Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 60
Indirect, indirekt, niet recht, onoprecht, slinksch: — evidence = derivatief bewijs; —-tax = indirecte belasting; —ion, indirekš’n, oneerlijke practijk, list; —ness, scheefheid, omweg, onoprechtheid.
Indiscernible, indizɐ̂nib’l, niet te onderscheiden; subst. —ness.
Indiscoverable, indiskɐvərəb’l, niet te ontdekken, onbegrijpelijk.
Indiscreet, indiskrît, onverstandig, onbezonnen, onbescheiden, indiscreet; subst. Indiscretion, indiskreš’n: Years of — vlegeljaren.
Indiscriminate, indiskriminit, niet te onderscheiden; niet onderscheiden; zonder onderscheid, door elkaar; Indiscriminating = geen onderscheid makend, blind; Indiscrimination, indiskrimineiš’n, gebrek aan onderscheiding(svermogen), verwardheid.
Indispensability, indispensəbiliti, subst. v. Indispensable, indispensəb’l, onvermijdelijk, onmisbaar: subst. —ness.
Indispose, indispouz, ongunstig stemmen, ongeschikt of ongesteld maken; —d; Indisposition, indispəziš’n, afkeer(igheid), ongesteldheid.
Indisputability, indispjutəbiliti, subst. v. Indisputable, indispjutəb’l, indispjûtəb’l, onbetwistbaar; Indisputed, indispjûtid, onbetwist.
Indissolubility, indisəl(j)ubiliti, subst. v. Indissoluble, indisəl(j)ub’l, indisoljub’l, onoplosbaar, onverbreekbaar; Indissolvable, indizolveb’l, onoplosbaar.
Indistinct, indistiŋkt, onduidelijk, verward; subst. —ness.
Indistinguishable, indistiŋgwišəb’l, niet te onderscheiden; subst. —ness.
Indite, indait, schrijven, opstellen; —r.
Individual, individjuəl, individueel, persoonlijk, eigendommelijk; subst. persoon, individu; —ism = individualisme, zelfzucht; —ity, individjualiti, eigenaardig karakter, individualiteit; —ization = subst. v. —ize = onderscheiden, als een individu kenmerken; Individuate, individjueit, individualiseeren; subst. Individuation.
Indivisibility, indivizibiliti, subst. v. Indivisible, indivizib’l, subst. en adj. ondeelbaar (iets).
Indo, indou, (in samenstellingen): —-Briton = iemand met een Engelschen vader en eene Brit. Ind. moeder; —-China; —-Chinese = behoorende tot het Z.O. schiereiland v. Azië; —-English = de in Indië geboren of wonende Engelschen betreffend; —-European = Arisch, Indo-germaansch; —-Germanic = Arisch, Indo-germaansch.
Indocile, indousil, indosil, onleerzaam, onhandelbaar; subst. Indocility, indəsiliti.
Indoctrinate, indoktrineit, onderwijzen, in een stelsel inleiden of er mede vertrouwd maken: I —d him with these notions; subst. Indoctrination.
Indolence, indəlens, vadsigheid, traagheid, pijnloosheid; adj. Indolent, indəlent: — tumour = pijnloos gezwel.
Indomitable, indomitəb’l, ontembaar, onoverwinnelijk.
Indoor, indö, adj. binnen, huiselijk, huis...: —s, indöz, indöz, adv. binnenshuis, thuis.
Indorse, indös, Zie Endorse.
Indraught, Indraft, indrâft, binnenstroomen van water of lucht.
Indubitable, indjûbitəb’l, Indubitate, indjûbitit, ontwijfelbaar.
Induce, indjûs, bewegen, nopen, veroorzaken, induceeren; —ment = aanleiding, beweegreden, drijfveer, prikkel.
