Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 123
Taxer, taksə, zetter (v. de belastingen), vroeger ambtenaar aan de hoogeschool te Cambridge, die bij de uitdeeling, voor goede maat en juist gewicht zorgde.
Taxicab, taksikab, autotax (atax).
Taxidermist, taksidɐ̂mist, opzetter; Taxidermy = de kunst dieren op te zetten.
Taxin, taksin, harsachtige stof uit taxusbladeren; Taxus, taksəs, taxus.
Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; — verb. de tea gebruiken: Beef — = bouillon; Five o’clock —; High, Meat — = thee, souper met allerlei vleezen; Sweet — = thee met gebak, vruchten, sandwiches; Will you make (the) —? = thee zetten; To take — = drinken; —-board = theeblad; —-caddy = theekistje; —-cake = theekoekje; —-canister = theebus; —-chest = theekist; —-cloth = theekleedje; —-cosy = theemuts; —-cup = theekopje: The —-cup and saucer school in literature and art = de peuterige, burgerlijke methode in letteren en kunst; A storm in a —-cup, (—-pot) = een storm in een glas water; —-dealer = theehandelaar; —-equipage, ekwipidž, theeservies; —-fight = theevisite; —-garden = theetuin; —-gown = japon bij Afternoon Tea; —-kettle = theeketel; —-peg = koude thee met soda water (Br. Ind.); —-pot = trekpot; —-rose; —-service (—-set); —-shrub; —-spoon = theelepeltje; —-taster = theeproever; —-table; —-things = theegoed; —-towels = theedoeken; —-tray = theeblad; —-urn = theeurn; —-water.
Teach, tîtš, onderwijzen, leeren: I’ll — you manners = zal je mores leeren; To — a person wit = door schade en schande leeren; —able = wat te onderwijzen is, leerzaam; subst. —ableness; Teacher = onderwijzer: Assistant — = hulponderwijzer; Pupil — = kweekeling; —ship = onderwijzers- of leeraarsbetrekking; The teaching profession = de onderwijzers (als corps).
Teague, tîg, Ier (spottend) = —lander.
Teak, tîk, teakhout = —-wood.
Teal, tîl, wintertaling.
Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf personen (cricket of voetbal); —-work = veldarbeid door trekvee (Amer.); —ster = voerman; —wise = als een span.
Tear, tîə, subst. traan: Her —s started unbidden = schoten haar in de oogen; The —s trickled down her cheeks = biggelden langs; To be all in —s (= To be drowned in —s) = in tranen baden; He burst into —s = barstte in schreien uit; To draw —s from = ontlokken; To shed —s = storten; —-drop = traan; —-stained = beschreid; —ful = tranen stortend, treurig.
Tear, têə, subst. scheur, spleet; — verb. scheuren, trekken, losrukken, openrijten, tieren, vliegen: The donkey ran away full — = ging ervan door; To be on a — = aan den rol zijn; The wear and — of the engine = de slijtage; He tore his hair and clothes = rukte zijne haren uit en verscheurde zijne kleederen; He could not — himself away from his wife = kon zich niet losrukken; The flesh was torn from the bones = gescheurd van; All at once the children came —ing in = binnenstormen; He tore through the pages = vloog er doorheen; Don’t — it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The cloth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went up and down, —ing and swearing = tierend en vloekend; To be in a —ing passion = woest zijn; A —ing old Tory = vurige, felle.
Tease, tîz, subst. plager, plaaggeest; — verb. plagen, sarren, kwellen, kaarden: What a — you are = wat ben je een plaaggeest; —r = plager, lastig geval: That’s a —r = daar zitten we mee verlegen.
Teat, tît, tepel, uier.
Teazel, Teazle, tîz’l, weverskaarde (plant).
Tebeth, tîbeth, tebeth, tiende maand van het godsdienstige jaar der Joden.
Tec, tek, samentr. van Detective.
Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid; adj. —(al) = technisch: —al education = vakonderwijs; —al classes = cursussen voor vakonderwijs; —al instruction act = wet op het vakonderwijs; —ality, —alness = technische eigenaardigheid of uitdrukking; —s = techniek; Technique, teknîk, de techniek of methode eens kunstenaars; Technological, teknəlodžik’l, technologisch; Technology, teknolədži, technologie.
Techy, tetši, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt.
Tectrices, tektrisîz, dekveeren.
Ted, ted, keeren (van gemaaid gras); Tedder = machine om het pas gemaaide gras te keeren.
Teddy, tedi: — Bear = beertje (kinderspeelgoed).
Te Deum, tîdîəm, Te-Deum.
Tedious, tîdjəs, vervelend, saai, verdrietig, lastig; subst. —ness = Tedium, tîdj’m.
Tee, tî, doel, aardhoopje, vanwaar de bal geslagen wordt bij het Golfspel; doel waarnaar quoits of curling-stones worden geworpen; — verb. den bal daar van af slaan.
Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol zijn, overvloed hebben van: This part of the country —s with gold = bevat veel goud.
Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her — = beneden twintig (maar minstens twaalf); Out of her — = boven de negentien; Since his middle — = sedert zijn 14de, 15de jaar.
Teeter, tîtə, wippen (Am.).
Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; — verb. (tîdh) = tanden krijgen: From one’s — = niet van harte; In the — of the westerly gale = vlak tegen in; He did it in the — of opposition = trots allen tegenstand; In the — of the doctor’s prohibition = geheel in tegen; He cast those reproaches in my — = wierp mij voor de voeten; He escaped by the skin of his — = ontsnapte ternauwernood (Job. XIX, 30); —-drawing (fig.) = bellen moeren; —ing, tîdhiŋ, het tanden krijgen.
Teetotal, tîtout’l, onthoudend: — drinks = alcoholvrije; —ism = geheelonthouding; —ler = geheelonthouder.
Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a —.
Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj. Tegumentary.
Tehee, tîhî, subst. gegichel; — verb. gichelen; interj. hihi.
Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.
Teil, tîl, lindeboom (= —-tree).
Teind, tînd = Tithe (Schotl.).
Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.
Teledu, telədû, Javaansche bunzing.
Telegram, teləgram, telegram; adj. —mic; Telegraph, teləgraf, subst. telegraaf; — verb. telegrafeeren, seinen: —-cable; —-operator = —er, təlegrəfə, teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik, telegrafisch: — address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist, teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi, telegraphie.
Telemachus, təleməkɐs.
Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology, teliolədži, tîliolədži, teleologie.
Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding and the various other forms of — hide and seek; Telepathy, təlepəthi, teləpathi, telepathie.
Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst. telephoon; — verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch; Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony, təlefəni, teləfouni, telephonie.
Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van langwerpige spiraalschelp; — verb. in elkander schuiven, zooals een telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, —d into a dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were —d (into each other) = werden in elkander geschoven; —-table = uittrektafeltje; Telescopic(al), teləskojpik(’l), telescopisch, in- en uitschuifbaar.
Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.
Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen, optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I can — = ik kan je verzekeren; Who can —? = wie weet; Never — me = maak me niet wijs; Can you — the clock yet? = kun je al op de klok kijken; I had my fortune told by an old gipsy = liet me waarzeggen; Don’t — stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told = was raak; He never preached “I told you so” = hij zanikte nooit van “Dat heb ik je wel gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen; That —s against you = pleit tegen je; You can — this wine from vinegar only by the label = slechts onderscheiden van; It is difficult to — good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden; That —s for something = dat is lang niet mis, telt mee; You can — them off by hundreds = aanwijzen bij honderden; One of the clerks was always told off to sleep in the house = werd aangewezen; I shall — the priests on you = u verklappen aan; The heavy work has told on his constitution = zijn gestel aangegrepen; His troubles have told on him = hem erg aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To — out = uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit hielp (bij hem); —-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan; adj. babbelziek, lasterend, verraderlijk; They are —able on the fingers = die kan je op de vingers tellen; —er = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; harde slag. Zie Telling.
