Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 77
Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl, verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen: That can(not) pass — = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He could not — a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To — into (out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not — up courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te bezitten; —-book = stamboek (milit.); —-roll = monsterrol.
Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk, ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: — sands = drijfzand; —ness = veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation = verandering, mutatie, stemwisseling.
Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.
Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter, stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi, vogeldrek; — verb. ruien; subst. —ness.
Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.
Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. —ness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; — verb. aan het muiten slaan: To foment — = tot muiterij aanzetten; — Act = (van 1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning te machtigen een staand leger te houden.
Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; —er.
Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We must return to our —s = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as — = zoo dood als een pier; —-chop = schaapscotelette: Whiskers of the —-chop formation; —-head = schaapskop.
Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our — friend = gemeenschappelijke; On — terms = op gelijke voorwaarden van weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.
Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp (van vuurwapenen); — verb. muilbanden, knevelen: To put the — on = niet eten; —-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = —-loading gun; —-velocity = aanvangssnelheid.
Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.
My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) — = goeie genade = (Oh) — eye; — word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!
Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.
Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).
Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.
Myology, maiolədži, leer der spieren.
Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid = Myopy, maiəpi.
Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.
Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.
Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj. ontelbaar: Those — interests.
Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.
Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: — of the law = gerechtsdienaar, beulsknecht.
Myrrh, mɐ̂, mirre; —ic = uit m. getrokken.
Myrrha, mɐ̂rə.
Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; —-berry = mirtbes.
Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly — = niet recht lekker; I was by — the whole evening = was alléén.
Mysore, maisö.
Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen; Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen; sacramenten.
Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. —ness; Mystery, mistəri, mysteriespel (= — play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic, subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig = Mystical; subst. —ness; Mysticism = mysticisme; Mystification, mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden, bedriegen.
Myth, mith, mythe, fabel; —ic(al) = fabelachtig, mythisch; —ographer, mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; —ologic(al) = mythologisch; —ology, mitholədži, mythologie, godenleer.
Mytilene, mitilînə.
N.
N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural) Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth) E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig = Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey); N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet; Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth) W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).
Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).
Nabob, neibob, Nabob; vr. —ess.
Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.
Naches River, nâtšəs rivə.
Nacre, neikə, paarlemoer; —ous, neikriəs, paarlemoerachtig: — shells = schelpen met eene laag paarlemoer.
Nadir, neidə, nadir, voetpunt.
Nag, nag, subst. knol, hit; — verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten, aanmerkingen maken: I can’t bear to be —ged at = ik kan dat geplaag en geneger niet velen; —ger; —gy = vitterig, plagerig.
Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen, lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.
Nagpur, nâgpûə.
Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.
Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; — verb. vastspijkeren: Hard as —s = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your comments are more down on the — than his = meer raak; To bite one’s —s = bijten op; To cut (pare, trim) one’s —s = knippen; To drive (knock) in a — = inslaan; One — drives (out) another = het eene verdringt het andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a — where it will go = wees practisch; It would mean the last — driven into the coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the — on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth and — = met alle macht; I’ll pare your —s = ik zal je kortwieken (fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the — = contant betaald worden; He was never —ed at being drunk = betrapt op; To — down = vastspijkeren; To — up = dichtspijkeren; To — to the counter = valsch geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering aantoonen; Jesus was —ed to the cross = genageld aan; To — one’s colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; —-brush = nagelborstel; —-file = nagelvijltje; —-head = kop; —-headed characters = spijkerschrift; —-trimmer = nagelschaartje; —er = spijkermaker; kraan, goed renpaard.
Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; —té, —ty.
Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig, oprecht, weerloos: With the — eye = met het bloote oog; The — truth; Stark — = spiernaakt; He was stripped — = geheel uitgekleed, uitgeschud, van alles beroofd; subst. —ness.
Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).
Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook adj.: There is nothing — in him.
Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; — verb. noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in — so in aim = de naam is een voorteeken; A nice — to go to bed with = ’t is me ook ’n naampje! He called me all kinds of —s = schold me voor alles uit; As good be hanged as have an ill — = wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat; Give my — = dien mij aan; To go (pass) by the — of X. = doorgaan onder; They left their —s = gaven hunne kaartjes af; To appear below one’s — = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s — = drukken onder; I know him, but I cannot put a — to him = kan hem niet thuis brengen; Do not take the — of God in vain = gebruik Gods naam niet ijdellijk; Take up my — = dien mij aan; To write under a —; Christian — = doopnaam, voornaam; Family — = geslachtsnaam; Maiden — = eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper — = eigennaam; A man, Williams by —, of the — of W. = genaamd W.; In — of = in plaats van; In the — of = namens; — the child! = spreek op! laat hooren! To — the day = den dag van het huwelijk bepalen; He was —d after me = naar mij genoemd; —-board = naambord; Station —-boards = de borden met namen op de perrons; —-day = naamdag; —-part = titelrol; —-plate = naamplaatje; —sake = naamgenoot; —less = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem; —ly = namelijk.
Namur, neimə, Namen.
Nancy, nansi, Nancy: Sweet — = witte narcis.
Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof): —s = nanking broek.
Nanny, nani: — goat = geit.
Nantucket, nantɐkət.
Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort kaartspel; — verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not — but felt; To go — = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a — = een uiltje knappen; You have been —ping = je hebt gesoesd; I caught him —ping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; —less = kaal, zonder haar of noppen; —py = met noppen, wollig, kroes; koppig (van dranken), schuimend.
Nape, neip, nek = — of the neck.
Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: — launch = petroleum-motorboot; —lene of —line = naphtaline.
Napier, neipjə.
Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.
Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a — = zet uw licht niet onder de korenmaat; —-ring.
Naples, neip’lz, Napels: — yellow = Napelsch geel.
Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel; The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.
Narciss(us), nâsis(əs), narcis.
Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend, slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism, nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize = narcotiseeren.
Nard, nâd, nardus (olie); —ine = nardus...
Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.
Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.
Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration; Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend; spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri = Narrative.
Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig, nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; — verb. vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien), nauwer worden: — circumstances = bekrompen; A — compass = beknopte omvang, ruimte; We made (had) a — escape = ontkwamen ternauwernood; A — majority = kleine; — means = bekrompen middelen; He has a — mind, is —-minded = bekrompen van geest; —-brimmed = met smallen rand; —-chested = met smalle borst; —-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; —-gauge = spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); —-minded = kleingeestig, bekrompen; —-mindedness; To look —ly into = nauwkeurig onderzoeken; —ness = nauwheid, etc.
Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.
Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; —is, nəzeilis, neusaap; —ity, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; —ize = tot een neusklank maken.
Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: — state.
Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.
Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.
Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig, onaardig; leelijk: A — attack of hay-fever = een leelijke aanval van hooikoorts.
Natal, neit’l, geboorte...: — day (hour); Natality = geboortecijfer.
Natal, natâl, Natal.
Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen; Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory = zwem...: — bladder = zwemblaas.
Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.
Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.
Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv. (verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.
National, našən’l, nationaal: — air (anthem) = volkslied; — debt = staatsschuld; — Ledger = Grootboek; — school = Church of England school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in Ierland = volkschool); —ism = vaderlandsliefde; program der Iersche nationale partij; —ist, aanhanger van die partij; Nationality = volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; —ize = nationaliseeren, naturaliseeren, onteigenen door den staat.
Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant); pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A — of Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent, Famous —s = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is — to the soil = daar geboren; — is a disparaging word for rustic; — country (land) = vaderland; — forest = oerwoud; — heat = natuurlijke warmte; — language = moedertaal; — oyster = gekweekte oester; — wit = natuurlijke gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen; Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van de) geboorte van Christus: He had his — cast = hij liet zijn horoscoop trekken.
Natolia, nətouljə, Anatolië.
Natron, neitr’n, natr’n, natron.
Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique: Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en aan haar was even fijn en keurig.
Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend, natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why was not he — in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als andere menschen? — death = natuurlijke dood; — history; — philosophy, — science = natuurkunde, natuurwetenschappen; — son; — selection = natuurlijke teeltkeus; —ism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst en kunst); —ist = natuurphilosoof, naturalist; —istic = naturalistisch, realistisch, natuurwetenschappelijk; —ization, subst. v. —ize = natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich laten naturaliseeren, inburgeren; —ly = natuurlijk, van nature; —ness = natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter: By — = van nature; From — = naar de natuur; In a state of — = in den natuurtoestand, naakt, zondig; In the — of = krachtens; In —’s garb = in Adamscostuum; He has gone the way of —, paid the debt of — = hij is den weg van alle vleesch gegaan; Good — = goedigheid; Ill — = boosaardigheid; —-worship = natuuraanbidding.
Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to — = geducht uitschelden; To come to — = mislukken; To set at — = in den wind slaan.
Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.
Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create — = misselijkheid teweeg brengen; —te, nôšeit, misselijk zijn, worden of maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. —ness.
Nautch, nôtš, Indische dans; —-girl = bajadère.
Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: —al almanac = zeemansalmanak; —al chart = zeekaart.
Nautilus, nôtilɐs, nautilus.
Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: — affairs; — architect = scheepsbouwmeester; — architecture; — battle (combat) = zeeslag; — cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt bevorderd); — college = marine instituut; — officers; — service; — station = marinestation; — term = scheepsterm.
Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).
Navel, neiv’l, navel; —-string = navelstreng; —-wort = waternavel.
Navicular, nəvikjulə, bootvormig: — bone = scheepvormig beentje uit den hand- of voetwortel.
Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar; subst. —ness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation, navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial — = luchtscheepvaart; Inland — = binnenvaart; Navigator, navigeitə, zeevaarder.
Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.
Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: — League = de Eng. vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the — = bij de marine; —-blue = marineblauw; —-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).
Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.
Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not only the navy, — the army was discouraged = ja zelfs; To say — = ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you — = niet bedanken; If I invite you I will have no — = mag je niet bedanken.
Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).
Naze, neiz, landtong, voorgebergte.
Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).
Neagh, nei: Loch —; Neale, nîl.
Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead — = doodtij; —-tide = laag water; —ed = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are —ed = het is doodtij.
Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.
Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk, getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht aan; — verb. naderen: — at hand = op handen; Far and — = wijd en zijd; — is my coat, but —er is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had a — chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik...; — escape = hachelijke ontsnapping; The — horse = het bijdehandsche of linksche paard; You are — the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna geraden; It was a — thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will go — to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem — so hard = niet half zoo moeielijk; —-sighted(ness) = bijziend(heid); —ly = bijna, na, innig: Not —ly (so) = op verre na niet; —ness = nabijheid, schraapzucht, etc.
Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig: Brandy — = klare cognac; A little — = een kleintje cognac pur; To put — = opredderen; —-handed = handig; subst. —ness = netheid, etc.
Neat, nît, rund: —’s hide; —’s leather.
Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.
Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; —r = nevelvlek - -, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.); Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. —ness; Nebuly = golvend; golvende lijn (Herald.).
Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen; subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life = levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken, noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst. —ness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft, noodstand: From sheer — = enkel uit nood; Of — = noodwendig; There is no — for = het is niet noodig; — is the mother of invention = de nood maakt vindingrijk; — has no law = nood breekt wet; To consult with (To make a virtue of) — = van den nood eene deugd maken; This will put me under a — of doing it myself = mij noodzaken.
Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal, landengte (= — of land): That has broken the — of him = dat heeft hem vernietigd, geknakt; To break the — of an affair = het moeilijkste van een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the — of your tidings = kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his — = bracht er net het leven af; I have got my — out of it = ik ben er van af, bevrijd; He has a stiff — = is een stijfkop; He has laid the guilt on my — = heeft mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the — of another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the — of a person = iemand den voet op den nek zetten; He won by a — = met eene halslengte; It was a —-and-— race = zeer harde strijd, was kamp; The horses ran —-and-— = bleven elkander prachtig bij; —-and-crop = volslagen, geheel: He chucked him, —-and-crop, out of the room = hij gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down —-and-heels = halsoverkop; Away they went, — or nothing (naught) = in dolle vaart; —-band = hemd- of halsboord; —-beef = halsstuk; —-chain = halsketting; —cloth = halsdoek; —erchief = halsdoek; —lace = halssnoer, halsband, strop; —-tie = dasje, colletje; —-verse = aanvangswoorden van Psalm 51, door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy deelachtig kon worden; —-wear = das, dasje, colletje; —ed = met een nek (in samenst. zooals: Stiff-—ed); —let = halssnoer.
Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende; Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži, sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.
Necromancer, nekrəmansə, toovenaar; Necromancy = zwarte- of tooverkunst; Necromantic of Necromantic = toover - -.
