Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 39

Chapter 392,890 wordsPublic domain

Etern(e), itɐ̂n, eeuwig (dichterlijk) = adj. Eternal = eeuwig, onveranderlijk: The — = de Eeuwige, God; — flower = immortelle; Eternalize = eeuwig doen voortduren; Eternity = eeuwigheid, onsterfelijkheid: To all — = tot in eeuwigheid; Eternize = vereeuwigen, onsterfelijk maken.

Etesian, itîž’n, periodiek: — wind = de “mistral” of de “bise” aan de Middell. Zee.

Ethel, ethəl; —bald, —bôld; —bert, —bɐ̂t; —wulf, —wulf.

Ether, îthə, ether; —eal, ithîriəl, vluchtig, etherisch, hemelsch; —eality, onstoffelijkheid; —ealize, vergeestelijken; —ize, met ether verdooven.

Ethic, ethik (= —al), ethisch; zedenleer (= —s): The Christian —.

Ethiop, îthiop, Ethiopiër, Ethiopisch; Ethiopia = Ethiopië; Ethiopian, subst. Ethiopiër; neger, moor; adj. Ethiopisch, zwart; Ethiopic = Ethiopisch, Ethiopiër.

Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch = —al.

Ethnographer, əthnogrəfə, ethnograaf; Ethnographic(al), ethnəgrafik(’l), ethnographisch; Ethnography, əthnogrəfi, ethnographie; Ethnologic(al), ethnəlodžik(’l), ethnologisch; Ethnologist, əthnolədžist, ethnoloog; Ethnology, əthnolədži, ethnologie.

Ethyl, ethil, aethyl.

Etiolate, îtiəleit, (doen) verbleeken, bleek worden (door onthouding van licht); subst. Etiolation.

Etiology, etiolədži, îtiolədži, leer der (ziekte) oorzaken.

Etiquette, etiket, etiket, etiquette: It is not — for ladies = contrary to — = tegen de etiquette.

Etna, etnə, Etna; soort snelkoker.

Eton, ît’n; —ian, itounj’n, leerling van de school te Eton; ook adj.

Etruria(n), itrûriə(n), Etrurië(r); Etruscan, itrɐsk’n, Etrurisch, Etruriër.

Etui, ətwî, etui.

Etymologic(al), etiməlodžik(’l), etymologisch; Etymologist, etimolədžist, etymoloog; Etymologize, etimolədžaiz, woorden afleiden, aan woordafleiding doen; Etymology, etimolədži, etymologie; Etymon, etimon, grondwoord, stamwoord.

Eucalyptus, jûkəliptəs, eucalyptus, blauwe gomboom.

Eucharist, jûkərist, Eucharistie, het Sacrament des altaars, de H. Hostie; Eucharistic = avondmaals..., dank...; Eucharistica = overpeinzingen en gebeden bij het Heilig Avondmaal.

Euchre, jûkə, Amer. kaartspel (op Whist gelijkend); — verb. beetnemen.

Euclid, jûklid, Euclides; meetkunde; adj. Euclidean, jûklidîən, Euclidian, juklidiən.

Eudoxia, judokšiə; Eugene, jûdžin, judžîn.

Eugenics, judženiks, rasverbetering.

Eulalia, juleiljə. Eulogist, jûlədžist, lofredenaar; adj. Eulogistic(al); Eulogium, juloudž’m = Eulogy, jûlədži, lofspraak; Eulogize, jûlədžaiz, loven.

Eumenides, jumenidîz, de Furiën.

Eunuch, jûnək, eunuch; —ism, het eunuch wezen, castreeren; — verb. —ize, castreeren.

Eupepsia, jupepšiə = Eupepsy, jupepsi, jûpepsi, normale spijsvertering; Eupeptic = met goede spijsvertering.

Euphemism, jûfimizm, verzachtende uitdrukking; adj. Euphemistic(al).

Euphonic(al), jufonik(’l), Euphonious, jufouniəs, welluidend; Euphonism, jûfənizm, harmonie der klanken; Euphonize, jûfənaiz, welluidend maken; Euphony, jûfəni, welluidendheid.

Euphrasy, jûfrəsi, oogentroost.

Euphrates, jufreitîz.

Euphues, jûfjuîz; Euphuism, jûfjuizm, gemaakte, gezochte, overdreven sierlijke manier van uitdrukken; adj. Euphuistic(al).