Induct, indɐkt, inwijden, installeeren; (into), in een (geestelijk) ambt bevestigen; —ion, indɐkš’n, begin, installatie, bevestiging, inductie (electr.), inleiding, gevolgtrekking uit waargenomen feiten; —ion-coil = inductierol (-klos); —ive = inleidend, door gevolgtrekking uit waargenomen feiten, inductie, inductief..: —ive method; —ive sciences = op waarneming gegronde wetenschappen; —or = hij, die installeert, inductor (Electr.).
Indue, indjû, bekleeden, verschaffen.
Indulge, indɐldž, toegeven, zich overgeven, voeden, koesteren, verwennen, zuipen: She —s her children too much = geeft te veel toe; To — a dream = koesteren; He —s in indolence = geeft zich over aan; This writer —s himself with a trifle of exaggeration = veroorlooft zich eenige overdrijving; We —d ourselves with tickets for the opera = permitteerden ons de weelde; —nce, —ncy = toegevendheid, verdraagzaamheid, uitstel van betaling, uitspatting, aflaat; Indulgent = toegeeflijk, zacht.
Indurate, indjureit, verharden, ongevoelig maken, worden; subst. Induration.
Industrial, indɐstriəl, vlijtig, nijverheids..; subst. industriëel: — exhibition = nijverheidstentoonstelling; — school = ambachtsschool; ook soort tuchtschool; — school-ship = opleidingsschip voor verwaarloosde kinderen; A penal — settlement = strafkolonie; Industrious, indɐstriəs, vlijtig, nijver, arbeidzaam; Industry, indəstri, ijver, vlijt, nijverheid: School of —.
Inebriant, inîbriənt, dronken makend (middel); Inebriate, inîbri-it, subst. en adj. dronken (mensch); — verb. inîbrieit, dronken maken; Inebriation = dronkenschap, roes; Inebriety, inibraiiti, dronkenschap (vooral van een ‘habitual drunkard’).
Inedited, ineditid, onuitgegeven.
Ineffability, inefəbiliti, subst. v. Ineffable, inefəb’l, onuitsprekelijk.
Ineffaceable, inefeisəb’l, onuitwischbaar.
Ineffective, inefektiv, zonder uitwerking, vruchteloos, ondeugdelijk; subst. onbruikbaar mensch; subst. —ness; Ineffectual, inefektjuəl = Ineffective.
Inefficacious, inefikeišəs, zonder uitwerking, vruchteloos; subst. —ness = Inefficancy = Inefficiency, ook onbekwaamheid; adj. Inefficient.
Inelegance, ineləg’ns, smakeloosheid, onbevalligheid; adj. Inelegant, ineləg’nt.
Ineligible, inelidžib’l, onverkieslijk, onverkiesbaar.
Inept, inept, ongerijmd, dwaas; subst. —itude = —ness.
Inequality, inikwoliti, ongelijkheid, oneffenheid, verschil, onbevoegdheid, partijdigheid.
Inequilateral, inîkwilatər’l, ongelijkzijdig.
Inequitable, inekwitəb’l, onbillijk.
Inequity, inekwiti, onbillijkheid.
Ineradicable, iniradikəb’l, onuitroeibaar.
Inert, inɐ̂t, bewegingloos, log, traag; —ia, inɐšə, traagheid (Natuurk.) = Vis —iae (inɐ̂ši-î); —ion = —ness = traagheid.
Inessential, inəsenš’l. Zie Unessential.
Inestimable, inestiməb’l, onschatbaar.
Inevitability, inevitəbiliti, subst. v. Inevitable, inevitəb’l, onvermijdelijk; subst. —ness.
Inexact, inəgzakt, onnauwkeurig; subst. —itude = —ness.
Inexcitable, inəksaitəb’l, loom, lusteloos.
Inexcusable, inəkskjûzəb’l, onvergeeflijk; subst. —ness.
Inexhaustibility, inəgz(h)ôstibiliti, subst. v. Inexhaustible, inəgz(h)ôstib’l, onuitputtelijk, onvermoeid = Inexhaustive, inəgz(h)ôstiv, niet uitputtend.
