Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 78

Chapter 783,220 wordsPublic domain

Negus, nîgəs, Negus; warme gekruide wijn.

Nehemiah, nîhimaiə, Nehemia.

Neigh, nei, hinniken; subst. gehinnik.

Neighbour, neibə, subst. buur(man), concurrent, naaste; adj. aangrenzend, naast; — verb. nabij wonen, vriendschappelijk verkeeren, aangrenzen; —hood = nabijheid, nabuurschap, omtrek: It was somewhere in the —hood of 50 dollars = het was zoowat om en bij de 50 d. (Am.); —liness, subst. v. —ly = als goede buren, gezellig, vriendelijk.

Neill, nîl; Neilson, nîls’n.

Neither, naidhə, nîdhə, geen van beiden, noch, en ... ook niet: — ... nor = noch ... noch; He does not like her, — do I = en ik ook niet; He is not so bad — (in plaats van either) = nog niet zoo kwaad.

Nell(y), nel(i); Nelson, nels’n; Nemean, nimîən, nîmiən; Nemesis, neməsis, Nemesis, ook fig.; Nenagh, neinə.

Nenuphar, nenjufâ.

Neolithic, nîəlithik, tot de latere steenperiode behoorende.

Neologian, nîəloudž’n, neologisch; neoloog; Neological = neologisch; nieuw gevormd; Neologism, niolədžizm, nieuw woord, nieuwe beteekenis, nieuwe leerstelling; Neologist = neoloog; Neologize = nieuwe woorden, beteekenissen of leerstellingen invoeren; Neology = neologie, invoering van nieuwe woorden of moderne godsdienstbegrippen.

Neophyte, nîəfait, subst. novice, nieuweling, beginner; adj. pas toegelaten.

Neoplatonic, nîəplətonik, Nieuw-Platonisch; Neoplatonism = Nieuw-Platonische wijsbegeerte; Neoplatonist.

Neoteric, nîəterik, nieuw, modern; ook subst.

Nepaul, nəpôl, stad: — paper = sterk ongelijmd schrijfpapier: —ese, nepôlîz, subst. en adj. (bewoner) van N.

Nepenthe, nipenthî, tooverdrank, die alle leed doet vergeten = —s; dit ook = kannekenskruid.

Nephew, nevjû, neef (oomzegger).

Nephralgia, nifraldžə, nierpijn; Nephritic = nier - -; subst. middel tegen nierziekte; Nephritis, nifraitis, nierontsteking; Nephrotomy, nifrotəmi, nieroperatie.

Nepotic, nipotik, adj. van Nepotism, nepətizm, nîpətizm, nepotisme.

Neptune, neptjûn, Neptunus; Neptunian, nəptjûnj’n, tot N. of de zee behoorende.

Nereid, nîri-id, zeenimf; borstelworm.

Nero, nîrou; adj. Neronian.

Neroli, Neroly, nerəli, nîrəli, oranjebloesemolie.

Nerve, nɐ̂v, subst. zenuw, nerf, pees, spierkracht, geestkracht, moed, durf; — verb. versterken, bemoedigen; zijn moed bijeenrapen, moed vatten (oneself, one’s mind): He has not got the — to do it = durft niet; She was —s and nothing else = door en door zenuwachtig; To be (to get) on one’s —s = zenuwachtig zijn; zenuwachtig maken; He recovered his — = herkreeg zijne zelfbeheersching, kracht: He —d himself = vatte moed, vermande zich; —d = met nerven; —less = zwak, zonder kracht; subst. —lessness; Nervine, nɐ̂v(a)in, zenuw ..., kalmeerend middel; Nervose, nɐ̂vous, nɐ̂vous, zenuw ...; geribd, geaderd; Nervosity = zenuwachtigheid; Nervous, nɐ̂vəs, zenuwachtig, zenuw ...; gespierd, krachtig: — English = gespierd Engelsch; — fever = zenuwziekte; — force = innerlijke kracht, spierkracht; subst. —ness; Nervure, nâvjə, vertakking d. nerven (in een blad), ribben in de vleugels der insecten; Nervy, nɐ̂vi, krachtig, moedig, driest, moed vereischend.

