Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 81
Open, oupən, open, blootgesteld, openbaar, bekend, vrij, onbezet, duidelijk, royaal, openhartig, edelmoedig, ontvankelijk; — subst. open ruimte, vrije veld, open lucht, open zee; — verb. openen, openslaan, uitspreiden, bekend maken, ontdekken, uitleggen, ontvankelijk maken, bevrijden, opengaan, uitkomen op, open staan, beginnen, aanslaan (van jachthonden) op het zien of ruiken van wild: It is — to criticism = onderhevig; He is — to entreaties = toegankelijk voor; It is — to him = staat hem vrij; An — carriage; — field = vrij; — place = niet versterkte; — river = ijsvrije; — sea; To cut — = opensnijden; To lay — = openleggen, blootleggen; To lie — = blootgesteld zijn; To set (throw) —; To sleep in the — = onder den blooten hemel; To — the ball = het bal openen, beginnen, voorop zijn, den strijd beginnen; To — a battle; To — a business, a house = eene zaak oprichten; They —ed their fire upon the town; To — one’s mind (oneself) to = zich uitstorten voor; To — a railway = in exploitatie brengen; To — an umbrella over a person; The door —s into a passage = komt uit op; The street —s out of Regent Circus = gaat uit van R. C.; —-air meetings; —-eyed = waakzaam; —-handed = royaal; subst. —-handedness; —-hearted; subst. —-heartedness; —-mouthed = met open mond (ook fig.); vraatzuchtig, schreeuwerig; —-work = opengewerkt iets; —er; —ing = opening, begin, kans, gelegenheid; ook adj.: Men become Tories or Whigs, partly by principle, partly as —ings come = afhankelijk van de voordeelen of kansen, die zich aanbieden; Mr. M. has an —ing for an apprentice = kan plaatsen; —ing ceremony = openingsplechtigheid; —ly = openlijk; —ness = het open zijn, openhartigheid, mildheid.
Opera, opərə, opera: —-bouffe = opera comique; —-cloak = sortie; —-dancer = balletdanser(es) = —-girl; —-glass = tooneelkijker; —-hat = klak; —-house = opera(gebouw); —-singer; Operatic = tot eene opera behoorende, opera...
Operate, opereit, bewerken, teweegbrengen, uitwerken, opereeren, drijven, uitvoeren, exploiteeren: To — upon = bewerken, opereeren; Operating: — expenses = bedrijfskosten; —-room = operatiezaal; —-table = operatietafel; Operation, opəreiš’n, werking, uitwerking, handeling, operatie (in de verschillende beteekenissen), reeks v. militaire bewegingen (mv.): To perform an — = een operatie doen; Line of —s = operatielinie; First year’s —s = resultaten; Operative, opərətiv, subst. werkman, handwerker; adj. werkdadig, werkend, in exploitatie, operatief; Operator, opəreitə, werker, operateur, tandarts, telegrafist, beursspeculant.
Operculum, əpɐ̂kjəl’m, deksel.
Operetta, opəreta, operette.
Operose, opərous, bedrijvig, vermoeiend, zwaar: subst. —ness.
Ophelia, əfîljə.
Ophidian, əfidiən, slangachtig; subst. slang; Ophidium, əfidj’m, slangevisch; Ophites, ofaits, slangendienaars, een godsd. secte.
Ophthalmia, of-thalmiə, oogontsteking; Ophthalmic, oog...; subst. oogmiddel: — hospital, — infirmary; Ophthalmology = oogheelkunde; Ophthalmoscope, of-thalməskoup, oogspiegel; Ophthalmoscopy, of-thəlmoskəpi, of-thalməskoupi = onderzoek met den oogspiegel.
Opiate, oupiit, subst. en adj. slaapwekkend, pijnstillend, verdoovend (middel); — verb. (oupieit) in slaap maken, met opium vermengen.
Opine, əpain, denken, onderstellen.
Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: — of counsel = rechtskundig advies; Public — = publieke meening; In my humble — = naar mijne bescheiden meening; To be of — = van meening zijn; I have no — of it = heb er geen hoogen dunk van; To injure a person in another person’s — = een ander een slecht idee geven van; Opinionated, əpinjəneitid, eigenzinnig, koppig = Opinionative, əpinjənətiv; Opinionist = stijfkop.
Opium, oupj’m, opium: —-eater = ‘pen-name’ van Thomas De Quincey; —-smoker = opiumschuiver; —-smoking den = opiumkit.
Opossum, əposəm, opossum.
Oppidan, opidən, uitwonend leerling (van Eton College).
Opponent, əpoun’nt, subst. tegenstander, tegenstrever; adj. tegenstrijdend, tegenwerkend, opponeerend.
Opportune, opətjûn, gelegen, geschikt, juist van pas, tijdig: He has proved it —ly = te juister tijd; subst. —ness; Opportunism, opətjûnizm, opətjunizm, opportunisme; Opportunist.
Opportunity, opətjûniti, gelegenheid, geschiktheid van tijd en omstandigheden: — makes the thief; To embrace (improve, seize, take) the — = aangrijpen; The book is a monument of exceptional opportunities = buitengewoon gunstige omstandigheden; He did not rise to the height of his opportunities = heeft er niet alles van gemaakt wat hij kon, is beneden zijn onderwerp gebleven; I will take an early — = de eerste gelegenheid aangrijpen.
Opposable, əpouzəb’l, weerlegbaar, bestrijdbaar; Oppose, əpouz, tegenstellen, weerstaan, opponeeren, bestrijden, dwarsboomen: They —d a stubborn resistance = boden hardnekkig weerstand; As —d to = tegenover; —r = mededinger, opponent; Opposite, opəzit, tegenover, tegengesteld, omgekeerd, vijandig, tegenstandig; subst. het tegenovergestelde, tegendeel: — the post-office, on the — side = tegenover het postkantoor, aan de overzijde; soms verb.: He declined either to support or to — the measure; subst. —ness; Opposition, opəziš’n, tegenstand, hindernis, oppositie: To act in — to = handelen in strijd met, weerstreven; To make — to = protesteeren; In spite of — = trots tegenstand; —ist = lid van de oppositie.
Oppress, əpres, (onder)drukken, zwaar liggen op; —ion, əpreš’n, onderdrukking, ellende, (afge)matheid, gevoel v. beklemming; —ive = onderdrukkend, zwaar drukkend; subst. —iveness; —or = tyran.
Opprobrious, əproubriəs, verachtelijk, schandelijk; subst. —ness; Opprobrium, əproubriəm, schande, smaad, eerloosheid.
Oppugn, əpjûn, bestrijden, weerstaan; —ancy, əpɐgn’nsi, tegenstand, strijd.
Optative, optətiv, opteitiv, wenschend; subst. optatief; — mood = de wijze (v. een werkw.), die een wensch uitdrukt.
Optic, optik, gezichts...: — nerves = gezichtszenuwen; Optical delusion = gezichtsbedrog; Optician, optiš’n, gezichtkundige, optisch instrumentmaker; Optics = optica, oogen.
Optimates, optimeitîz, de aanzienlijken; Optime, optimî, een kandidaat, die bij de Triposes of Honours Examinations voor den B.A. graad te Cambridge, onmiddellijk volgt op den Wrangler.
Optimism, optimizm, optimisme; Optimist, subst. optimist; adj. optimistisch = Optimistic.
Option, opš’n, recht of vrijheid van kiezen, keus, voorkeur: At — = naar verkiezing; To leave a thing to (in) a person’s — = aan iemands keus laten; —al = van de keus afhangend, vrij in de keuze, facultatief: It is —al with you = het staat u vrij.
Opulence, opjulens, rijkdom, weelde, overvloed; adj. Opulent.
Opus, o(u)pəs (Mv. Opera, opərə), werk (muziek); Opuscule, əpɐskjul, klein werk of geschrift.
