Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 80
Obvious, obviəs, duidelijk, klaarblijkelijk, in ’t oog springend: To be — (to the eye); To be — to all the world = voor iedereen duidelijk; subst. —ness.
O’Callaghan, əkaləh’n.
Occasion, okeiž’n, subst. gelegenheid, gunstig oogenblik, aanleiding, reden, behoefte, noodzakelijkheid; — verb. veroorzaken, aanleiding geven: By, Upon — = bij gelegenheid; On that — = bij die gelegenheid; On — = van tijd tot tijd, desnoods; To have — for = noodig hebben; You have no —! = geen dank! He has no — to be told such a thing = zoo iets behoeft men hem niet te zeggen; I had — to look the passage up = het was noodig, dat; There is no — for you = geen aanleiding; To give — = aanleiding geven; He improved the — = maakte zich de gelegenheid ten nutte; sprak een stichtelijk woord; He rode the — to death = hij maakte misbruik van; He rose to the — = hij bleek berekend voor zijn taak, hield zich flink = He was equal to the —; He took (the) — by the forelock = hij greep de gelegenheid aan; —al = toevallig, als de gelegenheid zich voordoet, gelegenheids..; subst. los arbeider: —al chair (—al table) = fantasie stoeltje (tafeltje); I see him —ally = zoo nu en dan ontmoet ik hem wel eens.
Occident, oksident, Westen; —al, oksident’l, westersch, westelijk; van mindere voortreffelijkheid (van edelgesteenten).
Occipital, oksipit’l, achterhoofds...; Occiput, oksipɐt, achterhoofd.
Occlude, oklûd, sluiten, stoppen, absorbeeren; subst. Occlusion, oklûž’n.
Occult, okɐlt, verborgen, geheim; — verb. verbergen, verduisteren; —ism = occultisme; —ness = verborgenheid.
Occupancy, okjupənsi, bezitneming, bezit; Occupant = bezitnemer, bezitter, bewoner, aanwezige; inzittende; Occupation, okjupeiš’n, bezetting, bezigheid, beroep, ambacht: By — = van beroep; Army of — = bezettingsleger; —-bridge = verbindingsbrug tusschen 2 door een spoorlijn gescheiden stukken land; —-road = particuliere weg; Occupier, okjupaiə = Occupant; Occupy, okjupai, bezetten, bezitten, innemen, vullen, bezighouden, aanstellen, gebruiken, bewonen, handelen.
Occur, okɐ̂, voorkomen, gebeuren, aantreffen, invallen, opkomen: It —s to me that more might have been done = het wil mij voorkomen; It didn’t — to me until it was too late = kwam eerst bij mij op; Occurrence, okɐr’ns, gebeurtenis, voorval.
Ocean, ouš’n, Oceaan; —ic, oušianik, oceaan.., buitengewoon groot; —ia, ousianiə, ousieiniə = de eil. v. de Stille Zuidzee; —ides, oušianidîz, Oceaniden; —us, ousîənɐs, Oceanus.
Ocellated, əselətid, osəleitid, met oogvormige punten of vlekken.
Ochlocracy, oklokrəsi, bestuur door het gepeupel; adj. Ochlocratic, okləkratik.
Ochre, oukə, oker, geeltje (gouden munt); — verb. met oker verven; —ous, oukriəs, okerachtig, oker bevattend = Ochrey, oukri.
O’clock, əklok: Five — = vijf uur; He knows what’s — = hij weet hoe laat het is, hij weet bescheid, is op de hoogte; The thing went off like one — = het ging van een leien dakje.
Octagon, oktəgon, achthoek; Octagonal = achthoekig.
Octahedral, oktəhîdr’l, oktəhedr’l, achtvlakkig.
Octangular, oktaŋgjulə, achthoekig.
Octant, okt’nt, octant; cirkelboog van 45o.
Octave, okteiv, oktəv, octaaf.
Octavia, okteiviə; Octavius, okteiviəs.
