Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 116
Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); — verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, Shooting, Polar — = vaste (vallende, pool) ster; To be born under a lucky —; He is a — of the first magnitude = eene ster van de eerste grootte; If you don’t shut up, you see —s = krijg je er een, dat de vonken je uit de oogen springen; I thank my —(s) for it = de hemel zij gedankt; Oh, my —s (and halters) = O goeie genade! The actor was —ring in the provinces = gaf gastvoorstellingen; —-blind = halfblind; —-Chamber = voormalig gerechtshof te Westminster, dat naar eigen opvatting in plaats van volgens de wet vonniste, afgeschaft in 1640; —-crossed = ongelukkig; —finch = roodstaartje; —fish = zeester; —-flower (= — of Bethlehem) = vogelmelk; —-fort = sterreschans; —-gazer = sterrenwichelaar; —-gazing = sterrenkijken; verstrooidheid; —light = sterrenlicht; —lit = helder, door de sterren verlicht; —-shoot = lichtbol; aardgelei of sterrenspeeksel; —-spangled = met sterren bezaaid: The —-spangled (American) banner; —-stone = variëteit van saffier; —-trap = tooneelluik (waardoor een geest plotseling verschijnt en verdwijnt); —-like; —red = gesternd: His ill (evil)-—red father = zijn ongelukkige vader; —riness, subst. v. —ry = met sterren bezaaid, schitterend, gelijk eene ster.
Starboard, stâböd, subst. stuurboord; adj. aan stuurboordzijde, rechtsch.
Starch, stâtš, subst. stijfsel; adj. stijf, gemaakt, keurigjes; — verb. stijven: Not a bit of — left in him = zoo “mak” mogelijk; — respectability = het fatsoen, dat in stijve boorden, manchetten, enz. zit; —-maker (—-manufacturer); —ed = stijf (fig.); subst. —(ed)ness; (Clear) —er = stijfster; —y = van stijfsel, formeel, precies.
Stare, stêə, subst. starende blik; — verb. aanstaren, aangapen, verschrikt of verbaasd kijken, in ’t oog springen: To give a person a — = aanstaren; To take a long — at; Don’t stand staring at me = sta mij niet aan te gapen; He —d me down = zijn blik deed mij de oogen neerslaan; Don’t — me in the face = kijk me niet zoo strak aan; It —s you in the face = het is zoo klaar als een klontje, ligt vlak bij je; The contract is always staring me in the face = staat mij altijd dreigend voor de oogen; He —d me out of countenance = maakte me verlegen; —r; He looked staringly at me = met opengesperde oogen.
Stark, stâk, streng, stijf, geheel: Stiff and — = stijf en strak; — nonsense = groote onzin; — blind = stekeblind; — mad = stapelgek; He told the —-naked truth = de naakte waarheid; —en = stijf aantrekken.
Starling, stâliŋ, spreeuw; ompaling van een brug, ijsbreker of stroombreker vóór een brug.
Start, stât, subst. plotselinge beweging (als van schrik of ontsteltenis), sprong, voorsprong, (punt van) vertrek, begin; — verb. opschrikken, opspringen, ontstellen, schichtig worden, ineenkrimpen, vertrekken, afrijden, beginnen, oprichten, aan den gang brengen, aanzetten, opjagen, losgaan, losspringen, gapen, losmaken, uitgieten, ledigen: That’s a queer — = een rare manier van doen (van aanpakken); By fits and —s = met horten en stooten, bij buien; He did it with a — = plotseling, met een ruk; He gave a — = sprong ontsteld op; He gave me a — (—ed me) in life = hielp mij aan den gang; To make a new — (in life) = een ander leven beginnen; Don’t — such arguments on Sundays = werp zulke kwesties niet op; We —ed a branch establishment = hebben een filiaal opgericht; He may be dull at —ing game, he is unrivalled in hunting it down = hij mag niet heel sterk zijn in het opjagen van wild; The table was —ed at two guineas = de tafel werd ingezet voor; He fairly —ed = schrok er bepaald van; I —ed at the sight = verschrikte, ontstelde op het gezicht; We are —ing for America = gaan op reis naar A.; He —ed from the hideous dream in time = hij ontwaakte verschrikt, schrok wakker; He often talks and —s in his sleep = en schrikt op in zijn slaap; Tears would — into her eyes = schoten haar in de oogen; To — up steam = stoom opmaken; He was ugly to — with = om te beginnen: hij was leelijk; Starter = opzichter, hij die bij wedrennen, enz. het teeken van vertrek geeft; opdrijvende jachthond; Starting: —-hole = sluipweg, uitvlucht; —-point = punt van vertrek of uitgang, uitgangspunt; —-post = beginpaal (bij een wedren); —ly = met rukken en horten; Startish = schuw, schichtig; Startle, subst. schrik, schok; — verb. schrikken, ontstellen, doen ontstellen, onaangenaam verrassen: He was —d at what he heard there = ontstelde van; Startling = hoogelijk verbazend, schrik aanjagend, ontstellend: — news.