Eurasia, jureišə, jureižə, Europa en Azië; —n = Europeesch-Aziatisch; een uit het huwelijk van een Europeaan en Aziate geborene.

Eureka, jurîkə, Eureka: — overcoat = piekfijne.

Europe, jûrəp; —an, jûrəpîən, Europeaan; Europeesch; —anize, jûrəpîənaiz = invoeren van Europeesche zeden, enz.

Eurus, jûrəs, (Zuid)oostenwind.

Eustace, jûstis; Eustachian, justeikj’n: — tube = Eustachiaansche buis; Eustatia, justeišə.

Euston, jûst’n. Euterpe, jutɐ̂pi, Euterpe; palmsoort; kapellensoort; adj. Euterpean.

Euthanasia, jûthəneižə, Euthanasy, juthanəsi, zachte dood; middel daarvoor.

Euxine (The), dhəjûksin, de Zwarte Zee.

Eva, îvə, Eva.

Evacuant, ivakjuənt, subst. en adj. purgeerend (middel); ventiel; Evacuate, ivakjueit, ontruimen, purgeeren, uitwerpen, ledigen; Evacuation = stoelgang, ontruiming.

Evade, iveid, ontduiken, ontwijken, ontgaan, ontglippen, verijdelen, uitvluchten maken: To — the law = ontduiken.

Evan, ev’n; Evans, ev’nz.

Evanesce, evənes, verdwijnen; subst. —nce; —nt = verdwijnend, voorbijgaand, oneindig klein.

Evangel, ivanž’l, evangelie; —ic, îv’ndželik, evangelisch = —ical, ook subst. een aanhanger van de Low Church; —ism, ivanžəlizm, evangelieprediking; Evangelist; Evangelization = evangelisatie; —ize, ivanžəlaiz, het evangelie prediken, evangeliseeren.

Evangeline, ivanžəl(a)in.

Evanish, ivaniš, verdwijnen; subst. —ment = Evanition.

Evaporable, ivapərəb’l, verdampbaar; Evaporate, ivapəreit, verdampen, uitwasemen, drogen, verdwijnen, luchten (van toorn, b.v.); Evaporation, verdamping; Evaporative = verdampings...; Evaporator = verdampingstoestel; Evaporometer, îvapəromətə, verdampingsmeter.

Evasion, iveiž’n, ontduiking, ontwijking, uitvlucht; Evasive, iveisiv, vol uitvluchten, ontwijkend.

Eve, îv, Eva; avond, vóóravond: She was on the — of her marriage = het was onmiddellijk vóór haar huwelijk, aan den vóóravond van.

Evelina, evəlainə; Eveline, Evelyn, evəlin.

Even, îv’n, adj. gelijk, effen, even, kalm, onpartijdig, rond; adv. zelfs, juist, zooeven, ook, bovendien; — verb. effenen, gelijk maken: — and odd = even en oneven; To be — with a person = niets meer schuldig zijn; To come — with = betaald zetten; To meet on — ground = strijden met gelijke kansen; To be — with the times = met zijn tijd meegaan; He told me — as much = precies hetzelfde; — as I said it = juist toen; — now = zoo pas nog; — if = — though he came = al kwam hij ook; I saw him — yesterday = ik heb hem gisteren nog gezien; Their — Christians = mede-christenen; His —-handed dealing with all = onpartijdige handelwijze jegens; —-handedness; On an — keel = achter en voor even diep liggend; —-minded = gelijkmoedig; — money = ronde som; —-tempered = gelijkmatig van humeur (= Of an — temper); —er = gelijkmaker; zwengelhout (Amer.). —ness = vlakheid, gelijkheid, gelijkmoedigheid, onpartijdigheid.

Even, îv’n, avond; —fall = avondstond; —song = vesper, avondlied; —tide = avondtijd.

Evening, îv’niŋ, avond: The — crowns the day = einde goed alles goed; Six in the — = zes uur ’s avonds; —-dress = rok en witte das; —-gun = avondschot; — song = avondlied; —-star.

Event, ivent, gebeurtenis, afloop, gevolg, (sport)nummer: Double — = zevenstoot (bilj.); Treble — = negenstoot; At all —s = in elk geval; In the — of = voor het geval dat; In the — = ten slotte; —ful = belangrijk, gewichtig; Eventual, iventjuəl, gebeurlijk, eindelijk; Eventuality = mogelijkheid.