Octavo, okteivou, octavo: Large —.
October, oktoubə, October; soort sterk bier.
Octodecimo, oktoudesimou, 18o (18 bladen of 36 bladzijden in een vel).
Octogenarian, oktədžənêrj’n, subst. en adj. 80-jarig(e).
Octopod, oktəpod, achtpootig, ook subst. = Octopodan.
Octopus, oktoupəs, oktəpɐs, poliep met 8 armen.
Octosyllabic, oktəsilabik, achtlettergrepig; Octosyllable, oktəsiləb’l, oktəsiləb’l, woord van acht lettergrepen.
Octroi, oktrôi, octrooi, octrooibureau.
Octuple, oktjup’l, achtvoudig.
Ocular, okjulə, oog..., zichtbaar; subst. oculair: — witness = ooggetuige; Oculist, okjulist, oogarts.
Odalisk, Odalisque, oudəlisk, odalisk.
Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tweede ontbreekt, eenzaam, afgelegen, vreemd, raar: — boy = jongmaatje; The Independent Order of —-fellows = een genootschap tot aankweeking van onderlinge vriendschap en het verschaffen v. onderlinge hulp, opgericht in de 18de eeuw; — gloves = linker en rechter handschoen, die geen paar vormen; — hand = los werkman; — job = (los) karweitje; An — lot = rommeltje, zootje; — man = los werkman, invaller; An — kind of man = vreemde snuiter; The — man of the family = de eenige ongetrouwde; At — times = zoo nu en dan eens; The — trick (bij het whistspel) = trek boven de zes; I have an — volume of Chambers’ Cyclopaedia = ik heb een enkel deel (v. het geheele werk); A fortnight and — days = een dikke veertien dagen; Fifty — guilders = zoowat vijftig gulden; — or even = even of oneven; —s = ongelijkheid, verschil, ongelijke weddenschap of partij, voorgift, waarschijnlijkheid, voordeel, meerdere bekwaamheid, twist, strijd: —s and ends = afval, lappen, stukken en brokken; What is the —s? = wat zou het? It’s no —s = het heeft niets te beduiden; They are at —s = zij zijn het niet eens, hebben standjes; It is within the —s = er is kans op; The —s are that he will come = er bestaat veel kans; The —s are on his side (for him, in his favour) = het voordeel is aan zijn kant; It was long —s in point of strength = de krachten stonden lang niet gelijk; To face fearful —s = het hoofd bieden aan een groote overmacht; To give a person —s = iemand iets voorgeven; I have the —s of you = ik ben je de baas; They had all the —s of number and time on their side = alle voordeel van getal en tijd; To lay the long —s = een ongelijke weddenschap aangaan; To set at —s = tegen elkaar opstoken; To take the —s = de ongelijke weddenschap aannemen; —-conceited = grillig, fantastisch; —-looking = zonderling uitziend; —ity = zonderlingheid, grappigheid, vreemde sijs; —ments = overgebleven stukken en brokken; —ness = zonderlingheid.
Ode, oud, ode.
Odeon, Odeum, ədîon, ədîəm, Odeon, schouwburg-, of concertzaal.
Odious, oudjəs, hatelijk, afschuwelijk, leelijk; subst. —ness; Odium, oudj’m, haat, blaam, verdenking.
Odoacer, odəeisə.
Odometer, ədomətə, afstandsmeter (aan een rijtuig).
O’Donoghue, ədonəgjû.
Odontalgia, oudontaldžiə, tandpijn; Odontalgic = tandpijn - -; tandpijnmiddel; Odontic = tand...; tandmiddel; Odontology, oudontolədži, tandkunde.
Odoriferous, oudərifərɐs, geurig, welriekend; subst. —ness; Odorous, oudərɐs, geurig; subst. —ness; Odour, oudə, geur, reuk, roep, naam: In bad — = te slechter naam bekend; —less.
Odysseus, ədisiəs, ədisiûz; Odyssey, odisî, Odyssee; Oedipus, îdipɐs, edipɐs.