Nescience, nešiəns, nîšiəns, onwetendheid.

Ness, nes, voorgebergte, landtong.

Nest, nest, nest, verblijf(plaats), schuilhoek, haard (pathol.), bende; — verb. nestelen, een nest bouwen of uithalen, in een nest leggen, of liggen: — of boxes; To build (make) a —; He has feathered his — = is binnen; —-chicken; —-egg = nestei, potpenning(-geld); —ling = nestvogel; adj. jong.

Nestle, nes’l, zich nestelen, (zich) verschuilen, aankruipen, verborgen liggen: The little girl —d close to her mother = kroop dicht aan; He —d himself to her = vlijde zich tegen haar aan; His head —d itself on my shoulder = hij lei zijn hoofd op mijn schouder.

Nestor, nestə, Nestor.

Net, net, subst. net (val)strik (fig.), soort mousseline, netwerk; — verb, tot een net maken, haken; in een net vangen, verstrikken: —maker; —-work = netwerk; —-work of railway-lines = spoorwegnet; —ting = het netten maken, netwerk (op schepen, enz.); —ting-needle = haaknaald, haakpen; —ting-pin.

Net, net, netto; — verb. netto opbrengen: — amount, — gain, — profits, — price, — proceeds, — weight.

Nether, nedhə, lager, beneden: — lip = onderlip; — millstone (Job.); —most = laagste, onderste; —land = Nederlandsch; The —lands = Nederland(sch); —lander, —landish.

Nettle, net’l, subst. brandnetel (= Common —, Stinging —); — verb. boos maken, prikkelen: — in, dock out (In dock, out —) van den hak op den tak; To be —d at = geprikkeld, geërgerd; —-cloth = neteldoek; —-rash = netelroos.

Neufchatel, nɐ̂šatel.

Neural, njûr’l, de zenuwen betreffend; —gia, njuraldžə, zenuwpijn; Neuralgic = neuralgisch; Neurasthenia, njurasthənaiə, neurastenie; Neurasthenic = neurastenisch; neurastenicus; Neuritis, njuraitis, zenuwontsteking; Neurology = zenuwleer; Neuropathy, Neurosis, njurousis, zenuwlijden; Neurotic, njurotik, zenuw- -, zenuwlijdend, zenuwsterkend; subst. zenuwlijder, zenuwmiddel.

Neuter, njûtə, adj. onzijdig, onovergankelijk; geslachtloos; subst. onzijdig geslacht, geslachtloos dier (plant); Neutral, njûtr’l, adj. onzijdig, onverschillig, neutraal, onpartijdig; subst. onzijdig persoon; Neutrality = onzijdigheid; Neutralization, subst. v. Neutralize = neutraliseeren, neutraal verklaren, onschadelijk maken: To — each other = tegen elkaar opwegen.

Nevada, nəvâdə.

Never, nevə, nooit, geenszins, nimmer, volstrekt niet, toch niet: He’s — the one to pay = hij betaalt nooit; He is — the better for it = hij is er daarom niet beter aan toe; — a word = geen stom woord; Well, I —! = heb ik ooit van mijn leven; — so much as = niet eens, zelfs niet; Be he — so rich = al is hij nog zoo rijk; That problem is — so simple = vraagstuk is doodeenvoudig; —-do-well lad = deugniet; —-dying = onsterfelijk; —-failing = onfeilbaar; — fear = heb geen zorg; — mind = dat doet er niet toe, dat behoef jij niet te weten; — say die = je moet nooit den moed opgeven; —more = nimmermeer; —theless, nevədhəles, niettemin, niettegenstaande.

Nevil(le), nevil.

