Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 46

Chapter 463,156 wordsPublic domain

Fox, foks, subst. vos, sluwe kwant; — verb. zuren (bij ’t gisten), rood of zuur worden, begluren, voorwenden, veinzen, kapen, stelen, voorschoenen aanzetten (Amer.); —-brush = vossestaart; —-chase (—-hunt) = vossenjacht; —-earth = vossenhol; —-evil = kaalheid; —-glove of Folks’-glove = vingerhoedskruid; —-grape = Amerikaansche wijnstok; —-hound = hond voor vossenjacht; —-tail = vossestaart; —-trap = vossenval; —-trot = sukkeldraf (van een paard); —ed, fokst, verkleurd, gevlekt; met gestikt bovenleer versierd (Amer.); —ing, subst. bovenleder; adj. verkleurend; —like; —y = sluw, rossig.

Fracas, freikəs, lawaai, ruzie.

Frack, frak, gretig, vaardig, krachtig.

Fracted, fraktid, gebroken; Fraction, frakš’n, breking (vooral met geweld), gebroken getal, breuk, brok; het breken van het brood bij het H. Avondmaal; —al, frakšən’l, tot eene breuk behoorend, gebroken, klein, nietig: —al certificate = scrip certificaat; Fracture, fraktšə, breuk (met geweld), gebroken deel; — verb. breken: Simple — = eenvoudige been- of armbreuk; Compound — = gecomplic. breuk (beschadiging v. het weefsel).

Fractious, frakšəs, twistziek, kribbig; subst. —ness.

Fragile, fradžil, broos, zwak, teer; —ness = Fragility, frədžiliti, broosheid, zwakheid.

Fragment, fragm’nt, brokstuk; —al, frəgment’l, —ary, fragm’ntəri, uit brokken bestaande, zonder verband.

Fragrance, —cy, freigr’ns(i), geur, welriekendheid; Fragrant, freigr’nt, geurig, welriekend.

Frail, freil, subst. bies (voor manden), biezenmandje of mat (voor vijgen of rozijnen).

Frail, freil, bros, broos, teer, besluiteloos, onvast, zwak, zondig: The — sex; —ness = —ty = zwakheid, broosheid.

Fraise, freiz, subst. frees, halskraag, stormpaal (onder een hoek van 45°); spekpannekoek; drukte; — verb. fraiseeren, met stormpalen beschermen: The battalion was —d = het bataljon stond met gevelde bajonet.

Frame, freim, subst. samenstel, lichaamsgestel, steiger, geraamte, lijst, raam, borduurraam, broeiraam (—bak), etc., gemoedsgesteldheid, gietvorm; — verb. bouwen, samenvoegen, regelen, ordenen, vormen, overlèggen, omlijsten, in elkander zetten: Out of — = in wanorde; His — of mind = gemoedsstemming; Who —d that story = bedacht; —-bridge = brug op jukken; —-building = —-house = houten huis; —-timbers = inhouten van een schip; —work = geraamte, lijstwerk, kader, omlijsting, inrichting.

France, frâns, Frankrijk: Isle of — = Mauritius; The Franco-German war.

Frances, fransəs, Francisca; Francis, fransis, Franciscus, Frans.

Franchise, franš(a)iz, subst. voorrecht, recht, vrijplaats, vrijmoedigheid, edelmoedigheid, stemrecht (= Elective —); — verb. vrijdom verleenen.

Franciscan, fr’nsisk’n, subst. Franciskaner (grijze) monnik; adj. Franciskaansch.

Franconia, fraŋkouniə, Frankenland; —n = Frankisch; Frank.

Frangible, franžib’l, licht breekbaar; bros; Frangibility = broosheid.

Frangipane, franžipein, amandelgebak: — gloves = geparfumeerde.

Frank, fraŋk, openhartig, oprecht, vrij; subst. Frank, franc, brief vrij van port; — verb. zonder vracht of port verzenden (door “Dienst” of “O. H. M. S.” en de handteekening van den verzender); —ing (of letters); —ish = Frankisch; —ly = ronduit; —ness = openhartigheid.

Frankincense, fraŋkinsens, soort v. geurige hars, wierook.

Frantic(al), frantik(’l), dol, krankzinnig, woest, razend; subst. —ness.

Frap, frap, spannen (van eene trom); sjorren.