O’er, Zie Over.
Oesophageal, îsəfadžiəl, slokdarm...; Oesophagus, isofəgɐs, slokdarm.
Of, ov, van: He is — age = meerderjarig; Ten years — age = tien jaar oud; — an afternoon = op zekeren namiddag; Be — good cheer = wees vroolijk en hoopvol; He worked at this paper within a fortnight — his death = nog veertien dagen voor zijn dood; He went — himself = ging uit zich zelf; I have not seen much — you — late = je den laatsten tijd niet veel ontmoet; A time — all others = bovenal een tijd; He went there — a Sunday = op een Zondag; I like it — all things = ben er dol op; A man — ten thousand = uit duizenden; Blind — an eye = blind aan ’t ééne oog; Beware — the dog = wacht u voor; All — a heap = alles te zamen, op één hoop.
Off, of, adj., adv. en prep. weg, vandaan, ver, rechtsch; — verb. er uit snijden: Hands —! = afblijven! — with your hat! = je hoed af! — his bedroom = naast; — Dover = op de hoogte van; — duty = vrij van dienst; — the latch = niet in de klink; — the road = van den weg af; — the stage = achter de coulissen; How far is it —? = hoe ver is het? —-and-on = af en aan, op en neer; Neither — nor on = besluiteloos; I am —, gentlemen = Heeren, ik ga weg; To be badly (well) — = het slecht (goed) hebben; To be — one’s head = krankzinnig zijn; To be — one’s legs = vermoeid, slecht ter been zijn, van de been zijn; He came — with a slight wound = ontkwam met; When will the concert come —? = plaatshebben; To dine — the joint = een eenvoudig maal gebruiken met een stuk vleesch waar men zelf afsnijdt; To go — = weggaan, zich in beweging zetten, verdwijnen, sterven: My ball went in — the red = verliep op (Bilj.); He would not let me — sixpence = geen schelling minder geven; I’ll let you — if it’s Van Houten’s Cocoa = je krijgt geen straf als het is; To put — = uitstellen, uittrekken, afzetten; To take — = wegnemen, afzetten (amputeeren), uittrekken (van kleeren): You have taken — his features admirably = merkwaardig goed uitgedrukt; He has a talent for taking — a person’s peculiarities = iemands eigenaardigheden na te bootsen; He took himself — = ging er vandoor; — with you! = maak dat je weg komt; We have a day —, an —-day to-morrow = een vrijen dag; The governor allowed me four days — = vrije dagen; —-chance = kans, uitzicht; —-colour = verbleekt, niet in orde: The diamonds were a little yellow, —-coloured as they say at Kimberley = met gele tint; I do not like his —-hand manner = korte, hooghartige manier; An —-hand shot = een schot uit de vrije hand; To sell —-hand = uit de hand; I killed the animal —-hand = op slag; He recited the poem —-hand = voor de vuist weg; —-handed = —-hand; —-horse = vandehandsche paard; —-licence = “vergunning”, mits de drank niet in het lokaal gedronken wordt; —-load = afladen; —-print = overdrukje; —-reckoning = op het traktement (van militairen) gekort geld; We journeyed for several hours without —-saddling = zonder uit den zadel te komen; —-scouring = afschraapsel, uitvaagsel; —-scum = schuim of uitvaagsel, droesem; London in the —-Season = als het Season over is (Zie Season); —-set, subst. tegenrekening; uitlooper (van bergen), spruit (uit den wortel); — verb. met een tegenrekening voldoen, voorzien in, opwegen tegen: The decrease was —-set by such means; —-shoot = tak (uit den stam); —-spring = kroost, kinderen, spruit, voortbrengsel; —-street = zijstraat; —-time = vrije tijd; —-white = met gelige tint; —ing = deel der zee meer dan halfweg van kust tot horizon; We gained (took) the —ing = wij kwamen in (kozen) volle zee; The steamer stood to the —ing = hield zeewaarts aan; —ish = op een afstand (fig.): On and —ish = nu eens wat beter, dan weer minder; —ward = van de kust afhoudend.
