Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 65
Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij; — verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They —ed to her on account of her reputation.
Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); — verb. vee in de kraal drijven.
Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van Noorwegen.
Krakow, kreikou.
Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.
Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).
Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.
Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.
Kudos, kjûdos, roem, eer; — verb. roemen.
Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).
Kurd, kûəd, —ish; Kurdistan.
Kuril, kûril, pijl-stormvogel.
Kurile, k(j)urîl: — Islands.
Kyley, kaili, boomerang (Austr.).
Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).
L.
L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief) J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary); Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of) I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord) P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds, shillings, pence.
La, lâ, lô, hè, kijk, zie!
La, lâ, la (noot).
Laager, lâgə, laager; — verb. een laager vormen (Z.-Afr.).
Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.
Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.
Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil; — verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled —s = naambordjes (v. straten); Silver —s schildjes (op flesschen).
Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -; subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst. lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.
Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; —-man = vuurwerker.
Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst. —ness.
Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; — verb. arbeiden, zich inspannen, zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s — = zich te vergeefs inspannen; I do not wish to — that point = in ’t bijzonder te behandelen; He —d under difficulties = hij had met moeilijkheden te kampen; They were —ing under an illness (a complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To — under a mistake = in dwaling verkeeren; A — of love = liefdedienst; —-member = werkman lid van het Parlement; —-pains = weeën; —-party = arbeiderspartij; Independent —-party = de socialistische groep van de —-party; —-registry = arbeidersbeurs; —-saving = (handen)arbeid besparend; —ed = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; —er = arbeider: Skilled and unskilled —ers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A —ing-man = landbouwer, losse arbeider.
Labrador, labrədö.
Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.
Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; —al, labirinthəl = —ian, labirinthiən = —ic(al), labirinthik(’l), als een doolhof, verward; —iform, labirinthiföm, labyrintvormig; —ine, labirinth(a)in, als een doolhof, verward.
Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet. ook lakh gespeld; —-dye, —-lake = schilderslak om rood te verven.
Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.
Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; — verb. vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken voegen bij: Without — = (koffie) zonder cognac, sterken drank of likeur; —-bark = lagette of kantstruik; —-bobbin = kantklos; —-cushion; —-maker = kant- of passementwerker; —-man (—-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; —-trimming = kanten belegsel; —-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak slaag.
Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; —ian, lasidimounj’n, Lacedemoniër, Lacedemonisch.
Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.
Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n, hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.
Laches, lašiz, nalatigheid.
Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.
Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The — glands = de traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.
Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; — verb, gebrek hebben aan, behoeven; berispen: John —land = Jan Zonder Land; —-all = wien het aan alles ontbreekt; —-lustre = glansloos, somber.
Lack, lak: Good —! = jeminiejoosje; —-a-day! = helaas!
Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.
Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; — verb. als lakei dienen, slaafs dienen.
Laconia, ləkounjə; —n.
Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism, ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze.
Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); — verb. vernissen, verlakken: Good form, or at all events —ed with the veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.
Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).
Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal, laktiəl, melkhoudend, melk - -: — fever; — vessels = lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: — acid = melkzuur; — fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger; Lactose, laktous, melksuiker.
Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; —l = met gapingen = —r.
Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.
Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top of the — = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his foot into the — = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a hole through a — = hij kan geen steek meer zien.
Laddie, Laddy, ladi, jongen.
Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden, lading: Bill of — = vrachtbrief.
Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een molenrad, laadlepel; — verb. met een grooten lepel opscheppen, toedienen (out): Paying — = piklepel; —ful.
Ladrone, lədroun, dief, schurk; —s, lədrounz, Dieveneilanden.
Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.; Our — = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) —? = hoe vaart je vrouw? The old — = mijn oudje; Old — of Threadneedle Street = de Bank van Engeland; — author = schrijfster; —-bird = pijlstaart; ook lievenheersbeestje = —-bug; —-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; —-day = Maria Boodschap (25 Maart); — friend = vriendin; —-help = hulp der huisvrouw; —-killer = adonis, veroveraar; —-love = geliefde; —’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; —’s-smock = pinksterbloem; —’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; —ish = als een dame; —ism = manieren van eene dame; —kin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve Vrouwe; —like = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd; —ship = rang of titel van eene —: Your —ship = Mevrouw.
Laertes, ləɐ̂tîz.
Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; — verb. dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard = subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.
Lagoon, ləgûn, lagune; —-reef = koraalrif.
Lahore, lahö.
Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend (muz.).
Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie; Laicize = seculariseeren.
Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: — paper = papier met waterlijnen.
Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.
Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.
Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.
Laity, lei(i)ti, de leeken.
Lake, leik, meer; soort lak: — Leman (lîm’n) = het Meer van Genève = The — of Geneva; —-dwellers = bewoners van een paalwoning = —-dwelling; — School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey; —-settlement = verzameling van paalwoningen; —let = meertje; —r = Lakist = dichter uit de Lake School.
Lakh, lak, lâk = Lac.
Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt uitgesproken.
Lam, lam, ranselen: He went on —ming into his men.
Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri, lamâsəri, Lamaklooster.
Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; — verb. lammeren werpen; plukken (fig.): To — down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd (Austr.); —-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; —skin = lamsvel; —’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden appelen; —kin = lammetje, lieveling; —like = zacht als een lam.
Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid; Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.
Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild omfladdert; draperie boven aan een venster.
Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; — verb. kreupel maken, verminken, verlammen; —-duck = wanbetalend beursspeculant; To help — dogs over stiles = zwakke broeders een handje helpen; —ness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.
Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; —r, lamələ, ləmelə, schilferig; —te(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.
Lament, ləment, subst. weeklacht; — verb. betreuren, weeklagen; —able, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; —ation = weeklacht, jammerklacht: The —ations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; —ed = zaliger.
Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.
Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd; heks, toovenares.
Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; —ble = tot dunne platen pletbaar; —l = —r = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; —d = schilferig = Laminate, laminit.
Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter — = met St. Juttemis, als de kalveren op het ijs dansen; —-day (—-tide) = St. Pieter (1 Aug.); — Eve = 31 Juli.
Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the — = naar de lamp rieken; —-black = lampzwart; —-burner = brander; —-light = lamplicht; —-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; —-maker = lampenfabrikant; —-mat; —-post = lantarenpaal; —-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.
Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; — verb. schotschriften schrijven; —er; —ery.
Lamprey, lampri, lamprei.
Lanark, lanək; —shire.
Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.
Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; —ian, laŋkəstîriən: — system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.
Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; — verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen: With — in rest = met gevelde lans; —-corporal = korporaal titulair; —-flag = vaantje: —-head = spits; —olate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; —r = lansier; —rs = “quadrille des lanciers”.
Lancelot, lânsəlot.
Lancet, lansət, lancet; —-arch = spitsboog; —-fish = lancetdrager (visch); —-window = Gothisch venster.
Lancinating, lansineitiŋ: — pain = scherpe, snijdende, vlijmende.
Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; — verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By — = te land; — o’ Cakes = Schotland; — of the leal = verblijf der zaligen; — of Promise = Land der Belofte; To lay the — = het land uit het gezicht verliezen; To make the — = in het gezicht krijgen; To set the — = het land peilen; The cape shut in the — = door de kaap was het land niet te zien; To sight the — = in ’t gezicht krijgen; The — was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the — lies = ik wil poolshoogte nemen; I —ed him for ten pounds = kreeg van hem los; He —s himself in all kinds of difficulties = brengt zichzelf; I —ed a splendid fish = haalde op; —-agent = rentmeester; —-bank = hypotheekbank (Amer.); By —-carriage = per as; —-crabs = landkrabben (ook fig.); —fall = grondafschuiving; nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men na een zeereis in ’t gezicht krijgt; —-flood = overstrooming; —-force = landmacht; —-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld gezet werd; —-grave = landgraaf; —-graviate, landgraafschap; —-gravine = vrouw van een landgraaf; —-holder = grondbezitter; —-jobber = landerijenspeculant; —lady = kostjuffrouw, waardin; —-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); —-leaguer = lid van de land-league; A —-locked bay = rondom door land ingesloten baai; —-loper = vagebond; landrot (fig.); —lord = huisbaas, waard; —lordism = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; —-lubber = landrot (fig.); —man = landrot; pachter; —mark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; —-measuring = het landmeten; —owner = grondbezitter; —-rail = wachtelkoning, spriet; —-rat = landrot; —-rent = landrente; —-reeve = onder-rentmeester; —-roll(er) = zware rol, om aardkluiten te breken; —scape = landschap; —scape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; —-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); —-shark = straatroover, uitzuiger, advocaat; —-side = de platte zijde van den ploeg; —-slide, —slip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; —sman = landkrab, landrot (fig.); —-steward = rentmeester; —-surveying = landmeten; —-surveyor = landmeter; —-tax = grondbelasting; —-warrant = —-scrip; —ed: —ed estate (= —ed property) = grondbezit; The —ed gentry = landadel; —ing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes: —ing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; —ing-place = landingsplaats; —ing-surveyor = opziener over de; —ing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen; —ward = landwaarts.
Landau, landô, landauer; —let, landôlet, kleine landauer.
Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg: The — = Drury — = een schouwburg in Londen; It is a long — that has no turning = aan alles komt een einde.
Langate, langit, rol verbandlinnen.
Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.
Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.
Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.
Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad — = hij vloekte, etc; —-master = taalonderwijzer.
Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. —ness; Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen, achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. —ment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte; Languorous = Languid.
Laniard, lanjəd = Lanyard.
Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.
Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.
Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. —ness; adj. —y.
Lanner, lanə, worgvalk; —et = het mannetje.
Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.
Lantern, lantən, subst. lantaren; — verb. van lantarens voorzien, aan een lantaarn ophangen: Chinese — = lampion; Dark — = dievenlantaarn; Magic — = tooverlantaarn; Feast of —s = feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and —ed; —-fly = lantaarndrager (insect); —-jawed = met lang en mager gezicht; — lecture = lezing met lichtbeelden; —-wheel = lantaarnrad of schijfloop.