Inexorability, ineksərəbiliti, subst. v. Inexorable, ineksərəb’l, onverbiddelijk; subst. —ness.
Inexpedience, -cy, inəkspîdj’ns(i), ongeschiktheid, onraadzaamheid; adj. Inexpedient, inəkspîdj’nt.
Inexpensive, inəkspensiv, goedkoop.
Inexperience, inəkspîrj’ns, onervarenheid; —d = onervaren, onbevaren.
Inexpert, inəkspɐ̂t, onbedreven; subst. —ness.
Inexpiable, inekspiəb’l, onverzoenbaar; subst. —ness.
Inexplicability, ineksplikəbiliti, subst. v. Inexplicable, ineksplikəb’l, onverklaarbaar: —s = broek; subst. —ness.
Inexpressible, inəkspresib’l, onuitsprekelijk; —s = broek; Inexpressive, inəkspresiv, zonder uitdrukking.
Inexpugnable, inəkspɐgnəb’l, inəkspjûnəb’l, onoverwinnelijk, onneembaar.
Inextinguishable, inəkstiŋgwišəb’l, onbluschbaar.
Inextricable, inekstrikəb’l, niet ontwarbaar; subst. —ness.
Inez, ainîz.
Infallibilism, infalibilizm, het dogma van, en het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid; Infallibility, infalibiliti, onfeilbaarheid; Infallible, infalib’l, onfeilbaar, zeker; subst. —ness.
Infamous, infəmɐs, schandelijk, verfoeilijk, berucht; Infamy, infəmi, schande, laagheid.
Infancy, inf’nsi, kindsheid, minderjarigheid, aanvang, eerste stadium.
Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder...: — in arms = schootkindje; — games; — mortality; —-school, —s’ school = bewaarschool; His — son = zoontje; —a, infantə, —e, infanti, koninklijke prinses of prins, behalve de troonopvolgster of den troonopvolger (Spanje); —icide, infantisaid, kindermoord(enaar); —ile, inf’nt(a)il, —ine, inf’nt(a)in, kinderachtig; kinderlijk = —like.
Infantry, inf’ntri, infanterie: —man = infanterist.
Infatuate, infatjueit; —d = blind ingenomen met, dwaas verliefd op (with); Infatuation, infatjueiš’n, verdwaasdheid, dwaze verliefdheid.
Infect, infekt, besmetten, aansteken; —ion = besmetting, smetstof: To catch (take) the —ion = besmet, aangestoken worden; —ious, infekšəs, besmettelijk, aanstekelijk; subst. —ness; —ive = —ious.
Infecundity, infikɐnditi, onvruchtbaarheid.
Infelicitous, infilisitɐs, ongelukkig; Infelicity, infilisiti, ongeluk, ellende, rampspoed, ongelukkig gekozen uitdrukking.
Infer, infɐ̂, eene gevolgtrekking maken, een besluit trekken; —able = afleidbaar, volgend; —ence, infərens, gevolgtrekking; —ential, infərenš’l, afleidbaar = By —ence; I could only gather it —entially = slechts uit het medegedeelde opmaken.
Inferior, infîriə, minder, lager, ondergeschikt; ook subst.: I am — to none in love of country = doe voor niemand onder; —ity, infîrioriti, minderheid.
Infernal, infɐ̂n’l, helsch, duivelsch, verfoeilijk, kolossaal, kras: — machine = helsche machine; —-stone = helsche steen.
Inferno, infɐ̂nou, de hel.
Infertile, infɐ̂t(a)il, onvruchtbaar; subst. Infertility.
Infest, infest, aanvallen, overvallen, invallen, verwoesten, onveilig maken, kwellen; wemelen van (= To be —ed with); subst. —ation.
Infidel, infidel, subst. en adj. ongeloovig(e); —ity, infideliti, ongeloof, twijfelzucht, ontrouw, verraad, bedrog.
Infiltrate, infiltreit, insijpelen, langzaam doordringen; subst. Infiltration.