Offal, ofəl, afval, uitschot; adj. waardeloos.
Offence, əfens, beleediging, ergernis, aanval, overtreding: No — = neem me niet kwalijk; You gave — last night = gij gaaft aanstoot, waart beleedigend; To take — at = aanstoot nemen, kwalijk nemen; He takes — very easily = is zeer licht geraakt; Offend, əfend, beleedigen, aanstoot geven, overtreden, schenden, zondigen: He has —ed against the laws of the country = heeft geschonden; He was —ed at it = hij was er over geraakt; —er = beleediger, overtreder, zondaar; Offensive, əfensiv, aanvallend, beleedigend, aanstootelijk, onaangenaam, walgelijk: — and defensive alliance = offensief en defensief verbond; An — smell = walgelijke lucht; He stood on the — = ging aanvallend te werk; subst. —ness.
Offer, ofə, subst. aanbod, aanbieding, voorstel, bod, poging; — verb. aanbieden, offeren, opofferen, bieden, bereid zijn, toevoegen, aandoen, opperen, beproeven, trachten: On — = verkrijgbaar; He made no — to break prison = deed geene poging om uit te breken; To — a stubborn resistance to = hardnekkig weerstand bieden; To — violence = aanvallen; I’ll — to do it if you go me halves = ik ben bereid het te doen als gij half meebetaalt; He never —ed to pay = maakte volstrekt geen aanstalten, mine; He did not — to run away from us = trachtte niet; Many of the prisoners were —ed up by the savages = als offers gedood; —er; —ing = aanbieding, offer(ande); Offertory, ofətəri, offertorium (deel der Mis); offerbus = —-box (—-plate).
Office, ofis, subst. ambt, dienst, bezigheid, functie, plicht, eeredienst, kantoor, bureau, dienstbodenkamer; —s = bijgebouwen; liefdediensten, voorgeschreven gebeden; To be in — = aan het bestuur zijn; To come (get) into an — = een ambt aanvaarden; He gave (tipped) me the — = gaf me een heimelijken wenk, gaf me een tip (sport); To fulfil (perform) the last mournful — = den laatsten droevigen plicht; To leave (retire from) — = aftreden; To take — = een portefeuille, een hoog staatsambt aanvaarden; The Colonial — = het Min. van Koloniën; Holy — = Inquisitie; The Home — = Min. van Binnenl. Zaken; —-badge = insigne; —-bearer = bedienaar van een ambt; —-boy = loopjongen; —-clerk = bediende; —-hour = kantooruur; —-hunter = baantjesjager = —-seeker.
Officer, ofisə, subst. officier (= Military —); dienaar, ambtenaar, beambte, politieagent; — verb. van officieren voorzien, aanvoeren: The —s of the court = griffier en klerken; Custom-house —s = kommiezen; A commissioned — = officier door den koning by Commission (= officierspatent) aangesteld; Non-Commissioned — = onderofficier; Superior — = vlagofficier; Warrant — = uit het korps onderofficieren by Warrant aangestelde officier, als kapelmeester, etc. ongeveer overeenkomend met onze Indische onderluitenants; The army was well —ed = werd goed aangevoerd.
Official, əfiš’l, subst. ambtenaar; adj. ambtelijk, officiëel, ambts...; — duties = ambtsbezigheden; — Gazette = staatscourant; — receiver = curator in een faillissement; The —s = beambten; officiëele berichten; —dom = bureaucratie: The Language of —dom; Officiate, əfišeit, een ambt bekleeden; de godsdienstoefening leiden, officiëeren; Officious, əfišəs, officieus; gedienstig, Úvergedienstig, bemoeiziek; subst.; —ness.
Officinal, əfisin’l, ofisain’l: — plants = geneeskrachtige planten.
Oft, oft, dikwijls: Many a time and — = herhaaldelijk; Often, of’n, vaak, oftən, dikwijls; —ness = herhaaldelijkheid; —times = dikwijls = Ofttimes.