Lanyard, lanjəd, taliereep.
Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.
Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant, voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken, oplikken, kabbelen; slappe drank; — verb. vouwen, omleggen, wikkelen, “lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make a — = een schoot maken; —ped in luxury = badend in weelde; —-dog = schoothondje; —-stone = klopsteen (van een schoenmaker); —-work = werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; —ful; —per = vouwer, polijster, likker, zuiper.
Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A —led coat.
Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden, steen - -; bondig; subst. steensnijder: — style = bondige.
Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification = versteening; Lapidify = versteenen.
Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.
Lapis, lapis, leipis, steen: — infernalis = helsche steen; — pumex = puimsteen.
Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic = Lappish.
Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap — = oorlap (v. eene muts, etc.)
Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop, verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval, vervallen; — verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a —d legacy = vervallen legaat; —d proposals; Lapsus = vergissing, fout.
Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.
Lapwing, lapwiŋ, kievit.
Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).
Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).
Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs, diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple — = van eenvoudigen diefstal.
Larch, lâtš, lorkenboom.
Lard, lâd, subst. varkensreuzel; — verb. lardeeren, met vet bedruppelen, mengen; —aceous, lâdeišəs, spekkig = —y.
Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.
Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.
Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, edel, pocherig: — conscience = ruim; As — as life = levensgroot; To be in a — way (of business) = groote zaken doen; Christendom at — = in ’t algemeen; A convict at — = ontvlucht gevangene; A gentleman at — = die zijn eigen baas is; The public at — = het groote publiek; The prisoners were (set) at — = waren (werden) vrijgelaten; To talk at — = er maar op los; They are not tolerated at — = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed) — = zeilde voor den wind; —-boned = pootig; —-handed = hebzuchtig; overdreven mild, verkwistend; —-hearted = grootmoedig; —-minded person = met ruimen blik; grootmoedig; subst. —-mindedness; —n = groeien, vergrooten; —ness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.
Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry — = om een geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).
Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).
Largish, lâdžiš, vrij groot.
Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; — verb. met een lariat vangen.
Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; — verb. leeuweriken vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A — is better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a — = heb wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch —s (there will be catching of —s) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe slaapmuts op; Don’t make a — of me = houd me niet voor den gek; —spur = ridderspoor; —er = grappenmaker; —ish = —some = —y = van pret houdend, lustig.
Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; —ism = herrie, baldadigheid (Australië).
Larrup, larəp, afranselen.
Larva, lâvə, larve of pop; —l = tot eene larve behoorende; —te(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.
Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən, strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.
Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche schepen.
Lascelles, ləselz.
Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. —ness.
Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; — verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under the — of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden — out = begon plotseling achteruit te slaan; To — out = achteruit slaan; uit den band slaan (fig.); —ing = sjorring (scheepst.); —ings = massa’s.
Lass, las, lâs, meisje, deern; —ie = jong meisje.
Lassell, ləsel.
Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.
Lasso, lasou, subst. lasso; — verb. met een lasso vangen.
Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste, uiterste, geringste, jongstleden; — verb. duren, uithouden; To put (set) (up)on the — = leest; Shoemaker, stick to your — = hou je bij je leest; At — = ten laatste, eindelijk; At long — = ten langen leste; At the — = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the — = tot het laatste toe; — though not least = het laatste maar niet het minste; The — century = vorige; The — event = de dood; Of the — importance = van het grootste belang; To be on one’s — legs = ten einde raad zijn; The affair is on its — legs = bijna uit, over; — night = gisteren avond; He was in the — straits = lag op het uiterste; The — Supper = l. Avondmaal; He breathed his — = blies den laatsten adem uit; The — I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the — of it? = houdt dat dan nooit op? It will — his time = zijn tijd duren; It would have —ed us out handsomely = we zouden er ruim genoeg aan gehad hebben; —age = lading, laadruimte, vracht; —ing = volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to your —ing honour = strekt u eeuwig tot eer; —ingness = duurzaamheid; —ly = ten slotte.
Latch, latš, subst. klink; — verb. met de klink sluiten; —-key = huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the — is on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The —-string is out = de deur staat (voor iedereen) open.
Latchet, latšət, schoenriem.
Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt verbonden.
Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-—, pas gebeurd: The — Cabinet = het vorige ministerie; My — employer = mijn vroegere patroon; The — king = wijlen de koning; Mr. N. — of her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes — = vijf minuten ná uw tijd; The train is an hour — = te laat; — in the day = (te) laat; Of — days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The — rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much of him of — = in den laatsten tijd; I saw him —ly = onlangs; It did not happen until very —ly = pas (onlangs); So —ly as February = nog in F.; —ness = laatheid; —r on in the day = later op den dag; What’s the —st? = wat is er voor nieuws?
Lateen, lətîn: —sail, driehoekig latijn- of emmerzeil; —yard = de ra hiervoor (Middell. Zee).
Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen: Their steps awaked the — echoes in the house = de slapende echo’s; — heat = latente warmte.
Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.
Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende paleis van den Paus: — councils = de in de kerk van St. Jan van Lateraan gehouden synoden.