Starvation, stâveiš’n, hongerlijden, verhongering, gebrek: We were reduced to a state of — = we verhongerden ten slotte; Starve, stâv, van gebrek en honger (doen) omkomen, gebrek (doen) lijden: He tried to — the garrison into surrendering = door honger tot overgave te dwingen; (= To — out); They were starving with cold = kwamen om van koude; Starveling, subst. hongerlijder; kwijnende plant; uitgehongerd dier; adj. hongerig, ellendig, mager: His own threadbare and — condition = armoedige en ellendige toestand; Starving system = hongerkuur.
Stash, staš, ophouden: — that grin = schei uit met dat gegrinnik; — the glim! = ’t licht uit.
Statant, steit’nt, staande (herald.).
State, steit, subst. staat, toestand, stemming van de markt; rang, stand, luister, rijk; adj. staats..., officieel, staatsie...; — verb. vaststellen, de bijzonderheden mededeelen, verhalen: The queen appeared in — = verscheen officieel, in allen luister; You need not get into a — over it = je er niet zoo driftig over maken; To lie in — = op het praalbed liggen; To live in (a) great — = op grooten voet; —s General = de Staten-generaal (Frankr. in 1789; Nederland); I wish to — this first of all = wensch te constateeren; Let us — the case lucidly = laat ons het geval duidelijk stellen; —-affairs = staatszaken; —-ball = hofbal; —-cabin = luxe hut; —-carriage = staatsierijtuig; —-craft = staatkunde; —-criminal = politiek misdadiger; —-house = gebouw waarin de Staten vergaderen (Amer.); —-paper = officieel stuk, staatscourant; —-prison = staatsgevangenis; —-prisoner = staatsgevangene; —room = staatsiezaal, kajuit; afdeeling van een slaapwagon; hut (= —-cabin); —-stroke = staatsgreep; —-trial = politiek proces; —sman = staatsman, Amerikaan; —smanlike, —smanly = als een staatsman; —smanship = staatkunde, beleid; —d: You must keep —d hours for your work = bepaalde uren hebben; —less = zonder praal of staatsie; —liness, subst. v. —ly = statig, prachtig, grootsch; —ment = verhaal, stelling, opgave.
Static(al), statik(’l), tot het evenwicht behoorende; Statics = statica, leer van het evenwicht.
Station, steiš’n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang, (politie)bureau, station, fokkerij, fokstation; — verb. plaatsen, stationneeren: His — in life was exalted = rang in de maatschappij; I take (up) my — there = plaats mij daar; Policemen are —ed at streetcorners = staan op post; —-clerk; —-house = politiebureau; station; —-master (-mistress) = stationschef; —ary = stilstaand, vast: —ary engine = vaststaande machine; To remain —ary = op dezelfde hoogte blijven; Stationer = handelaar in schrijf behoeften: Fancy — = handelaar in luxepapier, fantasieartikelen, enz.; Flying — = colporteur; Registered at —s’ Hall = copierecht verzekerd door inschrijving in de registers van deze Hall (gilde); —y = schrijfbehoeften.
Statistical, stətistik(’l), de statistiek betreffende; Statistician, statistiš’n, statisticus; Statistics, statistiek(en).
Statuary, statjuəri, de beeldhouwkunst betreffend; subst. beeldhouwkunst, beeldhouwer, standbeelden; Statue, statju, subst. standbeeld: A — was erected (raised) to him = er werd een standbeeld voor hem opgericht; Equestrian — = ruiterstandbeeld; —-like = Statuesque, statjuesk, standbeeldachtig, onbewegelijk; Statuette, statjuet, beeldje.