Ever, evə, ooit, in eenig opzicht, in eenige mate: For — = voor goed; For — and a day = voor eeuwig en altijd = For — and aye; Or — = voordat (verbasterd uit Ere —); Not — = never = nooit: I cannot — repent of it = ik heb er volstrekt geen berouw van; Aren’t you — coming? = kom je haast? As soon as — she comes here = zoodra ze maar hier komt; — and again = telkens weer; — and anon = nu en dan; gedurig; — since that time = van dien tijd af aan; I waited for — so long = een eeuwigen tijd; He may rail — (never) so much = zooveel hij verkiest; Still tremendously hot! It is — so much in the shade = ’k weet wel niet hoeveel graden; With — so slight a foreign accent = een ‘ietsje’, ‘tikje’; It’s ninepence for — such a little tin = voor nog zoo’n klein blikje; He would veto your taking — such a little glass = de geringste hoeveelheid; —glade = moerassige steppe in Oost-Florida; —green = plant, die het geheele jaar door groen blijft; —-lasting, evəlâstiŋ, altijddurend, eeuwig; subst. eeuwigheid; sterke stof voor laarsjes: The —lasting = de (eeuwige) Godheid; —lastings = immortellen; —lasting flower = stroobloem; Life —lasting = het eeuwige leven; —more = altijd door, steeds weer, voor eeuwig.

Ever(h)ard, evərəd; Everett, evərət.

Eversion, ivɐ̂š’n, omkeering, naar buitenkeering; — verb. Evert, ivɐ̂t.

Every, ev’ri, ieder, elk: — bit = volkomen, geheel: Her — gesture = elk harer gebaren; — now and then = van tijd tot tijd, telkens; — other day = om den anderen dag; My — word = elk mijner woorden; —body = iedereen; —thing = alles; —way = in elk opzicht; —where = overal.

Evesham, îvz(h)əm.

Evict, ivikt, uitzetten (uit een huis, b.v.), ontnemen, verdrijven; —ion = uitzetting, ontneming.

Evidence, evidens, subst. bewijs, bewijsmateriaal, klaarblijkelijkheid; — verb. bewijzen; In this novel the clergy are in — = komen veel geestelijken voor; Mr. and Mrs. N. were both in — = tegenwoordig; Circumstantial — = bewijs (Jur.); These circumstances are opposed to the — = druischen tegen alle waarschijnlijkheid in; He gave — = legde getuigenis af; To turn King’s (Queen’s) — = getuigenis afleggen tegen de medeschuldigen; Evident, evid’nt, duidelijk, klaarblijkelijk: Self-— = zonneklaar; Evidential = duidelijk bewijzend; Evidentness = klaarblijkelijkheid.

Evil, îv’l, subst. kwaad, onheil, ellende, zonde, kwaal; adj. kwaad, boos, snood, slecht, zondig: The — one = de duivel; The king’s — = klierziekte; The —s of war, social —s = rampen; Stomach —s = maagkwalen; This bodes — = voorspelt kwaad; —-affected = kwalijk gezind; — case = rampzalige toestand; —-doer = boosdoener, zondaar; —-eye = kwaad oog (dat op bovennatuurl. wijze kwaad berokkent); —-eyed = met evil eye; afgunstig; —-favoured = met een ongunstig uiterlijk; —-minded = boosaardig; subst. —-mindedness; —-smelling = kwalijk riekend; —-speaking = laster(end); —-worker = boosdoener.

Evince, ivins, bewijzen, aan den dag leggen.

Eviscerate, ivisəreit, ontweiden (van wild); verknoeien; subst. Evisceration.

Evocate, evəkeit, oproepen; Evocation = oproeping, bezwering.

Evoke, ivouk, oproepen, uitlokken, voor een andere rechtbank brengen.

Evolution, evəl(j)ûš’n, îvəl(j)ûš’n, evolutie, ontwikkeling, worteltrekking, militaire beweging; —al = ontwikkelings = —ary = evolutie...; —ism = evolutieleer.

Evolve, ivolv, ontvouwen, ontplooien, ontwikkelen, zich ontwikkelen; Evolvulus, ivolvjulɐs, evolvulus, zekere klimplant.

Ewart, jûwət.

Ewe, iû, ooi: — cheese = schapekaas; —-lamb; —-neck = hertenhals (van paarden).

Ewer, jûə, lampetkan, waterkan.

