Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 55
Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.
Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.
Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; —adactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; —agon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; —ahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; —ahedron, heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; —ameter, heksamətə, subst. zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; —angular, heksaŋgjulə, zeshoekig; —apod, heksəpod, zespootig insekt; —astich, heksəstik, zesregelig gedicht; —astyle, heksəstail, tempel of gebouw met zes zuilen in het front.
Hey, hei, ha, hei, hoera! It is — for R. now = Het is nu: vooruit naar R.: —-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: — Presto! Change! = Rrrt! iets anders!
Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.
Hi, hai, he!
Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.
Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.
Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.
Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; —n, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj. Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt, haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.
Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; — verb. den hik hebben.
Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe = Hicra picra.
Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai en sterk (Amer.): — shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van gestreept katoen.
Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid = het onbekende land.
Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.
Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.
Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his — = I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; —-bound = met strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a — colt = een veulen met strakke huid; That is — conservatism = star, bekrompen conservatisme.
Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich schuil houden, bedekken: To — one’s face = zijn aanschijn verbergen, zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will — my face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing at —-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in — there = hield zich daar schuil; —-place = schuilplaats.
Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. —ness.
Hie, hai, zich haasten.
Hiemal, haiəm’l, winter....
Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; —al, hairâk’l, hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; —y = priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l), hiëratisch, priesterlijk.
Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).
Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.
Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.
Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over kleinigheden, vitten; —r = afdinger, venter.
Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.
High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk riekend, pikant, scherp: The Most — = de Allerhoogste; This word must be written with a — M = groote M.; — and dry = hoog en droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These people are — and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte; With a — hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; — Bailiff = vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is — day = klaar dag; That is all — Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; — German = Hoogduitsch; — jinks = groote jool; —life = de groote wereld; — noon = ’s middags 12 uur; On the — seas = in volle zee; — Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste ambtenaar van een county; It is — time = hoog tijd; — old time = de goede oude tijd; — treason = hoogverraad; — water = hoog water; — wind = krachtige wind; — wine = sterke cognac (Amer.); On — = omhoog, in de lucht; To carry it — = airs aannemen; —-aimed = met een verheven of groot doel; —-blown pride = opgeblazen trots; —-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam; —-born = van edele geboorte; —-caste = van hoogen rang; —-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833) meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende; —-churchism = beginselen der —-church; —-churchman = aanhanger dezer kerk; —-class work = uitstekend; —-cockalorum = bok sta vast (kinderspel); —-coloured = met hooge, sterke kleur; in bloemrijken stijl, sterk gekleurd; — court of Justice = hoog gerechtshof; —-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; —-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; —-faluting = hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); —-fed = volgepropt, gemest, weelderig; —-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a —-flier at fashion = erg op de mode gesteld; —-flown = trotsch; opgeblazen, eerzuchtig; —-handed = aanmatigend, willekeurig; —-heeled: She has her —-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes, wat steekt ze den neus in den wind; —land = hoogland: The —lands = bergachtig deel van Schotland; —land fling = Schotsche dans, horlepijp; —lander = bewoner van de —lands; —-lived, hailaivd, voornaam; —-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op een zolderkamer; —-low = bottine, rijglaars; —-mass = hoogmis; —-mettled = vol vuur en opgewektheid; —-minded = grootmoedig, edel; hoogmoedig; subst. —-mindedness; —-pitched = trotsch, eerzuchtig; hooggestemd: —-pitched roof = hoog en spits dak; —-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: —-pressure engine; —-priest = hoogepriester; —-principled = met edele beginselen; —-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd; —-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; —road = groote weg, straatweg; —-seasoned = sterk gekruid, pikant; —-seated = hoog gezeten; —-souled = edel van ziel; —-sounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; —-spirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig; —-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; —-stepping = hoogdravend, fier; —-strung = hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; —-swollen = opgezwollen, opgeblazen; —-tasted = pikant; —-tide = hoog water, vloed; —-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen; —-water = vloed; —-watermark = hoogpeil; —way = straatweg, groote weg: To take the —way = struikroover worden; —wayman = struikroover; —wrought = fijn bewerkt; opgewonden; —ly: To think —ly of = een hoogen dunk hebben van; —ness = hoogheid, verhevenheid: Your — = Uwe Hoogheid.
Highty, haiti; —-flightiness = wuftheid; adj. —-flighty; —-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that — manner = zend mij niet weg op die hooghartige manier.
Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti, vroolijkheid, opgewektheid.
Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven; thans — Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de Univ. van Oxford.