Tellina, təlainə, platschelpen.
Telling, teliŋ: With — effect = met goed gevolg, krachtige uitwerking; A — phrase = kernachtig; A — speech = een rede, die pakt; That’s —(s) = dat mag ik niet zeggen.
Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric = tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm, tellurium (Chemie).
Telotype, telətaip, druktelegraaf.
Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj. behoorende tot —age, telfəridž, vervoer door electriciteit; —-line = electr. kabelspoorlijn.
Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.
Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed, prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); — verb. matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal, Even — = gelijkmatig humeur; Hot — = drift; The — of the nation = stemming; Your friend is not a good (is a horrid) — = heeft geen gemakkelijk (een vreeselijk) humeur; He kept his — better than we had supposed = bleef bedaarder; He lost his — = raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld; He was in a black — = verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a — you are in! = hè, wat ben jij knorrig; You must keep him in — = hem in zijn humeur houden; He was out of — this morning = uit zijn humeur; Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid, gematigdheid, onthouding: —-bar = koffiehuis voor onthouders; —-meeting; —-society = matigheids- of afschaffersgenootschap; Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd: — zone = gematigde luchtstreek; subst. —ness; Temperature, tempərətjə, temperatuur: To take one’s — = opnemen; Tempered: Good-, Ill-—; Even-— = van gelijkmatig humeur; Quick-— = opvliegend; A sweet-— girl = zacht.
Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: —-beaten = door de stormen gebeukt; —-tossed = door de stormen geslingerd; Tempestuous, tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. —ness.
Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist: Order of “Good —s” = vereeniging tot het verleenen van wederzijdschen steun bij ouderdom, etc.
Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-—, Middle-— (Londensche colleges voor opleiding van juristen).
Templet, templət, schabloon, vormhout.
Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).
Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -: — bone = slaapbeen; — Lords = wereldlijke, ter onderscheiding v. geestelijke, pairs van Engeland; Temporality = tijdelijk of wereldlijk bezit; Temporalities = temporaliën, inkomsten der geestelijken uit land, tienden, enz.; Temporariness, subst. v. Temporary = tijdelijk, niet duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar de omstandigheden schikken, den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd te winnen: —r = iemand die met de wolven meehuilt, de huik naar den wind hangt, etc.
Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); —-bread = brood van fijngebuild meel.
Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He —ed me into giving up my plan = verlokte mij; —able = te verlokken; Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead into —; He yielded to — = bezweek voor; Tempter = verleider: The — = de duivel; Tempting = verleidelijk; subst. —ness; Temptress = verleidster.
Ten, ten, tien: There were — of them = They were — = ze waren met hun tienen; The — Tribes = tien stammen Israëls; Nine in — = negen van de tien; — to one = tien tegen een; —fold = tienvoudig; —-pin = kegel: —-pin alley = kegelbaan (Amer.); —-spot = een tien (kaartspel); He made many —-strikes = gooide dikwijls alle tien; —-seater = fiets voor tien; —ner = bankbiljet van 10 £; —th = tiende (deel).
Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar, verdedigbaar: The scholarship is — for one year = de beurs geldt voor; subst. —ness.
Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste kaart) in handen van den vierden speler (Whist); —-minor = kleine “fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).
Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He has got a — memory = sterk geheugen; He is — of whatever he gets = houdt vast; To be — of life = taai zijn; —ness = Tenacity, tənasiti, vasthoudendheid, kleverigheid, getrouwheid.
Tenail(le), təneil, tangwerk ter dekking v. een courtine (Vestingb.); Tenaillon, təneiljon, klein tangwerk.
Tenancy, ten’nsi, subst. huur, pacht; Tenant, subst. huurder, pachter, bewoner; — verb. in pacht of huur hebben, bewonen: — at will = opzegbare huurder; — for life; — in capite, — in chief = huurder direct van de kroon; — in tail = houder van een pachthoeve, die bij versterf op bepaalde erfgenamen (in pacht) overgaat; —able = geschikt om ge- of verhuurd te worden, bewoonbaar; subst. —ableness; —less = onverhuurd, leeg; Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders.