Stature, statjə, gestalte, lengte.
Status, steitəs, toestand, stand.
Statutable, statjutəb’l, volgens de wet, wettelijk, normaal: He was not statutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statute, statjut, wet, keur, instelling: — law = de geschreven wet; — of limitations = wet omtrent schuldverjaring; —-cap = wollen muts, die onder Koningin Eliz. de burgers Zondags moesten dragen; —-labour = verplichte arbeid door het rijk geëischt voor het maken van bruggen, wegen, enz. in Schotl.; Statutory, statjutəri, volgens de wet, wettelijk voorgeschreven: — declaration = schriftelijk gegeven eerewoord in plaats v. een eed.
Staunch, stânš, stônš, adj. sterk, krachtig, hecht, waterdicht; trouw, betrouwbaar: — verb. stelpen, tegenhouden: He is a — Catholic = een oprecht Katholiek; To — a wound; —er = wie of wat stelpt; —less = wat niet te stelpen is; subst. —ness.
Staunton, stânt’n.
Stave, steiv, subst. duig; zang van een gedicht; — verb. in duigen slaan, indrukken, barsten, duwen, afweren, verschuiven: The fore compartment is stove right in = geheel ingedrukt; He contrived to — off actual bankruptcy = faillietverklaring af te wenden; He tried to — off his perplexities = al wat hem hinderde van zich af te zetten; —s = Meerv. van Staff.
Stavesacre, steivzeikə, staverzaad.
Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, stilstand, hinderpaal, uitstel, stag (scheepsterm); (—s = keurslijf, korset, etc.); — verb. blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, laten liggen, wachten, logeeren, weerhouden: Will you — (for) supper? = blijven soupeeren; We are —ing at the sign of the Ship = logeeren in het logement “Het Schip”; You are —ed for = men wacht op u; To — in = binnenblijven, nablijven (op school); If you — out beyond eleven, you shall — in to-morrow = uitblijft, blijft ge morgen thuis; To — up at the University = niet met vacantie gaan; I will — up for you = voor je opblijven; The ship was in —s, was hove in —s = lag in de wending; The vessel missed —s = weigerde te wenden; He is a sad —-at-home (man) = een echte huishen; —lace = korsetveter; —-maker = korsetmaker; —-sail = stagzeil; —er = fietser met veel —ing-power (= uithoudingsvermogen).
Stead, sted, subst. plaats, plek, stede, nut, voordeel; — verb. van dienst zijn, te stade komen: It has done me —, stood me in good — = heeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen; In — of = in plaats van; Steadfast, stedfast, standvastig, vastberaden, onwrikbaar; subst. —ness.
Steadiness, stedinəs, subst. v. Steady.
Steading, stediŋ, hofstede (Schotl.).
Steady, stedi, vast, onveranderlijk, geregeld, oppassend; — verb. geregeld of bestendig maken (houden, loopen, gaan): A — young man = soliede jonge man; —-going = kalm, bedaard; The prices were —ing = werden vast.
Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc.
Steal, stîl, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: He stole a look at her = wierp een steelschen blik op; We have stolen a march upon you = zijn u vóór geweest, hebben u de loef afgestoken; To — a marriage (match) = (schaken, om) in ’t geheim (te) trouwen; He stole into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us = besloop ons; —er; Stealth, stelth: By — = ter sluiks, steelswijze; —iness, subst. v. —y, stelthi, sluipend, heimelijk.
Steam, stîm, subst. stoom, uitwaseming; — verb. stoomen, dampen, door stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen, razen: Within a day’s — of Madeira = stoomens; At full — = With all the — on = met vollen stoom; To blow off the — = laten vliegen, laten uitrazen; You must try to get — up = stoom zien te maken; op gang zien te komen; I have got (the) — up = ik ben klaar, bereid; To have the — on = stoom op hebben; To put (turn) on — = toelaten; zich inspannen; The potatoes were —ed instead of boiled = werden gaar gestoomd; —-bath; —boat = stoomboot; —-boiler = stoomketel; —-carriage = stoomwagen; —-cylinder; —-dome = stoomhouder; —-engine = stoommachine; —-gauge = manometer; —-hammer = stoomhamer; —-heat = verwarming door stoom: He intends to put in —-heat = zijn huis centraal te verwarmen; —-heating = centrale verwarming; —-launch = stoombarkas; —-navigation = stoomvaart; —-packet = mailboot; —-plough; —-press; —ship = stoomschip; —-tug = sleepboot; —-valve = stoomklep; —-vessel = groot stoomschip; —-whistle = stoomfluit; —er = stoomboot, stoomkoker, stoombrandspuit: Horse (Motor) —er = door paarden getrokken (motor) stoombrandspuit; —y = vol stoom, mistig.