Fraternal, frətɐ̂n’l, broederlijk; Fraternity, frətɐ̂niti, broederschap; Fraternization, fratənizeiš’n, freitən(a)izeiš’n = verbroedering; Fraternize, fratənaiz, freitənaiz, vertrouwelijk en vriendschappelijk omgaan; Fratricide, fratrisaid, broedermoord(er).

Fraud, frôd, bedrog, bedrieger, list; —ulence, —ulency = bedriegelijkheid, bedriegerij, bedrog; —ulent, frôdjulent, bedriegend, bedriegelijk.

Fraught, frôt, beladen, geladen, overvloedig: — with sorrow = vol smart, van smart overstelpt.

Fray, frei, subst. strijd, gekrakeel, twist, rafel, kale plek (in laken, b.v.); — verb. verslijten, rafelen, afslijten door wrijven (van horens van een jong hert): —ed ropes = uitgerafelde touwen.

Freak, frîk, subst. gril, kuur; — verb. bont maken, streepen of stippels trekken: — of nature = wangedrocht.

Freckle, frek’l, subst. (zomer)sproet, vlekje; — verb. met sproeten bedekken of teekenen; —-faced = met sproeten in ’t gezicht = —d; subst. —dness; Freckly = —d.

Fred, fred, verk. v. Frederick, fredərik, Frederik.

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; — verb. bevrijden, verlossen, uithoozen, lens pompen: —-and-easy, ongedwongen; subst. gezellige familiare bijeenkomst; You are — to jump my claim = moogt gerust ... negeeren; Wine was — to all takers = ieder, die wou, kon vrijelijk wijn drinken; He is — of the goldsmiths’ company = hij is lid van het goudsmidsgilde; You are as — of the house as anybody = gij kunt even vrij het huis binnen gaan als ieder; I am — to admit that = ik erken dit gaarne; To get — = vrij komen; To go — = met gevierde schooten zeilen; He was made — of the City = hem werd het eereburgerschap der City aangeboden; They made — with his wine = dronken ongegeneerd; He did not offer to — me = mij van mijn woord te ontslaan; This ticket will — you over every line of the country = met dit kaartje kunt ge voor niets langs elke spoorlijn in het land reizen; —-bench = weduwengoed; —booter = vrijbuiter; — chase = vrije jacht; — church = kerk zonder Staatscontrole of met vrije zitplaatsen; de in 1843 afgescheiden Schotsche kerk; —-city = vrije Rijksstad; —-fighter = guerilla soldaat, franc-tireur; — grace = Vrije Genade; —-hand = uit de vrije hand; —-handed = edelmoedig, mild, royaal; —-hearted = openhartig, weldadig; —hold, subst. grondbezittingen, waarover men vrijelijk testamentair mag beschikken = —hold estate in land; —-holder = bezitter van een freehold; —-lance = krijgsknecht; “wilde” (Parl.); —-list = lijst van hen, die vrijkaarten krijgen (hebben); —-liver = smulpaap, iemand die groot leeft; — love = vrije liefde; —man = vrije, stemgerechtigd burger, lid van een City Company; —-mason = vrijmetselaar; —-masonry, masonry = vrijmetselarij; —-minded = met onbekommerd gemoed; —-pass = vrijbiljet; —-port = vrijhaven; —-school = kostelooze school; He wanted — and open sittings in church = wenschte, dat ieder vrijelijk de onbezette plaatsen zou mogen innemen; His talents had — space to work = konden zich vrij ontplooien; —-spoken = vrijmoedig; —-stone = zandsteen, arduin; —-states = die Staten van de Unie, waar reeds voor den burgeroorlog geene slavernij meer bestond; —-talk and knowing innuendos = familiare gesprekken en slimme wenkjes; —-thinker = vrijdenker; —-trade = vrijhandel; —-trader = voorstander van vrijhandel; —-wheel; —-will = vrije wil; adj. (meest frîwil) vrijwillig; — wind = gunstige wind; —dman = vrijgemaakte lijfeigene; —dom = vrijheid, vrijdom, al te groote vrijheid, gemakkelijkheid: I shall take the liberty to speak with —dom = ik zal zoo vrij zijn ronduit te spreken; He was offered the —dom of that town = hem werd het eereburgerschap van die stad aangeboden; —r = bevrijder.