Tench, tenš, muithond, zeelt.
Tend, tend, bewaken, verzorgen, letten op, denken om; strekken, streven, zich richten; bijdragen, om het anker zwaaien: That way instruction ought to — = dien kant moet het onderwijs uit; Tendency = strekking, neiging, aanleg voor.
Tender, tendə, aanbod, offerte, inschrijving; betaalmiddel (Legal —); — verb. aanbieden, inschrijven: He made a — of his friendship, services = bood aan; Private — = onderhandsche inschrijving; To let by public — = publiek uitbesteden; To — cordial thanks = hartelijk dank zeggen; To — for the dredging of a harbour = inschrijven op; To — and contract for = aannemen (v. een werk).
Tender, tendə, teeder, zwak, zacht, malsch, teergevoelig, vriendelijk, zorgvuldig; — verb. zacht maken, hoogschatten: At a — age = op jeugdigen leeftijd; The — passion(s) = de liefde; He was still — of her, though she had betrayed him = hij hield nog van haar; —-foot = gevoelige voet; nieuweling (Australië); —-hearted = teergevoelig; subst. —-heartedness; —-loin = filet; —-minded = teerhartig; —ling = vertroetelde lieveling; een van de eerste hoorns van een hert; —ness = teederheid, vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of).
Tender, tendə, tender (v. een locomotief), (sleep)bootje, oppasser.
Tendon, tend’n, pees: — of Achilles.
Tendril, tendril, rank (van klimplanten).
Tenebrae, tenəbrî, donkere metten, die op Woensd., Donderd. en Vrijdag van de week vóór Paschen tegen den avond gezongen worden; Tenebrosity = duisternis; Tenebrous = duister.
Tenement, tenəment, woning, huis, stel vertrekken door één gezin bewoond, pachthoeve; —-house = huis, dat bij gedeelten aan verschillende gezinnen verhuurd wordt; —al, tenəment’l, verpacht of verhuurbaar, huur ... = —ary, tenəmentəri.
Tenerife, tenərif.
Tenet, tenət, leerstuk, beginsel.
Tennessee, tenəsî.
Tennis, tenis, tennis; —-ball; —-court = tennisbaan; —-net; —-racket.
Tennyson, tenis’n.
Tenon, tenən, subst. pen, pin, tap, neut ter verbinding; — verb. met een tenon verbinden.
Tenor, tenə, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, wezen, afschrift, tenor, altviool: The — of this man’s life = de richting van zijn leven; The — of this work = bedoeling of hoofdgedachte: The even — of the session was never ruffled = de gelijkmatige gang.
Tense, tens, tijd (gramm.).
Tense, tens, streng. strak, gespannen; subst. —ness; Tensibility = rekbaarheid; adj. Tensible; Tensile, tens(a)il, rekbaar, spannings - -: — force = spankracht; Tension, tenš’n, spanning, gespannenheid, spankracht, groote inspanning; Tensive, spannend; Tensor, tensə, spanspier.
Tent, tent, subst. tent, kap, overtrek, wiek (om eene wond open te houden), donkerroode Spaansche wijn; — verb. van tenten voorzien, tenten opslaan, onder tenten wonen; sondeeren, peilen of openhouden van eene wond; —-bed = ledikant met hemel; —-cloth; —-maker = tentenmaker; —-pin; —-pole; —-rope.
Tentacle, tentək’l, zuig- of tastorgaan; Tentacular, tentakjulə, zuig ..., tast ...; Tentaculate(d), tentakjulit(-eitid), van zuigorganen voorzien.
Tentative, tentətiv, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend, beproevend.
Tenter, tentə, subst. spanraam, spanhaak, voeldraad; — verb. opspannen, rekken: To be on the —(s) = op heete kolen zitten; To keep on the —(s) = in angstige spanning houden; —-ground = plaats voor het stellen van spanramen; —-hook = spanhaak: We are on (the) —-hooks = on the tenter(s).
