Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 33

Chapter 333,109 wordsPublic domain

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten, ontzetten; verdringen, vervangen; subst. —ment = ook waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling; ontvouwing; — verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken: A — of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; —d = boos (with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst. —ness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; — verb. spelen, dartelen, zich vermaken.

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your — = tot uw dienst, te uwer beschikking; The — in marriage = uithuwelijking; The — by sale = verkoop; Dispose, dispouz, schikken, regelen, uitdeelen, bestemmen, bewegen, beschikken, disponeeren; verkoopen: Man proposes, God —s = de mensch wikt, God beschikt; It was —d of by will = vermaakt bij testament; This house will be —d of by valuation = is te koop voor de geschatte waarde; He —d of his house for half the value = deed van de hand; How will you — of yourself? = wat ga je uitvoeren? He —d on them for the amount of £ 500, to his own order = trok op hen - - -; —d = geneigd, gezind, gestemd: I am not —d to it = niet voor gedisponeerd; He has a disposing mind for it = neiging; Disposition, dispəziš’n, subst. schikking, indeeling, gesteldheid, beschikking, neiging, gezindheid, aard, aanleg: The house is at your — = te uwer beschikking; I had the worst —ed donkey = kwaadwilligste ezel.

Dispossess, dispəzes, uit het bezit verdrijven, berooven, bevrijden: He was —ed from (of) the throne by his brother; subst. —ion.

Dispraise, dispreiz, subst. blaam, verwijt; — verb. laken, berispen, verwijten.

Disproof, disprûf, weerlegging.

Disproportion, disprəpöš’n, subst. wanverhouding, onevenredigheid; — verb. onevenredig maken; —able = —al = —ate = ongelijk, onevenredig; subst. Disproportionality = Disproportionateness.

Disprovable, disprûvəb’l, weerlegbaar, berispelijk; Disprove, disprûv, weerleggen.

Disputable, dispjutəb’l, dispjûtəb’l, betwistbaar; twistziek; Disputant, dispjut’nt, subst. disputant, opponens; adj. betwistend, strijdig; Disputation, dispjuteiš’n, woordentwist; Disputatious = twistziek, tot opponeeren geneigd; Dispute, dispjût, subst. woordentwist, debat, geschil; — verb. twisten, debatteeren, betwisten, verdedigen: Beyond (Past, Without) — = zonder kwestie; To arrange (settle) a — = bijleggen; He —d for the empire = hij betwistte een ander het bezit van; Disputed = betwist.

Disqualification, diskwolifikeiš’n, onbevoegdverklaring, uitsluiting, onbevoegdheid; Disqualify, diskwolifai, onbevoegd (onbekwaam) verklaren (maken), uitsluiten.

Disquiet, diskwaiit, subst. angst, onrust; — verb. verontrusten, kwellen; —ous = angst- of onrustwekkend; —ude = onrustigheid, ongerustheid.

Disquisition, diskwiziš’n, verhandeling, onderzoek; Disquisitional, onderzoekings....

Disraeli, disreili.

Disregard, disrigâd, subst. minachting, verwaarloozing; — verb. geringschatten, in den wind slaan, negeeren; adj. —ful.

Disrelish, disreliš, subst. afkeer, tegenzin; — verb. geen zin hebben in, een afkeer hebben van; tegen maken.

Disrepair, disripêə, verval, bouwvalligheid.

Disreputable, disrepjutəb’l, berucht, schandelijk; Disrepute, disripjût, subst. slechte naam, oneer, schande: To bring into — = To bring — upon = in discrediet brengen; To fall (sink) into — = in kwaden reuk komen.

Disrespect, disrispekt, subst. geringschatting, minachting, oneerbiedigheid; — verb. geringschatten; Disrespectability = onwaardigheid, onsoliditeit; —able = onwaardig, onsolide; —ful = oneerbiedig, onbeleefd, minachtend.

Disrobe, disroub, uitkleeden, berooven.

Disroot, disrût, ontwortelen.

