Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 53

Chapter 533,404 wordsPublic domain

Hanse, hans, verbond, vereeniging: — towns = hanzesteden en hun verbond; —atic, hansiatik, van de Hanzesteden: —atic league = hanzeverbond.

Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit achterop en de leidsels gaan over de kap heen).

Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.

Hants, hants = Hampshire.

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; — verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval: I did it at —hazard = op den bof, op goed geluk af; —less = ongelukkig, rampzalig; —ly = bij toeval, misschien.

Happen, hap’n, gebeuren: I —ed to meet him = ik ontmoette hem toevallig; As it —ed I found him = toevallig vond ik hem; Just — in at my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I —ed on it yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the —ings with my own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.

Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig, verheugd, blij, handig, bekwaam: — man be his dole = moge het hem goed gaan! — family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v. verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); —-mean, subst. het ware midden: The —-mean man = de man van ’t ware midden; —-go-lucky = onbezorgd, zorgeloos.

Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.

Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; — verb. toespreken, eene rede houden; —r.

Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk verontrusten; subst. —ment.

Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker, fourier; — verb. voorafgaan als bode, aankondigen.

Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; — verb. herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; —-dues = havengeld; —-light; —-master = havenmeester; —-watch = ankerwacht; —age = toevlucht, onderkomen; —less.

Harcourt, hâköt.

Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed, verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger; meer conserv. democraat (Amer.): No — and fast line can be drawn in this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden getrokken; As — as the nether millstone = buitengewoon hard; They live — by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were — up = hadden groot geldgebrek; It is — upon seven = dicht bij; Move the rudder — a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; — of hearing = hardhoorig; He died — = hij verdedigde zich tot het laatst toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go — with him = het zal hem slecht vergaan; This reward was — won = deze belooning werd met moeite verkregen; —-bake = soort van kokinje; —-believing = ongeloovig; —-beset = eng ingesloten, in ’t nauw gebracht; —-bitted = hard in den bek; —-bound = verstopt, hardlijvig, traag; —-cash = baar geld; —-coal = anthraciet; —-drinker = zuiplap; —-earned = zuur verdiend; —-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of leng; —-fisted = met harde handen; gierig; —-fought = hardnekkig gestreden; —-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); —-got(ten) = zuur verdiend; —-handed = hardhandig, ruw, streng; —-head = zwart knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; —-headed = sluw, helder van hoofd; —-hearted = hardvochtig; subst. —-heartedness; —-labour = dwangarbeid; —-luck = tegenspoed; —-mouthed = hard in den bek (van paarden), ruw, grof (van taal); —-pressed = in moeielijke omstandigheden; — rubber = caoutchouc; —-set = krachtig vervolgd, in het nauw; streng, onbuigzaam; —shell = met harde schaal; streng orthodox of conservatief (Amer.); —-tack = scheepsbeschuit; —-water = hard (wasch)water; —working = zeer arbeidzaam; —-ware = ijzerwaren, vooral potten en pannen, enz.; —en = harden, verharden, hard of gevoelloos maken (worden); —ihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid, onbeschaamdheid; —iness = gehardheid; —ly = nauwelijks, bijna niet, waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: —ly .... when = nauwelijks .... of; —ness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; —ship = ontbering; —y = gehard, sterk, stoutmoedig.

Hardicanute, hâdikənjût.

Hare, hêə, haas: As mad as a March — = zoo gek als wat; To hold with the — and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to make a — of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te nemen; Jugged — = hazepeper; —-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk; —-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; —-hound = hazewind; —-lip = hazenlip; —’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).

Harem, hêr’m, hâr’m, harem.

Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.

Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden (Jap.).

Hark, hâk, luisteren: — ye = luister eens; — away, — forward = vooruit! — back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She always —s back to her old grievances = komt altijd terug op.

Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij groote hoeveelheid.

Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde, thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.

Harlem, hâləm.

Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; — verb. voor harlekijn spelen; —ade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).

Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. —ry.

Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; — verb. kwaad doen, schade aanbrengen: — watch — catch = wie een ander een kuil graaft, valt er zelf in; —-doing = het kwaaddoen; —ful = nadeelig, schadelijk; subst. —fulness; —less = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst. —lessness.

Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.