Freeze, frîz, subst. vorst, het vriezen; — verb. vriezen, bevriezen, stollen: To — out = wegkijken; To — to = hangen aan, dol zijn op; To — up = koel en strak worden (Amer.); Freezing-point = vriespunt.

Freight, freit, subst. vrachtprijs, goederentrein, vracht of lading (Amer.); — verb. laden, bevrachten: We have sent the trunk by slow — = als vrachtgoed; —-train (Amer.) = goederentrein; —-waggon = goederenwagen; —age = vrachtprijs, vracht; —er = bevrachter; —less = zonder vracht.

French, frenš, subst. en adj. Fransch(e taal), Fransch(e volk): What is the — for William = wat is Willem in het Fransch? Guillaume is — for William; —-bean = snijboon; —-chalk = kleermakerskrijt; —-curve = teekenmal; —-horn = waldhoorn; To take — leave = met de noorderzon vertrekken; —man = Franschman; —-polish, subst. wrijfwas; — verb. frenšpoliš, politoeren; een vernisje geven (fig.); —-roll = broodje; —-window = openslaande glazen deur; —woman = française; —ify, frenšifai, verfranschen; —like = op zijn Fransch; —y = Fransoos.

Frenzy, frenzi, subst. waanzin; — verb. waanzinnig maken.

Frequency, frîkw’nsi, herhaald voorkomen, herhaling; Frequent, frîkw’nt, gedurig, herhaald; subst. —ness.

Frequent, frikwent, dikwijls bezoeken, omgaan met; subst. Frequentation; —ative, frikwentətiv, subst. en adj. frequentatief (werkwoord).

Fresco, freskou, subst. waterverfschildering op versche kalk; — verb. schilderen op die wijze.

Fresh, freš, frisch, versch, verfrischt, zoet, ongezouten, nieuw, onervaren; subst. riviertje of stroompje bij de zee, overstrooming, zoetwaterstroom, die een eind in zee doorloopt, dooi weder: As — as a daisy, As — as paint = zoo frisch als eene roos, als een hoen; We shall have to gather — way = wij zullen wat moeten opstoomen, wat meer spoed moeten bijzetten; —-blown = pas ontloken; —-fish = nieuweling; —man = groen, nieuweling; —-run = in den tijd van het kuitschieten de rivieren opkomen; —-water = zoet water; —en = opfrisschen, verfrisschen, verlevendigen, ontzouten of ontpekelen, aanwakkeren, kracht krijgen; —es, frešiz: het brakke water aan de monding van rivieren; —et = overstrooming (door zwaren regen of het smelten van sneeuw); —ness = frischheid, etc.

Fret, fret, subst. het in- of wegvreten, zweer, gisting, kwelling, schaving (van de huid), lijstwerk, ornamentwerk; — verb. wegvreten, invreten, afwrijven, schoonwrijven, aantasten, beschadigen, kwetsen; kwellen, beroeren, gemelijk zijn, kniezen; versieren (m. snijwerk), beitelen of beeldhouwen, van toetsen voorzien, tokkelen; —-saw = figuurzaag; —-work = snijwerk, netwerk; —ful = gemelijk, knorrig, gerimpeld; subst. —fulness; Pock —ten, fret’n, van de pokken geschonden; —ty, met snijwerk versierd.

Freya, fraiə, eene Godin.

Friability, fraiəbiliti, brokkeligheid, brosheid; Friable, fraiəb’l, bros, brokkelig; subst. —ness.

Friar, fraiə, frater, broeder, monnik; plaatsen in een proef waar de inkt niet geraakt heeft; —’s-balsam = monniksbalsem; —’s-lantern = dwaallicht; —y = klooster.

Fribble, frib’l, subst. beuzelaar, beuzelarij; adj. beuzelachtig; — verb. beuzelen; —r = beuzelaar.

Fricassee, frikəsî, subst. fricassee, schotel v. gehakt vleesch met pikante saus; — verb. eene fricassee maken.

Fricative, frikətiv, subst. schuringsgeluid; adj. schurend.

Friction, frikš’n, subst. wrijving, kleine oneenigheid; adj. wrijvend; —-match = lucifer; —-wheel = wiel, dat door wrijving in beweging brengt of gebracht wordt; —al-electricity = wrijvingselectriciteit; —ize = wrijven.

Friday, fraidi, Vrijdag: Good — = Goede Vrijdag.

