Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 88
Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf, stad, dorp, betrekking, rang, stand; — verb. plaatsen, op intrest zetten, (geld) beleggen (ook: to — out), schatten, de eerste, tweede of derde plaats toekennen (bij wedrennen), aanstellen: In — = op de juiste plaats; In the first — = ten eerste; In his — = in zijn plaats; In — of = in plaats van; The right man in the right — = de rechte man op de rechte plaats; To be out of — = buiten betrekking; To be badly (entirely) out of — = totaal misplaatst; To be all over the — = aan de orde van den dag zijn; I do not wish to change my — = ik wensch geene andere betrekking; Shall we change —s = van plaats verwisselen; He filled his — to everybody’s satisfaction = nam zijne betrekking waar; To give — to = vervangen worden door; Censure began to give — to curiosity = begon te wijken voor; He has long since gone to his — = is ten grave gedaald; To know one’s — = weten waar men moet staan (ook fig.); To put in his — = op zijn nummer zetten; To take — = plaats hebben; To take —s = plaatsen bespreken; —-hunter = baantjesjager; —man = iemand, die door zijne partij aan een baantje geholpen wordt; —-name = plaatsnaam.
Placenta, pləsentə, moederkoek; adj. —l.
Placer, pleisə, plasə, goudbevattend terrein, goudmijn (ook fig.).
Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; subst. —ity, pləsiditi = —ness.
Placket, plakət, split v. een vrouwenrok (= —-hole); rok, schort, vrouw.
Plagiarism, pleidžiərizm, letterdieverij; Plagiarist, pleidžiərist, letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen.
Plague, pleig, subst. pest, plaag, ramp, straf; — verb. met de pest besmetten, met eenige ramp bezoeken; kwellen, plagen: (A) — on his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen; You little — = kleine rakker! —-spot (—-token) = pestbuil, schandvlek; Plaguy, pleigi, pest - -, besmettelijk, vervelend, lastig, ondragelijk, veel, zeer.
Plaice, pleis, schol; platvisch.
Plaid, plad, pleid, subst. geruite wollen omslagdoek in Schotland; reisdeken; adj. Schotsch.
Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder, duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk; — verb. klagen, beklagen; uitleggen: In — clothes = in burgerkleeren; A — face = alledaagsch, niet mooi; In — terms = ronduit; That’s the — truth = dat is de zuivere waarheid; Sausage and — = worst met gekookte aardappelen; He put it very — = drukte zich zeer duidelijk uit; — cooking = burgerpot; —-dealer = oprecht en eerlijk man; —-dealing = oprechtheid, rondheid; —-song = koraalgezang; —-speaking = openhartigheid, oprechtheid; —-spoken = openhartig, rond; —-work = nuttige handwerken; —ness = vlakheid, etc.
Plaint, pleint, weeklacht, klaaglied; aanklacht; Plaintiff = (aan)klager, eischer; Plaintive = jammerend, klagend, droevig; subst. —ness.
Plaister, plâstə, pleistə; Zie Plaster.
Plait, pleit, subst. platte vouw, plooi; vlecht; bonbon, borstplaat; — verb. vouwen, plooien, vlechten: She carefully removes my —s (= valsche vlechten of valsch haar) and gingerly applies the comb to what is left on my head.
Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode; — verb. een plan maken, schetsen, ontwerpen, beoogen: — of campaign = krijgsplan; On an entirely new — = volgens eene geheel nieuwe methode; The — fell away (through) = viel in duigen; I have changed my —s = ik ben van plan veranderd; They were always —ning and plotting = aan het plannen maken en samenzweren; —less; —ner.
Planchet, planšət, muntplaatje.
Plane, plein, vlak, effen; subst. vlakte, vlak, oppervlak, basis, sfeer, trap, gebied; schaaf; plataan (= —-tree); — verb. effenen, schaven: — chart = kaart naar Mercators projectie; — geometry = vlakke meetkunde; — sailing = zeilen op een gelijkgradige kaart; eenvoudige zaak; —-table = planchet (in graden verdeeld instrument voor het landmeten); —-tree = plataanboom; —r = schaver; schaaf.
Planet, planət, planeet; —-struck, —-stricken = door den invloed van planeten getroffen, als verlamd; —-wheel = planeetrad; —arium, planətêriəm, planetarium; —ary = veroorzaakt door planeten; planeet...; —oid, planətôid, asteroid.