Infinite, infinit, oneindig, grenzeloos; subst. oneindigheid, oneindige ruimte, onbepaalde hoeveelheid, Hoogste Wezen; —simal, infinitesim’l, oneindig klein; Infinitude, infinitjûd, Infinity, infiniti, oneindigheid.
Infinitival, infinitaiv’l, infinitiv’l, tot de onbep. wijs behoorend; Infinitive, infinitiv, onbepaalde wijs.
Infirm, infɐ̂m, zwak, onzeker, weifelend; —arian, infɐ̂mêriən, ziekentrooster; —ary = ziekenhuis; —ity = zwakheid (ook fig.); ziekelijkheid = —ness.
Infix, infiks, inplanten, inprenten.
Inflame, infleim, doen ontvlammen, verbitteren, doen gloeien; gloeiend worden: He —d them against England = zette ze op tegen; Inflammability, inflaməbiliti, ontvlambaarheid, ook fig.; Inflammable, inflaməb’l, ontvlambaar (—s = brandbare lichamen); subst. —ness; Inflammation, infləmeiš’n, ontbranding, opwinding, ontsteking; Inflammatory, inflamətəri, prikkelend, ontsteking veroorzakend, opruiend.
Inflatable, infleitəb’l, opblaasbaar; Inflate, infleit, opblazen, uitzetten, opdrijven, opgeblazen maken; —r = fietspomp; Inflation = opblazing, kunstmatige opdrijving, etc.: The — of (To —) worthless securities with an artificial value; Inflationist, infleišənist, voorstander van de vermeerdering van papieren geld; agioteur (Amer.); Inflator = Inflater; Inflatus = inspiratie.
Inflect, inflekt, buigen, krommen, verbuigen, moduleeren; —ion = (ver)buiging, kromming, buigingsvorm, modulatie; —ional = buigings...; Inflexibility, subst. v. Inflexible, infleksib’l, onbuigzaam, onverbiddelijk; Inflexion(al) = Inflection(al).
Inflict, inflikt, opleggen (van boete of straf), doen gevoelen, toebrengen; —ion, inflikš’n, het toebrengen, opgelegde straf, last, bezoeking.
Inflorescence, inflores’ns, bloeiwijze.
Inflow, inflou. Zie Influx.
Influence, influens, subst. invloed, macht; — verb. invloed hebben op, inwerken op: He has — at Court = invloed aan het hof; These things have no — with me = hebben geen invloed; He bragged of — over his mother = dat hij zijne moeder naar zijne hand kon zetten; Influential, influenš’l, invloedrijk; Influenza, influenzə, griep; besmettelijke paardenziekte.
Influx, inflɐks, instrooming, toevoer, toevloed.
Inform, inföm, onderrichten, mededeelen, aangeven; vorm geven aan, bezielen: He —ed against me = diende een aanklacht in tegen mij; He —ed me of it = berichtte het mij; His book is —ed with intense conviction = is bezield door, gloeit van; —ed with one spirit = bezield; —ant = aanbrenger, zegsman; —ation, infömeiš’n, kennis, bericht, inlichting(en), kennisgeving, geschreven beëedigde aanklacht; —er = aanklager: Common —er = verklikker.
Informal, inföm’l, niet formeel; Informality = informaliteit.
Infra, infrə: — dig = beneden de waardigheid.
Infract, infrakt, schenden; —ion = schending, breuk: —ion of faith = trouwbreuk.
Infrequence, -cy, infrîkw’ns(i), zeldzaamheid; adj. Infrequent, infrîkw’nt.
Infringe, infrinž, inbreuk maken op, schenden, overtreden; subst. —ment; —r.
Infuriate, infjûriit, adj. woedend, razend: — verb. (infjûrieit), woedend of razend maken.
Infuse, infjûz, ingieten, ingeven, inprenten, een infusie maken, drenken: He —d his life into his poetry = legde in, doordrong; —r; Infusibility, subst. v. Infusible, infjûzib’l, onsmeltbaar; Infusion, infjûž’n, ingieting, doordringing, infusie.
