Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 139
West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The — End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A —-ender = bewoner van ’t Westeinde; — India; — Indian; The — Indies; To the — of the city = ten westen van de stad; —ering = afstand naar het westen, westelijke koers; —erly = westelijk; Western = westersch, westelijk: The — Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; —most = het meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.
Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land, wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.
Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; —s = ten westen, westwaarts.
Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; — verb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a — = neem een “hapje”; Something to keep the — out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer; I am — through = doornat; Her face was — with tears = nat van tranen; A very — jew = een echte “spekjood”; To have a — night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, — or fine = bij regen of mooi weer; — the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a —-blanket = hij is een spelbederver; He is a —-bob = jongen (te Eton) die aan watersport doet; —-dock = drijvend dok; —-nurse = min; —-pack = natte omslag; —-shod = met lekke schoenen; —ness = natheid; To get a —ting = nat regenen; —tish = nattig, eenigszins vochtig.
Wether, wedhə, hamel: Bell-— = belhamel (ook fig.).
Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.
Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).
Weymouth, weiməth.
Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging; — verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go —s = gelijk op deelen; He has had his — = zijn deel gehad, genoten; Say the word and it is a — = en de koop is gesloten; To take a — at = eens probeeren; Out of — = in wanorde; Justice was not fairly —ed out = toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.
Whale, weil, walvisch: Your story is very like a — = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; —-bird = soort stormvogel; —-boat = walvischsloep; —-bone = balein; —-fin = balein; —-fishery = walvischvangst; —-hunting = walvischvaart; —-louse = parasiet van den walvisch; —-man = walvischvaarder; —-oil = walvischtraan; —-ship = Groenlandsvaarder; —r = walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: —-master, kapitein van een —-ship.
Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).
Whalley, woli.
Whame, weim, horsel = —-fly.
Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; — verb. ranselen, geeselen.
Whap, wop; Zie Whop.
Wharf, wöf, subst. werf, kaai; — verb. lossen, vertuien; —age, wöfidž, kaaigeld, (= —-charges), werven, ankerplaats; —-porter = sjouwerman; —ing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.
Wharton, wöt’n.
What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: — day of the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; — is the game? = hoe staat de partij; — is your name? = hoe heet ge; — is the (best) news = wat voor nieuws is er; — is the time (of day), — time is it? = hoe laat is het; — is up there? = wat is daar aan de hand; — do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr. —-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; — money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away — money he had = al het geld; I will tell you — = ik zal je eens wat zeggen; — ho! = hei daar! — next? = en dan; — of that = wat doet dat er toe; — then? = wat zou dat; — matter if they are = en wat doet het er toe of ...; — nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, —? = niet waar? — about him? = hoe gaat het hem; He got — for = kreeg er van; — if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt; — (care) though I am but poor? = wat hindert het; — though he comes = aangenomen (wat hindert het); — between ... and = deels door ... deels door = — with ... — with; He called me fool and — not = en wat al niet; He knows — is — = hij heeft zijn weetje wel; —e’er, —ever, —soever = al wat, wat ook, hoedanig ook: —ever is that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody —ever = niemand wie ook; —like = van welken aard.
Whatnot, wotnot, étagère.
Whaup, wôp, wulp.
Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.
Wheat, wît, tarwe: Bearded — = spelt; —ear = tapuit (vogel); —-ear = tarweaar; —-moth, (—-worm) = korenworm; —en = van tarwe: —en bread = tarwebrood.
Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He —d me out of 5 pounds, —d me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could — the tire off a cart-wheel (He could — a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; —r = vleier, flikflooier.
Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; — verb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken upon the — = werd geradbraakt; To grease the —s (fig.) = de hand stoppen; To help the — over = over het doode punt heen helpen; To put one’s shoulder to the — = flink aanpakken; He put a spoke in your — = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth — to the coach = dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; —s within —s = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were —ing along at a fast rate = snorden voort; — it back = rol het achteruit; —-animals, —-animalcules = raderdiertjes; —barrow = kruiwagen; —-boat = raderboot; —-carriage = voertuig op wielen; —-chair = rolstoel; —-cutter = radsnijder; —-drag = remschoen; —-horse = Wheeler; —man = roerganger, wielrijder; —-shaped = radvormig; —-steamer = raderboot; —-window = rozet; —woman = wielrijdster; —work = raderwerk; —wright = wagenmaker; —ed = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the —s = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.
Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje: To crack a — = een mop tappen; A new — = een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.
Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).
Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.
Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; — verb. jongen werpen: Bitch in — = drachtige; —less.
When, wen, wanneer, toen, als: At the very time — he told me this = juist toen hij; Even — you told me so = juist toen; Since —? = sedert wanneer; Since — = sedert welken tijd; — due = op vervaltijd; — received = na ontvangst; — young = in mijn jeugd; —as = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; —soever = waar ook vandaan; Whenever (—e’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.
Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: — are you going? = waar gaat ge naar toe; I don’t know —all he is going = waar hij al ... heengaat; —-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the —-abouts of the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the —-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; —as = terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal; —at = waarop; —by = waardoor, waarbij; —fore = waarom, met welk doel, zoodat; —in = waarin; —into = waarin; —ness = plaats waar zich iets bevindt; —of = waarvan; —on = waarop (= —upon); —soever = waar dan ook; —to, —unto = waarheen, waartoe, met welk doel; —ver, wêrevə, waar ook; —with = waarmede; —withal = waarmee; subst. middel (v. bestaan): He has not got the —withal to live = heeft geen middel van bestaan.
Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; —-man = veerman.
Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); —-slate = oliesteen = —-stone-slate; —-stone = wetsteen, slijpsteen; —ter = slijper, slijpsteen.
Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: — he come or go = hetzij hij kome of ga; — or no(t) = al of niet.
Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!
Whewell, wjû’l.
Whey, wei: —-cure; —-tub = weivat; —ey = —ish = weiachtig.
Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: — is yours? = welke (van deze) is van u; He knows — is — = kent ze uit elkaar, hij weet er alles van; Added to — = waar nog bij komt; —ever, —soever = welke ook.
Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong; — verb. dampen, uitblazen v. rook: He got a — of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a — or two = een paar trekjes doen.
Whiffle, wif’l, subst. fluitje; — verb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; —-tree = zwengelhout.
Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij der Whigs; —gery = beginselen der Whigs = —gism; adj. —gish: subst. —gishness.
Whigging, wigiŋ: To give a person a — = afranselen, een schrobbeering geven.
While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; — verb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; —s = soms; The — = ondertusschen; In the mean— = middelerwijl; Quite a — = een tijd lang; A good (little) — ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) — to look at = haast de moeite niet waard (dat gij ...); He visits us between —s = zoo nu en dan; Listen for a — = een oogenblikje; I see your name in the papers once in a — = zoo nu en dan; She has got money to invest every once in a — (Am.) = telkens; Not yet a — = vooreerst niet; I have —d away my time in reading this book = mijn tijd gezellig doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl: The — = ondertusschen.
Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of —s = vol kuren.
Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.
Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; — verb. grienen, teemen: Without a — = zonder een kik te geven.
Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = —ness; Whimsy = gril; adj. grillig.
Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= —-stone); —-berry = blauwe boschbes; Red —-berry = roode boschbes; —chat = kleine walduiker; —ny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.
Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; — verb. jammeren, kermen, teemen; —r; In a whiney-piney voice = jankerig.
Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; — verb. brieschen, hinniken. Zie Whin.
Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; — verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a passable — = vrij goed voerman; He rode to it — and spur = spoorslags; Crack (Smack) went the —s = de zweepen klapten; To crack (smack) a — = doen knallen; To — a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want me to help you to — the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have —ped this part of the stream = afgevischt; It was —ped about (around) with brown paper = gewikkeld in; He —ped it from us = gapte het van ons; He —ped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was —ped out in less than no time = werd er uitgewipt; They —ped up the cherries = gapten weg; —ped cream = slagroom; —ped eggs = tot schuim geklopt eiwit; —-cord = zweepkoord, snaar; —-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He did not frequently venture to take the —-hand of her = haar den boel uit de hand te nemen; As you have the —-hand of me, you may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt; —-handle: To have (keep) the —-handle = het heft in handen hebben (houden); —-lash = het slag v. eene zweep; —-saw = trekzaag; —-staff = helmhout; —-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek; —-stock = zweepstok; Whipper (—ster) = geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; —-in = pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; —-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: —-post = geeselpaal; —-top = drijftol.
Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.
Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.
Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); — verb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!
Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; — verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren: They were —ed away = snorden weg; We were quickly —ed back to D. = snorden terug; —pool = maalstroom, draaikolk; —wind = wervelwind: She was in a —wind of passion = werd voortgesleurd door haren hartstocht; —windish activity = onstuimige; —er = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The — of time = het snelle vlieden van den tijd; —-ventilator = ventilatierad.
Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.
Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; — verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To — along = voortsnellen; To — away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen; To — down = snel afrukken; To — off = snel wegvegen, afrukken; He —ed with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.
Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); —ed = met bakkebaarden.
Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.
Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.
Whisp, wisp. Zie Wisp.
Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; — verb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the — = een wenk (tip) geven (sport.); In a — = fluisterend; In a pig’s —, Zie Pig; The elder boy —ed the girl = fluisterde het meisje iets in; He —ed it in my ear = fluisterde het mij in ’t oor; —er = fluisteraar, oorblazer; Whispering: —-gallery (—-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.
Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your —, Sir! = je mond; —-drive = whistpartij (vaak om prijzen).
Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; — verb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the — = niet noemenswaard; Not to care a penny — for = geen lor geven om; You pay (too) dear for your — = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my — first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can — back the parrot’s call = precies nadoen; She —d her lover down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience everything he had ever cared for was —d down the wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may — for it = ge kunt ernaar fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was —d off = op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; —r = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.
Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a — = in geenen deele; Every — = in elk opzicht.
Whitaker, witəkə.
White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; — verb. pleisteren: She was dressed in — = in het wit; To hit the — = in de roos schieten; He showed the —s of his eyes = het wit; If eggs are boiled too lightly the — does not set = stolt het eiwit niet; —s = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; — ant = termiet; — bear = ijsbeer; — clover = witte klaver; — corn (crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a — day for you (a day to be marked with a — stone) = geluksdag voor u; He showed the — feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; — Friars = Karmelieten; — frost = rijm; — gold = platina; — goods = witte goederen; At a — heat = witgloeiend (ook fig.); — herring = groene haring, pekelharing; — iron = ruw ijzer, blik; —land = leembodem; It was the —st of — lies = het onschuldigste van alle noodleugentjes; — money = zilvergeld; — nights = slapelooze; — rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; — rope = ongeteerd touw; — sale = verkoop v. — goods; — Sea; You are as — as a sheet = als een doek; To get (turn) — = bleek worden; —d sepulchres = gepleisterde graven; —bait = witvisch; — beam = witte lijsterbes; —-beard = oude man; —-blaze = bles; —boy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761); —-ear = tapuit, witstaart; —-face = bles (paard); —fish = houting, adelvisch; —-foot = (paard met) witte plek (op den poot); —-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; —-headed = met grijze haren; —-lead = loodwit; —-limed = gewit; —-livered = lafhartig; —-meat = melkspijzen; wit vleesch; —-paint = loodwitverf; —-pot = pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; —-smith = tinsmid; —-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; —tail = —-ear; —-thorn = hagedoorn, meidoorn; —-throat = grasmusch; —wash, subst. witkalk, witsel; — verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren: To give a room a —wash; To —wash a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; —washer = witter; —wood = boomen met wit hout; —n = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; —ner = bleeker, bleekwater; —ness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.
Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.
Whitey, waiti, witachtig.
Whither, widher, werwaarts, waarheen: —soever he goes = waarheen hij ook gaat.
Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).
Whitleather, witledhə, wit leder.
Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).
Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday, wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie; Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.
Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; — verb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to — down Parliament till nothing remains but the House of Commons = het Parlement te besnoeien.
Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; — verb. snorren (van kogel of pijl): —zing temples = bonzende (kloppende) slapen.
Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le —? = juffrouw le “wàt”? — goes there? = werda! —ever = alwie = —soever.
Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).
Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden: (Up)on the — = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the — of it = neem alles maar; — and sound = frisch en gezond; My — duty = volle, volledige; — milk = volle melk; The — town = de geheele stad; The — truth = de volle waarheid; To make — = repareeren; —-blood = afstammend in rechte lijn; —-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen houdt; —-hoofed = éénhoevig; —-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte: —-length picture = ten voeten uit; —-note = heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By — = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; — business = engros zaak; — cost (price), — merchant; Wines — and retail = in ’t groot en klein; They were killed — = bij massa’s; To sell —; Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: — morals = gezonde zedelijkheid of zeden; — teeth = gave tanden; subst. —ness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.
Whom, hûm, wien, dien, dat: —soever = wien ook.
Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu! — of battle = krijgsgeschreeuw; —ing-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.
Whoot, hût; Zie Hoot.
Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; —per = iets kolossaals, groote leugen: That’s a —per = dat is een leugen alsof het gedrukt was; —ping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A —ping lie.
Whore, hö, hoer; — verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; —-master = —-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish: subst. —ness.
Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: —ed = gedraaid of gekronkeld.
Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.
Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever.
Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; — verb. gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.
Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is — = deswege; I wish to know the — and the wherefore = het waarom en waartoe; It’s not yours to reason — = de reden te vragen; —so = waarom? —, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien; —, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?
Whydah, widə.
Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the —; —-yarn = lampenkatoen; —ing = los katoen voor het maken van —s.
Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, snaaksch; subst. —ness.
Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.
Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes (= —ed); —-basket = teenenmand; —-bottle = mandflesch; —-chair = rieten stoel; —-cradle = mandewieg; —work.
Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); —-keeper.
Wiclif(fe), wiklif.
Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met of): A — answer = verkeerd; His glory resounded far and — = heinde en ver; Your answer is (not) — of the mark = geheel en al mis (niet zoo ver mis); — of the truth = geheel bezijden; The door is — open; —-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; —-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; —-skirted = met breede randen, uitgestrekt; —-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very —ly drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ —ly = hemelsbreed verschillen; —n = verwijden, verbreeden, wijder worden; —ness = grootte, uitgestrektheid.
Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.
Widow, widou, subst. weduwe; — verb. tot weduwe maken, berooven: Being a —, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; —’s bounty = (officiers)weduwpensioen; —’s cap = mutsje door weduwen gedragen; —’s weeds = weduwenrouw; —-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A —-lady (—-woman); —-wail = cnoorum tricoccum; —ed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was —ed of his power = beroofd of verstoken; —er = weduwnaar; —(er)hood = weduw(naar)staat.
Width, width, wijdte, uitgestrektheid; —wise = in de breedte.
Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To — authority = uitoefenen; He —ed the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to — such a sword = te hanteeren; —able = hanteerbaar; —less = niet te hanteeren.
Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The — = vrouwlief; To give (To take) to —; —-beater = vrouwenbeul; —hood = staat eener getr. vrouw; —less = zonder vrouw, ongetrouwd; —like = eene vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.
Wig, wig, pruik; — verb. een uitbrander geven: Big — = groote hans; —-bag = haarzak; —-block = pruikebol; —-maker; —ged = met eene pruik.
Wigan, wig’n: Here is to the mayor of —, i.e. to ourselves = wij ledigen dit glas op onszelf.
Wigeon = Widgeon.
Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good —.
Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.