Plangent, planž’nt, luid klotsend.
Planimetric(al), pleinimetrik(’l), planimetrik(’l), planimetrisch; Planimetry, plənimətri, pleinimətri, vlakke meetkunde.
Planing, pleiniŋ: — bench = schaafbank; —-machine = schaafmachine.
Planish, planiš, planeeren, glad schaven, polijsten, pletten; —er.
Planisphere, planisfîə, planisfeer.
Plank, plaŋk, subst. plank; beginsel van een politiek programma; — verb. met planken beleggen of bedekken; neerleggen (gooien) = To — down (Amer.); The pirates made their captives walk the — = spoelden hun gevangenen de voeten; A —ed way = plankier.
Plano, pleinou: —-concave = planconcaaf; —-conical = planconisch; —-convex = planconvex.
Plant, plânt, subst. plant, gewas; al het materiaal voor een bepaalden arbeid; bedriegerij, zwendel; — verb. planten, vestigen, neerzetten, zaaien: Railway — = al het materiaal voor een spoorweg; I am sure he has some — on = dat hij iets in het schild voert; —ing his right foot with some force on the ground = neerzettende; To — oneself four square = zich schrap zetten; —-cane = suikerriet van het eerste jaar; —-marker = naambordje (bij plant.); —er; —ing-ground = (kunstmatige) oesterbank; —let = plantje.
Plantain, plantən, weegbree; pisang.
Plantation, planteiš’n, aanplanting, beplanting, plantage, nederzetting.
Plantigrade, plantigreid, op de zolen loopend; zoolganger.
Plap, plap, kletteren (v. water).
Plaque, plâk, geëmailleerd of beschilderd bord van aardewerk of metaal; ster van eene orde, schijf; Plaquette, pləket, plaquette.
Plash, plaš, subst. tak (in eene heg) met andere takken dooreengevlochten; geklots, geplas, plas; — verb. dooreenvlechten van takken; plassen, sprenkelen; —y, plaši, drassig; gespikkeld.
Plasma, plazmə, plasma; een soort van groen kwarts; Plasmatic(al) = vorm of gedaante gevend; plasma-achtig.
Plaster, plâstə, subst. pleister(werk), gips, cement; pleister; — verb. bepleisteren, berapen, besmeren: Calcined — = — of Paris = gebrande gips; — bust = buste van gips; — image = gipsen beeldje; — image maker; Adhesive (Sticking) — = hechtpleister; Blistering (Cantharides, Vesicating) — = trekpleister; Court — (Isinglass —) = Engelsche pleister; He was —ed all over = als bedekt met pleisters of pappen; —er = stucadoor.
Plastic, plastik, plastisch, beeldend, vormend, vormbaar: — art = de beeldende kunst; — clay = pottebakkersaarde; —ity, pləstisiti, plasticiteit, vormbaarheid.
Plastron, plastr’n, borstharnas, borst- of stootlap (voor schermers), borststuk, borst in kleedingstuk; plastron.
Plat, plat, subst. lapje grond, plan, vlecht, vlechtstroo (= —ting); — verb. een plattegrond maken van, vlechten; —band = rabat (bloembed), bovenstijl van venster of deur.
Platan, plat’n, —e, platein, plataan.
Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren schotels of andere voorwerpen (als prijzen), tafelzilver, schaal, gang, etc.; harnas; — verb. met zilver of goud bedekken, pantseren, pletten; —-armour = pantserplaten; —-basket = afhaalmandje; —-fleet = (de Spaansche) zilvervloot; —-glass = spiegelglas; —-iron = plaatijzer; —-layer = legger van spoorstaven; —-mark = keur; —-rack = rek voor borden en schotels; —-warmer.
Plateau, plətou, hoogvlakte, tafelland.
Platen, plat’n, degel (boekdr.).
Platform, platföm, verhoogde vloer, tribune, terras, balkon (van tram), perron, politiek programma of pol. redevoeringen; bedding van een stuk geschut.
Platina, platinə, plətînə, Platinum, platinɐm, plətînəm, platina: — crucible; —-wire; adj. Platinic; Platiniferous = platina opleverend.