Necropolis, nikropəlis, doodenstad, begraafplaats; Necroscopic = de lijkschouwing betreffend; Necroscopy = lijkschouwing.
Necrose, nekrous, nekrous, door beeneter of koudvuur aangetast worden of zijn; Necrosis, nikrousis = beeneter, koudvuur.
Nectar, nektə, nectar; honigsap; —eal, —ean, nəktêriəl, —ən, —eous, nəktêriəs, nectarachtig, heerlijk als nectar; —iferous = honigsaphoudend; —ine, nektərin, soort v. West-Ind. pruim; —ous, nektərəs = —eous; —y, nektəri, honigkelk (v. eene bloem).
Ned(dy), ned(i) = Edward.
Neddy, nedi, ezel; ploertendooder.
Need, nîd, subst. nood, behoefte, ellende, nooddruft; — verb. behoeven, noodig hebben, noodig zijn: At the hour of —; In time of —; A friend in — is a friend in deed; He has — (stands in —) of a good scolding = moet eens hebben; There is no — for crying = ge behoeft niet; About as gay a thing as — be = als mogelijk is; If — be = zoo het noodig is; You — not do it = gij behoeft het niet te doen; He —ed to go there = moest er noodzakelijk naar toe; —ful = noodig, vereischt; ook subst.; We do the —ful with these bills to your credit; = wij brengen deze wissels op uw credit; —fulness = noodzakelijkheid; —iness = nooddruft, ellende; —less(ness) = noodeloos(heid); It is —less to discuss the point; —s = noodzakelijk, noodwendig, onvermijdelijk: He must —s go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; —y = behoeftig, armoedig.
Needle, nîd’l, subst. naald, magneetnaald, wijzer, spits, obelisk; ergernis, zenuwachtigheid; — verb. doorboren; prikkelen, ergeren; naaldvormige kristallen schieten: As sharp as a — = zeer slim; zoo scherp als een vlijm; Dip of the — = helling van de magneetnaald; To get, have the — = geprikkeld, zenuwachtig worden (zijn); —-book = naaldenboekje; —-case = naaldenkoker; —-furze = kattendoorn; —-gun = naaldgeweer; —-leaved trees = naaldboomen; —-point = punt, prik (fig.); —-woman = naaister; —-work = naaldwerk, naaiwerk, handwerken, borduurwerk (Fancy —-work = fraaie handwerken); —ful = een draad naaigaren.
Ne’er, nêə, verk. v. never: He is a —-do-good (—well) = hij is een onverbeterlijke deugniet.
Nefarious, nifêriəs, afschuwelijk, schandelijk: — practices, means; subst. —ness.
Negation, nigeiš’n, ontkenning; leegte; Negative, negətiv, ontkennend, negatief; subst. ontkenning, weigering, negatief (photogr.), negatieve pool; — verb. ontkennen, verwerpen, weerleggen: —-electricity; He answered in the — = ontkennend; I —d his arguments = ik bewees de onjuistheid van; To — a motion = verwerpen; Negatory = ontkennend.
Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; — verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in — = uit achteloosheid; He studied literature, to the — of his other work = met veronachtzaming van; To — one’s duty, an opportunity; —edness = verwaarloozing; —ful = achteloos, nalatig, onverschillig; subst. —fulness.
Negligée, negližî, ochtendjapon, négligé; negližei, halssnoer v. ongeslepen koralen.
Negligence, neglidžens, nalatigheid, verzuim, achteloosheid, geringschatting; adj. Negligent.
Negotiability, nigoušəbiliti, subst. v. Negotiable, nigoušəb’l, verhandelbaar; Negotiate, nigoušieit, handelen, verhandelen, onderhandelen, in omloop brengen, sluiten (v. leeningen); subst. Negotiation: To carry on (To enter into) —s with = onderhandelingen voeren (treden in); Negotiator = onderhandelaar; makelaar; Negotiatory = handelend, onderhandelend.
Negress, nîgrəs, negerin; Negrillo, nigrilou, dwergneger (Midden-Afrika); Negrito, nigrîtou, Negrito (op de Philippijnen); Negro, nîgrou, neger: — minstrels = (meest nagebootste) negerzangers; —-driver = blankofficier; —-head = pruimtabak in reepen geperst; —land = Afrika ten Z. van de Sahara; Negroid, nîgrôid, negerachtig.