Tenuifolius, tenjuifouljəs, met fijne en smalle bladen; Tenuity, tənjûiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuəs, dun, ijl, fijn, klein.
Tenure, tenjə, eigendomsrecht, leendiensten, bezit: — of life = levenstijd; — of office = diensttijd.
Tepefaction, tepifakš’n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen, lauw worden; Tepid, tepid, lauw; subst. Tepidity = —ness.
Teraph, terəf (mv. Teraphim), huisgod der oude Israëlieten.
Terce, tɐ̂s, ± 190,830 L. (wijn, brandewijn, azijn, olie, etc.) ook ± 158,963 L.; ± 137,892 of ± 152,407 K.G. (vleesch voor schepen); —-major = de drie hoogste kaarten.
Tercel(et), tɐ̂səl(et), mannetjesvalk.
Tercentenary, tɐ̂sentənəri, subst. en adj. driehonderdjarige (gedenkdag).
Tercet, tɐ̂set, drieregelig gedichtje.
Terebinth, terəbinth, terpentijnboom: Oil of — = terpentijnolie; Terebinthine, terəbinthin, terpentijn ....
Teredine, terədin, Teredo, tərîdou, paalworm.
Tergiversate, tɐ̂dživəseit, uitvluchten zoeken, draaien; Tergiversation, draaierij, uitvlucht, afvalligheid.
Term, tɐ̂m, subst. grens, beperking, termijn, vervaldag, betaaldag, collegetijd, berechtingstijd, lid, uitdrukking, bewoording (In plain —s); —s = voorwaarden, condities, honorarium, prijs, schoolgeld; stonden (med.); — verb. noemen, benoemen, uitdrukken: A naval — = zeemansuitdrukking; To bring to —s = tot toegeven noodzaken; Couldn’t you come to —s? = het eens worden; Why don’t you express yourself in more definite —s = niet juister; I got on —s with him = kwam op goeden voet; They married on equal —s = in gemeenschap van goederen; To be on even —s = gelijk staan; To be on good —s = goed met elkaar; They are on intimate —s, —s of intimacy = zeer intiem met elkaar, op intiemen voet; To be on poor —s = niet al te best met elkaar; What are your —s? = wat vraagt u daarvoor? — of life (of a person’s natural life) = levensduur; — of office = diensttijd; — of payment = betalingstermijn.
Termagant, tɐ̂məg’nt, subst. helleveeg; adj. kijfachtig.
Terminable, tɐ̂minəb’l, begrensbaar; subst. —ableness; Terminal, subst. einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend: — station = kopstation; Terminate, tɐ̂minit, begrensd, beperkt; — verb. tɐ̂mineit, begrenzen, eindigen, een einde maken aan: I shall soon be —d with you = tusschen ons beiden zal het gauw uit zijn; Termination = grens, einde, begrenzing: To draw to a — = ten einde loopen; —inative = begrenzend, uitsluitend; Terminology, terminologie; Terminus = grenssteen, eindstation.
Termite, tɐ̂mait, witte mier.
Ternary, tɐ̂nəri, subst. drietal, groep van drie; adj. van of bij drieën, drietallig.
Terpsichore, tɐ̂pksikərî, Terpsichore; —an, tɐ̂psikərîən, dans —.
Terra, terə, de aarde: — del Fuego, terədelfjûgou, Vuurland; — alba = pijpaarde; —-cotta = terracotta; — firma = vaste grond; — incognita = onbekend land.
Terrace, teris, subst. terras, plat dak; — verb. tot terrassen vormen.
Terrapin, terəpin, moerasschildpad (Amer.).
Terraqueous, təreikwiəs, tərakwiəs, uit land en water bestaande.
Terrestrial, tərestriəl, ondermaansch, aard—, land—; subst. aardbewoner: — animal; — globe.
Terret, terət, de ring waar doorheen de leidsels worden gestoken.
Terrible, terib’l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal; subst. —ness.
Terrier, teriə, terrier.
Terrific, tərifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai, doen verschrikken, schokken: I was terrified to death = schrikte me dood.