Platitude, platitjûd, platheid, onbeduidendheid, oppervlakkigheid: He is endlessly prolix and platitudinous = en vol gemeenplaatsen.
Plato, pleitou, Plato; —nic, plətonik, platonisch: — love (= Platonics); — year = platonisch jaar (ongeveer 26,000 jaren); —nism = wijsbegeerte van P.; —nist = volgeling van Plato.
Platoon, plətûn, peleton: In (By) —s; — firing.
Platter, platə, houten bord, groote platte schotel.
Plaudit, plôdit, toejuiching; —ory = toejuichend.
Plausibility, plôzibiliti, subst. v. Plausible, plôzib’l, plausibel, aannemelijk, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde tong; subst. —ness.
Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; — verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good as a — = onbetaalbaar; — of colours = kleurenspel; A — on (upon) words = woordspeling; To leave off boys’ — = de kinderschoenen uittrekken; Let him have fair — = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal mogelijk; That is not fair — = niet eerlijk; To give full (free) — = vrij spel laten; A child at — = spelend; His pen was in full — = hij gebruikte zijne pen ter dege; The waterworks were in full — = aan ’t springen; I am in — = aan stoot (bilj.); He called into — all his influence = hij liet al zijn invloed gelden; You must try to hold (keep) them in — = aan den gang te houden; To put into — = in beweging brengen; You must — or pay = ge moet doorspelen of alles verbeuren (“hangen of verzuipen”); To — fair, foul = eerlijk, oneerlijk; You — me false = bedriegt mij; He —s fast and loose with his money = hij gooit zijn geld weg; He —s fast and loose = hij is grillig, wispelturig; To — boats (horses, school, soldiers) = scheepjezeilen, paardje spelen, etc.; To — (at) cards (chess, dice); To — the deuce (devil) with = beetnemen, erg te pakken nemen, ondermijnen; To — a fish = laten uitspartelen; To — the fool (with) = zich mal aanstellen (malle streken uithalen met); To — the game = eerlijk of flink handelen; He —s a capital knife and fork = kan geducht eten, eet kolossaal; To — a prominent part = een hoofdrol spelen; He has —ed (the) truant = hij is stil uit school (van zijn werk) weggebleven; They —ed first at blindman’s buff and then at keeping house = ze speelden eerst blindemannetje en toen huismoedertje; Two can — at this = dàt kan ik ook; We will not — for money but for love = niet om geld, maar om de eer (voor ons plezier); I only — for safety = op goed af (bilj.); To — into each other’s hands = elkaar den bal toekaatsen (fig.); He —ed off that trick on me = hij bakte mij die poets; To — off one against the other = tegen elkaar uitspelen; He has many talents, but he —s them off = loopt er mee te koop; To — on words = woordspelingen maken; They —ed out their dinner = betaalden het diner met hun spelen; —ed out = op, verbruikt, uitgeput; The musicians must — up = beginnen, opspelen; They did not — up to me = zij speelden niet in mijn kaart; You — upon me = gij bedriegt mij; I —ed with his follies as an angler —s the fish at the end of his line = ik speelde met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitspartelen; —-acting = tooneelspelen; —-actor = tooneelspeler; —bill = affiche, programma; —-book = tekstboekje; —-day = speeldag; vacantiedag; —-debt = speelschuld; —fellow = speelmakker; —goer = geregeld theaterbezoeker; —ground = speelplaats; —house = theater; —mate = speelkameraad; —thing = stuk speelgoed; —wright = schrijver van tooneelstukken = —-writer; —er = speler; —ful = speelsch, schalksch; subst. —fulness.
Plea, plî, pleit, pleidooi, excuus, verweer, dringend verzoek: Court of Common —s = vroeger gerechtshof, thans onder The Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; On (Under) the — that = onder voorwendsel; To urge the — of necessity = op de noodzakelijkheid wijzen.
Pleach, plîtš: —ed walk = berceau.
Plead, plîd, pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor of tegen bijbrengen, voorgeven, aanvoeren, verontschuldigen: To — for a person, To — a person’s cause = iemands zaak bepleiten; He —ed ignorance, innocence, guilty = hij gaf voor dat hij er niets van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende; —able = wat aangevoerd kan worden; —er: Special —er = sophistisch verdediger; Special —ing = het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal (in tegenstelling met het weerleggen van het door de tegenpartij aangevoerde), draaierij; —ings = protocollen, processen-verbaal, processtukken.
