Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 140
Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.
Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.
Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive — = woest maken; She got — = werd “woest”, boos; To go — over = dwepen met; To feel — = woest zijn (fig.); Our flowers have run — = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk — = overdrijven; — beast; — boar = everzwijn; — look; — project = dol, avontuurlijk; — mare = nachtmerrie; wip: They were riding the — mare = aan het wippen; — oats (Zie Oats); The —est rubbish = de grootste onzin; —-born = in wilden staat geboren; —cat = wilde kat; —cat bank = zwendelfirma; —cat speculation = onsoliede, dolle speculatie; —cat train = trein buiten de dienstregeling; —catter = iemand die grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); —-fire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like —-fire = als een vuurtje; —-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); —-fowling = het jagen op —-fowls; —-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig, dwaas: A —-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; —erness, wildənəs, wildernis, woestenij; —ing, subst. in ’t wild groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; —ness = wildheid.
Wilde, waild.
Wile, wail, slimme streek of zet, list.
Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig; subst. —ness.
Wilhelmina, wilhelmînə.
Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.
Wilk, wilk = Whelk.
Wilkes, wilks.
Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; — verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: You may change it at — = naar welgevallen; To have all things at — = alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s — = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free — = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a — = met lust en ijver; With good — = met goeden wil; She would have her — = haar zin; He had a — of his own = was eigenzinnig; To make one’s — = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s — = zijn wil doorzetten; Good— = welwillendheid, klandizie: Good— to man = in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) — = is mij welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He — get angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys — be boys = jongens zijn jongens; He — have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; — he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; The Lord —s me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin —s the estate to his sister = vermaakt; You are free to — your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te vermaken; —-power = wilskracht; You are a self-—ed character = eigenzinnig, koppig. Zie Willing.
Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.
Willing, wiliŋ: I am — = ik ben bereid, wil wel; God — = indien God het wil; — or not — = — or unwilling = hij mag willen of niet; —ness = gewilligheid, genegenheid.
Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.
Willoughby, wiləbi.
Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the — = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the — = cricketen; —-garland = wilgenkrans; —-tree = wilgenboom; —-warbler = —-wren = fitis, hofzanger; —ed = vol wilgen, met wilgen beplant; —y = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.
Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.
Willy, wili, Wim.
Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.
Wilton, wilt’n: — carpet, soort. v. pluche of velours tapijt; Wiltshire, wiltšə.
Wily, waili, sluw, slim.
Wimble, wimb’l, subst. drilboor; — verb. boren, drillen.
Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.
Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; — verb. met een kap bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = gerimpelde golven.
Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; — verb. winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: — her and wear her = win haar en koester haar; Who —s loses = qui perd gagne; He could not — the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To — one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .... = kreeg me zoover; —ner = winner; —ning = bekoorlijk, innemend (—s = winst): To have a —ning way with a person = zich bemind maken bij; —ning-post = eindpaal (bij wedrennen).
Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He —d from the very thought of death = ijsde bij; He —d under the blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.
Winch, winš, subst. haspel, lier; — verb. ophijschen met een lier.
Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: — rifle = soort geweer.
Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid, blaasinstrument; — verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-—s = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the — in the prelude = het fijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; —s and strings = blaasen strijkinstrumenten; The four —s = streken van het kompas; Short — = korte adem; Sound of — and limb = gezond van lijf en leden; Before the — = vóór; Close to the — = scherp bij den wind; Down the — = vóór, met den wind mee; Everything here is going down the — = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the teeth of the — (= in the —’s eye) = vlak in den wind; There is something in the — = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in the — = lucht van iets hebben; He was three sheets in the — = aangeschoten; Near the — = scherp bij: To sail near the — = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the — as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the —s = te vergeefs; To throw to the —s = zich niet bekommeren om; He sails with the — = hij waait met alle winden; With the — aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain how the — blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the — in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break — = een boer laten; The horse carries (the) — = draagt zijn kop (neus) hoog; To change the — = van koers veranderen; He got his second — = kwam op adem; I got — of it = kreeg er lucht van; The affair got — = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the — of you = ik ben je de baas; To raise the — = geld los krijgen; I will take the — out of his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between — and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; — and weather permitting = wind en weder dienende; Trade —s (= Trades) = passaatwinden; —bag = windzak, bluffer, praatjesmaker; —bag sleeves = pofmouwen; —bound = door tegenwind opgehouden; —-break = heining of hek om den wind te breken; —-broken = dampig (= Broken-—ed); —-dropsy = trommelzucht (Med.); —-egg = windei; —fall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; —fallen = door den wind afgewaaid; —-flower = gentiaan, paarsche anemoon; —-furnace = windoven; —-gall = gezwel onder aan de pooten van een paard; —-gauge = windmeter; —-gun = windroer; —-guard = vóórruit (van auto); —-hatch = mijnschacht waaruit het erts naar boven wordt gebracht; —-instrument = blaas- of windinstrument; —mill = windmolen: You are tilting at —mills = vecht tegen windmolens; —pipe = luchtpijp; —-rode = door den wind tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); —-row = zwad gras of een hoop turf (om te drogen); — verb. in regels leggen; —-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); —-side = windzijde; —-tight = ondoordringbaar voor den wind; —age = luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; —ed: achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-—ed = van langen adem; Short-—ed = kortademig; —less = zonder wind of adem, glad, vlak; —ward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To —ward = te loever; I have laid my anchor to the —ward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to) the —ward of him = hem de loef afgestoken; —iness, subst. v. —y = winderig, wind... (— side), opgeblazen.
Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To — a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn geblazen; To — a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To — up a letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; — (up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een failliet zijn; —-up = likwidatie: —-up sale = finale uitverkoop; —ing-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; —er, subst. wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.
Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.
Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend, kronkelend, krom, draai...: —-engine = kraan; —-horn = waldhoorn; —-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); —-staircase = —-stairs = wenteltrap; —-tackle = hijschtakel.
Windlass, windləs, lier, gangspil; — verb. opwinden met een lier of gangspil.
Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.
Window, windou, venster, loket; Have you got French —s or sash-—s in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in the — at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the —s = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got out at the — = en ging weg door het raam; He looked out at the — = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the — = hij keek uit het raam naar buiten; —-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = —-curtain = gordijn; —-cleaning company = glazenwasscherij; —-dresser = étaleur; —-dressing; —-duty = belasting op vensters; —-frame = vensterkozijn; —-glass = vensterglas; —-pane = ruit; —-sash = het op- en neergaande deel van een raam; —-seat = vensterbank; —-slot = venstergleuf; —-tapper = porder; —-tax = belasting op de vensters; —ed = met (veel) vensters.
Windsor, winzə, stad: —-chair = met hoogen rug; —-soap = soort toiletzeep.
Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still — = niet parelende wijn; Sparkling —s = parelende wijnen; — and water = grog van wijn; Spirit of — = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this — = te verdunnen; He never mixes his —s = drinkt nooit door elkaar; Good — needs no bush = behoeft geen krans; When — is in, wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the — is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; —-bag = wijnzak; —-bibber = pimpelaar; —-bin = wijnkist; —-biscuit = wijnbeschuitje; —-bottle; —-cask = wijnvat; —-cellar = wijnkelder; —-cooler = koelvat (voor wijnen); —-decanter = karaf; —-glass = wijnglas; —-grower = wijnbouwer; —-growing; —-lees = wijnmoer; —-merchant = wijnkooper; —-press = wijnpers; —-shop = wijnhuis; —-skin = wijnzak; —-stone = wijnsteen; —-vault = groote wijnkelder; —-vaults = proeflokaal; —-vinegar = wijnazijn.
Winfred, winfred, Winfried.
Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet, molenwiek; — verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen, doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen): Swallows on the — = vliegende zwaluwen; We are on the — = aan den arbeid; The general was on the left — = aan den linker vleugel; She went there under the —(s) of her mother = onder moeders vleugels; We went there upon the —s of the wind = op de vleugelen des winds; The bird beat its —s against its prison = sloeg met; To clip a person’s —s = iemand kortwieken; His soul has taken — = is (het lichaam) ontvloden; They took — = gingen aan den haal; The angel —ed his flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can — the ruffian = onschadelijk kan maken; —-case = vleugelschild; —-shell = vleugelhoren; —-shot = schot op een vliegenden vogel; —-stroke = vleugelslag; —ed = ge- of bevleugeld, vlug: —ed words = gevleugelde woorden; —less = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; —let = vleugeltje.
Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; — verb. knipoogen, wenken: I did not get a — of sleep last night, I never slept a — = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a — to a person = To tip a person the — = een wenk geven; I will just take forty —s = ga even dutten; He —ed at my shortcomings = zag door de vingers; —-a-peep = guichelheil; —er = wimper, oog, oogklep; It was done like —ey, like —ing = zeer snel en flink.
Winkle, wiŋk’l, alikruik.
Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).
Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.
Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; —er; Winnowing: —-basket (-machine, -sieve).
Winslow, winzlou.
Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; — verb. overwinteren, de winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven), overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of —, in the depth of — = in het hartje van den winter; — apple = winterappel; — barley = wintergerst; — citron = soort v. winterpeer; — cough = chronische bronchitis; — crop = winteroogst, wintervrucht; — moth = wintervlinder; — pear = winterpeer; — quarters = winterkwartieren; They went into — quarters = betrokken de winterkwartieren; — solstice = winterzonnestilstand; — suit = winterpak; —-garden = wintertuin; —green = wintergroen; —-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken; —-kill = door strenge koude dooden (Amer.); —-service = winterdienst; —-time = wintertijd; —-weather = winterweer; —ly = wintersch, winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.
Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.
Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); — verb. vegen, afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a — = afvegen; He gave me a — = gaf me een lik; I —d his eye = stak hem de loef af; To — one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be —d away as we — writing from a slate; Everything was —d off = afgeveegd, weggevaagd; To — off a score = een rekening vereffenen; To — out = het levenslicht uitblazen; He was —d (out) of his watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; — it out = veeg of wisch het uit; I have —d up the floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; —r = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth (—-clout) = doek.
Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; — verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He replied by — = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the —s = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a — = telegram; That boy seems to be all on —s = kan niet stil zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has —d away (in) = is met kracht aan den arbeid gegaan; — back, please = antwoord per draad verzocht; —-blind = horretje; —-bridge = hangbrug; —-brush; —draw = trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; —drawer = draadtrekker; —drawing (fig.) = zaniken; —-edge = draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); —-entanglement = draadversperring; —-grate = chassinet; —-gauze = fijn metaalgaas; —-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant; —-pulling = geheime invloed, intrige(s); —-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (— station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His — chin = zijn scherpe, puntige kin; I am rather —, and can stand a good deal of fatigue = ik ben nogal taai.
Wisconsin, wiskonsin.
Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; —-tooth = verstandskies: Has he cut his —-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.
Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam: The three — men of the East = de Wijzen uit het Oosten; — woman = waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be — after the event = wie wist, die won; Why, man, take it, who is the —r? = wie weet er wat van, wordt er wat van gewaar; A word to the — is enough = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig, —acre, waizeikə, waanwijze, wijsneus; —-hearted = wijs, bekwaam; —ness = Wisdom.
Wise, waiz, wijze: In any — = op de een of andere manier; In no — = op geenerlei manier, geenszins; On this — = op deze manier.
Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; — verb. wenschen, verlangen, hopen: To give a person his — = iemands wensch vervullen; To have one’s — = zijn wensch vervuld krijgen; I — he may do it = ik wou dat ....; I — you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I — you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To — a person at the devil (Jericho); I —ed for your return = verlangde naar; I —ed him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; —(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a —(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); —ing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede); —er; —ful = wenschend, verlangend, smachtend: To be —ful of; subst. —fulness.
Wishart, wišət.
Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap, onbeduidend, sentimenteel.
Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; — verb. afvegen: A — of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; — of hair; adj. —y.
Wist, wist, oud imperf. van to wit.
Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen; subst. —ness.
Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.
Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.
Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid, grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To — = namelijk, te weten: Mother — = natuurlijk gezond verstand; Ready — = gevatheid; He is at his —’s end, at his —s’ end = ten einde raad; Are you in your —s? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his —s = is de kluts kwijt, gek; He has all his —s about him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s —s again = weer tot bezinning komen; To drive a person out of his —s = dol maken; You have frightened them out of their —s = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s —s only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen; That will set your —s to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your —s = gebruik uw verstand; —less = dom, onverstandig, dwaas; subst. —lessness; —ted: Dull-—ed, Quick-—ted = suf, scherpzinnig; —tingly = voorbedachtelijk.
Witch, witš, subst. heks; — verb. beheksen, betooveren: He is no — = geen heksenmeester; —craft = —ery; —-elm = bergiep; —-hazel = hamamelis; —-meal = groote wolfsklauw; —ery = betoovering, bekorting.
Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de Angel-Saksers).
With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind — fear; Frantic — despair = gek van wanhoop; Stiff — cold; Thirsty — walking; I have no power — him = invloed op hem; One year — another = het eene jaar door het andere; I am — you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij, bovendien, verder.
Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen, inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn steun; He —drew from business = trad uit; —al = terugroeping, terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; —er; —ing: —ing-room = Drawing-room; —ment = —al; —n, p.p. van Withdraw.
Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.
Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig (guur) en lekker; —ed = verdord, uitgedroogd; —ing = vernietigend (fig.).
Wither, widhə: —-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het opstijgen zich vast grijpt; —-wrung = aan de schoft bezeerd of geschaafd; Withers = schoft van een paard: The — are wrung = de schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung — = de gevoelige snaar aanroeren; My — are unwrung = ik ben van alle werk ontslagen, vrij.
Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden, onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem geweigerd; —er; —ment = onthouding, etc.
Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te buiten gaande: His room is — mine = men komt in zijne kamer door de mijne; — call = te beroepen; — doors = binnenshuis; — my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; — a mile of = nog geen mijl; It is not — my power = in mijne macht; — my price = in mijn prijs; — a month’s time = binnen eene maand; The deer was — range = onder schot; — sight; He was — a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s — = wie is daar? To live — one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren heeft; To think — oneself = by zich zelf.
Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig, vrij, beroofd van, onafhankelijk van: — day = zonder een dag te bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; — doors = buitenshuis; — funds in hand = zonder dekking; — one’s reach = buiten bereik; The station is — the town = buiten de stad; I can get ready — you = zonder u; I can do — it = ik kan het missen, heb het niet noodig.
Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.
Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; —er = tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.
Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.
Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.
Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular —); — verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In — whereof = ten bewijze waarvan; — for the crown, for the prosecution = getuige à charge; — for the defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear — to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to — = tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English educationist does not leave himself without — = laat zich niet onbetuigd; I took him to — = nam hem tot getuige; You have been romping, — your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent storm I ever —ed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever — such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were —ed = door getuigen gestaafd; —-box = getuigenbank.
Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty = geestig, scherp, snedig.
Witwal, witwôl, groene specht.
Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is the most —d man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.
Wiveliscombe, wilsk’m.
Wivern, waivən; Zie Wyvern.
Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.
Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; — verb. verwelken, verschrompelen; —-faced = met verschrompeld gelaat.
Woad, woud, weede (plant); —ed = met weede, blauw gekleurd.