Harmonic, hâmonik, harmonisch; —a, hâmonikə, mondharmonica, glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers bespeelde glazen; —al: —al proportion = harmonische verhouding (tusschen vier grootheden): —on, hâmonik’n, orchestrion; —s, hâmoniks, harmonieleer: Grave —s = bijtonen van twee overeenstemmende klanken; Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. —ness; Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist, iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers, vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize, hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven, congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid, overeenstemming: Artificial — = oplossing van dissonanten tot harmonie; — of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte, snelheid en afstand voortgebracht.

Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; — verb. het tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in — = midden in zijn werk; The thing is well in — = goed bewerkt; —-cask, (—-tub) = vat met pekel vleesch op dek vastgesjord; —-maker = zadelmaker; —-room = tuigkamer.

Harold, harəld, Harold.

Harp, hâp, subst. harp; — verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde onderwerp aanroeren: He is still —ing on his first love = hij heeft het nog steeds over; To — on the same string; —er = —ist = harpspeler.

Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; — verb. harpoeneeren; —-gun = kanon voor het afschieten van een harpoen; —-rocket = harpoen, die als een raket wordt afgeschoten; —er = harpoenier.

Harpsichord, hâpsiköd, spinet.

Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).

Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; —ier (—îə) = haakbusschutter.

Harr, hâ, grommen.

Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.

Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.

Harrow, harou, subst. Harrow; egge; — verb. eggen, kwellen, verontrusten.

Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.

Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box — = geen eten krijgen (schooljongens slang); To play Old — with a person = iemand leelijk te pakken nemen.

Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. —ness.

Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): — of ten = hert met een gewei van tien takken; —’s-tongue = hertstong, tongvaren; —(e)beest, hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); —-shorn, hâtshön, (geest van) hertshoorn.

Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig; subst. —ness.

Harvard, hâvəd.

Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; — verb. inzamelen, oogsten; —-bug = soort van boktor; —-feast = oogstfeest; —-festival = dankdag voor het gewas; —-home = oogsttijd, oogstfeest, oogstlied; —-lady = de tweede maaier van eene rij; —-lord = voormaaier, eerste maaier; —-man = oogster, maaier; —-month = September; —-moon = (bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst; —-mouse = dwergmuis; —-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende, rondgedragen op den laatsten oogstdag); —-spider = hooiwagen (spin); —er = oogster.

Harvey, hâvi; Harwich, haridž.

Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; — verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a — of it = je kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have settled his — = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have —ed my goose altogether = ik heb mijne zaak totaal bedorven.

Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant, die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.

Haslemere, heiz’lmîə.

Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v. schapen of kalveren).

Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; — verb. met een klamp of grendel vastmaken.

Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik voetkussen om op te knielen.

Hastate, hastit, speervormig.

Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not make — = waarom maakt gij niet voort? In — = haastig, vlug; Hasten, heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.

Hastings, heistiŋz.

Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; —-pudding = pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).

Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a — = opmaken; He has hung up his — in my house = hij heeft zijn anker bij mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s — to a person = afnemen; They have sent (passed) the — round = hebben eene collecte gehouden; To take one’s — off (to) = afnemen (voor); —-band = rouwband (om den hoed); —-maker = hoedenfabrikant; —-rack = hoedenrek, kleerenstander; —-work = werk waar niets in zit; —-writer, die —-work maakt; —ter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a —ter = hij is stapelgek; tureluursch.

Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; — verb. met bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen, voortbrengen, arceeren: Under —es = onder de luiken geconsigneerd, beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard, gestorven; —-boat = soort van visscherspink met een half dek; —way = luik; muil; —er = uitbroeder; incubator; —ery = inrichting voor kunstmatige vischteelt.

Hatchel, hatš’l; —ler. Zie Hackle.

Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen (Amer.): Let us bury the — = laten we vrede sluiten; To sling the — = er uit snijden; They took up the — = zij vatten de wapens op; Do not throw the — = vertel geen leugens; —-face = scherp geteekend gezicht.

Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.

Hate, heit, subst. haat; — verb. haten, verafschuwen; —ful = hatelijk, boosaardig; subst. —fulness; —r; Hatred, heitrəd, haat, kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.

Hathaway, hathəwei.

Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd onherroepelijk bevel.

Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.

Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier, hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; — verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were —ed home = de schooten werden aangehaald; — the wind = bras het zeil bij den wind; The ship was enabled to — off from the shore = af te houden van de kust; He was —ed over the coals = kreeg een uitbrander; He —ed out a knuckle-bone of ham = haalde voor den dag; —age = trekkracht; transportkosten; —er = soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; — verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house is —ed = het spookt in dit huis; —er = stamgast; druk bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs, subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten, ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen, beetnemen: — at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! — a care = pas op! To — the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us — lots of room here = maak hier eens flink ruimte; — done = schei uit; I had as lief die as be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik liever doen; Do well and — well = die wel doet wel ontmoet; You can’t eat your cake and — it = je kunt niet het midden en de beide einden hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the reader = al naar de lezer gestemd is; I — no money about me = ik heb geen geld bij mij; — the tea-things away = ruim weg; You — nothing for it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den dag; I’ll — it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I will — it out with you before I go = met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; — verb. eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; — verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); —sack = knapzak, ransel, reiszak; —s, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; —s = (goed) gedrag (Zie Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden wanneer geen kwartier werd gegeven; — verb. verwoesten, vernielen, dooden: To cry —; The boys have played — with my furniture = mijne meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van de haagdoorn; aarzeling, hapering; — verb. haperen, ö - - ö zeggen, aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke in his —-—-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a —-— swell = geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt —, like a fish out of water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is — and gee here, instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest; — verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op; schrapen; rondventen; —’s-bill = haviksbek; —-eyed = met scherpen blik; —-moth = sfinx, avondvlinder; —-nosed = met arendsneus; —er = marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) — = dwars voor den boeg; He has crossed my — = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride — fallen (— full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker rijden van een schip in stormweer; —-hole, (—-pipe) = kluisgat: He came in at the —-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop begonnen; —r = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make — = hooien: Make — while the sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making — in his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always making — with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war; —-asthma, (—-fever) = hooiasthma (hooikoorts); —-box = hooikist; —-cock = hooiopper; —-field = hooiland; —-fork = hooivork; —-loft = hooizolder; —-knife = hooisteker; —-maker = hooier; boerendans; —-market; —-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); —-rick = —stack; —-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any — in my hair? = zag ik er zoo lummelachtig uit? —stack = hooiberg; Amer. fighting-top, waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for a needle in a —stack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning — is, als de bal der tegenpartij, en a losing —, als des spelers bal gestopt wordt; — verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the — of his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the — = op het spel zetten; I intend to run the — = de kans te wagen; —er = waaghals; —ous = gevaarlijk, gewaagd; subst. —ousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid, onduidelijkheid; — verb. misten; pesten, plagen en straffen met overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren; in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; —-earth = mengsel van zand en klei; —-eyed = met lichtbruine oogen; —-nut = hazelnoot; —-tree; —-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister, aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....