Disrupt, disrɐpt, adj. verbroken; — verb. scheiden, verbreken; —ion = scheiding, splitsing, verbreking, breuk; —ive discharge = plotselinge ontlading.

Dissatisfaction, disatisfakš’n, ontevredenheid; Dissatisfactory = onbevredigend; Dissatisfy = mishagen, niet voldoen, ontevreden maken, teleurstellen.

Dissect, disekt, ontleden, scherp en kritisch onderzoeken; —ing-room (—-table) = snijkamer (—tafel); —ion = sectie, nauwkeurig onderzoek; —or = anatoom, prosector.

Disseise, disîz, uit het bezit stooten; Disseisee = de onwettig uit zijn bezit gestootene; Disseisin, disîzin, wederrechtelijke inbezitneming; Disseisor, disîzə, onwettig bezitnemer; vr. —ess.

Dissemble, disemb’l, verbergen, veinzen, huichelen; —r = huichelaar; Dissembling, huichelachtig; subst. huichelarij.

Disseminate, disemineit, verspreiden, uitstrooien; subst. Dissemination; Disseminator.

Dissension, disenš’n, tweedracht, oneenigheid.

Dissent, disent, subst. verschil (van gevoelen), afscheiding (van eene kerk, de Dissenters); — verb. verschillen (van gevoelen), zich afscheiden; —er = afgescheidene (van de Staatskerk) = —ient, disenš’nt, adj. afwijkend: With one —ient voice = één stem tegen; —ing views = afwijkende meeningen.

Dissertation, disəteiš’n, verhandeling, dissertatie.

Disservice, disɐ̂vis, ondienst, nadeel, schade.

Dissever, disevə, scheiden, afsnijden, splijten; subst. —ance.

Dissidence, disidens, oneenigheid; scheiding; Dissident, afwijkend.

Dissilient, disilj’nt, openspringend.

Dissimilar, disimilə, ongelijk; Dissimilarity, ongelijkheid = Dissimilitude, disimilitjûd, ook: tegenstelling.

Dissimulate, disimjuleit, veinzen; subst. Dissimulation; Dissimulator = huichelaar.

Dissipate, disipeit, verstrooien, verdrijven, weggooien, verkwisten, uitputten, zich verspreiden: —d = liederlijk; Dissipation = verkwisting, losbandigheid.

Dissociate, disoušieit, scheiden; afzonderen; subst. Dissociation.

Dissolubility, disəl(j)ubiliti, disoljubiliti, oplosbaarheid; Dissoluble, disəl(j)ûb’l, disoljub’l, oplosbaar.

Dissolute, disəl(j)ût, losbandig; subst. —ness; Dissolution, disəl(j)ûš’n, smelting, oplossing, dood; Dissolvable = oplosbaar; Dissolve, dizolv, oplossen, scheiden, ontbinden, ophouden te bestaan, sluiten (van vergaderingen): To — partnership = ontbinden; —d in tears = wegsmeltende; Dissolvent, dizolv’nt, oplossend (middel); Dissolving views = lichtbeelden.

Dissonance, disən’ns, wanklank; Dissonant = wanklinkend, afwijkend.

Dissuade, disweid, afraden; Dissuasion, disweiž’n, afrading, ontrading; Dissuasive, disweisiv, ontradend; ontrading.

Dissyllabic, disilabik, tweelettergrepig; Dissyllable, disiləb’l, woord van twee lettergrepen.

Distaff, distaf, spinrok(ken), vrouw(elijk geslacht); —-side = de vrouwelijke linie.

Distance, dist’ns, subst. afstand (ook fig.), tusschenruimte, verschiet, tijdruimte, interval (muziek), afstand van ± 200 M. van den eindpaal (aangewezen door den —-post); — verb. verwijderen, ver achter zich laten: At a — = op een afstand; In the — = in de verte; Out of — = onafzienbaar ver; He keeps his — = hij weet waar hij staan moet; I know my — = weet waar ik staan moet; The jockey has saved his — = had den —-post (200 M. vóór den Winning-post) bereikt, voor de winner aan het einde der baan was (en mocht daarom verder aan de wedrennen deelnemen); That horse was —d = dit paard viel uit, omdat het den —-post nog niet had bereikt, toen zijn mededinger aan den Winning-post was; He was —d = legde het schandelijk af; Distant, dist’nt, verwijderd, afgelegen, koel: He was — and reserved = erg op een afstand.