Friend, frend, vriend, kennis, bloedverwant, vriendin, beschermer, bevorderaar, Kwaker: A — in need is a — indeed = in den nood leert men zijne vrienden kennen; —s = bloedverwanten; Society of —s = de sekte der Kwakers (17e eeuw gesticht); To have —s in (at) court = vrienden aan het hof, invloedrijke vrienden hebben; I’ll never again make a — = ik sluit nooit weer vriendschap; Let us make —s with him = laten wij ons met hem verzoenen; —less = zonder vrienden; subst. —lessness; —like = als van een vriend, welwillend; —liness, subst. van —ly = vriendschappelijk, goedaardig, gunstig gezind: —ly Societies = (arbeiders) vereenigingen tot wederzijdschen bijstand in ziekte en nood; —ship = vriendschap, goede gezindheid: That’s in —ship = dat blijft onder ons.

Friese, frîz, Fries, Friezin; adj. Friesian, frîž’n; Friesland, frîzlənd.

Frieze, frîz, fries (bouwk.); fries, een grove wollen stof.

Frigate, frigit, fregat; —-bird = fregatvogel; Frigatoon, frigətûn, Venetiaansch fregat.

Fright, frait, vrees, schrik; ook verb. = —en: In a — = verschrikt; You look a —, if you do not do yourself up = ge ziet er uit om van te schrikken, als ge u niet blanket; To put in a — = doen schrikken; He took — = hij schrikte; It is the thunder that —s, and the lightning that smites; —en = schrik aanjagen; ontstellen: I was —ened to death, out of my wits = doodelijk verschrikt; —ful = verschrikkelijk; subst. —fulness.

Frigid, fridžid, koel, koud, kil, vormelijk; vervelend: — zones = de Poolstreken tusschen de Polen en de Poolcirkels; —ness = —ity, frîdžiditi, koelheid, enz.

Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectatie, opgedirktheid (Amer.); — verb. plooien, van een frill voorzien; de veeren van koude opzetten.

Fringe, frinž, subst. franje, rand; — verb. met franje versieren: To wear one’s hair in a — = ponnies hebben; Newgate — (— frill) = baard onder de kin.

Fringilla, frindžilə, vink; —ceous, frindžileišəs, tot de vinken behoorend.

Fringing, frinžiŋ, franje, rand: — reef = koraalrif dat een eiland omgeeft.

Frippery, fripəri, subst. oude kleeren, tweedehandsmeubels, oude-kleerwinkel, prulleboel; adj. min, beuzelachtig.

Frisco, friskou = San Francisco.

Frisia, frižə, Friesland; —n, Fries(ch).

Frisk, frisk, subst. dartele sprong, dol, vroolijke bui; adj. levendig, dartel, druk; — verb. rondspringen, dansen, dartelen; —iness, subst. van —y = dartel, vroolijk, uitgelaten.

Frit, frit, subst. frit, gesmolten glasmassa.

Frith, frith, mond eener rivier, vischweer; kreupelhout.

Fritillary, fritiləri, keizerskroon (bloem).

Fritter, fritə, brokje, stuk, reepje, afgesneden stukje vleesch om te bakken; — verb. in kleine stukken snijden of breken, verknoeien: He has —ed away his money, his time = zijn geld verknoeid, zijn tijd verbeuzeld.

Frivolity, frivoliti, beuzelachtigheid, wuftheid; Frivolous, frivəlɐs, beuzelachtig, nietig, wuft; subst. —ness.

Friz(z), friz, krullen, kroezen; subst. krul; —zle = krullen, op heete kolen bakken; —zler = friseur, kapper; —zling-iron = friseertang.

Fro, frou, alléén in: To and — = heen en weer.

Frock, frok, pij, kleed, kiel, jurk; —-coat = gekleede jas; —-dress = in gekleede jas.

Frog, frog, kikker, langwerpige bekleede knoop met lus tot sluiting en versiering; verbindingstuk om op andere rails te komen; straal (aan paardehoeven); —-bit = kikkerkruid; —-eater = Franschman (iron.); —-hopper = schuimcicade; —s’-march = kruipen op handen en voeten, het wegdragen door de politie van een lastigen dronken man (met het gezicht naar beneden); —ged = met ‘frogs’ bevestigd of versierd; —gy = vol kikkers.

Froise, frôiz, spekpannekoek.