Hill, hil, heuvel; — verb. aanaarden; Up — down dale = berg op berg af; As old as the —s = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go down the — = achteruitgaan, minder worden; —-folk = bergbewoners; —-side = helling van een heuvel; —-top = heuveltop; —-wort, —wɐ̂t, polei; —iness = heuvelachtigheid; —ock = heuveltje, bergje; —y = heuvelachtig.
Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the — = volkomen; Up to the — in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to the — = geheel; You have proved it (up) to the — = gij hebt het zonneklaar bewezen.
Him, him, pers. voornw., hem; —self = hemzelf, zichzelf: He was not —self yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by —self = alleen; He kept —self to —self for some time = hij zonderde zich af.
Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: — Mountains = The —s = het Himalayagebergte.
Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.
Hind, haind, achterste: — before = achterstevoren; With their heads turned — foremost = achterstevoren; —-leg = achterpoot; —most = achterste; —er, haində, achterste, laatste = —ermost = laatste.
Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den weg leggen: He —ed me from coming = belette mij; Hind(e)rance, hindr’ns, hindernis, nadeel = —er, ook hij die verhindert.
Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.
Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism, hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân; Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).
Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; — verb. van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the —s = de boel is in de war; Everything —s on that fact = om dat feit draait alles.
Hink, hiŋk, sikkel.
Hinny, hini, subst. muildier; — verb. hinniken.
Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; — verb. zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not — at a present = maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only —ed, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar gemaakt; He took the — = begreep den wenk.
Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; —s = zwaarmoedigheid; To catch on the — = in de macht krijgen; To have on the — = in de macht hebben, overwinnen; The government was beaten — and thigh = bleef verschrikkelijk in de minderheid; To smite — and thigh = den schenkel en de heup (Richt. XV, 8); —-bath = zitbad; —-gout = heupjicht; —-joint = heupgewricht; —-roof = tentdak; —-shot = ontheupt, lam; —-tree = hondsroos; —ped = met ontwrichte heup; somber, gedrukt: You are —ped, you want more society = je bent zwaarmoedig (“hiep”); —pish = somber, gedrukt.
Hippocampus, hipəkampəs, zeepaardje; Hippocras, hipəkras, hipokras; Hippocrates, hipokrətîz; Hippocratic, hipəkratik, Hippocratisch: — face = gelaat van een stervende even vóór de dood intreedt. Hippocrene, hipəkrîn, hipəkrînî, Hengstebron; Hippodrome, hipədroum, circus, wedstrijd met vooraf afgesproken resultaat (Amer.); Hippogriff, hipəgrif, gevleugeld paard; Hippolyta, hipolitə, Hippolyta; Hippopathology, hipəpətholədži, leer der paardenziekten; Hippophagist, hipofədžist, eter van paardenvleesch; The man’s hippopotamic manner = ’s mans lompe, onbehouwen manier; Hippopotamus, hipəpotəmɐs, nijlpaard, rivierpaard.
Hircania, hɐ̂keiniə.
Hircine, hɐ̂s(a)in, sterk riekend, als v. een geit, bok, bokachtig: hircine.
Hire, haiə, subst. huur, loon, belooning, steekpenning; — verb. huren van iemand, in dienst nemen voor loon, omkoopen, verhuren: To — oneself to, out = zich verhuren aan, verhuren; —less = gratis; —ling, subst. huurling; ook adj.; —r = huurder; verhuurder (= —r out).
Hirsute, hɐ̂siût, hɐ̂siût, behaard, borstelig, haar - -.
His, hiz, pron. poss. zijn, de of het zijne: He has come by — own = heeft gekregen wat het zijne was; He has come into — own = heeft zijn erfdeel gekregen.
Hish, hiš, aanhitsen; ook interj.
Hisk, hisk, moeielijk ademhalen.
Hispanicism, hispanisizm, Spaansch idioom; The Hispano-Portuguese frontier = Spaansch-Portugeesche.
Hispid, hispid, borstelig.
Hiss, his, subst. sisklank, gesis, gejouw; — verb. sissen, fluiten (van een pijl), uitfluiten.
Hist, hist, aanhitsen; interj. St.!
Histology, histolədži, leer der weefsels.
Historian, histôriən, geschiedschrijver; Historic(al), historik(’l), geschiedkundig: Historical cavalcade = (pageant) = historische optocht; Historic-painting, Historic-picture = geschiedkundig schilderstuk; Historic(al)-sense = historisch inzicht; Historicalness, historik’lnəs, geschiedkundige waarde of waarheid; Historiette, histôriet, verhaal, kleine geschiedenis; Historiographer, histôriogrəfə, geschiedschrijver; Historiography, histôriogrəfi, geschiedschrijving; History, histəri, geschiedenis, verhaal: Ancient (Modern, Natural, Sacred) —; —-piece = historische schilderij.