Or, ö, eer, of: Either this — the other.
Orach(e), oratš, melde (plant).
Oracle, orək’l, subst. orakel, godsspraak: He has worked the — = hij heeft door list en bedrog zijne zaak gewonnen, het zaakje listig overlegd; Oracular, ərakjulə, orakeltaal sprekend, duister, dubbelzinnig, gewichtig; subst. Oracularity = —ness.
Oral, ôr’l, mondeling, mond...: — examination; —ly.
Orale, əreilî, pauselijke hoofdsluier.
Oran, ərân.
Orange, orinž, subst. en adj. sinaasappel, oranje(kleurig); —-blossom = oranjebloesem; —-man = koopman in sinaasappelen; —man = spotnaam voor Iersche protestanten (17de eeuw); Orangist, d.i. lid van eene geheime polit. protest, vereeniging in Ierland (1795); —-musk = muskaatpeer; —-peel = oranjeschil: Candied —-peel = snippers; —-woman; The — Free State = The — River Sovereignty; —ade, orəndžeid, orangeade; —ry, orənž’ri, oranjerie.
Orang-outang, əraŋûtaŋ, orang-oetang.
Oration, əreišn, redevoering; Orator, orətə, redenaar; Oratoric(al) = welsprekend, rhetorisch; Oratorio, orətôriou, oratorium (muz.); huiskapel; Oratorize, orətəraiz, eene redevoering houden; Oratory, orətəri, welsprekendheid; huiskapel: Priests of the — = leden van het Oratorium, een geestel. congregatie.
Orb, öb, bol, oog(appel), omloop, kringloop, rad, bol; — verb. omringen, een kring vormen, zich in een kring bewegen; —ed = rond, cirkelvormig, volkomen = —icular, öbikjulə = —iculate, öbikjulit; Orbit, öbit, oogkas; baan (van een hemellichaam); —al = tot een baan of oogkas behoorende.
Orcades, ökədîz, Orcaden = Orkney Islands; adj. Orcadian, ökeidj’n.
Orchanet, ökənet, ossetong (plant).
Orchard, ötšəd, boomgaard; —ing = ooftbouw; —ist.
Orchestra, ökəstrə, orkest: String — = strijkorkest; Orchestral, əkestr’l, ökəstrəl: The — score = orkestpartituur; Orchestrate, ökəstreit, arrangeeren voor orkest; Orchestration, ökəstreiš’n, het arrangeeren v. muziek voor orkest.
Orchid, ökid, orchidee; —aceous, ökideišəs, tot de orde der orchideeën behoorende; Orchis, ökis, orchis.
Ordain, ödein, instellen, voorschrijven, beschikken, ordineeren, bevestigen of wijden (in kerkelijke ambten); —er; —ment.
Ordeal, ödiəl, ödîl, ödîəl, godsgericht, vuurproef (fig.): — by fire, by water = vuur-, waterproef.