Stearin, stîərin, stearine: — candle.
Steatite, stîətait, speksteen.
Steed, stîd, (strijd)ros: While the grass grows the — starves = al pratende gaat de gelegenheid voorbij; Iron (Steel) — = rijwiel.
Steel, stîl, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal, vuurstaal; adj. stalen, als staal; — verb. stalen, (ver)harden: I am —ed against adversity = gehard tegen; — your heart with courage = staal uw hart met moed; —-clad = gepantserd; — engraving = staalgravure, het graveeren op staal; —-headed = met stalen hoofd (kop); —-pen = stalen pen; rok; —-plated = met platen van staal bedekt; —-spring = stalen veer; —-trap = val met stalen veeren; —-wire = staaldraad; —works = staalfabriek; —-yard = unster; —y = van staal gemaakt, als staal, hard, onbuigzaam.
Steep, stîp, subst. steilte, afgrond; loog, vloeibare mest; adj. steil, moeilijk, onwaarschijnlijk; — verb. indoopen, bevochtigen, doorweken, roten: To put the clothes in — = in de week; That sounds very —; —ed in blood = in bloed gedoopt; met bloed doorweekt; —en = steil(er) worden; —ness = steilheid.
Steeple, stîp’l, toren met spits; —chase = wedren met hindernissen; —chaser = paard of ruiter voor dien wedren; —-jack = iemand die torens of schoorsteenen repareert.
Steer, stîə, subst. jonge os; —s = runderen (Amer.); — verb. castreeren.
Steer, stîə, verb. sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be wellnigh impossible to — clear of all these vessels = om al deze schepen vrij te loopen; He —ed his course for Scotland = zette koers naar; Steerage, stîridž, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek; —-passenger = tusschendekspassagier; —-way = voldoende snelheid om te kunnen sturen; Steerer = stuurman, stuur, klantenlokker (Amer.); Steering = het sturen: —-chain, —-gear = stuurketting, stuurtoestel; —-handle = stuur; —-wheel = stuurrad; Steersman = roerganger.
Steeve, stîv, hellen (van den boegspriet), stouwen; Steeving = hoek van den boegspriet met den horizon.
Stellar, stelə, vol sterren, met sterren bezaaid, stervormig, sterren.... = —y; Stellate, stelit, stervormig, gestraald: — aniseed = steranijs; Stelliferous = vol sterren; Stelliform = stervormig; Stellular, steljulə, met sterretjes bezet, stervormig.
Stem, stem, subst. stam, stengel, steel, geslacht, tak, loot, buis, boeg, voorsteven; — verb. tegenhouden, zich verzetten, strippen: A stream of moonlight, no thicker than the — of an arrow = de schacht van een pijl; From — to stern = van vóór- tot achtersteven; To — tobacco = strippen; To — the tide = zeilen tegen tij of stroom; —-leaf = stengelblad; —-winder = remontoir-horloge; —less.
Stench, stenš, stank; —y = stinkend.
Stencil, stensil, schabloon; — verb. met behulp van een schabloon merken of verven.
Stenograph, stenəgraf, stenogram, stenograph, teeken; —er, stənogrəfə, stenograaf; —ic, stenəgrafik, stenografisch; —y, stənogrəfi, stenographie.
Stentor, stentö, Stentor; adj. —ian, stentôriən: — voice.