Infusoria, infjusôriə, infusiediertjes; adj. —l = tot de infusoria behoorend of die bevattende; —n = infusiediertje.
Ingathering, ingadhəriŋ, inzameling: Feast of — (2 Mos. 23, 16).
Ingelow, indžəlou.
Ingeminate, indžemineit, herhalen.
Ingenious, indžîniəs, vernuftig, talentvol, vindingrijk, geestig; subst. —ness = Ingenuity, indžənjûiti.
Ingenue, Fr. uitspr. naïef, onschuldig, ingenue; ook subst.
Ingenuous, indženjuəs, oprecht, openhartig, ongekunsteld; subst. —ness.
Ingest, indžest, voedsel in de maag brengen; subst. —ion.
Ingle, iŋg’l, vuur, haard (Schotl.): In the — of a window = hoekje; —-nook = hoekje van den haard.
Inglorious, inglôriəs, roemloos, onbekend, schandelijk; subst. —ness.
Ingoing, ingouiŋ, subst. het ingaan, aanvaarden; adj. binnengaand, een ambt aanvaardend.
Ingot, iŋgət, in-got, baar of staaf (goud, zilver, staal).
Ingraft, ingrâft, enten; —er = enter; —ment.
Ingrain, ingrein, (predikatief: ingrein), adj. in de wol geverfd, ingeworteld, doortrapt; — verb. ingrein, ingrein, in de wol verven, doordringen, verzadigen; —(-carpet) = in de wol geverfd vloerkleed.
Ingram, iŋgram.
Ingrate, ingreit, ondankbaar, ondankbare; Ingrateful, ingreitf’l, ondankbaar.
Ingratiate, ingreišieit, (zich) in de gunst dringen bij (with), steeds reflexief.
Ingratitude, ingratitjûd, ondankbaarheid.
Ingredient, ingrîdj’nt, bestanddeel.
Ingress, ingres, toegang, intrede, aanvaarding; Ingression = intrede.
Ingulf, ingɐlf, (als in een afgrond) verzwelgen.
Ingurgitate, ingɐ̂džiteit, verzwelgen; subst. Ingurgitation.
Inhabit, inhabit, wonen, bewonen; —able = bewoonbaar; —ancy = woonplaats, domicilie; —ant = bewoner, inwoner; —ation = bewoning.
Inhalation, inhəleiš’n, subst. v. Inhale, inheil, inademen, inhaleeren: —r = respirateur, inhaleertoestel.
Inharmonic(al), inhâmonik(’l), Inharmonious, inhâmounjəs, onwelluidend.
Inhaul(er), inhôl(ə), inhaler (zeeterm).
Inhere, inhîə, onafscheidelijk verbonden zijn; —nce, —ncy, inhîr’ns(i), onafscheidelijkheid, inhaerentie; —nt = inhaerent: It is —nt in the blood = zit in het bloed.
Inherit, inherit, erven; —ability, erfelijkheid, overerving; —able = erfbaar; —ance = erfenis, erflating; —or = erfgenaam; vr. —ress = —rix.
Inhibit, inhibit, terughouden, beletten, verbieden; subst. —ion, inhibiš’n, verbod tot het uitoefenen van geestelijke bedieningen, aangaan van schulden, geven van crediet; adj. —ory.
Inhospitable, inhospitəb’l, onherbergzaam, ongastvrij; subst. Inhospitality.
Inhuman, inhjûm’n, onmenschelijk, wreed: An — hunger = verschrikkelijke honger; subst. —ity, inhjumaniti.
Inhumation, inhjumeiš’n, begraving; Inhume, inhjûm, begraving.
Inimical, inimik’l, vijandelijk, schadelijk.
Inimitability, inimitəbiliti, subst. v. Inimitable, inimitəb’l, onnavolgbaar; subst. —ness.