New, njû, adj. nieuw, onbekend, onervaren, versch, frisch: — bread = versch; — man = parvenu; — moon; The — woman = de geëmancipeerde, de moderne vrouw; The — World = de Nieuwe Wereld; That’s nothing — to me = dat is niet nieuw voor mij; He is — to the business = er nog niet mede op de hoogte; —-birth = wedergeboorte; —-born = pasgeboren; —-comer = pas(aan)gekomene; —fangled, njûfaŋgld, njûfaŋgld, nieuwerwetsch; subst. —fangledness; —-fashioned = nieuwmodisch; —-laid eggs = versche eieren; —(ly) married = pasgetrouwd; —-model = nieuw modelleeren; —-painted = pas geverfd; —-year = Nieuwjaar; —-year’s Eve = Oudejaarsdag; —ish = eenigszins nieuw; —ly = kortgeleden, op nieuwe wijze, opnieuw: —ness = nieuwheid, onervarenheid.

New Britain (—brit’n); New Brunswick; Newbury, njûbəri; New Caledonia; Newcastle, njûkâs’l; Newcomen, njûkom’n; New England (= Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut); Newfoundland, njûfaundland, njûfôndland, njûfôndland, het eiland en de N. hond; Newfoundlander, bewoner, vaartuig, hond; New France, oude naam voor Canada; New Guinea (—gini); Newhaven, njûheiv’n; New Hebrides (— hebridîz); New Holland; Newmarket, njûmâkit; New Orleans, njû öliənz, njû ölînz; New South Wales; New York, njûjök; New Zealand.

Newel, njûəl, stijl van eene wenteltrap.

Newgate, njûgit, gevangenis in Londen: A — fringe beard = baard onder de kin.

News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of — = nieuwtje; No — is good —; I had news that = ik hoorde; What’s the —? = wat voor nieuws is er? —-agent = agent voor dagbladen, etc.; —-boy = courantenjongen = —-man; —-monger = nieuwtjesverspreider; —-paper = courant: Some of these essays are too obviously —paperish = dragen al te zeer den stempel couranten-artikelen te zijn: —-room = tijdingzaal, leeszaal: —-vender, —-vendor = courantenverkooper; —-walk = buurt of wijk van een —-boy.

Newt, njût, watersalamander.

Newton, njût’n, Newton: —ian, njûtounj’n, subst. en adj. (volgeling) van N.

Next, nekst, naastbij, naast, volgende op, daarna: Wear flannel — your skin = op je bloote lijf; This — Thursday = den eerstvolgenden; — time = de volgende keer: — after you = dadelijk na u; I am the — in blood, — of kin = ik volg in graad van bloedverwantschap; He has — to nothing = zoo goed als niets; —-door to poverty = de armoede nabij; He is —-door to an idiot = driekwart idioot; He lives —-door = hiernaast; — eldest to = in leeftijd volgende op; — M. in age = volgt op M.: What —? = wat zullen we nu nog hebben? dat is àl te gek; Nog iets?

Nexus, neksəs, band, verbinding.

Niagara, naiagərə: Falls of —.

Nib, nib, snavel, mand, spits, punt, pen, koffieboon, cacaoboon; — verb. van een nib voorzien, spitsen: A soft — = zachte pen; Hard —bed = met harde punt.

Nibble, nib’l, — verb. knabbelen, bijten, visschen, vitten, gappen; ook subst.: A glorious day for a — = prachtige dag om te hengelen; To — bare = kaal vreten; To — off; —r = vitter.

Niblick, niblik, een zware ijzeren kolf met kleinen voet, gebruikt wanneer de bal in wagensporen, struiken, etc. ligt (Golfspel).

Nicaea, naisîə: —n councils; Nicaragua, nîkarâguə, nikərâguə; Nice, nîs, Nizza; nais, Nicea.

Nice, nais, stipt, nauwkeurig, keurig, zedig, kieskeurig, preutsch, teer, lastig, lekker, aangenaam, lief: That’s rather a — question = lastige vraag; You must not be — about accepting it = u niet geneeren om het aan te nemen; —ish, naisiš, lief, aardig: A —ish girl; —ness = liefheid, keurigheid, aangenaamheid, enz.; Nicety = fijnheid (van waarneming), nauwkeurigheid, kieschheid, kieskeurigheid; lekkernij: The coat fits to a — = zit keurig; One must not stand upon niceties = men moet de dingen niet al te nauw nemen; I can’t weigh niceties = rekening houden met zulke bagatellen; Niceties of words = spitsvondigheden.