Distaste, disteist, subst. afkeer, walging: He took a — at it = walgde ervan; —ful = walgelijk, onaangenaam; subst. —fulness.

Distemper, distempə, subst. ongesteldheid (thans vooral bij hond, paard en rundvee); tempera-schilderwerk, waarbij de kleuren met een bindmiddel zijn vermengd; een zoo bereide kleurstof; — verb. in de war brengen, tempera-schilderen; —ed, ongesteld, getroubleerd, ontevreden.

Distend, distend, uitstrekken, rekken, uitzetten, opzwellen: To — a crush hat = laten uitspringen; The horse —ed its nostrils = spalkte open; Distension, Distention, distenš’n, uitzetting, omvang.

Distich, distik, distichon.

Distil(l), distil, in druppels neervallen, zacht vloeien, distilleeren, laten druppelen: —led damnation = volkskanker; —late = distillaat; —lation = distillatie; —latory, distilleer...; —ler = brander; —lery = branderij, stokerij; —ment = —late.

Distinct, distiŋkt, onderscheiden, duidelijk: As — from = geplaatst tegenover; Distinction, distiŋkš’n, onderscheid, onderscheiding, onderscheidingsteeken, aanzien, rang, voornaamheid: Without —ion = zonder onderscheid; Distinguish, distiŋgwiš, onderscheiden, indeelen, kenmerken, zich onderscheiden; Distinguishable = te onderscheiden, opmerkelijk; Distinguished = onderscheiden, aanzienlijk, uitstekend.

Distingué, distiŋgei = Distinguished, ook: regenmantel.

Distort, distöt, verwringen, verdraaien; trekken (van hout); subst. —ion; —ive = verdraaid, verwrongen.

Distract, distrakt, afleiden, afwenden, verwarren, storen (v. de geestvermogens), verbijsteren: —ed = verward, onthutst, dol, razend; —edness = —ion, ook afleiding: He allowed himself no —ion = hij gunde zich geene ontspanning; —ive = verwarrend, verontrustend.

Distrain, distrein, beslag leggen op: He threatened to — for the money = beslag te zullen leggen (op het goed) om het geld te krijgen; —able = waarop beslag gelegd kan worden; —er = hij die beslag legt; —t = beslaglegging (on).

Distraught, distrôt = Distracted.

Distress, distres, subst. droefheid, smart, benauwdheid, ellende, nood, tegenspoed; beslaglegging; — verb. benauwen, ongelukkig maken, beslag leggen: To levy (make, put in) a — = beslag leggen; He is in — for money = heeft geldgebrek; Flag of — = noodvlag; Warrant of — = bevel tot beslaglegging; A —ed ship = schip in nood; —ful = ellendig, jammerlijk; —ing = rampspoedig, pijnlijk.

Distributable, distribjutəb’l, verdeelbaar; Distribute, distribjut, verdeelen, uitdeelen, verbreiden, toebedeelen, sorteeren of distribueeren (van letters); Distribution, distribjûš’n, verdeeling, toebedeeling, sorteering, verbreiding; Distributive, subst. distributief woord (b.v. ieder); adj. verdeelend.

District, distrikt, subst. gebied, streek, afdeeling, district, provincie; — verb. in districten verdeelen (Amer.); —-court = arrondissementsrechtbank (Amer.); —-visitor = armenbezoek(st)er.

Distrust, distrɐst, subst. wantrouwen, verdenking; — verb. wantrouwen, verdenken; adj. —ful; subst. —fulness.

Disturb, distɐ̂b, verstoren, doen afwijken, in wanorde brengen, verontrusten, belemmeren, in beroering brengen: Do not — the sleeping lion = stoor niet; —ance = rustverstoring, stoornis, verwarring, verhindering.