Ewing, jûwiŋ.

Ex, eks, (in samenst.), vroeger, gewezen: The —-king Milan.

Exacerbate, əgzasəbeit, verbitteren, verergeren; subst. Exacerbation.

Exact, əgzakt, adj. nauwkeurig, precies, methodisch, stipt; — verb. eischen, vorderen, afpersen: In —est sort = in de puntjes; —ly so = precies; —ing, veeleischend, streng; —ingness causes much misery = veeleischendheid; —ion = afpersing, buitensporige eisch; —itude = —ness = nauwkeurigheid.

Exaggerate, əgzadžəreit, overdrijven, vergrooten; subst. Exaggeration; adj. Exaggerative.

Exalt, əgzôlt, verheffen, verhoogen, verrukken; —ation, egzolteiš’n, verheffing, verrukking, geestvervoering; —ed = hoog, verheven; —edness = exaltatie.

Examination, əgzamineiš’n, onderzoek, ondervraging, verhoor, examen (ook verk. tot Exam, əgzam): — on paper = Written — = The writing part of an —; Vivâ voce — = vivâ voce; To enter, (to pass, to present oneself for, to retire from) an —; —-paper = examenopgaaf; —-in-chief = ondervraging van de(n) hoofdgetuige; —al: The old —al system = examenstelsel; Examine, əgzamin, onderzoeken, ondervragen, verhooren, examineeren: I —d into the thing = deed onderzoek naar de zaak; Examinee = examinandus; Examiner = examinator, onderzoeker, inspecteur, rechter v. instructie.

Example, əgzâmp’l, voorbeeld, patroon, model, opgave: For — = bij voorbeeld; By way of — = als, bij wijze van; I will set (give) you a good — = u een goed voorbeeld geven; Take — from (by) your brother = neem een voorbeeld aan, uw broeder tot voorbeeld; —r = model, voorbeeld.

Exanthema, eksanthîma, huiduitslag; koorts, die daarmee gepaard gaat; meerv. Exanthemata, eksanthîmətə, eksanthemətə.

Exarch, eksâk, Legaat v. den Patriarch; onderkoning (in Italië) van de Byzantijnsche keizers; —ate, eksâkit, eksâkit, exarchaat.

Exasperate, əgzaspərit, adj. verbitterd, getergd; — verb. (əgzaspəreit) verbitteren, tergen, verergeren; subst. Exasperation.

Excalibur, ekskalibə.

Excavate, ekskəveit, uithollen, uitgraven; Excavation = uitholling, holte, uitgraving, doorgraving; Excavator = graafmachine.

Exceed, əksîd, overtreffen, overschrijden, meer zijn dan, te ver gaan, te buiten gaan: I’ll take good care that you don’t — = u niet te buiten gaat; I have —ed already = ik heb al boven mijn “taks” gedronken (gegeten), etc.; —ing(ly) = buitengewoon.

Excel, əksel, overtreffen, uitmunten; —lence, eksəlens, uitstekendheid, voortreffelijkheid; Excellency, eksəlensi, excellentie: In a degree of — = voortreffelijk; Excellent = voortreffelijk.

Excelsior, əkselsiö, excelsior.

Excentric, eksentrik. Zie Eccentric.

Except, əksept, — verb. uitzonderen, tegenwerpingen maken; prep. buiten, behalve; conj. tenzij, zonder; —ing = uitzonderend, uitgezonderd; Exception, eksepš’n, uitzondering, tegenwerping, ontkenning: I take — to such words = ik keur af, neem kwalijk, werp op een exceptie tegen; Bill of — = lijst van excepties tegen een rechterlijk besluit; —s prove the rule = de uitzonderingen bevestigen den regel; —able = berispelijk, betwistbaar; —al = bij wijze van uitzondering = —ive.

Excerpt, əksɐ̂pt, excerpeeren, een uittreksel maken; subst. (eksɐ̂pt), excerpt.

Excess, əkses, overtolligheid, overdaad, buitensporigheid, onmatigheid: He eats and drinks to — = buitensporig veel; — fare = boete (op spoorwegen): To pay — fare; —ive = overdadig, buitensporig, buitengewoon, onmatig.