Pleasance, plez’ns, vermaak, vroolijkheid; lusthof; Pleasant, plez’nt, aangenaam, prettig, vroolijk; subst. —ness; —ry, plez’ntri, vroolijkheid, scherts, grapje.
Please, plîz, behagen, genot verschaffen, believen: He was —d to say so = het behaagde hem; Are you not yet —d! = hebt ge nog niet genoeg? He was —d at hearing of my success = was verheugd te hooren; —d with = ingenomen met; — come in = Will you — to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan; As you — = naar u verkiest; As —d as Punch = dolblij; If you — = alstublieft; ook: met permissie, note bene; —, don’t say so = zeg dàt nu niet; — acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; Pleasing, subst. het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: — ways = innemende manier van doen; subst. —ness = innemendheid.
Pleasurable, pležərəb’l, aangenaam, subst. —ness; Pleasure, pležə, subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus, begeerte; — verb. zich vermaken: I am at your — = ik hang af van uw welbehagen; At — = naar goedvinden; It is a — to me to do it = het is mij een genot; The — is ours = het genoegen is aan ons; To take — in = behagen scheppen in; Use your — = doe wat gij niet laten kunt; I’ll wait his good — = wachten tot het hem behagen zal; —-boat = pleizierboot; —-ground = park, uitspanningstuin; —-train = pleiziertrein (Amer.); —-trip = pleiziertochtje; To go (out) a-pleasuring = pret gaan maken.
Pleat, plît; Zie Plait.
Plebeian, plibîən, subst. plebejer; adj. plebejisch, plat, gemeen; —ism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid; Plebeii, plibîai, plebejers.
Plebiscite, plebis(a)it, plebisît, plebisci(e)t; Plebs, plebz, plebs.
Pledge, pledž, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van iemands gezondheid, liefdepand; — verb. verpanden, als onderpand geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: He has redeemed his — = zijn pand ingelost, zijne belofte gehouden of gestand gedaan; To take the — = afschaffer worden; To hold in — = in pand houden; To put in — = verpanden; He —d me in return = deed mij bescheid; I — my word on it = verpand er mijn woord onder; They have —d themselves too deeply to recant = zich te zeer en te plechtig verbonden; I have —d myself to you on behalf of my brother = ben bij u borg gebleven; Pledgee, pledžî = pandnemer; Pledger.
Pledget, pledžət, plok, plukselverband.
Pleiades, plîədîz, het zevengesternte.
Plenary, plînəri, plenəri, volkomen, geheel: — absolution, — indulgence = volle absolutie, aflaat; — meeting = plenum, voltallige vergadering; — power = volmacht.
Plenipotentiary, plenipətenšəri, plînipətenšəri, subst. en adj. gevolmachtigd(e).
Plenitude, plenitjûd, volheid, volkomenheid.
Plenteous, plentjəs, overvloedig, in groot aantal; subst. —ness; Plentiful = overvloedig: Apples were — and rare this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels; subst. —ness; Plenty, plenti, subst. overvloed; adj. en adv. overvloedig: He has — of money = veel geld; You will be in — of time (have — of time) = hebt meer dan tijd; Horn of — = hoorn des overvloeds.
Pleonasm, plîənazm, pleonasme; Pleonastic = overtollig.
Plesiosaurus, plîziəsôrəs, fossiele zeehagedis.
Plethora, plethərə, volbloedigheid, overvloed; adj. Plethoric, pləthorik, plethərik.
Pleura, plûrə, borstvlies; —l = borstvlies..; Pleurisy, plûrisi, borstvliesontsteking, pleuris = Pleuritis, pluraitis.
Pliability, plaiəbiliti, subst. v. Pliable, plaiəb’l, buigzaam, lenig, volgzaam; subst. —ness = Pliancy, plaiənsi; Pliant, plaiənt, buigzaam, smijdig, gedwee.
Plicate(d), plaikit(id), gevouwen, geplooid; Plication = platte vouw.
Pliers, plaiəz, vouw- of buigtang.
Plight, plait, subst. belofte; toestand, geval; — verb. verpanden, beloven: In good (a sorry) — = er goed (slecht) aan toe; He —ed his faith = gaf zijn eerewoord; They had —ed their troth to each other = hadden elkander trouw beloofd.