Niche, nitš, nis, plaats, schuilhoek; — verb. in een nis plaatsen, verbergen.

Nicholas, nikəlas: The Festival of St. —: Nichol(l)s, nikəlz.

Nick, nik, kabouter, demon; kerf, kerfstok, rekening; juist oogenblik, hooge worp (bij het dobbelen), centstuk (Amer.); — verb. kerven, eene inkerving maken; op het juiste oogenblik treffen, overeenstemmen, passen: gappen, zich vlug bewegen: Old — = de duivel; Speak of the Old — and you’ll get an odour of brimstone = als je van den duivel spreekt, trap je hem op zijn staart; In the very —, just in the — of time = te juister tijd; That is out of all — = gaat buiten de schreef.

Nickel, nik’l, nikkel, 5 centstuk (Amer.): They spun a — = gooiden op; —-plated = vernikkeld; —-silver; Nickelic, nikəlik, nikelik = nikkelachtig, nikkel... = —iferous = nikkelhoudend.

Nicker, nikə, hinniken (N. E. en Schot.).

Nick-nack, niknak = knick-knack.

Nickname, nikneim, subst. bijnaam, scheldnaam: — verb. een bijnaam geven.

Nicobar, nikəbâ: — Islands; Nicodemus, nikədîməs.

Nicotin(e), nikətin, nikətîn, nicotine; Nicotinism = nicotinevergiftiging.

Niddle-noddle, nid’lnod’l, knikkend; — verb. knikkebollen, op en neer gaan; The plumes —d on the horses’ heads.

Nidification, nidifikeiš’n, het maken van nesten: Nidify, nesten bouwen.

Nidnod, nidnod, knikkebollen; —y = sukkel.

Nidus, naidəs, nest, broedplaats; infectiehaard.

Niece, nîs, nicht (oom- of tantezegster).

Niemen, nîm’n.

Nifty, nifti, goed, voldoende (Amer.).

Niger, naidžə.

Niggard, nigəd, subst. vrek; adj. vrekkig, gierig; —liness = vrekkigheid; adj. —ly.

Nigger, nigə, nikker: He works like a — = als een ezel.

Niggle, nig’l, beuzelen, beknibbelen, kleingeestige aan- of opmerkingen maken over (about), peuterig uit- of afwerken; ook subst.; Niggling = peuterig, krenterig.

Nigh, nai, nabij, nauw verwant, bijna (poët.): Well — = bijna; To be — at hand = nabij zijn; To draw — = naderen; subst. —ness.

Night, nait, nacht, avond, duisternis, onwetendheid, dood, tijd van rouw en smart: At (By) — = ’s nachts = In the —; At dead of — = in ’t holst van; Last — = gisteravond; (Late) at — = (laat) in den avond (nacht); To-— = van avond; Taking — = avond waarop de jongens een kermisvrijster kozen; A first —(er) = eerste opvoering; To bid (wish) good —; We have made a — of it = wij hebben den geheelen nacht doorgezwierd; To pass (spend) the —, To stay all — = overnachten; —-bell = nachtbel; —-brawler = (nacht)rustverstoorder; —-cap = slaapmuts, slaapmutsje(fig.); —-cart = kar van den reinigingsdienst; —-clothes (—-dress) = nachtgoed; —fall = het vallen van den avond; —-fly = avondvlinder, mot; —-gear = nachtgoed; —-gown = nachtjapon: —-gown case = nachtzak; —-jar = geitenmelker (= —-hawk); —-light; —-man = nachtwerker, man van den reinigingsdienst; —mare = nachtmerrie; —-pan = ondersteek; —-piece = nachtstuk; —-porter = nachtportier; —-school = avondschool; —shade = nachtschade (plant); —shirt = nachthemd; —-soil = fæcaliën; —-stand = nachtkastje; —-stool = stilletje; —-train; —-walker = slaapwandelaar, nachtelijk vagebond, prostituée; —-watch = nachtwacht; wekker; —-watchman; —ly = nachtelijk, elken nacht; —y = nachtpon.