Iniquitous, inikwitɐs, zondig, onrechtvaardig; Iniquity, inikwiti, ongerechtigheid, onrechtvaardigheid, zonde, misdaad.
Inirritability, iniritəbiliti, subst v. Inirritable, iniritəb’l, ongevoelig.
Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginletter, vóórletter; — verb. met zijn initialen teekenen (borduren), parafeeren; Initiate, inišiit, nieuw...; nieuweling, ingewijde; verb. (inišieit), inleiden, in de eerste beginselen onderrichten, inwijden; Negotiations on the lines initiated at Bloemfontein = onderhandelingen in de lijn der voorloopige besprekingen te B; subst. Initiation; Initiative = inleidend; subst. eerste stap, begin, initiatief: To take the — in; Initiatory = inleidend, inwijdend.
Inject, indžekt, inspuiten, inbrengen; subst. Injection: —-cock = injector; —-pipe; —-syringe = injectiespuitje; Injector = injector.
Injudicious, indžudišəs, onoordeelkundig, onverstandig; subst. —ness.
Injunct, indžɐŋkt, uitdrukkelijk verbieden, inscherpen; —ion = opdracht, bevel, rechterlijk verbod: To give strict —s to = To lay strong —s upon a person = iemand op het hart binden.
Injure, inžə, onrecht doen, verongelijken, krenken, benadeelen, kwetsen; —r; Injurious, indžûriəs, nadeelig, schadelijk, krenkend; subst. —ness; Injury, inžəri, onrecht, schade, beleediging, krenking, verwonding: He is detained by an — to his leg = door eene wond aan zijn been.
Injustice, indžɐstis, onrecht(vaardigheid).
Ink, iŋk, subst. inkt; — verb. zwart maken, met inkt besmeren; —-bag = inktblaas (bij visschen); —-blot = vlek; —-bottle = inktflesch; —-eraser = inktgomelastiek; —-fish = inktvisch; —-holder = reservoir; —-lines = gelinieerd blad; —-slinger = broodschrijver, journalist (Amer.); —stand = inktkoker, inktstel; —-stone = inktsteen; —iness = inktachtigheid, zwartheid; —ing: —ing-ball = drukbal; —ing-pad = inktkussen; —y = inktachtig, zwart; —yburn = de Hel: I wished him at —yburn = ik wou, dat hij op de Mookerhei zat.
Inkle, iŋk’l, breed lint, soort sajet.
Inkling, iŋkliŋ, wenk, flauw idee (van): He has an — of it = hij weet er iets van; I gathered an — of their project = kreeg er de lucht van.
Inknit, in-nit, inbreien, vastmaken.
Inknot, in-not, met een knoop vastmaken.
Inland, inland, binnenlandsch: — duty = accijns; — navigation = binnenscheepvaart; — revenue = binnenlandsche rechten; — sea = binnenzee; — town = landstad, binnenl. stad.
Inlay, inlei, inlei, subst. mozaïek, fineerhout; — verb. inlei, inleggen, met mozaïek versieren; Inlaid, inleid; predikatief: inleid: A mother-of-pearl — desk = met paarlemoer ingelegde.
Inlet, inlet, ingang, baai, inham.
Inly, inli, innerlijk: Man’s conscience is an —-written law = innerlijke, in zijn binnenste geschreven; He chuckled — = lachte in zich zelf.
Inmate, inmeit, medebewoner, huisgenoot, bewoner: The carriage was crumbled up, and most of the —s killed = inzittenden.
Inmost, inmoust, binnenste, geheimste.
Inn, in, subst. herberg; college van rechtsgeleerden en studenten: —s of Chancery = opleidingsschool voor de studenten in de rechten (in vroeger tijd); —s of Court = 4 colleges: Inner en Middle Temple, Lincoln’s en Gray’s Inn, waar de aanstaande juristen hunne opleiding tot barrister ontvangen, examens afleggen en later vaak hunne bureau’s (Chambers) hebben; —-keeper = herbergier.