Plimsoll, plimsol: —’s mark = wettig voorgeschreven lastlijn.
Plinth, plinth, plint, onderste gedeelte van den zuilsokkel.
Pliny, plini, Plinius.
Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: To — at one’s books = vossen; —der.
Plop, plop, plonsen; interj. plomp, klets: To fall — into the water.
Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop; stuk gronds, platte grond; — verb. samenzweren, plannen smeden; ontwerpen, traceeren: A complicated — = ingewikkelde intrige; Secondary, Sub—; They laid (wove) a — = zij smeedden eene samenzwering; Grass — = grasveld; To — a line = een spoorlijn traceeren; To — against = een samenzwering smeden tegen; To — down (out) = ontwerpen; —ter = plannenteekenaar, samenzweerder; Plotting-scale = verkleinde schaal.
Plough, plau, subst. ploeg, holle schaaf; — verb, ploegen, groeven: You must put your hand to the — = de hand aan den ploeg slaan; To — a lonely furrow = alleen staan; To — the sands = nutteloos werk doen; To — in = onderploegen; To — up = omploegen; He was —ed = hij zakte voor het examen; —boy = ploeger, arbeider; kinkel; —-handle = staart; He had a —-handle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug; —land = bouwland, geploegd land; —man = ploeger, boer; — Monday = Maandag na Driekoningen (6 Jan.); —-share = ploegijzer, kouter; —-tail = ploegstaart; —ing-machine; —ing-match.
Plover, plɐvə, pluvier.
Pluck, plɐk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur, korf (bij examen); — verb. (kaal) plukken, rukken, afwijzen: He has no end of — = hij heeft veel “durf”; He is a —ed one = heeft durf; The best —ed man I ever saw = kranigste; I have a crow to — with you = een appeltje met u te schillen; To — a pigeon = een suffer plukken (bij ’t spel); To — up courage, spirit = moed vatten, bijeenrapen; He was (got) —ed = hij is gezakt; —y; You are a —y little fellow = een dapper ventje.
Plug, plɐg, subst. plug, prop, pin; — verb. dichtstoppen, plombeeren: — of a pump = zuiger van eene pomp; — of tobacco = prop tabak; She thinks that I am going to be —ged = neergeschoten zal worden (Amer.); —-basin = fonteintje; —-hat = hooge “dop”.
Plum, plɐm, pruim, rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin, beste deel, goed zaakje; —-cake = rozijnentaart; —-loaf = rozijnenbrood; —-pudding = rozijnenpudding; —-tree = pruimenboom.
Plumage, plûmidž, gevederte.
Plumb, plɐm, subst. schietlood; adj. loodrecht, degelijk, eerlijk; adv. pardoes; — verb. loodrecht zetten, polsen, peilen: Out of — = uit het lood; She —ed their depths of misery = peilde; —-line = schiet- of loodlijn; ook verb.; —-rule = waterpas; —er, plɐmə, loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and —ers of Europe = en groote lui (Amer.) van Europa; —ery = artikelen van loodwerk, loodgieterij, het loodgieten; —ic, plɐmbik, loodhoudend; —iferous, plɐmbifərɐs, lood opleverend; —ing, plɐmiŋ, het werken in lood, looden pijpen.
Plumbago, plɐmbeigou, graphiet.
Plume, plûm, subst. veer, pluim, eereteeken, lauwer; — verb. de veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken, plunderen: The swan —d itself = streek zijne veeren glad; He —d himself on his liberality = liet zich voorstaan op; —less; —let = pluimpje; Plumiped, plûmiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan de pooten.
Plummet, plɐmət, dieplood, peillood.
Plummy, plɐmi, voortreffelijk.
Plumose, plumous, plûmous, vederachtig, gevederd; Plumosity, plumositi, gevederdheid.
Plump, plɐmp, subst. klomp; adj. mollig, dik, grof; — verb. dik worden, opzwellen, neerploffen, uitflappen (out), alles op één paard zetten; stemmen op één candidaat (in plaats van op alle personen op wie men stemmen mag) = To — one’s vote = To — for a candidate; adv. plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg: — in the pocket = met vollen buidel; To come — upon = overvallen; Say it out — = vooruit! zeg op! —er = pruim tabak, valsche buste; stem aan slechts één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten; brutale leugen; —ly = rond, botweg, platweg; —ness; —y = dik, mollig, glad.