Histrionic(al), histrionik(’l), tooneelspel..., tooneelspeler...: Our — taste is gone = onze zin voor de tooneelspeelkunst; —s, histrioniks, tooneelkunst; Histrionism = de tooneelspelers, het spelen.
Hit, hit, subst. slag, stoot, steek onder water, aanraking, kans, gelukkige zet, treffer, succes; — verb. raken, treffen, slaan, gissen, raden, passen, gelukken, aantreffen, bedenken, ontdekken: The book is a decided — = heeft veel succes; The singer was a great — in London = maakte grooten opgang; He made an immense — with his song = had kolossaal succes; You must do it, — or miss (hitty missy) = op goed geluk af (eig. luk of raak); To — it off with = opschieten met: I always — it off with dogs and children; You have — it off = ge hebt het juist getroffen, geraden; He — off my likeness very happily = hij heeft mij goed getroffen; He — it out = hij heeft het er goed afgebracht; He — out at me = deed een slag naar mij; Her visit to America was a triumph; she — up all her hearers = zij pakte al hare hoorders in; I could not — upon the right expression = kon niet vinden; These words — the audience in their weakest place = tastten in hun zwak; I — it in his teeth = wreef het hem onder den neus; You have — the mark = het bij ’t rechte eind; You — it very punctually = hebt het precies getroffen; —ting-shot = raakschot.
Hitch, hitš, subst. ruk, kink, steek, beletsel, hapering, tijdelijke hulp in nood; — verb. vastmaken, aanhaken, met een ruk of sprong zich voortbewegen, optrekken, prettig samenwerken, aanslaan (van paarden), wegnemen: The — was due to your carelessness = door uwe zorgeloosheid ontstond het beletsel; Some — had occurred = er was een kink in den kabel gekomen; There the — lies = daar zit de knoop; Upon the least — I will have you write your lesson = als ge even hapert; The extinguisher was —ed to the candlestick = het dompertje was aan den kandelaar gehaakt; Take care, lest he —es you into a story = dat hij je niet in een verhaal ten tooneele voert; He —ed on the battery = haakte aan.
Hither, hidhə, hierheen, aan deze zijde: — and thither = heen en weer; —most = nabij, het meest naar deze zijde; —to = tot hiertoe; —ward = herwaarts.
Hive, haiv, bijenkorf, zwerm bijen, dicht bevolkte buurt; bijenkorfvormige hoed; — verb. in een korf doen of verzamelen, opzamelen, bevatten, samenwonen: I will no longer — with them = met hen onder één dak zijn; —-bee = korfbij; —r = ijmker.
Hives, haivz, keelontsteking; netelroos.
Hizzing, hiziŋ, gesis.
Ho(a), hou, he! ho!
Hoaky: By the — = alleduivels!
Hoar, hö, adj. wit, grijs, beschimmeld; — verb. wit of grijs maken, beschimmelen: —-frost = rijp; —-stone = grenssteen; Hoariness, subst. v. Hoary = grijs, grauw, met grijze haartjes bedekt; —-headed = met grijzen kop.
Hoard, höd, subst. voorraad, hoeveelheid; hoop, geheime schat of voorraad; — verb. vergaren, opzamelen, opleggen: He —ed all savings = zamelde op; —er.
Hoarding, hödiŋ, schutting om een in aanbouw zijnd gebouw.
Hoarse, hös, schor, heesch, krassend: I am as — as a crow; subst. —ness.
Hoax, houks, subst. grap, fopperij, aardigheid, “canard”; — verb. eene grap hebben, foppen: To play a — upon a person = een poets bakken; —er.
Hob, hob, subst. vooruitspringend plaatje aan een haard om iets warm te houden; naaf; houten pin, kinderspel waarbij naar een op een hob geplaatst geldstukje wordt gegooid: To play — with = een speldje steken voor (fig.).
Hob-and-nob, hobən(d)nob, drinken, een lijntje trekken met, vertrouwelijk praten, omgaan met.
Hobbes, hobz, Hobbes; Hobbism, hobizm, wijsgeerig stelsel van Th. Hobbes (1588–1679); Hobbist.
Hobble, hob’l, subst. hinken, strompelen; verlegenheid, moeielijkheid; — verb. strompelen, kluisteren van paarden, knoeien, prutsen: I’ve got into a nice — = ik zit leelijk in de klem; —-skirt = strompelrok; —r = hinkepoot; knoeier, onbevoegd loods, losse arbeider, een man, die een schuit trekt.