Nightingale, naitingeil, nachtegaal.

Nigritia, nigrišə; adj. —n, ook subst. neger.

Nihilism, naihilizm, nihilisme; Nihilist = nihilist; adj. Nihilistic.

Nil, nil, niets, leeg: — desperandum! = ende désespereert niet!

Nile, nail, de Nijl; Nilgiri, nilgîrî: — Hills.

Nilly-willy, niliwili, goed- of kwaadschiks.

Nimble, nimb’l, vlug, lenig: The —-fingered gentry = de heeren met lange vingers (dieven); —-footed = vlug ter been, rap v. voet; subst. —ness.

Nimbus, nimbəs, stralenkrans.

Nimeguen, nimeig’n, Nijmegen.

Niminy-piminy, niminipimini, geaffecteerd, gekunsteld; ook subst.

Nincompoop, niŋk’mpûp, stommerik, sul = Nincom.

Nine, nain, negen: The (sacred) — = de muzen; Dressed up to the —s = keurig, netjes, piekfijn gekleed; That’s a — days’ wonder = verbaast de wereld eene week lang; — corns = een pijp vol; — winks = knippertje (dutje); —pin = kegel: They were playing at —pins = zij waren aan het kegelen; —fold = negenvoudig; —teen = negentien; She would chatter —teen to the dozen = praatte honderd uit; —teenth = negentiende; —tieth, naintiəth, negentigste; —ty = negentig; Ninth, nainth, negende; —ly = ten negende,

Ninny, nini, sukkel.

Niobe, naiəbî, Niobe.

Nip, nip, verb. nijpen, knijpen, omsluiten, afknijpen, door vorst beschadigen of vernielen, snijden (van koude), prikken, kwellen, pijnigen, ergeren; subst. kneep(je), beschadiging (door vorst en koude), slag, wippertje (borrel): —ped in the bud = in den knop gedood; in de kiem gesmoord; —ped by the ice = ingesloten door; I’ll first take my — and then my nap = eerst mijn wippertje en dan mijn knippertje; He takes two —s a-day = hij gebruikt zijne twee borrels per dag; There was an exhilarating — in the air = de vorstige lucht had iets opwekkends; —per = knijper, voortand van een paard, schaar (van een kreeft), vorstige dag, peuter, jongmaatje; —pers = (kleine) nijptang, schaar, knijper(s), soort handboeien; —ping = knijpend, scherp, snijdend, sarcastisch, stekelig; geaffecteerd (Amer.); —py = krachtig; scherp, bijtend: You had to look very —py to see him = scherp en vlug kijken.

Nipple, nip’l, tepel.

Nirvana, nirvâna, Nirwana; Nisan, naisan, nîsân.

Nisi Prius, naisai praiəs, (= unless previously), bevelschrift den Sheriff gelastend voor een Jury te zorgen aan het Court of Westminster, tenzij de Judges of Assize eerder naar zijn County komen; bevoegdheid aan deze writ ontleend; behandeling van een zaak krachtens dit bevel; civiele zaken door de Judges of Assize behandeld.

Nit, nit, neet (van ongedierte).

Nitre, naitə, salpeter; Nitric: — acid; Nitrification = salpetervorming; Nitrify = tot salpeter vormen (worden); Nitrogen, stikstof; Nitro-glycerine; Nitrous: — acid = salpeterig zuur; Nitry = salpeter...

Nix(ie), niks(i), watergeest.

Nizam, nizâm, nizam, titel van den vorst van Hyderabad.

No, nou, neen, niet; geen; subst. ontkenning, weigering, tegenstemmer, stem tegen: — cards = algemeene kennisgeving; — such matter = geenszins; It is — matter = het kan niets schelen; By — means = in geen geval; Of — use = nutteloos; —! (als uitroep) = och kom! wat je zegt! There is — avoiding it = dat is niet te vermijden; The —es have it = het voorstel is verworpen; Twenty —es and five ayes = twintig stemmen tegen en vijf vóór; The everlasting — = ontkenning van het bovenzinnelijke, de sceptische geest.