Step, step, subst. stap, trede, trap, sport, tred, pas, graad (—s = stoep, huistrap); — verb. stappen, voortschrijden, uitsnijden (it), afstappen, afleggen, inzetten: To follow (walk) in the —s of a person = iemands voetstappen drukken; To keep — = in den pas blijven; I cannot keep — with him = hem niet bijblijven; With these allies ministers have to keep — in the line of march they have chosen = rekening te houden; To make a false —; To take the necessary —s = stappen doen (fig.); — by — = voetje voor voetje; Flight of —s = bordes, stoep; She could wash —s = de stoep “doen”; I —ped after him = ging hem achterna; Here my brother —ped in = kwam tusschenbeide, sprak een woordje mee; He —ped into his property = aanvaardde; —brother = stiefbroer; —child; —-dance = horlepijp, klompendans; —father; —-girl = dienstmeisje voor ruw werk, om b.v. de stoep schoon te houden; —mother = stiefmoeder; —sister; —son; —ped: —ped gables = trapgevels; —ping: —ping-stone = steenen in beek of moeras om op te stappen; middel ter bereiking v. een doel: This post became a —ping-stone to greater honour = baande den weg tot grootere eer.
Stephano, stefənou. Stephen, stîv’n; Stephenson, stîv’ns’n.
Steppe, step, steppe.
Stercoraceous, stɐ̂kəreišəs, als mest, van mest, mest ...
Stere, stêə, stîə, stère.
Stereo, steriou, stîriou, verk. van Stereotype; Steriometer, steriomətə, stiriomətə, stereometer; adj. Stereometric(al); Stereometry, steriomətri, stîriomətri, stereometrie; Stereoscope, steriəskoup, stîrəskoup, stereoscoop; adj. Stereoscopic; Stereotype, steriətaip, stîriətaip, subst. steriotiepplaat; — verb. stereotiep drukken: Here a man gets soon —d = begint te vegeteeren.
Sterile, ster(a)il, onvruchtbaar, dor, hol, leeg, steriel; Sterility = onvruchtbaarheid, armoede van geest, steriliteit; Sterilization, subst. v. Sterilize, sterilaiz, onvruchtbaar maken, uitputten van land, steriliseeren.
Sterlet, stɐ̂let, kleine steur (Rusland).
Sterling, stɐ̂liŋ, adj. echt, onvervalscht, zuiver, degelijk: A pound — = 20 shillings.
Stern, stɐ̂n, subst. achtersteven, spiegel, hek, achterschip, achterste en staart (van dieren): To sit at the — of state = aan het roer van staat; —-board = achterwaartsche beweging van een schip; —-chase = jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen; —-chaser = kanon op het achterschip; —-fast = meertouw aan den achtersteven; —-port = spiegelpoort; —-post = achtersteven; —-sheets = stuurstoel; —-way = achterwaartsche beweging van een schip; —-wheel = enkel scheprad aan den achtersteven eener stoomboot; —-wheeler = stoomboot met —-wheel; —most = geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven.
Stern, stɐ̂n, ernstig, streng, onstuimig, hardvochtig: To repress with a — arm = met den sterken arm (fig.); — necessity; subst. —ness.
Sternal, stɐ̂n’l, behoorende tot het Sternum, stɐ̂n’m, borstbeen.
Sternutation, stɐ̂njuteiš’n, het niezen; Sternutatory, stɐ̂njûtətəri, het niezen opwekkend; niesmiddel.
Stethoscope, stethəskoup, stethoscoop; adj. Stethoscopic(al).
Stevens, stîvənz; Stevenson, stîvəns’n.
Steve, stîv, stuwen, stouwen; Stevedore, stîv’dö, stuwadoor: Dockers and —s = dokwerkers en stuwadoors.
Stew, stjû, subst. dampbad, verlegenheid, oesterbank (Amer.), gestoofd vleesch of eten, brouwsel (—s = bordeel); — verb. stoven, braden (het warm hebben), blokken: All that — of calumny and envy = al dat brouwsel van laster en nijd; Everything is in a — = in beroering; You have made a — of it = den boel verknoeid, er een “potje” van gemaakt; —-pan; —-pot.
Steward, stjûəd, rentmeester, opzichter, hofmeester, bottelier, ceremoniemeester: Lord High — of England = hoog ambtenaar voor bijzondere gelegenheden (kroning bijv.) benoemd; —ess = hofmeesteres; —ship = betrekking van —.
Steyne, stain.
Stibium, stibiəm, antimonium, spiesglans.