Hobbledehoy, hob’ldəhôi, jong mensch, te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken; —ish = slungelig.
Hobbly, hobli, hobbelig, oneffen, vol gaten (van een weg).
Hobby, hobi, boomvalk; stokpaardje; domkop, lummel; telganger: Every man rides his —; —-horse = stokpaardje (eig. en fig.), uilskuiken.
Hobgoblin, hobgoblin, hobgoblin, kabouter.
Hobnail, hobneil, hoefnagel, groote schoenspijker, pummel; — verb. met spijkers beslaan.
Hobnob, hobnob, op goed geluk, luk of raak; — verb. Zie Hob-and-nob.
Hobson’s choice, hobs’nztšôis, geene keus, gedwongen keus.
Hock, hok, knieboogspier (bij menschen); hakpees (bij paarden, etc.); Hochheimer, rijnwijn; — verb. een dier de knieboogspier doorsnijden; —-day = een feestdag bij ’t betalen der pacht; — Monday, — Tuesday = 2de Maandag en Dinsdag na Paschen; —-tide = de voorgaande feestdagen.
Hockey, hoki, soort v. kolfspel.
Hockle, hok’l, verb. Zie Hock.
Hocus, houkəs, drank met slaapkruid erin; — verb. bedriegen, iets bedwelmends door den drank mengen; —-pocus = hocus-pocus; ook adj.; — verb. bedriegen.
Hod, hod, kalk- of steenenbak; —-carrier = opperman = —-man, ook fig. = handlanger.
Hodden, hod’n, boersch; ook = —-gray (grey) = stof van ongeverfde wol.
Hodge, hodž, boer, boerenarbeider; —-podge = hutspot, allegaartje; —-pudding = allegaarspudding.
Hodiernal, houdiɐ̂n’l, huidig, van dezen dag.
Hodometer, hədomətə, afstandsmeter (aan de as van een rijtuig, etc.).
Hoe, hou, subst. schoffel; — verb. schoffelen: To — one’s own row = voor eigen stoep vegen (fig.); —-cake = grove maïskoek.
Hog, hog, subst. varken, gesneden beer, schaap tusschen 6 maanden en het eerste scheren, stier van een jaar; zwijn, vuilik; hog of schrobber, shilling; — verb. kort afknippen, schrobben (technisch “hoggen” genoemd), doorbuigen van een schip, met gebogen hoofd gaan (v. paarden); To go the whole — = voor niets terugdeinzen, iets consequent doorzetten, B zeggen als men A heeft gezegd; —-colt = éénjarig veulen; —-cote = varkenskot; —-herd = zwijnenhoeder; —-mane = kortgesneden opstaande manen; —pen = varkenskot; —’s-back = lage heuvelrug; —’s-lard = varkensreuzel; —-shearing = koude drukte; —-steer = wild zwijn in ’t derde (schaap in ’t tweede) jaar; —-sty = varkenskot; —-wash = varkensdraf; —gery = varkenskot; —gish, hogiš, zwijnachtig, vuil, dom, gulzig, zelfzuchtig; subst. —gishness.
Hogarth, hougâth.
Hoggerel, hogər’l, schaap in het tweede jaar.
Hogger-pump, hogəpɐmp, pomp in eene kolenmijn.
Hoggers, hogəz, kousen zonder voeten (door mijnwerkers gedragen).
Hogget, hogət, zwijn, veulen of schaap in ’t tweede jaar.
Hogmanay, hogmənei, hogmənei, Oudejaarsdag; onthaal of geschenk op dien dag in Schotland.
Hogshead, hogzhed, okshoofd, groot vat (= 52 gallons Tinto wijn; 30 gallons Hock; 48 gallons ale en beer).
Hoiden, hôid’n, subst. wilde meid, driedekker; adj. ruw, brutaal; — verb. stoeien, uitgelaten zijn; adj. —ish.
Hoist, hôist, subst. elevator, kraan; hoogte van vlag of zeil; — verb. (op)hijschen: He was —(ed) with his own petard = de mijn is verkeerd voor hem gesprongen.
Hoity-toity, hôititôiti, drommels! tut, tut! adj. opgewonden, druk, uitgelaten, stormachtig; subst. warboel; opgeblazenheid.
Hokey-pokey, houkipouki = Hocus-pocus; ook goedkoop ijs (op straat verkocht).
Holborn, houbən, Holbrook, houlbruk; Holcroft, holkroft.