Noah, nouə, Noach.

Nob, nob, knop, kop, hoofd; hooge (oome): Old —s = de oude heer; —by = prachtig, piekfijn.

Nobble, nob’l, beetnemen, bepraten, gappen: To — the favourite = de favourite door eenig gift ongeschikt maken om mee te loopen; —r = slag op het hoofd; diefjesmaat.

Nobiliary, nəbiljəri, adellijk, adel...; subst. adelboek.

Nobility, nəbiliti, adel tot en met de Barons; grootheid: — of soul; Noble, noub’l, edel, grootmoedig, doorluchtig, adellijk, prachtig, statig; subst. edelman; rozenobel (oude munt van 6s.8p.): —man (—woman) = adellijke (man, vrouw); — metals = edele metalen; —-minded; subst. —-mindedness; —ness = edelheid, adel (fig.), grootschheid; Nobly-born = van adellijke geboorte.

Nobody, noubədi, niemand, nul, proleet: He is a — = een nul; They are — particular = zij zijn van gewone “kom-af”.

Nocake, noukeik, geroosterd maïpoeder.

Noctilionid, noktiljənid, Z.-Amer. vleermuis; Noctule, noktjul, spekmuis of rosse vledermuis.

Noctograph, noktəgraf, schrijfraam voor blinden; contrôle-instrument voor nachtwachten.

Nocturnal, noktɐ̂n’l, nachtelijk; Nocturne, noktɐ̂n, noktɐ̂n, nocturne (muz.).

Nocuous, nokjuəs, schadelijk, giftig.

Nod, nod, knikken, knikkebollen, slapen, droomen, suffen, toeknikken; subst. knik, wenk: A — is as good as a wink to a blind horse = een goed verstaander heeft maar een half woord noodig; To give one a — = toeknikken; He was a man to — to, not to speak with = hij was iemand om op een afstand te kennen en te houden; He —ded approbation, an affirmative, his assent = hij knikte goedkeurend, toestemmend; I had a —ding acquaintance with him = kende hem eenigszins; —dy = wankel.

Noddy, nodi, domkop; ijseend; soort van zeezwaluw; zie Nod.

Noddle, nod’l, subst. kop: Cracked in the — = niet recht snik.

Nodal, noud’l, knoop...; Nodated, nouditid, geknoopt; Node, noud, knoop, knoest, knobbel, spierverharding; verwikkeling, intrigue; Nodose, nədous, noudous, met knoopen of knoesten; Nodosity, nədositi, knoestigheid, knoop; Nodular, nodjulə, knoestig; Nodule, nodjûl, klompje, knoestje, knobbeltje.

Nog, nog, houten nagel; — verb. met nagels bevestigen.

Noggin, nogin, kroes, maat (¼ pint), kop.

Nogoism, nougouizm, onmogelijkheid, wat niet gaat.

Nohow, nouhau, in geen geval: To look — = er verloopen, slordig uitzien; —ish = onlekker.

Noise, nôiz, subst. geraas, getier, leven; — verb. tieren; verspreiden, uitbazuinen: There is a — abroad = er loopt een gerucht; — in the ear = oorsuizen; Hold your — = schei uit met je lawaai; He made a great — in his time = deed veel van zich spreken; It was —d about = rondgebazuind; —less = stil, zonder geraas of geluid; subst. —lessness; Noisiness, subst. v. Noisy = druk, lawaaiig, luidruchtig.

Noisome, nôisəm, nadeelig, ongezond, walgelijk, stinkend; subst. —ness.

Noli me tangere, noulaimîtanžərə, kruidje-roermeniet, gewoon springzaad, ezelskomkommer; een bepaalde huidziekte.

Noll, nol.

Nomad, nomad, noumad, subst. nomade; adj. nomadisch = Nomadic; —ism = zwervend leven; —ize = een zwervend leven leiden.

Nombril, nombril, navel (Herald.).

Nomenclature, noum’nkleitjə, nomenclatuur, naamlijst.