Ogee, ədžî, ojief.
Ogilvie, oug’lvi.
Ogive, oudžaiv, ədžaiv, oudživ, spitsboog.
Ogle, oug’l, subst. wenk, lonk; — verb. toelonken; —r.
Ogre, ougə, weerwolf, boeman; Ogr(e)ish, oug(ə)riš, boemanachtig; vr. Ogress, ougrəs.
Oh, ou, Och! Ach!
Ohio, əhaiou; —an = (bewoner) van O.
Ohm, oum, Ohm (electr.).
Oil, ôil, subst. olie; — verb. olieën, smeren, olieachtig worden: Boiled — = lijnolie; Salad (Table) —; Sweet — = olijfolie; — of roses; To burn the midnight — = tot laat in den nacht studeeren; To go to — = smelten; To pour — on troubled waters = olie op de golven gieten (fig.); To strike — = eene petroleumbron ontdekken; een gelukje hebben; That is like throwing — into the fire = dat is olie in het vuur (fig.); —-bag = vetklier; —-cake = lijnkoek, raapkoek; —-cloth = wasdoek; zeil; —-colour = olieverf (dikwijls —-colours of —s: A good portrait in —s = een goed portret in olieverf); —-cooking (—-heating) stove = petroleumstel (kachel); —-crusher = olieslager; —-lamp; He is in the — and colour line = hij doet in olieën en verfwaren; —man = oliehandelaar = —-merchant; —-mill = oliemolen; —-painting = het schilderen (of eene schilderij) in olieverf; —-press; —-seed; — shale = laag; —-skin = gewaste taf; oliejas; —stone = oliesteen; —-well = olie- of petroleumbron; To — (the hand of) a person = de handen smeren (fig.); She has a well —ed tongue = een gladde tong; —er = smeerder, oliekan; oliejas; —iness, subst. v. —y = als olie, goed gesmeerd, zalvend, glad.
Oillet(te), ôilət, oog (plantk.); schietgat.
Ointment, ôintm’nt, zalf.
O.K., oukei, in orde, klaar, flink: He is — and you had better give him no sauce = een flinke vent (verkorting van Ol Krekt, verbasterd uit all correct), en je moet maar niet brutaal tegen hem wezen.
Okapi, oukâpi, okapi.
Old, ould, oud, vroeger, gewoon, glad, slim: From — = van ouds; From — time = van oudsher; As in days of — = als in vroeger dagen; We have had a gay — time of it = ouderwets plezier gehad; Let’s talk over Boniface and — times = de dagen van weleer; — age = oude dag, hooge leeftijd; The — Country = Engeland; — file = gierigaard; — gentleman (— gooseberry, — Harry, — Nick) = de duivel; He is an — hand = slimme rot; ex-boef; — maid = oude vrijster; — man = ouwe heer, oude jongen, oudje; “den Ouwe” = kapitein; — rye = whiskey; — salt = bevaren matroos; — Tom = sterke jenever; —-beaten = beproefd; —-clothes-man = oudskleer; —-established = oud; —-fangled, —-fashioned = ouderwetsch; subst. —-fashionedness; —-maid = maagdepalm; His —-world ideas = zijne ouderwetsche denkbeelden; —en, adj. voormalig; — verb. verouderen, oud maken; In —en time = in vroeger dagen; —ish = oudachtig; —ness = oudheid; —ster = bejaard heer, ouder lid, midshipman van ’t vierde jaar.
Oldham, ould’m; Oldys, ouldis, ouldz.
Oleaginous, ouliadžinɐs, olieachtig; zalvend.
Oleander, ouliandə, oleander.
Oleograph, ouliəgraf, oleographie.
Oleomargarine, ouliəmâgərîn, kunstboter.
Oleraceous, oləreišəs: — plants = groenten.
Olfactory, olfaktəri, reuk...: — nerves = reukzenuwen; Olfactories = reukorganen, neus.