Hold, hould, subst. houvast, greep, steun, invloed, macht, gevangenschap, gevangenis, schuilplaats, ruim van een schip; — verb. houden, vasthouden, er voor houden, ophouden, behouden, inhouden, aanhouden, bevatten, bewaren, behoeden, beslissen, bezitten, bekleeden, verkrijgen, verdedigen, deelnemen, vieren, voeren (van taal), wedden, standhouden, enz.: I cannot get — of him = hem te pakken krijgen; Nothing has any — on him = heeft vat op hem; To keep firm — of = stevig vasthouden; Do not let go your — = laat niet los; That great shock looses his — on life = brengt hem den dood nader (eig. doet hem zijn houvast aan ’t leven verliezen); To quit one’s — = loslaten; He took (laid) — of my arm = hij greep (pakte, hield) mijn arm vast; The frost will not — = zal niet aanhouden; That rule always —s (good) = gaat altijd door; — fast by my girdle = houd je vast; — hard = houd je goed vast, wacht even, kalm aan, schei uit, stop; Held in reserve = gereserveerd; She held herself properly = kwam netjes voor den dag; I will — a brief for you = de zaak voor u bepleiten; We held the fortress against the enemy = verdedigden (met succes) de vesting; He can hardly — his own = zich nauwelijks bedruipen; To — one’s own against any odds = zich goed (staande, stand) houden tegen; — your peace = houd je mond; The ministry —s its power at the hands of the people = heeft, ontvangt zijn macht uit de handen van het volk; He held our proxy = was onze procuratiehouder; We — our title of (from) the royal favour = ontleenen onzen titel, ons recht; — your tongue = zwijg; I will — that wager = durf die weddenschap aan; Such an excuse would never — water = opgaan, geaccepteerd worden; He held wool for her = hield een streng wol voor haar op; onderwierp zich aan hare nukken; You can’t — back time = tegenhouden; To — back letters = achterhouden; — hard = stop! He held forth his hand = stak zijne hand uit, bood zijne hand aan; We have been —ing forth on all kinds of subjects = hebben het gehad over, er over uitgeweid; He held off his enemies = hield op een afstand; He held on his (headlong) course = zette zijn (onstuimigen) loop voort, ging door op; — on a bit = wacht eventjes; He held (on) by the railings = hield zich vast aan; They held on downwards = gingen verder naar beneden; — on round my waist = houd je vast om mijn middel; He held on pluckily = hield zich kranig; To — out = toesteken, vóórspiegelen, etc.: He was —ing out to a knot of men = stond te oreeren; He held out those favours to me = bood mij aan; I can — out no longer = kan het niet langer uithouden; Many advertisements must be held over till our next issue = wij moeten laten liggen; You must not — him to that opinion = niet als zijne eind-opinie beschouwen; I held him to his promise = hield hem aan; Behave well and — (stick) to the right = en houd u aan ’t goede; He held faithfully to his party = bleef standvastig trouw aan; — up your head, and look like a man = wees flink; To — up one’s head with = niet onderdoen voor; The same speed was held up to the last = werd volgehouden; He was held up for (to) execration, ridicule = werd prijsgegeven aan; To — up as an example = tot voorbeeld stellen; He held me up, until we were both picked out = hield mij boven water; To — up a train = aanhouden (door roovers); We were in the held-up train; — up man! = houd je goed, courage! Why don’t you — up your end of the line (rope) = waarom neemt gij niet deel aan het gesprek (Amer.)? He —s with the royalists = houdt het met; —-all = soort reiszak, nécessaire; —back = verhindering, beletsel; —er = houder, bezitter, huurder, aandeelhouder, bak; —er-forth = schreeuwerig redenaar; —fast = houldfâst, steun, houvast; —ing = houvast, bezit, gehuurde boerderij.
Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene woning), moeilijkheid; — verb. een gat maken, stoppen, in een gat kruipen: My shoes are in —s = stuk; To be in a — = in de klem zitten; To make a — in the water = zich verdrinken; We are not going to pick —s in each other’s coats = elkaar geen kwaad doen, niet op elkaar vitten; I tried to pick —s in his story = trachtte fouten te vinden in, aanmerkingen te maken op; I put my foot into a big — = ben er leelijk ingeloopen, heb me leelijk verpraat; The diplomatic —s and corners of our day = de diplomatieke geheimen (wat er achter de schermen gebeurt); The proceedings of the club are —-and-corner = zijn geheim (stiekum); A —-and-corner engagement = stiekum.
Holibut, holibɐt (Zie Halibut).