Order, ödə, subst. orde, schikking, methode, toegangsbewijs, reglement, rang, bouworde; — verb. ordenen, regelen, inrichten, leiden, verordenen, voorschrijven, bestellen, bevelen: Standing —s = reglement van orde; By — = volgens verordening, op bevel; By — of = op bevel van; In — = volgens ’t reglement van orde; In — that = opdat; In — to = om, ten einde; Not in — = buiten de orde = Out of — = in wanorde; Per — = volgens bestelling; To — = op bevel, op bestelling, naar maat; — of battle = slagorde; — of the day = agenda, dagorder, orde van den dag; I move to proceed with the — of the day = stel voor tot de orde van den dag over te gaan; Drunkenness was the — of the day = aan de orde van den dag; — in Council = Kon. Besl. na advies van de Privy Council; To be in good —; In holy —s, Zie Holy; The men were in full marching — = marschtenu; Everything was in working — = alles was klaar (zoodat men beginnen kon); The children were kept in — = stil gehouden; He cannot keep the boys in — = geen orde houden (Vergelijk: To impose good — on a class); To give an — = bevel geven; To give —s for = bestellingen; To be mentioned in general —s = eervol vermeld; He has taken —s with a view to restore — = hij heeft maatregelen genomen om de orde te herstellen; He took priest’s —s = hij werd gewijd als geestelijke; Take Mr. A’s — = vraag wat mijnheer A. zal gebruiken; I won’t be —ed about like that = laat me zoo niet commandeeren; The quack was —ed off by the police = werd gelast heen te gaan; To — out = wegsturen; To — up = boven laten komen; —-book = boek voor de bestellingen, orderboek (milit.); —-form = bestelbriefje; —-word = parool; —er; —ing = regeling, schikking; —ly, subst. ordonnans (Mounted —), hospitaalsoldaat, opzichter in eene ziekenafdeeling; straatveger (= Street—ly); adj. ordelijk, rustig, geregeld, kalm, in dienst; —ly-book = orderboek (mil.); —ly-man = ordonnans; —ly-officer = ordonnansofficier; —ly-room = bureau; —ly-sergeant = oudste onderofficier van eene compagnie.
Ordinal, ödin’l, rangschikkend; subst. rangsch. telwoord (= — number); missaal = Ordinale, ödineili.
Ordinance, ödin’ns, verordening, ritus.
Ordinary, ödinəri, gewoon, gevestigd, geijkt, middelmatig, alledaagsch, actief dienend, hof...; lijf...; buiten dienst gesteld; subst. gaarkeuken, table d’hôte in eene ouderwetsche herberg, maaltijd; rechter (vooral in geestelijke zaken): — debts = boekschulden; — seaman = licht matroos; In — = actief dienend, lijf..., hof...; buiten dienst gesteld (van schepen): Ambassador, professor in — = gewoon gezant, hoogleeraar; Chaplain in — to the Queen = hofkapelaan; Physician in — to the Queen = hofarts.
Ordinate, ödinit, geregeld, regelmatig; subst. ordinaat; — verb. ödineit, wijden (door den Bisschop); Ordination, ödineiš’n, wijding, bevestiging; verordening, raadsbesluit (fig.).
Ordnance, ödnəns, (groot) geschut: Piece of — = stuk geschut; (Army) — Department (tot 1855 Board of —) = departement voor artillerie en intendance; Director-General of (the) — = generaal-intendant; —-factory = geschutgieterij; —-map = stafkaart; — Survey = officieele triangulatie van Groot-Brit. en Ierland.
Ordure, ödjə, drek, vuil (ook fig.).
Ore, ö, erts; goud.
Oread, ôriəd, bergnimf.
Oregon, orəg’n; O’Reilly, əraili; O’Rell, ərel.
Organ, ög’n, orgaan, werktuig, orgel; — verb. op het orgel spelen: He thinks his owls are —s = hij denkt, dat zijne uilen valken zijn; To blow the —-bellows = orgeltrappen; To play the —; To preside at the — = het kerkorgel bespelen; —-blower = orgeltrapper; —-builder = orgelmaker; —-grinder = orgeldraaier; —-loft = orgelkoor; —-pipe; —-point; —-treader.
Organic, öganik, organisch, organiek, bewerktuigd: — bodies = dieren en planten; — chemistry; — disease = organisch gebrek of ziekte; — remains = organische overblijfselen; Organism, ögənizm, organisme; Organization, ögənizeiš’n, organisatie, bewerktuiging; Organize, ögənaiz, organiseeren, van organen voorzien.
Organzine, ög’nzîn, ketting(organsijn)-zijde.
Orgasm, ögəzm, geprikkelde toestand.
Orgiastic, ödziastik, als een orgie = Orgie, ödži, Bacchusfeest, drinkgelag, braspartij.
Orgy, ödži. Zie Orgie.
Oriana, örianə.
Oriel, ôriəl, erker, arkel (= — window); oudtijds een soort gallerij.