Oligarch, oligâk, lid van eene oligarchie; —ic(al), oligâkik(’l), oligarchisch; Oligarchy = oligarchie.
Olio, ouliou, ouljou, mengelmoes, potpourri, soort haché.
Oliphant, olif’nt.
Olivaceous, oliveišəs, olijfkleurig; Olivary, oliv’ri, olijfvormig; Olive, oliv, subst. olijf, olijfgroen; adj. olijf...: The Mount of —s = De Olijfberg; —-branch = olijftak (ook fig.), kind (Ps. CXXVIII, 3); —-oil = olijfolie; —-tree; —-yard = olijfberg.
Oliver, olivə: To give a Ro(w)land for an — = met gelijke munt betalen; Olivia, əlivjə.
Olivet, olivət, oliviënkorrel.
Olla, olə, aarden kruik, poreuze kruik: — podrida, pədrîdə, Spaansche schotel (fijn gehakt vleesch in groenten gestoofd). Zie Olio.
Olmsted, omstəd, ɐmstəd.
Olympia, əlimpiə; Olympiad = Olympiade; Olympian = Olympisch, hemelsch; Olympiër; Olympic = Olympisch: — games = O. spelen = —s.
Omasum, əmeis’m, boekpens, bladmaag.
Omber, Ombre, ombə, omberspel.
Ombrometer, ombromətə, regenmeter.
Omega, əmegə, əmîgə, ouməgə, omega, einde.
Omelet(te), oməlet, eierstruif: One cannot make —s without breaking eggs = zonder moeite (opoffering) heeft men niets.
Omen, oum’n, subst. voorteeken; — verb. vóórbeteekenen, aankondigen; Ominous, ominɐs, onheilspellend; subst. —ness.
Omissible, əmisib’l, weglaatbaar; Omission, əmiš’n, weglating, verzuim: This is a fault of — rather than of commission = de fout bestaat meer in de weglating dan in een bepaalde onjuistheid; Omissive = verzuimend, weglatend; Omit = nalaten, weglaten, verzuimen; Omittance: — is no quittance = uitstel is geen afstel.
Omnibus, omnibɐs, omnibus; hulpkellner; —-bill = wetsvoorstel omtrent allerlei verschillende zaken (Am.); —-box = loge avant-scène; —-conductor; —-driver.
Omnipotence, omnipətens, almacht; adj. Omnipotent.
Omniprescence, omniprez’ns, alomtegenwoordigheid; adj. Omnipresent.
Omniscience, omnišəns; alwetendheid; adj. Omniscient.
Omnium-gatherum, omniəmgadhərɐm, allegaartje.
Omnivorous, omnivərɐs, allesetend, alverslindend.
Omoplate, ouməpleit, oməpleit, schouderblad.
Omphalocele, omfələsîl, navelbreuk.
On, on, op, van, naar, tot, te: To be — = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get — = aantrekken; To go — one’s way = voortgaan, zijns weegs gaan; To have — = aanhebben; We left cards — them = gaven onze kaartjes af; The policeman’s “Move —, please” = “doorloopen asjeblieft”; To place — one side = links laten liggen; — account of = wegens; — an average = gemiddeld; — condition = onder voorwaarde; — the contrary = integendeel; — fire = in brand; — foot = te voet; — the one hand, the other hand = eenerzijds, anderzijds; — all hands = van alle kanten; — high = omhoog; — horseback = te paard; — pain of death = op straffe des doods; — purpose = opzettelijk; — the quiet (— the sly) = in stilte, (stiekum); — this side = aan dezen kant; — a sudden = plotseling; Swallows — the wing = vliegende zwaluwen; And so — = enzoovoort; —-come = aanval; —-comer = naderend persoon; —-coming, onkɐmiŋ, naderend, aanstaand; subst. nadering; —-going, on-gouiŋ, voortgang; —-goings = Goings-on; —-looker = toeschouwer.