Innate, in-neit, in-neit, ineit, in- of aangeboren: — ideas = aangeboren begrippen; subst. —ness.
Inner, inə, meer naar binnen gelegen, innerlijk, binnen ...: The — man = inwendige mensch, maag; The — office = kantoor van den chef; That’s an — = een mooi schot; He has made an — = hij heeft in de roos (behalve de “witte”) geschoten; —most = binnenste.
Innervate, inɐ̂veit, prikkelen; Innervation = zenuwprikkeling (versterking); Innerve = sterken.
Inning, iniŋ: —s = aangeslibd land; beurt om te spelen (bij het cricket), gelegenheid, kans: To have one’s —s = “aan slag” zijn (fig.); He had a long —s = prachtige gelegenheid.
Innocence, inəsens, onschuld, onnoozelheid; Innocent = onschuldig; Innocentius: You needn’t do the — with me = je van den domme houden; Massacre of the —s = —s’ Day = 28 December (Zie Matth. II, 16).
Innocuous, in-nokjuəs, onschadelijk; subst. —ness.
Innominate, in-nominit, naamloos: — bone = schaambeen.
Innovate, inəveit, nieuwigheden invoeren, veranderingen aanbrengen; subst. Innovation; Innovative = verzot op ’t invoeren van nieuwigheden; Innovator.
Innoxious, in-nokšəs, onschadelijk; subst. —ness.
Innuendo, injuendou, wenk, (hatelijke) toespeling.
Innumerability, in-njumərəbiliti, subst. v. Innumerable, in-njûmərəb’l, ontelbaar, talloos = Innumerous.
Innutritious, injutrišəs, niet voedzaam = Innutrative.
Inobservance, inobzɐ̂v’ns, Inobservancy, subst. v. Inobservant, inobzɐ̂v’nt, achteloos.
Inoccupation, inokjupeiš’n, gebrek aan bezigheid, werkeloosheid.
Inoculate, inokjuleit, enten, inenten; subst. Inocculation.
Inoffensive, inofensiv, onschadelijk, argeloos; subst. —ness.
Inoperative, inopərətiv, zonder uitwerking.
Inopportune, inopətjûn, ongelegen, ontijdig; subst. Inopportunity.
Inordinate, inödinit, ongeregeld, buitensporig: To keep — hours = ongeregeld opstaan en te bed gaan.
Inorganic(al), inöganik(’l), onbewerktuigd.
Inosculate, inos’kjuleit, inmonden van aderen; nauw verbinden; in nauw verband staan.
In-patient, in-peiš’nt, verpleegde (in een hospitaal, etc.).
Inquest, inkwest, onderzoek: Coroner’s — = gerechtelijke lijkschouwing.
Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.
Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: — after him = informeer naar; He —d into the matter = onderzocht; — within = informatiën hier te verkrijgen; —r; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry, inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of — = rechterlijk bevel ter vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries = onderzoek doen; —-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n, onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv, onderzoekend, nieuwsgierig; subst. —ness; Inquisitor, inkwizitə, rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial, inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.
Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an — upon = inbreuk maken op.
Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.
Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity, insəl(j)ûbriti.
Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. —ness = Insanity, insaniti.
Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l, onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.
Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten (— on the memory), beschrijven; —r; Inscription = opschrift, opdracht, onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.
Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l, onnaspeurlijk; subst. —ness.
Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein, verachtelijk: —-powder; —icide, insektisaid, praeparaat om insecten te dooden; —ivora, insektivərə, insecten-etenden; —ivorous, insektivərɐs, insectenetend.
Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.
Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.
Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l, onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: — of danger, — of pain, — to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand; Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.
Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l, onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. —ness; Inseparate = onscheidbaar (from).
Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; —ion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming (Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.
Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.
Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.
Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.
Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn — out = binnenste buiten; — callipers = bolpasser; Insider, insaidə, ingewijde.
Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. —ness.
Insight, insait, inzicht, begrip.
Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.
Insignificance, —cy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj. Insignificant.
Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity, insinseriti.