Disunion, disjûnj’n, scheiding, ophitsing, tweedracht; oneenigheid; Disunite, disjunait, scheiden, gescheiden raken, uit elkaar gaan; Disunity = gescheidenheid.

Disuse, disjûs, onbruik, ongewoonte: To come (fall) into — = in onbruik geraken.

Disuse, disjûz, niet meer gebruiken, ontwennen, afnemen.

Ditch, ditš, subst. greppel, sloot, gracht; — verb. eene sloot graven, draineeren, met een sloot omringen: It is as dull as —water = verschrikkelijk langdradig; To die in the last — = zich tot het uiterste verdedigen; I am in a dry — = heb mijne schaapjes op het droge; —er = slootgraver; schip dat door het Suezkanaal vaart.

Dithyramb, dithiram(b), —us, dithirambəs, dithyrambe; adj. Dithyrambic.

Dittander, ditandə, peperkers.

Ditto, ditou, hetzelfde: A suit of —es (does) = een pak kleeren van ééne stof.

Ditty, diti, subst. liedje, deuntje; — verb. zingen, neuriën; —-bag = naaizak (met naalden, garen, etc.).

Diuresis, dai-jurîsis, sterke urineafscheiding; Diuretic, dai-juretic, urine-afscheidend (middel).

Diurna, daiɐ̂nə, dagvlinders, kapellen; —l, daiɐ̂n’l, dagelijksch, dag...; subst. dagboek.

Divagation, daivəgeiš’n, afwijking, afdwaling, weiding.

Divan, divan, staatsraad (Turkije); raadzaal; rechtszaal; Turksch koffiehuis; rookkamer, sofa; verzameling gedichten.

Divaricate, daivarikeit, adj. gevorkt; — verb. zich vertakken, in twee takken scheiden, zich afwenden van; subst. Divarication.

Dive, daiv, subst. duiking in het water met het hoofd vooruit, plotselinge greep; dievenhol; — verb. duiken, zich verdiepen, doordringen: He made a — for it = hij dook (greep) ernaar; —r = zeeduiker; zakkenroller.

Diverge, d(a)ivɐ̂dž, divergeeren, afwijken; subst. —nce; —nt opinions = afwijkende.

Divers, daivəz, daivəs, verscheidene, ettelijke; Diverse, d(a)ivɐ̂s, daivəs, onderscheidene; Diversification, verscheidenheid, verschil, verandering; Diversiform = van verschillenden vorm; Diversify = varieeren, afwisselen; Diversion, d(a)ivɐ̂š’n, afleiding, uitspanning, vermaak; schijnbeweging, verlegging: To create a — = eene afleiding bezorgen; Diversity, d(a)ivɐ̂siti, verscheidenheid, ongelijkheid.

Divert, d(a)ivɐ̂t, afleiden, afbrengen van, vermaken; eene schijnbeweging maken; —ing = vermakelijk; —isement = amusement; —ive = vermakend.

Dives, daivîz, de rijke man.

Divest, divest, ontdoen, berooven, ontblooten; zich afwennen (= oneself); Dives(ti)ture, dives(ti)tjə, berooving (van bezit of recht); —ment = het beroofd zijn (worden).

Divide, divaid, verdeelen, deelen, verleggen, scheiden, openen, splijten, in tweeën gaan; stemmen; subst. (water)scheiding: To — the House = een stemming houden (in ’t Lagerhuis); Dividend, divid’end, deeltal, dividend: —-warrant = dividendbewijs; Divider = deeler: —s = passer om lijnen in een zeker aantal gelijke deelen te verdeelen.

Divination, divineiš’n, voorspelling, voorgevoel; adj. Divinatory; Divine, divain, subst. godgeleerde, geestelijke; adj. goddelijk, hemelsch, buitengewoon, voortreffelijk; — verb. voorzèggen, gissen, raden: — service = godsdienstoefening; subst. —ness; Divining-rod = tooverroede (om te ontdekken waar water onder den grond wordt gevonden).