Onager, onəgə, onədžə, wilde ezel.
Onanism, ounənizm, zelfbevlekking; Onanist.
Once, wɐns, eenmaal, eens: When the war is — over = goed en wel over is; Do it at — = dadelijk; He was at — my friend and colleague = tegelijk; — again = nog eenmaal; — and again = nu en dan (zelden); — for all = eens en voor al; — more = nog eens; — in a while = nu en dan, zelden; — upon a time there was = er was er eens; For this — = voor dezen enkelen keer; For — (in a way) = bij uitzondering, wel eens enkel; Never — = niet eenmaal; That — = voor dien keer; (When) — = zoodra, toen eenmaal; — a freemason, always a freemason = eens maçon altijd maçon; — is no custom = eenmaal is geenmaal.
One, wɐn, subst. zeker iemand, éénheid; adj. een, enkel, ongedeeld, men, zekere: — and none is all — = eenmaal is geenmaal; — day = op zekeren dag; — Williams = een zekere W.; — more = nog een; He is the — person who hates it = juist de man; — with another = door elkaar genomen; — way and another = alles te zamen genomen, wel beschouwd; — in a hundred = uit; I for — = ik voor mij; — and all = allen te zamen; All in — = uit één stuk; It’s all — to me = ’t is mij hetzelfde; To be at — = verzoend zijn; To be at — (with) = het eens zijn; I was within — of missing the scene = het was er “an toe”, of ik had het tooneel gemist, niet gezien; To be — and — = één zijn; We shall have to place this on — side = ter zijde moeten zetten, links moeten laten liggen; My little —(s) = kleintje (kindertjes); The great —s of this world = de grooten; The duck and her young —s = de eend en hare jongen; —-armed = éénarmig; —-eyed; That is a —-horse affair (show) = dat is een onbeteekend zaakje, armoedig spulletje; —-legged; Your —-sided views = eenzijdige, partijdige, bekrompen beschouwingen; —-sidedness = eenzijdigheid; —-storied = van één verdieping; —r = een echte, je ware, een kraan; shilling; —ness = éénheid, identiteit.
O’Neary, ənîri; Oneida, ənaidə.
Onerous, onərɐs, zwaar drukkend.
Onion, ɐnj’n, ui; kop; — verb. inwrijven met een ui: To weep with an — = krokodillentranen schreien; —-peel, —-sauce; adj. —y.
Only, ounli, alleen, éénig, enkel, behalve: — bill = solawissel; — for = zonder; — see = kijk eens; — think = denk eens aan; — yesterday = gister nog, pas (eerst) gisteren.
Onomatopoeia, onomətəpîjə, onəmatəpîjə, klanknabootsend woord, klanknabootsing door woorden; Onomatopoeic(al); Onomatopoetic(al) = klanknabootsend.
Onrush, onrɐš, hevige aanval.
Onset, onset, aanval, storm: To give (make) the — = aangrijpen, aanvallen.
Onslaught, onslôt, woedende aanval.
Onslow, onzlou; Ontario, ontêriou: Lake —.
Ontology, ontolədži, ontologie, leer van de algemeene eigenschappen der dingen.
Onus, ounəs, bewijslast = — probandi, — prəbandai.
Onward, onwəd, vooruit, naar voren; voorwaartsch = —s.
Onyx, oniks, ouniks, onyx.
Oof, ûf, geld, “duiten” of centen = —tish.
Ooze, ûz, subst. zachte modder, slijk; — verb. (uit)sijpelen, zacht vloeien, (uit)lekken (out); Oozy = modderig: To be — with = druipen van.
Opacity, əpasiti, ondoorschijnendheid, onduidelijkheid, domheid; ondoorschijnend iets.
Opal, oup’l opaal; —esce, oupəles, kleuren spelen of verspreiden (als een opaal); —escence = schittering van kleuren; adj. —escent; —ine, oupəl(a)in, opaalachtig.
Opaque, əpeik, ondoorzichtig, onduidelijk, dom.