelvarende stoomboot (= Ocean —-hound); —ish = grijsachtig; —ness = grijsheid.
Grice, grais, speenvarken, jonge das.
Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; —-cake = soort pannekoek (Amer.).
Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.
Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; —-pendulum = compensatieslinger.
Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge has come to — = is zeer bouwvallig; He came to — = het liep verkeerd voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht met hem af; He came to — over this obstacle = deze hinderpaal brak hem den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer: —-monger = eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv, bedroeven, smarten, krenken, (be)treuren: To be —d at = betreuren, treuren over; Grievous, grîvəs, smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk, wreedaardig; subst. —ness.
Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.
Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in Indië is gekomen).
Griffith, grifith.
Griffon, grifən, affenpinscher.
Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a — = zoo vroolijk als een vogeltje, erg gezellig.
Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; — verb. roosteren, braden (ook fig.); —-room = soort “lunchroom”, restaurant.
Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).
Grille, gril, traliewerk.
Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).
Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst. —ness.
Grimace, grimeis, grijns; — verb. grijnzen.
Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.
Grime, graim, subst. vuil, roet; — verb. bevuilen; Grimy = vuil.
Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.
Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; — verb. grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To — and bear it = zich goed houden.
Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; — verb. malen, slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen, drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful — = een verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the — = kan niet altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte de armen (Jesaja III, 15); Do not — your teeth = knars niet met de tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn afgewerkt; —stone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has kept his nose to the —stone = heeft zich afgebeuld; I have been tied to the —stone during the last weeks = door veel werk erg gebonden geweest; —er = onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a —er = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik maal er wat om); —ery = slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn daarvan; —ing = nijpend: — poverty.
Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam voor influenza in Amerika; — verb. grijpen, goed vasthouden, droogleggen, greppels graven: He had a feeble — of my idea = begreep mij maar half; Take a good — on that = onthoud dat goed; —-sack = reis of knapzak (Amer.) —per = gierigaard; —ple, grip’l, subst. greep, houvast; adj. grijpend, inhalig.
Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt, knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; — verb. grijpen, goed vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind liggen; —s = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He felt griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; —r, graipə, afperser, onderdrukker.
Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.
Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.
Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.
Grisette, grizet, grisette.
Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig, vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.
Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).
Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.
Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring — to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s — to his mill = koren op zijn molen; —-mill = korenmolen.
Gristle, gris’l, kraakbeen: In the — = jong en weerloos; Gristly = kraakbeenachtig.
Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; — verb. knarsen, krassen, wrijven: They had not — enough to do it = geen flink heid; Her father is full of — and go = is een kranige, vooruitstrevende kerel = There is — in him; All Americans of the true — = van de echte (energieke) soort; I —ted my teeth; —-stone = grof soort v. zandsteen; —tiness, subst. van —ty = gruis bevattend, korrelig, hard; flink, kranig (Amer.): A —ty novel = pittige roman.
Grizzle, griz’l, grauwe kleur; — verb. grijs worden (maken); —d = grijs, grauw, geschimmeld.
Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op mijne berenjacht; —-bear = N. Amer. beer.
Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen gevend); — verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).
Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a —.
Groats, grouts, grutten.
Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; —ies = kruidenierswaren; —y = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).
Grog, grog, grog; —-blossom = roode neus of gezicht; —-fight = zuipen; —-shop = kroeg = —gery (Amer.); —giness, subst. v. —gy = dronken; wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).
Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.
Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; —ed.
Gromet, gromət, grɐmət, strop: — of an oar = krans (van touwwerk).
Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige hofofficianten; — verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen, enz.): — of the stole = opperkamerheer; He was well —ed and trimly clad = zag er zeer verzorgd uit; —sman = bruidsjonker.
Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; — verb. groeven of voren maken: He had got into the — of that kind of life = was gewoon geraakt aan; Teaching tends to fall into —s = wordt gemakkelijk sleurwerk; A — in teaching is fatal = sleur bij het onderwijs is noodlottig.
Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden (ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in —-light towards a precipice = tastende (in het donker).
Gros, grou, zware zijden, stof (— de Naples); oud Fransch muntstukje.
Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat, gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa, geheel, hoofdbestanddeel: In the — = in ’t algemeen, bij de roes, en gros, bruto; —-headed = met een dikkop; dom, stomp; —-weight = brutogewicht; —ness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid, domheid, afschuwelijkheid.
Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen behoorend; subst. groene granaat.
Grosvenor, grouvənə.
Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst. grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst. —ness.
Grotius, groušəs, Hugo de Groot.
Grotto, grotou, subst. grot, hol; —-work = kunstmatig grotwerk.
Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied, grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; — verb. op of in den grond plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten, onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (— arms), aan den grond of vast raken (schepen): — glass = matglas; —s = tuin bij een huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik, grondkleur: The —s will be cleared at ten = de tuin of het park wordt om 10 uur ontruimd; We have broken — already = wij hebben al een begin gemaakt; He has cut the — from under my feet = hij heeft mij het gras voor de voeten weggemaaid; He changed his — = veranderde van positie, methode, etc.; The plan has fallen to the — = is in duigen gevallen; We have gained — = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen; That idea seems to gain — = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They have lost — = zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren; Our troops bravely stood their — = hielden moedig stand; —-angling = visschen met grondangel; —-ash = esschescheut(-stek); —-bailiff = mijnopzichter; —-bait = vischaas; —-bridge = brug van houten dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); —-floor = benedenverdieping; —-ice = grondijs; —-ivy = hondsdraf; —-oak = eikenloot; —-plan = platte grond; —-plate = raam, grond-(fundatie), plaat, zool; —-plot = bouwterrein, platte grond; —-rent = grondrente; —-sea, —-swell = grondzee; —-tackle = ankertouwen, -kettingen; —-tier = benedenloges (in een theater); —work = grond, grondslag, grondbeginsel, geraamte (van iets); —ed: Well —ed = goed onderlegd; —less = ongegrond: subst. —ness; —ling = kleine modderkruiper, bermpje: The —lings = parterrebezoekers, het plebs.
Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).
Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill, graundsil.
Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie); — verb. groepeeren.
Grouse, graus, korhoen (Black —); sneeuwhoen (Red —); — verb. schieten op grouse; huiveren, morren.
Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; — ale = soort bier; —s = grutten (brij); droesem; —y, grauti, norsch, verdrietig.
Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the —, zie 2 Kon. XXI, 7.
Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn; —ler = kruiper, ploert.
Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen, aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf —s out of the stem = komt voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd; The book —s upon the reader = des lezers belangstelling in het boek neemt bij het lezen toe; Drinking will — upon a man = de gewoonte van drinken wordt gewoonlijk sterker; He —s a moustache = laat zijn snor staan; They have —n together = zijn volkomen één geworden; —er = verbouwer: Slow —ers = langzaam groeiende boomen; —ing weather = groeizaam weer; —ing-ups = aankomende jongelui; —n = gegroeid, tot volle rijpheid ontwikkeld: A full-—n man = volwassen man; Over half-—n = meer dan half volwassen; Two thirds —n; When you are —n = groot; The ground was —n over with weeds = bedekt met onkruid; —th = groei, toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong: Wines of good —th; Of one’s own —th = zelf gekweekt.
Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; — verb. brommen, snauwen, knorren; —er = brompot; rammelkast; —ery = studeerkamertje.
Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en slordig persoon, voedsel; — verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren; blokken, schransen, voeren: He knelt down a —, and rose a butterfly = toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een ridder; An intermediate — between sycophant and oppressor = een nieteling tusschen vleier en tiran; In — = druk aan ’t werk; He is fond of his — = hij houdt veel van eten; — and bub = eten en drinken; —ber = schranser, blokker, schoffel; —bery = volksgaarkeuken; Money —bing = geldschrapend; —bing-axe (—-hoe) = schoffel; —by = onzindelijk, vuil, versleten, dwergachtig.
Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook: nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig, nietswaardig.
Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; — verb. wrok koesteren, onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien, aanmerkingen maken op: He bears me a — = heeft een wrok tegen mij; I owe you a — for doing this = ik ben boos op je, datje...; He —s himself nothing = ontzegt zich niets; He —s me the light of my eyes = hij gunt mij ... niet; —r = afgunstige, brompot; Grudgingly = ongaarne.
Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his — = ik heb hem zijn vet gegeven; Take your — like a man = houd je taai.
Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.
Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; —ish; subst. —ness.
Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.
Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.
Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (—s = ontevreden aard): He had a — to himself = mopperde in zichzelf; —r = knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.
Grummet, grɐmət = Gromet.
Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. —ness.
Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid; adj. Grumpish, Grumpy.
Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.
Grundy, grɐndi: Mrs. — = de kritiseerende kwaadsprekende wereld: What will Mrs. — say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?
Grunt, grɐnt, subst. geknor; — verb. knorren, brieschen, klagen, brommen; —er = varken; —ling = jong varken.
Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.
Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou, subst. guano; — verb. met guano bemesten.
Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; — verb. waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This —s you in the possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö, borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.
Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer (ankle-—), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (—s = garde in het leger); — verb. bewaken, behoeden, beschermen, zich hoeden: I am off my — = ben niet op mijn hoede; Be (stand) on your — = wees op uw hoede; He kept — over me = bewaakte mij; The soldiers mounted — = betrokken de wacht; He put me on my — = waarschuwde mij; He threw me off my — = hij wiegde me in slaap, verschalkte me; To relieve the — = de wacht aflossen; The advanced — had to defend the bridge = de voorhoede moest de brug verdedigen; You must — against mistakes = gij moet oppassen voor fouten; —-boat = wachtboot; —-house = wachthuis; —-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; —-ship = wachtschip; —sman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde; —ed(ly) = omzichtig; —ian, gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder, geleider: —ians of the poor = armvoogden; —ian-angel = beschermengel; —ianship = voogdij.
Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.
Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).
Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel, lokaas; adj. dom.
Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.
Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.
Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); —ic = tot de Guelfen behoorende; —ic-order = ridderorde voor het oude Hannover (in 1815 ingevoerd).
Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.
Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.
Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.
Guess, ges, subst. gis, gissing; — verb. gissen, onderstellen, raden: He gave a — at it = hij raadde er naar; I’ll give you a hundred —es, and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I — = ik geloof, ik denk (Amer.); He —ed at it = hij raadde er naar; —-work = gissing, onderstelling.
Guest, gest, gast, logeergast; —-chamber.
Guffaw, gəfô, subst. luide lach; — verb. brullen (van lachen).
Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.
Guiana, giâna.
Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide, richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder, regulateur, reisgids; — verb. geleiden, besturen, leiden: —-board = wegwijzer; —-book = reisgids; —-post = wijspaal, wegwijzer; Guider = leider (Zie ook: Guidon).
Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.
Guild, gild, gilde, vereeniging: —-brother = gildebroeder; —-hall = gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert; —er = gulden (Nederl.); —ry = gilde (Schotl.).
Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.
Guile, gail, bedrog, list, valschheid; —ful = arglistig; subst. —fulness; —less = argeloos; subst. —lessness.
Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; — verb. gilətîn, guillotineeren.
Guills, gilz, gele ganzebloem.
Guilt, gilt, schuld, misdaad; —iness = schuld, strafbaarheid; —less = onschuldig, onschadelijk; subst. —lessness; —y = schuldig: He was —y of that theft = schuldig aan; He looked —y-like = hij zag er uit, alsof hij schuldig was.
Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; —-corn = doerrah; panikkoorn; —-fowl = paarlhoen; —-grains = paradijskorrels; —-pepper = Spaansche peper; —-pig = Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk een guinea als presentiegeld ontving.
Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.
Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the — (light) of = bij wijze van.
Guitar, gitâ, guitaar.
Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).
Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.
Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).
Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There is a great — fixed between the two; —-stream = golfstroom.
Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; — verb. bedriegen, beetnemen; —-catcher = bedrieger, kwartjesvinder; —ible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.
Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).
Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; — verb. met geraas stroomen; —-hole = rioolgat.
Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; — verb. met groote teugen inzwelgen, slokken: He —ed up what he had taken = braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje drinkebroers.
Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; — verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): — arabic = Arab. gom; —boil = zweertje op het tandvleesch; — elastic = caoutchouc; —-rash = hittepuistjes; —suck = bedriegen (Amer.); —sucker = jonge Australiër van Europ. afkomst; —-trees = soorten v. Eucalyptus en Acacia; —miness, subst. v. —my = gomachtig, kleverig, gom bevattend; —my! = jeminé! That is —my = bijna ongeloofelijk, en toch waar.
Gump, gɐmp, sul, dwaze kerel.
Gumption, gɐmpš’n, gladheid, scherpzinnigheid; The boys had to write a — paper = opstel, waaruit blijkt of zij goed hebben waargenomen; —less = dom; Gumptious, gumpšəs, glad, vaardig, bij de hand.
Gun, gɐn, subst. geweer, kanon; — verb. schieten, jagen: He is a big — = invloedrijk persoon, groote hans; Son of a — = pierewaaier (humor.), lammeling; It is as sure as a — = zoo zeker als 2 × 2; The —s were brought to bear on the enemy’s ships = werden gericht; To blow great —s = stormen; We spiked their —s = vernagelden; They stood to their —s = bleven standvastig (het geschut bedienen); —-barrel = loop van een kanon of geweer; —-battery = batterij (van kanonnen); —boat = kanonneerboot; —-carriage = affuit; —-cotton = schietkatoen; —-fire = uur van het morgen- en avondschot; —-foundry = gieterij; —-metal = geschutmetaal; —powder = buskruit; fijne groene thee: The —powder Plot = samenzwering, om op 5 Nov. 1605 de Parlementshuizen in de lucht te doen springen; —-rack = geweerrek(-rak); —-reach = kanon- of geweerschotsafstand: He is within —-reach = op kanon- of geweerschotsafstand (ook: —-shot) = hij is onder schot; —-rod = laadstok; —-room = verblijf der cadetten aan boord van een oorlogschip; —-shot = geweer- of kanonschot, de afstand van een kanon of geweer; —smith = geweermaker; —smithery = geweermakerskunst, -vak; —-stock = geweerlade; —-tackle = geschuttalie; —ned: Heavily —ned = met zwaar geschut; —er = artillerist, kanonier; —er’s ladle = laadlepel; —nery = artillerie wetenschap; —nery-lieutenant = luitenant die, na een —nery-course op een —nery-ship te hebben bijgewoond, in het bezit is van een warrant daarvan.
Gunnel, gɐn’l, dolboord; schansnet aan boord van een oorlogschip.
Gunn(e)y, gɐni, grof zaklinnen.
Gunter’s chain, gɐntəztšein, landmetersketen v. ± 20,11 M.
Gunwale, gɐn’l (Zie Gunnel).
Gurgle, gɐ̂g’l, subst. geklok, gorgeldrank, gemurmel; — verb. klokken, gorgelen, murmelen: The delicious gurg-gurgling from our bronze fountain = geklater; A —t of water = waterbron.
Gurgoyle; Zie Gargoyle.
Gurnard, gɐ̂nəd, kleine poon; spinvisch.
Gush, gɐš, subst. krachtige stroom, uitstrooming, uitbarsting, overdreven taal of gevoel; — verb. krachtig (uit)stroomen, snel en mild vloeien, overdreven en sentimenteel zijn: His conversation came in —es = van tijd tot tijd barstte hij eens los; All this is not —, it is the honest truth = dit is volstrekt niet overdreven of onwaar; She —ed about Liszt = sprak (schreef) overdreven bewonderend over L.; I am not a —er, but I must tell you how much I like you = ben geen overdreven gevoelsmensch; She was conceited and —ing = en dwaas sentimenteel (overdreven).
Gusset, gɐsət, geer, inzetsel, inlegsel.
Gust, gɐst, windruk, vlaag, uitbarsting; smaak, lust, neiging; —ation, gəsteiš’n, het proeven of genieten; —ative, —atory, gɐstətori, smaak ..., proef ...: — nerve = smaakzenuw; —o, gɐstou, smaak, genot; —y = stormachtig, winderig, woest.