Diving: —-bell, daiviŋbel, duikerklok; —-dress = duikerspak.

Divinity, diviniti, god(delijk)heid, godgeleerdheid: A — student; Divinify, divinifai, vergoddelijken.

Divisibility, divizibiliti, deelbaarheid; Divisible = deelbaar; Division = verdeeling, verdeeldheid, deeling, afdeeling, scheiding, schot, aandeel, divisie, stemming; Divisional = afdeelings..; Divisor = deeler.

Divorce, divös, subst. echtscheiding; — verb. scheiden (van den echt): — from bed and board = scheiding van tafel en bed (ook Judicial separation genoemd); Bill of — = vonnis van echtscheiding; He —d her = liet zich van haar scheiden; —r = scheidingsmotief.

Divulge, divɐldž, onthullen, openbaar maken, verspreiden.

Divulsion, divɐlš’n, vaneenscheuring.

Dizen, daiz’n, zich optooien (out).

Dizziness, dizinəs = duizeligheid; Dizzy, dizi, adj. duizelig, duizelingwekkend; onnadenkend; — verb. duizelig maken, ronddraaien, verwarren.

Do, dû, subst. handeling, daad, moeite, drukte, bedrog; maal; — verb. doen, verrichten, volvoeren, gereedmaken, voleindigen, zich gedragen, zich bevinden, voldoende zijn, enz.: I have done my — = het mijne gedaan; It was all a — = bedrog, afzetterij; To make a great to-— = veel drukte maken over; There’s nothing to — but yielding = niets anders aan te doen dan; I will have nothing to — with him = te maken hebben; What’s to — = wat is er aan de hand? That will — = zoo is ’t goed; These will — = zijn goed; That will not — with me = gaat bij mij niet op; How do you —? = hoe gaat het? He did me on a wager = nam mij beet met; Could you — me some fifty pounds? = zoowat 50 l. leenen? We — these at a shilling a piece = verkoopen; He did himself away = beging zelfmoord; We did away with it = schaften het af; — by others as you wish to be done by = doe anderen, zooals gij wenscht, dat men u zal doen; To — for = zorgen voor, voldoende zijn; beetnemen; What can I — for you? wat is er van uw dienst? We have done for him = He was done for by us = wij hebben hem zijn vet gegeven, totaal verslagen; He did me for three thousand pounds = zette mij af; These things will — for fly-catchers = kunnen dienen als; She was done in stone = gebeeldhouwd; Done into English = overgezet; He did off all his array = legde ter zijde; I am not going to be done out of it = laat me niet ontnemen; He has done me out of £ 3000 = armer gemaakt; The house was done up = opgeknapt, gerepareerd; She has done him up = is hem te slim af geweest; To — up a parcel = vastbinden, toebinden; To be done up (knocked up) with the heat = kapot van; I am —ne with you for ever = je hebt voor goed bij mij afgedaan; I have —ne with him = met hem afgerekend; Have you done with the umbrella? = moet je de parapluie nog gebruiken? I can — without it = kan er buiten, wel zonder; To — battle for = strijden voor; To — the beds = doen; To — bills = wissels realiseeren; She did her hair = maakte op; To — Hamlet = spelen voor; Is your sister game to — the housekeeper = is uwe zuster geschikt (heeft ze lust) om de rol van huishoudster te spelen; We did the Isle of Wight in three days = reisden het eiland Wight rond; To — like for like = met gelijke munt betalen; To — paper = effecten, enz. omzetten; To — a room = doen; She was done brown = leelijk beetgenomen; To — the grand = den heer uithangen; To — the polite = zich zeer vriendelijk aanstellen; You — me proud = ik ben trotsch op je; I’ll — you right (reason) = bescheid; They’ve done splendidly = zich kranig gehouden; To — well = er goed aan doen; het goed maken; Done = fiat, afgesproken; klaar; Have done = schei uit; We are done (with it) = klaar; We were done at three o’clock = 3 uur waren wij klaar; To be done to death = ter dood gebracht; The meat was done to a turn = prachtig gebraden; A well-to-— man = welgesteld; A never-—-well = een wildzang; A —-all = duivelstoejager; —-nothing = luilak, doeniet; adj. nietsdoend; subst. —-nothingness = nietsdoen, laissez-faire; Doing: Fine —s these! = een mooie boel! There is not much — aan de hand.