Orient, ôriənt, subst. Oosten; adj. opgaande, Oostersch, oostelijk, schitterend; — verb. ook ôrient, de ligging bepalen, zich orienteeren (= To — oneself): Pearl of — = van het schoonste water = — pearl; —al, örient’l, subst. Oosterling; adj. oostelijk, weelderig, kostbaar; —alism = Oostersche gewoonte of taal, kennis daarvan; —alist = Oosterling; kenner v. Oostersche talen, gewoonten, enz.; Orientalize = Oostersch maken (worden); Orientate = (zich) naar het Oosten wenden; Orientation = bepaling van het Oosten, oostelijke ligging, orienteering.
Orifice, orifis, opening, mond, gaatje: — of the stomach.
Origan, origən, marjolein.
Oriflamme, oriflam, oriflamme.
Origen, oridžen, Origenes, oridžinîz.
Origin, oridžin, begin, oorsprong, oorzaak; —al, əridžin’l, oorspronkelijk, eerst, nieuw, erf...; subst. oer-type, eerste exemplaar, oorspronkelijk stuk, excentriek persoon; —al sin (= eerste of) erfzonde; —ality = oorspronkelijkheid, etc.; —ate, əridžineit, voortbrengen, voortspruiten, voortkomen; —ation = oorsprong, begin, wijze van voortbrenging; —ator, oridžineitə, oorzaak, bewerker.
Orinoco, ourinoukou.
Oriole, ourioul, wielewaal.
Orion, əraiən, Orion.
Orison, oriz’n, oris’n, gebed.
Orizaba, ourithâbə.
Orkneys (The), dhiökniz, Orkadische eilanden; Orleans, öliənz, Orleans; soort van katoen, ook ölînz.
Orlop, ölop, overloop, verdek.
Ormolu, öməlu, öməlû, goudbrons.
Ornament, önəment, subst. sieraad, versiersel; — verb. önəment, tooien, versieren; —al, önəment’l, tot versiering dienend: —al art = ornementiek; —al painter = decoratieschilder; —ation = versiering; Ornate, önit, öneit, versierd, sierlijk; subst. —ness.
Ornithologist, önitholədžist vogelkenner; Ornithology, önitholədži, leer der vogels; Ornithomancy, ön(a)ithəmansi, önithəmɐnsi, vogelwichelarij.
Orographic(al), orəgrafik(’l), orographisch; Orography, ərogrəfi, orographie.
Orphan, öf’n, wees; adj. verweesd, ouderloos: —-boy; —-girl; Infant —-Asylum = —-hospital; —age, öfənidž, de staat van wees; weeshuis; —ed = ouderloos.
Orphean, öfîən, öfiən, v. Orpheus = Orpheus, öfjûs, öfiəs; Orphic, öfik, verweesd, mystiek, v. Orpheus; mysticus.
Orphrey, öfri, een rand v. goudborduursel, ook een rijk vergulde rand in metselwerk.
Orpiment, öpiment, operment, koningsgeel.
Orpin(e), öpin, smeerwortel, gele verfstof.
Orris, oris, Florentijnsche lisch; goud- of zilvergalon.
Ort, öt, brokje, afval; meest m.v.
Orthodox, öthədoks, rechtzinnig, Grieksch Katholiek, rechtgeaard, echt, ouderwetsch, soliede: — arm-chairs = soliede (ouderwetsche) leuningstoelen; An — pair of lovers = geliefden van den ouden stempel; — three-volume novels = ouderwetsche romans in 3 deelen; —y = rechtzinnigheid, rechtgeaardheid, echtheid.
Orthoepic(al), öthəepik(’l) tot de Orthoepy, (öthouəpi of öthə-ipi) of (de leer der) juiste uitspraak behoorende; Orthoepist, öthouəpist of öthə-ipist, uitspraakkundige.
Orthogon, öthəgon, rechthoek; adj. Orthogonal.