Head, hed, subst. hoofd, kop, kruin, top, opperhoofd, haar, gewei, persoon; eereplaats, hoofdeind, bron, de zijde v. munt of medaille met den kop erop, verstand, doorzicht; getal, onderwerp, gelaat, pak vlas, rijpe deel van eene zweer of puist, schuim op dranken, watermassa (voor een molen), beschikbare stoom; adj. eerste, voornaamste, hoofdzakelijk, hoofd...; — verb. van den kop berooven, bekappen, van een kop voorzien, den kop vormen, aanvoeren, zich aan het hoofd stellen, aan het hoofd zitten, zich stellen tegenover, tegenwerken, afsnijden, openen, het eerst staan op, met het hoofd wegstooten, een kop vormen, ontspringen (Amer.), een koers hebben, enz.: Five — of cattle = stuks vee; A fine — of hair = kop met haar; The —s of a speech = onderafdeelingen; The —s of an accusation = punten van aanklacht; The army is a serious — of expenditure in Germany = een zware post van uitgaven; He fell —-first, —-foremost into the water = hals over kop; —-on = —-first = recht tegenover; I fell into it — and ears = heelemaal; He is in debt over — and ears = tot over de ooren; He rose — and shoulders above them = stak een heel eind boven uit; He came down — over heels from the tree = viel holderdebolder; To carry a grey — on green shoulders = jong blijven; Give him his — = laat hem zijn gang gaan; Give the horses their —s = vier de teugels; To have a long — = ver vooruit zien; They laid their —s together = overlegden, staken de hoofden bij elkaar; It is easy to make — against that accusation = te weerleggen; He made — against the enemy = hield stand tegen; I cannot make — or tail of it = kan er geen touw aan vast maken; To take the — = de leiding nemen; steigeren, koppig zijn; That seems to have turned your — completely = je hoofd geheel op hol te hebben gebracht; Then things came to a — = bereikten een crisis; The ulcer has come to a — = is rijp geworden; He did it of his own — = uit eigen beweging; He hit the right nail on the — = sloeg den spijker op den kop; It is on your —s to tell it me = ik bezweer jullie; It keeps running in my — = maalt me door het hoofd, is me steeds in de gedachten; The ship was running under a full — of steam = stoomde met volle kracht; I see through the back of your — = ik doorzie u geheel; The wine went into his — = steeg hem naar het hoofd; The hedges and bushes must be —ed down = moeten gesnoeid worden; She tried to — off the spider = te vangen, te pakken (door haar den pas af te snijden); When I approached the subject, he would — me off = placht hij mij er af te brengen; The boat was —ing towards the ship = stuurde in de richting van; —ache = hoofdpijn; —-band = hoofdverband, kapitaalband (boekb.); — verb. kapitalen; —-boy = primus; —-butler = eerste huisbediende; —-cheese = hoofdkaas; —-clerk = chef, boekhouder; —-dress = kapsel; —-fast = boegtouw; —-gear = hoofdtooisel, hoofdstel (v. paarden); —-hunter = koppensneller; —-land = voorgebergte, kaap; braakland; —-light = licht (vooraan de locomotief); —-line = aanvangsregel, titel; horentouw; ratouw (scheepst.); —long = hals over kop, met het hoofd vooruit, plotseling, roekeloos, gedachteloos, steil: I always write —long = zoo maar weg; —man = hoofdman, onderbaas, werkbaas, mandoer; —master = hoofd, directeur, rector; —mastership = de betrekking van hoofd, directoraat, rectoraat; —mistress = directrice; —-money = hoofdgeld; —most = voorste; —-mould = schedel, vorm van het hoofd; —-moulding = lijstwerk (boven deur of venster); —-piece = hoofd, kop, helm, stormhoed; oorijzer; kopstuk, knappe kop; verstand; —-post = paal bij de ruif; —-quarters = hoofdkwartier; —-rest = steun voor het hoofd (bij photographeeren); kussen; —-sail = vóórzeil; —-sea = stortzee; —shake = beteekenisvol schudden met het hoofd; —-ship = hoogste waardigheid; —sman = beul, scherprechter; mijnwerker, die de kolen naar de plaats brengt vanwaar ze vervoerd worden; —-stall = hoofdstel; wollen mutsje (Amer.); —-stone = hoeksteen, sluitsteen, grafsteen (rechtopstaande aan het hoofdeinde van het graf); —strong = koppig, onhandelbaar; —-voice = kopstem; —-waiter = oberkellner; —-water = bovenloop; —-way = vaart, gang, vooruitgang: We have been making —-way of late = wij zijn in den laatsten tijd goed opgeschoten; —-wind = tegenwind; —-word = hoofdwoord; —-work = werk met het hoofd, intellectueele arbeid; ornamenten op steenen; —-workman = vóórman, werkbaas; —er = sprong of onderduiking met het hoofd voorover; steen uit een koplaag, speldeknopmaker, kaker, kaakmachine; —iness = koppigheid; —ing = titel, opschrift, eerste regel als voorbeeld, schuim; —y = koppig (ook v. dranken), overijld.

Heal, hîl, gezond maken, heelen, genezen, van schuld vrijspreken, bijleggen; —-all = geneesmiddel tegen alle kwalen; —able = geneesbaar; The —ing art = geneeskunde.

Heald, hîld, weefhaak.

Health, helth, gezondheid, heil, welzijn: Bill (Certificate) of — = gezondheidspas; Clean bill of — = schoone lei (fig.); Board of — = gezondheidscommissie; Officer of — = inspecteur van de volksgezondheid; The public —; He is out of — = ongesteld; Your — = santé! —-committee = gezondheidscommissie; —-insurance = ziekte-, en invaliditeitsverzekering; —-officer = ambtenaar van den gezondheidsdienst; —-resort = badplaats, kurort; —ful = gezond, heilzaam; subst. —fulness; —iness, subst. v. —y = gezond, krachtig, heilzaam.

Heam, hîm, nageboorte bij vee.

Heap, hîp, subst. hoop, menigte: — verb. ophoopen, opstapelen: All of a (on a) — = allemaal door elkaar; He was struck all of a — = stom van verbazing; —s of = volop, een hoop.