Plumy, plûmi, gevederd.
Plunder, plɐndə, subst. plundering, buit, roof, bagage en huisraad van een landverhuizer (Amer.), winst; — verb, plunderen, rooven; —age = verduistering aan boord; —er.
Plunge, plɐnž, subst. indompeling, doop (door onderdompeling), achteruitslaan van een paard, hooge en roekelooze weddenschap of speculatie, plotseling en opzienbarend bericht, afgrond, draaikolk, klem (fig.); — verb. (onder)dompelen, plonzen, springen, doopen, achteruit slaan, steil afhellen, zwaar en roekeloos wedden, geld uitgeven: To make the — = den beslissenden stap doen, op den slechten weg geraken; To take a — = duiken, storten; The — of the Pall Mall Gazette about Mr. Gladstone’s retirement = opzienbarend bericht omtrent het aftreden van den minister G.; By —s = bij rukken; He —d awfully = speelde, speculeerde hoog; To — after a person = achterna springen; I have —d a bit in trifles = heb wat geld in kleinigheden gestoken; The ship —d on her way = zette stampend zijne reis voort; —d in thought = in gedachten verzonken; —r = dolleman, dolle speculant of wedder; zuiger (v. perspomp); —rs = zware cavalerie; Plunging = van boven naar onderen gericht: —-fire.
Pluperfect, plûpɐ̂fəkt, plupɐ̂fəkt, voltooid verleden (tijd).
Plural, plûr’l, subst. en adj. meervoudig (woord); —ism = meervoudigheid; het gelijktijdig bezitten van meer dan één living; —ist = geestelijke, die te gelijkertijd meer dan één living heeft; —ity, pluraliti, getal van twee of meer, meerderheid; —ize = meervoudig maken.
Plus, plɐs, plus(teeken) = +.
Plush, plɐš, pluche: —-velvet = zijden pluche; —-velveteen = wollen pluche; —y.
Plutarch, plûtâk.
Pluto, plûtou, Pluto; Plutocracy, geldheerschappij(aristocratie); adj. Plutocratic; Plutonian = Plutonic = tot Pluto of de onderwereld behoorende, door vuur ontstaan: —nic theory, of —nism = de theorie der Plutonists, die beweren, dat de gesteenten door de werking van het vuur zijn ontstaan; Plutus, plûtəs.
Pluvial, plûvjəl, vochtig, regenachtig, regen - -; Pluviameter, Pluviometer = regenmeter; Pluviose, plûvious, vijfde maand van het republik. jaar (20 Jan.–19 Febr.); Pluvious, plûvjəs, vochtig, regenachtig.
Ply, plai, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin, aanleg; — verb. zich toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden, aandringen, gedurig lastig vallen, geregeld varen of zeilen, laveeren, omzien naar: He took a — from his tutor = plooide zich naar de inzichten van; To — the bottle = geducht aanspreken; The spider plied its nimble legs = bewoog vlug, snel; To — the oars = krachtig roeien; She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; To — a trade = uitoefenen; Many steamers — between Holland and America = varen; They plied him with drink = maakten hem dronken; They so plied him with smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = overlaadden hem; To — with questions = overstelpen met; —er.
Plymouth, pliməth: — Brethren = eene Calvinistische broedergemeente, opgericht tusschen 1820–35 te Dublin en Plymouth; —ism.
Pneumatic(al), njumatik(’l), lucht-, gasachtig, met lucht gevuld, door luchtdruk bewogen: — dispatch = luchtdrukpost; — pump = luchtpomp; — tyres = luchtbanden; —s = pneumatica.
Pneumonia, njumounjə, longontsteking; Pneumonic, njumonik, long - - -; subst. middel voor de longen.
Poach, poutš, stroopen (ook fig.); door veel loopen modderig of moerassig maken, (zijn, worden), gepelde eieren bakken in boter, of breken in kokend water; —er = strooper; —y = drassig, moerassig.
Po(a)chard, po(u)tšəd, poukəd, tafeleend.
Pock, pok, pok; —-mark, —-pit = pokteeken; —-marked, —-pitted, —-fretten = van de pokken geschonden, pokdalig = —y.