Exchange, əkstšeinž, subst. (uit)wisseling, ruiling, beurs; — verb. ruilen, wisselen, uitwisselen: To apply for an — = overplaatsing verzoeken; Arbitration of — = wisselarbitrage; Bill of — = wissel(brief); Course of — = wisselkoers; Foreign and domestic —s = buiten- en binnenlandsche wisselkoersen; List of —s = koersnoteeringen; The — = de Beurs; At to-day’s — = ter beurze van heden; — it for another = vervang het, ruil het; —-broker = wisselmakelaar; —ability = wisselbaarheid; —able = inwisselbaar, uitwisselbaar; —r = wisselaar.

Exchequer, əkstšekə, schatkist, kas: — Bills = schatkistbiljetten; Chancellor of the — = kanselier van de schatkist.

Excisable, əksaizəb’l, belastbaar; Excise, əksaiz, subst. accijns, impost; adj. accijns...; — verb. belasten, veraccijnzen; —-duties = accijnzen; —man = ontvanger der accijnzen; —-office = accijnzenkantoor.

Excise, eksaiz, uitsnijden, uithollen, schrappen; Excision, əksiž’n, uitsnijding, amputatie, uitsluiting; excommunicatie.

Excitability, əksaitəbiliti, prikkelbaarheid; Excitable, əksaitəb’l, prikkelbaar; Excitant, əksait’nt, eksit’nt, subst. en adj. prikkelend, opwekkend (middel); Excitation, eksiteiš’n, opwinding, opgewondenheid; Excitative = prikkelend; Excite, əksait, opwekken, aanzetten, opwinden, prikkelen, aan den gang brengen, gevoelig maken; Excitement = opwinding, opgewondenheid, prikkel.

Exclaim, əkskleim, uitroepen, luide uitvaren (against), luid jammeren (on); —er = ijveraar; Exclamation, ekskləmeiš’n, uitroep, kreet, geschreeuw, het uitvaren (tegen): Note of — = uitroepteeken; adj. Exclamatory, əksklamətəri.

Exclude, əksklûd, uitsluiten, buitensluiten, uitzonderen; Exclusion = uitsluiting; Exclusive, əksklûsiv = uitsluitend, met uitsluiting van (of), exclusief: — dealing = begunstiging van bepaalde personen (om politieke of relig. redenen); He has — sources of information = aparte, bijzondere; His comforter was three yards long, — of the fringe = buiten de franje; subst. Exclusivism.

Excogitate, əkskodžiteit, uitdenken, verzinnen; subst. Excogitation.

Excommunicate, ekskəmjûnikeit, excommuniceeren; subst. ekskəmjûnikit = een geëxcommuniceerde; Excommunication, ekskəmjûnikeiš’n, excommunicatie: The lesser — = uitsluiting van deelneming aan het avondmaal; The greater — = algeheele kerkban; adj. Excommunicative.

Excoriate, əkskôrieit, villen, de huid afschaven; subst. Excoriation.

Excrement, ekskrəment, uitwerpsel(en); adj. Excremental.

Excrescence, əkskres’ns, uitwas, wrat; Excrescent = overtollig.

Excrete, əkskrît, afscheiden; Excretion, əkskrîš’n, afscheiding; Excretory, əkskrîtəri, ekskrətəri, afscheidend: Kidneys are — organs = afscheidingsorganen.

Excruciate, əkskrûšieit, martelen, folteren; Excruciating = ondragelijk, ijsselijk; Excruciation = marteling.

Exculpate, ekskəlpeit, əkskɐlpeit, verschoonen, verontschuldigen, vrijspreken, rechtvaardigen; subst. Exculpation; Exculpatory = verontschuldigend.

Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: —-ticket = uitstapkaart; —-train = pleiziertrein; —ist = tourist; Excursive, doelloos, afdwalend; subst. —ness; Excursus, əkskɐ̂səs, aanhangsel met nadere uitwerking van een in den tekst genoemd punt.

Excusable, əkskjûzəb’l, verschoonbaar; subst. —ness; Excuse, əkskjûs, verontschuldiging, uitvlucht, ontheffing.

Excuse, əkskûz, vrijpleiten, vergeven, vrijstellen, verontschuldigen: He is —d all the hard work in the house = vrijgesteld van; He —d himself on that score = verontschuldigde zich; — me for doubting it = neem me niet kwalijk, dat ...

Exeat, eksiat, verlof aan een (Engelsch) student tot tijdelijke afwezigheid; afwezigheidsverlof aan een geestelijke.