Stick, stik, subst. stok, pijp, hark (fig.), roede, rijsje, viool(trommel)stok, haak, stoot, stilstand; — verb. doorsteken, steken, vaststeken, prikken, kleven, blijven steken, stokken; plakken, blijven, getrouw blijven: Rather a — of a girl = nogal een houterige meid; A — of sealing-wax = pijp lak; Composing — = zethaak; She was as cross as two —s = zoo boos als een spin; To have hold of the — = het heft in handen hebben; To cut one’s — = er uit snijden; It is easy to find a — to beat a dog; To leave neither — nor stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; — no bills = verboden hier iets aan te plakken; He —s the bits together = lijmt de stukken aan elkander; They stuck their heads (wigs) together = staken de koppen bij elkaar; — a pin there! = steek daar een speldje bij, onthoud dat; To — pins upon a person’s sleeves = iemand likken (fig.); To — placards on a wall = biljetten op een muur plakken; We will “— it”, come what may = ten einde toe volhouden; He is as clever as he can — = door en door helder; The window —s a bit = klemt; He —s like a bur = hangt (aan iemand) als een klis; He —s at nothing = hij staat voor niets = He is a —-at-nothing fellow; He —s at no scruples = gewetensbezwaren kent hij niet; He —s by us = hij steunt ons getrouw; To — in the mire = in den modder blijven zitten, in de klem zitten; —-in-the-mud = treuzel; You — it on rather too stiff = overvraagt wel wat erg; He —s out to the last = hij houdt vol, weigert; I have stuck out an excellent plan = ontworpen; He stuck out his legs = stak uit; They — out their stomachs = zetten eene hooge borst op; His ears — out = staan ver van het hoofd; He —s to his work, and —s to his friends = volhardt in zijn werk, en blijft zijnen vrienden getrouw; To — up = rechtop of overeind staan: I will — up for you as long as I possibly can = het voor u opnemen; —-up collar = vadermoorder; — and groove = middel om vuur te maken door een puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer te bewegen; —-fast = soort lijm; plakker, klis; —-jaw = kleverige lekkernijen; —er = incourant artikel (Amer.); Sticking: —-plaster = hechtpleister. Zie Sticky.
Stickle, stik’l, de partij opnemen van, hardnekkig op kleinigheden staan, aarzelen: Why should you — to going to them = waarom zoudt ge bezwaren maken; You should not be stickling about the rights of others = bezwaren opwerpen omtrent; —r = ijveraar, vormelijk mensch: He was a —r for the dignity of the church = hij ijverde voor; She is a —r for old-fashioned gallantry = zij is erg gehecht aan.
Stickleback, stik’lbak, stekelbaarsje.
Sticky, stiki, kleverig: Hints for the — season = wenken voor het natte, vochtige seizoen.
Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is — at first = valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty — = vrij moeilijk; I gave it him pretty — = heb hem duchtig geraakt; He was — in such points = stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but it shall be a — one = maar het zal een sterke grog zijn; They made their — in America = hun geld; — country = taaie, voor paarden zware bodem; — pace = flinke gang; We sold them at — prices = voor hooge prijzen; — and stark = stijf en strak; He is as — as a poker = zoo stijf als een stuk hout; —-necked = eigenzinnig; subst. —-neckedness; Stiffen = verstijven, hard worden; aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf (hardnekkig) maken, stijven: To — cloth with starch = stijven; To — one’s neck = halsstarrig worden; —er = wie of wat stijf maakt; Stiffish = eenigszins stijf; Stiffness = stijfheid, etc.
Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de knieschijf van paarden.
Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was stifling = het was om te stikken.
Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij insecten); adj. —tic, stigmatik; —tization, subst. v. —tize, —taiz, brandmerken, schandvlekken.
Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the — = een zetje geven, een handje helpen.
Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all — and mask = was in geen enkel opzicht te vertrouwen.
Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj. stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); — verb. stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie (sit, stand) —; I sat as — as — = doodstil; — waters run deep = stille waters hebben diepe gronden; —-born = doodgeboren, ontijdig, zonder succes; —-life = stilleven; —-room = distilleerkamer; provisiekamer, dienkeuken; —iform = druppelvormig; —ness = kalmte, stilte.
Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child —? = is hij niet nog een kind? He was — not coming = hij kwam nog maar niet.