Do, dou, ut of do (toonschaal); verkorting van ditto: Connubial —es = trouwpak.

Doat, dout: Z. Dote.

Dobbie, dobi, nar; een geest of kabouter (Noord Eng.).

Dobbin, dobin, oud werkpaard.

Dobell, dəbel.

Docible, dosib’l, Docile, do(u)s(a)il, leerzaam, handelbaar; subst. Docility.

Dock, dok, subst. dok, stompje, pit (van de paardestaart), afgekorte staart; zuring; bank der beschuldigden; — verb. afsnijden, kortstaarten, verminderen, afschaffen, dokken (van een schip): A (close-)—ed tail; —-charges, —-dues = dok- of havengelden; —-master = havenmeester; —-warrant = geleibiljet, ceel; —yard = scheepswerf; —age = gelegenheid om te dokken; dokgeld; —er = dokwerker.

Docket, dokət, subst. korte inhoud, lijst der aanhangige rechtszaken of uitspraken; adreskaart (aan goederen), etiket; — verb. een korten inhoud maken, briefjes of nummers plakken op, den inhoud van een stuk op de rugzijde vermelden, adresseeren: To strike a — = eene faillietverklaring aanvragen.

Doctor, doktə, subst. doctor, dokter, leeraar; middel om wijn te vervalschen; — verb. promoveeren, medicineeren, beter maken; vervalschen: He —ed us in the cholera days = behandelde ons; I live by —’s rule = op dieet; —s’ Commons, zie Commons; —’s-stuff = medicijnen; —al = doctoraal; —ate, doktərit, subst. doctoraat; —ate, doktəreit, verb. doctoreeren, promoveeren; —ess = doctores; —ship = —ate.

Doctrinaire, doktrinêə, adj. doctrinair; ook subst.; Doctrinal: — theology = dogmatiek; Doctrine, doktrin, leer, leerstuk, dogma.

Document, dokjument, subst. bewijsstuk, document; — verb. documenteeren; Documental = Documentary: — evidence = schriftelijke getuigenis; — proof of one’s election = geloofsbrieven.

Dod, dod, afsnijden, scheren (van wol).

Dodder, dodə, warkruid; —-grass = trilgras.

Dodder, dodə, beven, trillen: To — about = rondstrompelen; —ing fears.

Doddle, dod’l, waggelen: A doddling old dotard = een strompelende oude sufferd.

Dodecagon, dədekəgon, twaalfhoek.

Dodge, dodž, subst. plotselinge zijbeweging, kunstgreep, list, streek; — verb. plotseling opzij springen, ontwijken, uitwijken, uitvluchten bedenken, voorzichtig rondsluipen, slenteren, vermijden, als een schaduw volgen, nagaan, heen en weer bewegen, bedotten: He worked the — singled-handed = voerde de zwendelarij geheel alleen uit; He went dodging about the village = slenterde door; —r = slimmerd, bedrieger, kuiper, zwendelaar; —ry = zwendel, uitvlucht; adj., Dodgy.

Dodipole, dodipoul, sukkel, domkop.

Dodman, dodm’n, tuinslak.

Dodo, doudou, dodaars of basterdstruis (vroeger op Mauritius).

Dodonian, doudounj’n, uit Dodona, beroemd om haar orakel.

Doe, dou, hinde, ree; wijfje; —skin, douskin, hertenleder, soort buckskin.

Doff, dof, afzetten, uittrekken.