Execrable, eksikrəb’l, verfoeilijk; subst. —ness; Execrate, eksikreit, verfoeien, vervloeken, verwenschen; subst. Execration; adj. Execrative = Execratory.

Executable, eksəkjûtəb’l, əksekjutəb’l, uitvoerbaar; Execute, eksikjût, uitvoeren, volvoeren, verrichten, passeeren, ten uitvoer leggen, voltrekken, terdoodbrengen: To — a deed = eene acte passeeren; To — a will = een testament uitvoeren; —r = executeur; Execution, eksikjûš’n, uitvoering, volbrenging, voordracht, spel, uitwerking, bevel tot voltrekking (= Writ of —), executie, beslag, voltrekking der doodstraf: To put a thing into — = iets ten uitvoer brengen; An — was put into our house for rent = om de huur werd er beslag gelegd op het meubilair; To take in — = bij executie laten verkoopen; Executioner, eksikjûšənə, beul; Executive, əgzekjutiv, subst. uitvoerende macht; adj. uitvoerend, volvoerend; Executor, egzekjutə, executeur; —ship = ambt van executeur; Executory = executoir; Executrix = executrice.

Exegesis, eksidžîsis, exegese; Exegete, eksidžît, exegeet; Exegetic(al), eksidžetik(’l), exegetisch; Exegetics, eksidžetiks, uitlegkunde.

Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs, eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri, egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n, verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.

Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; — verb. vrijstellen, excuseeren; Conscientious —s = v. dienst vrijgestelden wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; —ion, əgzemš’n, vrijstelling, vrij zijn.

Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning van een consul door de regeering.

Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.

Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening, lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave; — verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden, drillen, beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten: —-book = schrift; To do one’s —s = schoolwerk maken; To hold closing —s = eindrepetities houden; You can take — every day in that climate = je alle dagen in de open lucht bewegen; To claim and — a right = eischen en uitoefenen; They were much —d on that subject = ze hielden zich ernstig bezig met dat onderwerp; You were —d that we should know her = gij deedt uw best, steldet er belang in; I was painfully —d in my mind at the way in which he ruined his children = had er erg mee te doen; maakte me ongerust; I was seriously —d in my mind as to the possibility of doing it = ik zat er ernstig over in; He —s me strangely = maakt het mij zeer moeielijk; —r.

Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the privilege of poetry to — such charms = zulke bekoringen uit te oefenen; He —ed himself very much = spande zich zéér in; Exertion, əgzɐ̂š’n, inspanning, krachtige poging.

Exes, eksiz, verkorting van Expenses.

Exeter, eksitə.

Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).

Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.

Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation, eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale, əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen verdampen.

Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth edition is —ed = uitverkocht; —ed receiver = leeggepompte klok (van eene luchtpomp); —-pipe = afvoerpijp (v. stoom); —-valve = afvoerklep; —er = exhauster, oppomper, opzuiger; —ible = uitputtelijk; —ion, əgz(h)ôstj’n, uitputting, vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; —ive = volledig, alleruitvoerigst: He sent me — information about that subject = volledige inlichtingen; —less = onuitputtelijk.

Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp, bewijsstuk, staat; — verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen, formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen); Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He made an — of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an interesting collection on — = heeft ... ingezonden; —-room = tentoonstellingszaal; —er, eksibišənə, iemand, die van eene beurs studeert; —ist = executant; Exhibitive = voorstellend; Exhibitor = vertooner, exposant; adj. —y.

Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend (middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst. Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.

Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst. Exhortation, eks(h)öteiš’n; —ative; —atory = vermanend; —er = vermaner.

Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.

Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie, behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.

Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs, gering, klein, schraal.

Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; — verb. verbannen: To pass sentence of — on.

Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; —ence = bestaan, zijn; —ent.

Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang, verscheiden, dood: He made his — = hij trad af, stierf.

Exmouth, eksmɐth.

Exodus, eksədɐs, Exodus: General — = algemeene uittocht.

Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.

Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang onder den Ensign.

Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten; subst. Exoneration; adj. Exonerative.

Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant = buitensporig: — bill = hooge rekening, hooge prijs.

Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.

Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.

Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.

Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch (product).

Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen, ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte, uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible = uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding, toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: — curb = instrument tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude), zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings..., uitzetbaar, uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: — force = spankracht; — power = uitzettingsvermogen; — youths = openhartige, gevoelige jongelui; subst. —ness.

Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst. Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.