Nominal, nomin’l, nominaal: — price; — rank = titulaire rang; To pay a — rent = een zeer geringe huur; —ism = de leer, dat aan onze begrippen geene werkelijkheid beantwoordt, en zij slechts als namen bestaan; —ist = aanhanger van deze leer; Nominate, nomineit, benoemen, candidaat stellen, op de voordracht zetten; Nomination = benoeming, candidaatstelling: To be in — for = voorgedragen worden; Nominative, nominətiv, subst. eerste naamval = — case; adj. daarop betrekkelijk; Nominator = noemer, benoemer; Nominee, nominî, benoemde.

Non, non (in samenst.) niet, b.v. —-ability = onbekwaamheid; —-acceptance = non-acceptatie; —-appearance = niet verschijning; —-arrival = uitblijven (van een trein b.v.); —-attendance = niet verschijning; —com = non compos mentis, non-commissioned officer; A —-commissioned officer (zie Warrant-officer); A —-committal answer = antwoord, waarbij men zich tot niets verbindt, zich niet bloot geeft; —con, verkort voor —conformist = Dissenter, of voor —-content (= tegenstemmer of stem tegen in het Huis der Lords); —-conformist = afgescheidene; —-conformity = afgescheidenheid van de Anglikaansche kerk; —-delivery = niet bestelling, onbestelbaarheid; —descript = abnormaal, onmogelijk, vreemd, zonderling; ook subst.; —entity = nul; —intoxicants = niet alcoholische dranken; —juring, nondžûriŋ, tot de Nonjurors behoorende; —juror, nondžûrə, Jacobite, die bij de revolutie van 1688 niet trouw wilde zweren aan de nieuwe regeering; —-pareil, nonpərel, nonpərel, weergaloos; subst. iets weergaloos; nonpareille drukletter; soort zijden lint, soort appel; —-payment = niet betaling; That is a — sequitur (sekwitə) = eene onjuiste gevolgtrekking; —-sexual = geslachtloos; —-stop = doorgaand; —suit, nonsiût, subst. het opgeven of royeeren v. eene aanklacht wegens een gepleegd verzuim; — verb. aanleiding geven tot het opgeven of royeeren.

Nonage, noneidž, minderjarigheid; —d.

Nonagenarian, nonədžənêriən, 90-jarig(e).

Nonagon, nonəgon, negenhoek.

Nonce, nons, alléén in: For the — = voor dezen keer; —-word = gelegenheidswoord.

None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: — of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; — the less = niettemin; He is — so young either = ook zoo jong niet meer; — too soon = geen oogenblik te vroeg; I am — the wiser = geen haar wijzer.

Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.

Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; — verb. overbluffen, verlegen maken: To be at a —; To catch on the — = verrassen.

Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no — = oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).

Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van appel.

Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; —s = deeg van tarwemeel, dun gerold en aan reepen gesneden (Amer.).

Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.

Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: —day = middag; —house = herberg; —tide = middag; hoogtepunt; middag..; —ing = namiddagslaapje, -rust, -maal.

Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; — verb. knoopen, in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a — = in de val loopen.

Nopal, noup’l, vijgendistel.

Nor, nö, noch, en ook niet: — I either = en ik ook niet; — is this all = en dat is nog niet alles; Much better — I = dan ik (plat).

Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.

Norm, nöm, norm; —al, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst. loodlijn: —al school = normaalschool; —ality, nömaliti = normaliteit, etc.; —alize, normaliseeren.

Norman, nöm’n, Normandiër: — architecture; —dy = Normandië.

Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.

Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); —man = Noorman.

North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; —-east = noordoosten, noordoostelijk; —-eastern = noordoostelijk; — by East = noord ten oosten; — America; — Pole; —-star = noord(pool)ster; —-west = noordwesten, noordwestelijk; —-western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; —er, nödhə, harde, ijzige noordenwind; —erly, nödhəli, noordelijk; —ern, nödhən, noordelijk, uit het noorden: —ern-lights = Noorderlicht; —erner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van Amer.; —ernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen; —ing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden; —man = Noorman; —ward = naar het noorden: To the —ward = benoorden.

Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei, Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van Noorwegen; Norwich, noridž.