Dog, dog, subst. hond, hondevleesch, vent, snaak; de Groote of Kleine Hond (sterrenbeeld); duivelsklauw, mijnkarretje, haardijzer; — verb. als een schaduw volgen, nauwkeurig nagaan: An artful (sly) — = een slimmerd; A sad — = een snaak; Give a — a bad name, and hang him = als men een hond wil slaan, vindt men wel een stok = There are more ways of killing a — than hanging him; To go to the —s = ten onder gaan: Let sleeping —s lie = maak geen - - - wakker; I call this throwing things to the —s = de dingen weggooien; A — and shadow conviction = persoonlijke; He is a — in the manger = hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt; The police —ged him = ging hem na; —-bee = hommel (mannetjesbij); —-berry = bes van de roode kornoelje; —-biscuit; —-briar (—-rose) = hondsroos; —-cart = twee- of vierwielig rijtuigje met twee banken (rug aan rug); —-cheap = spotgoedkoop; —-collar = halsband; —-days = hondsdagen; —-fancier = hondenfokker en -koopman; —-fennel = stinkende camille; —fish = o.a. hondshaai; —-fox = mannetjesvos; —-grass = kweek; —-hearted = onbarmhartig; —-hole = hondegat, hondenhok; hok, gat (fig.); —-kennel = hok; —-latin = kramerlatijn; —’s-ear = ezelsoor; ook verb.; —-sleep = hazenslaapje; —’s-meat = afval van vleesch, hondenvleesch; —-star = hondsster, Sirius; —-tooth = oogtand; —-trick = leelijke streek, gemeene behandeling; —-trot = sukkeldrafje; —-vane = waker (scheepst.); —-violet = hondsviooltje; —-watch = hondenwacht (van 4–6 of 6–8 p. m.); —-weary = zoo moe als een hond; —wood = roode kornoelje; —ged; = norsch, hardnekkig: It’s —ged as does it = de aanhouder wint; subst. —gedness; —gish = hondsch; subst. —gishness.

Doge, doudž, doge; Dogate, dougit, Dogeate, doudžit, waardigheid van een Doge.

Dogger, dogə, dogger (vaartuig).

Doggerel, dogərel, subst. rijmelarij = — rhymes.

Dogma, dogmə, leerstuk; adj. Dogmatic(al); —tism = dogmatisme; —tize = dogmatizeeren.

Doily, dôili, tafelmatje, slabbetje, servetje.

Doit, dôit, duit, kleinigheid; 0,135 mGr.

Dolce, doltši, zacht, liefelijk.

Doldrums, doldr’mz, streek der windstilten: To be in the — = lusteloos, gemelijk zijn, zich vervelen.

Dole, doul, subst. portie, aalmoes; smart; marksteen; — verb. uit- of ronddeelen in kleine hoeveelheden (out); Happy man be his — = moge hij gelukkig zijn; —ful = smartelijk, treurig, akelig; subst. —fulness; —some = —ful.

Doll, dol, pop: —’s eyes, dolzaiz, k(o)ralen (voor poppenoogen).

Doll, dol, Doortje = Dolly, doli.

Dollar, dolə, Amerik. munt (van 100 cents = ƒ 2,50).

Dol(l)man, dolm’n, lang Turksch gewaad; dolman.

Dollop, doləp, klonter, klomp.

Dolly, doli, Doortje; bak met geperforeerden bodem, om erts in te wasschen; grisette; blad met bloemen en vruchten; adj. sukkelig; —-shop = stille bank van leening, lompenhandel.

Dolly Varden, dolivâd’n, lichte en gebloemde soort van polonaise gedragen over een licht gekleurden rok; ook schuin gedragen hoed met bloemen.

Dolorous, dolərɐs, pijnlijk, smartelijk; Dolour, doulə, smart, pijn: Our Lady of —s = naam van de H. Maagd Maria.

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a — in a sentry-box = als een visch, die op het droge ligt.

Dolt, doult, domkop, sukkel: —ish = dom, sukkelachtig; subst. —ishness.

Domain, dəmein, macht, gezag, domein, gebied.

Dombey, dombi.

Dom-boc, doumbouk, wetboek uit den tijd van Koning Alfred = Domebook.

Dome, doum, koepel, koepelvormig dak; een tempel, dom; —-shaped = koepelvormig; —d = met een koepel, gewelfd.