Orthographic(al), öthəgrafik(’l), orthographisch; Orthography, öthogrəfi, spellingsleer, juiste spelling.
Orthopaedic(al), öthəpîdik(’l), öthəpedik(’l), orthopaedisch; Orthopaedist, öthəpîdist, öthopidist, orthopaedisch dokter; Orthopaedy, öthəpidi, öthopədi, orthopaedie.
Ortolan, ötələn, ortolaan, tuinmeerle.
Osage, ousidž, əseidž; Osborne, ozbən.
Oscan, osk’n, Osker (oude Ital. volksstam).
Oscillate, osileit, slingeren, weifelen; subst. Oscillation; adj. Oscillatory.
Osculate, oskjuleit, osculeeren (mathem.); kussen; Osculation, osculatie; kus; Osculatory, oskjulətəri, subst. Christus of heiligenbeeltenis, die vroeger met de woorden “Vrede zij met u” te kussen werd gegeven; adj. kussend, aanrakend: — ceremony = ceremonie v. voet- of handkus; Oscule = kleine opening, zuigspriet.
O’Shaughnessy, əšônəsi; O’Shea, əšei.
Osier, oužə, kat-(bind)wilg; rijsje; witte kornoelje (Amer.): —-ait = klein eilandje; —-bed (—-holt) = wilgenboschje; —-bottle = mandflesch; —-twig; —-work = mandewerk.
Osiris, əsairis.
Osmium, ozmiəm; osmiəm, osmium.
Osmose, osmous, ozmous, osmose; adj. Osmotic.
Osmund, ozmənd, osmunda: — royal = koningsvaren.
Osnaburg, oznəbɐ̂g, osnəbɐ̂g, Osnabr¸ck; grof linnen.
Osprey, ospri, vischarend; aigrette.
Ossein, osi-in, beenderenweefsel.
Osselet, osəlet, beentje, sepia; Osseous = beenachtig, been..; Ossicle = beentje; Ossiferous, osifərɐs, beenderen bevattend; Ossification = beenvorming; Ossify = tot been worden, versteenen: Ossified system = verouderd, zéér oud; Ossuary = knekelhuis; urn.
Ostend, ostend.
Ostensibility, ostensibiliti, subst. v. Ostensible, ostensib’l, schijnbaar, oogenschijnlijk, duidelijk; Ostension = uitstelling van het allerheiligste; Ostensive = (duidelijk aantoonend; aanstellerig.
Ostent, ostent, aanblik, teeken, voorteeken; bluf; —ation = (praal)vertooning, vertoon, pracht; —atious, ost’nteišəs, praalziek, ijdel, opzichtig: subst. —ness.
Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.
Ostler, oslə, stalknecht.
Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.
Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.
Ostrich, ostritš, struisvogel: —-feather.
Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.
Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.
Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each —, One an— = elkander; Have an— cigar = neem nog eene sigaar; The — day = onlangs; Every — day = om den anderen dag; The — morning = onlangs op een morgen; The — side = de linkerkant; —where = ergens anders; —wise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and —wise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not —wise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not —wise than most welcome; It is —(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than —wise = ’t liefst: I can do no — = niet anders; On that afternoon of all —s = nog wel op dien namiddag; Some person or — = de een of andere; —ness = verschil, het anders zijn.
Othman, othm’n; Otho, othou.
Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.
Ottar, otə. Zie Otto.
Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.
Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; —-dog.
Ottewa, otəwə.
Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).
Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The — empire.
Otway, otwei.
Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.
Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.
Oudh, aud.
Ought, ôt, subst. iets: For — I know = voor zoover ik weet.
Ought, ôt, behooren: You — to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you — not = maar dat mocht je niet.
Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An — of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.
Ounce, auns, Amer. jaguar.
Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of —s = vriend van ons; He was of —s = hij behoorde tot ons regiment; —self = ons, mij, onszelf, mijzelf; —selves = ons, onszelven, mijzelf.
Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.
Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.
Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; —er = uitzetting, berooving.