Territorial, teritôriəl, territoriaal; subst. soldaat behoorende bij het — Army (— Force) i e. een corps van vrijwilligers, dat in 1908 de oude Volunteers verving; —ize = vergrooten; tot een territory maken (Amer.); Territoried, teritərid, land in eigendom hebbende; Territory, teritəri, gebied, (ook fig.), landstreek, bereik; gebied met minder dan 60.000 inwoners en zonder vertegenwoordiging in het Congres (Amer.).
Terror, terə, schrik, ontsteltenis: The King of —s = de Dood; The Reign of — = het Schrikbewind; I am struck with —, —-struck, —-stricken = van schrik verpletterd; —ism = schrikbewind; —ist = lid van het schrikbewind, terrorist; Terrorize, terəraiz, schrik aanjagen, door schrik dwingen.
Terry, teri, soort van pluche; —-velvet = soort katoenfluweel.
Terse, tɐ̂s, beknopt, kort en bondig; subst. —ness.
Tertian, tɐ̂š’n, derdedaagsch: — fever; Tertiary, tɐ̂šəri, tertiair: — epoch, formation.
Tertullian, tɐ̂tɐlj’n, Tertulianus.
Terza-rima, tɐ̂tsə-rîmə, tercine; Terzetto, ter-tsətou, terzet (muz.).
Tessellar, tesələ, geruit; Tesselated, tesəleitid, geruit, als mozaïek; Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tessera, tesərə, klein kubusje van marmer, etc. voor mozaïekwerk; Tesseral = Tessellar.
Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoek, proef, reagens, oordeel, kroes tot zuiveren van metaal; — verb. toetsen, beproeven, keuren, onderzoeken, attesteeren: Crucial — = vuurproef (fig.); That’s a fair — = een geschikte opgaaf (bij een examen, b.v.); To apply a severe — to = aan een streng onderzoek onderwerpen; To put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; — Act = Eng. wet van 1678–1828, die voor ambtenaren een eed voorschreef waarbij ze betuigden niet Katholiek te zijn; State —ed unadulterated liquor = van rijkswege gekeurde, onvervalschte sterke drank; —-paper = lakmoespapier; —-tube = reageerbuisje; —-types = letters om de gezichtsscherpte te keuren; —able = wat geattesteerd kan worden, in staat een testament te maken of getuigenis af te leggen; —er = toetser. Zie Tester.
Testacea, testeišə, schelpdieren; —n, subst. schelpdier; adj. tot de schelpdieren behoorende; Testaceous, testeišəs, schaal - -; bruingeel: — animals = schaaldieren.
Testament, testəment, testament, verbond: New —; Old —; —al, —ary, testəment’l, testəmentəri, testamenteel; Testamur, təsteimə, testimonium; Testate, testit, subst. die een testament gemaakt heeft; adj. een testament nalatend: To die —; Testator, testeitə, Testatrix, testeitriks, erflater, erflaatster.
Tester, testə, oude shilling (onder Henry VIII); vierkante ledikantshemel, plat klankbord (kansel): —-bed = met een hemel. Zie Test.
Testicle, testik’l, zaadbal; Testiculate, təstikjulit, Testicular, təstikjulə, gelijk een bal.
Testification, testifikeiš’n, getuigenis; Testifier = getuige; Testify, testifai, plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: I shall never — against you = tegen u getuigen; He testified to my good conduct = hij gaf getuige van.
Testimonial, testimounj’l, subst. getuigschrift, verklaring, attestatie, hulde, huldeblijk; ook adj.: — dinner = feestmaaltijd ter eere van; — letter; Testimony, testiməni, getuigenis, betuiging, openbaring, Gods woord: In — whereof = ten bewijze waarvan; To bear — = getuigenis afleggen; To call in — = tot getuige roepen.
Testiness, testinəs, subst. v. Testy, testi, eigenzinnig, knorrig, gemelijk, prikkelbaar.
Tetchiness, tetšinəs, subst. van Tetchy = knorrig, gemelijk.