Frolic, frolik, subst. dartele sprong, grap; vroolijke partij, pretje; adj. vroolijk, dartel, dol, lustig; — verb. dartelen, rondspringen, pret maken: —some = dartel, vroolijk; subst. —someness.

From, from, van, vandaag, vanuit, sedert, wegens: — forth = vanuit; He had his mission — on high = hij ontving zijne zending van boven, uit den hemel; — my childhood = van kindsbeen af; — the sixth of May = sedert; It’s all — his unwillingness to oblige me = het komt allemaal door zijne ongeneigdheid om mij te helpen; — time to time = van tijd tot tijd; Judging — this = hiernaar te oordeelen; Protected — the rain = beschermd voor; To sift grain — chaff = kaf van koren, waarheid van leugen scheiden; Tell it him — me = namens mij.

Frome, froum. Frond, frond, blad van planten als varens en palmen; —escence, frondes’ns, het ontplooien der bladeren; adj. —escent, frondes’nt; —iferous, frondifərɐs, waaiervormige bladeren dragend; —ose, frondous, frondous, waaiervormig (—dragend).

Frondeur, frondɐ̂, lid der Fronde i.e. tegenstanders van de Regeering bij de minderjarigheid v. Lodewijk XIV.

Front, frɐnt, subst. voorhoofd, gelaat, voorste gedeelte, front, gevel, voorvertrek: brutaalheid, schaamteloosheid, toertje (valsch haar), overhemdje, begin, voorhoede; — verb. het hoofd bieden, staan tegenover, met het voorhoofd gekeerd staan naar, van een front voorzien: He changed — all at once = hij veranderde in eens v. batterij; This man has come to the — of late = neemt in den laatsten tijd eene eerste plaats in; They presented a united — in this emergency = in dezen nood boden ze gezamenlijk weerstand; To stand in — of = staan vóór; My shoes must be new —ed = ik moet laten voorschoenen; —-benchers = (ministers) die op de eerste bank zitten (Lagerhuis); —-box = loge tegenover het tooneel; —-door = voordeur; — opposition bench = eerste bank, links van den Speaker, in het House of Commons waarop de leiders der oppositie zitten; —-rank = eerste rang (klas); —age, frɐntidž, voorzijde of front van een gebouw langs de geheele uitgestrektheid; —al, subst. fronton, hoofdband, deur- of vensterboog; adj. eerste, voorste, vooraan gelegen, tot het voorhoofd of front behoorende; —let, kleine hoofdband; —on, frontən, frɐntən, of Fr. uitspr., fronton.

Frontier, frontjə, frɐntjə, frontîə, subst. grens(lijn); adj. aan de grenzen gelegen.

Frontispiece, frontispîs, frɐntispîs, frontispies, voorgevel, plaat tegenover het titelblad, gelaat; voorzien van een frontispies.

Frost, frost, vorst, ijzel, kilheid, koele ontvangst; — verb. berijpen, glaceeren, scherpen (v. paardehoeven), mat of dof maken: The singer was a fearful — = had niet het minste succes; This piece will run no chance of a — = dit zal ongetwijfeld succes hebben, “gaan”; —-bitten = bevroren: A —-bitten nose = bevroren neus; —-bound = ingevroren; —-flower (Zie —-work); —-nail = ijsnagel (voor paarden); —-work = ijsbloemen op glas, enz.; —ed = geglaceerd, mat: —ed glass = ijsglas; —ed silver = mat zilver; —iness = vorstigheid; —ing = suikerglazuur, matte oppervlakte; —y = vorstig, koel, koud.

Froth, froth, subst. schuim, ijdel gesnap, gewauwel; — verb. met schuim bedekken, (doen) schuimen, ijdele praat houden: — and flummery = gewauwel en nonsens; —-spit, Zie Frog-hopper; —iness, subst. van —y = schuimend, ijdel, onbeteekenend.

Froude, frûd. Frounce, frauns, krul, rimpel: —s of phrase and style = gemaakte zinswendingen en onnatuurlijke stijl.

Frousy, Frouzy, frauzi, vuil, slordig, muf, rans.

Froward, frouwəd, adj. weerspannig, gemelijk, onaangenaam; subst. —ness.

Frown, fraun, subst. gefronst gelaat, ontevreden blik; — verb. fronsen, dreigend staren: He was under the — of power = de machtigen staarden hem dreigend aan; He —ed us into obedience = zijn dreigende blik deed ons gehoorzamen.

Frowzy, frauzi = Frousy.

Froze, frouz, imperf. van to freeze.

Frozen, frouz’n, bevroren, buitengewoon koud, kil; part. perf. v. to freeze: The — Ocean = de IJszee; The — Zones = de Poolstreken.

Fructescence, frɐktes’ns, rijpwording der vruchten, vruchtentijd; Fructiferous = vruchtdragend; Fructification, frɐktifikeiš’n, bevruchting, vruchtvorming; Fructify, frɐktifai, vruchtbaar maken, vrucht dragen; Fructose, frɐktous, frɐktous, vruchtensuiker.

Frugal, frûg’l, matig, zuinig; —ity, frugaliti, matigheid, zuinigheid.

Frugivorous, frudživərɐs, vruchtenetend.

Fruit, frût, vrucht(en), fruit, kroost, gevolgen, voordeel; — verb. vruchten dragen; —-bearing = vruchtdragend; —-bud = vruchtknop; —-dish = vruchtenschaal; —-knife = fruitmesje; —-loft = fruitzolder; —-time = oogsttijd, vruchtentijd; —-tree = vruchtboom; —age = ooft; opbrengst; —erer = fruithandelaar; —ful = vruchtbaar; subst. —fulness; —iness = vruchtensmaak; —ion, frûiš’n, vruchtgebruik, bezit, genot daaruit voortvloeiend; —ive, frûitiv, genietend, gebruikend; —less = vruchteloos; subst. —lessness; —y = met vruchtensmaak.

Frumenty, frûm’nti, tarwepap.

Frump, frɐmp, brommige, ouderwetsch of slordig gekleede vrouw; — verb. bespotten, afsnauwen: Old — = oude soes; —ish = lastig, brommig, ouderwetsch, slonzig; ordinair; —ish ways = ouderwetsche manier van doen; —y = —ish.

Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj. frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.

Frustum, frɐst’m, brok, stuk: — of a cone (pyramid) = geknotte kegel (zuil).

Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.

Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart, enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen), jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; —ing-pan = bakpan: Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van den wal in de sloot.

Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To — off = onder valsche voorwendsels uitstellen.

Fuchsia, fjûšə, foksia.

Fucus, fjûkəs, blaaswier.

Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He —d himself; —r = dronkaard.

Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; — verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He —d his reports from another paper = flanste samen.

Fuel, fjûəl, subst. brandstof; — verb. van brandstof voorzien, voeden: That added (was as) — to the fire = dat was olie in ’t vuur; —-gas = kookgas.

Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); — verb. trekken, puffen; —y = opgeblazen, buiïg.

Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.

Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.

Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig, voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: — compositions = werken van één dag; —ness = vluchtigheid.

Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.

Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.

Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; —-stem = boom, waarvan de takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een hefboom), stut, steun.

Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note —s the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but merry); He was —led of this pleasure = had er genoeg van; subst. —ment.

Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.

Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht, fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.

Fulham, fuləm.

Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.

Fulk, fɐlk, Folkert.

Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen, krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The — of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its) — = was vol; We are — = wij hebben geen plaats meer (in hotel of school, etc.); The dogs were in — cry = blaften alle luide; He knows it — well = hij weet het heel goed; To the —, In — = ten volle, geheel; — and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; — age(d) = meerderjarig(heid); —-armed = in volle wapenrusting; —-bloomed = in vollen bloei, rijp; —-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp; —-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door rechters); —-cry = samen blaffend; —-dress = gala; —-drive = in vollen ren, met volle kracht; —-eyed = met groote oogen; —-faced = met groot en dik gelaat; A —-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd; —-out = geheel, voluit; —-stop = punt, plotseling einde; —-swing = in vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the — swing of stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een stokje voor te steken, dat ...; —ness = volheid: In the —ness of time; —y = ten volle; —y-committed = naar de Assizes verwezen.

Full, ful, vollen; —age = geld voor ’t vollen; —er = voller; —er’s earth = vollersaarde; —ery = —ing-mill = vollersmolen.

Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen; Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: — acid = knalzuur.

Fulness = Fullness.

Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. —ness.

Fulton, fult’n.

Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.

Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met, verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).

Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; — verb. damp uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren, ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a — = hij was woedend; To sleep off the —s of a debauch = zijn roes uitslapen; He walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.