Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 50

Chapter 503,060 wordsPublic domain

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj. gouden: These words hit the — with precision = slaan den spijker juist op den kop; —-beater = goudpletter, goudbladmaker; —-beater’s-skin = goudvlies; —-bound = in goud gezet of gevat; —-cloth = goudlaken; —-digging = het graven naar goud; —-dust = stofgoud; —-fever = manie voor goudzoeken; —-field = gouddistrict, goudveld; —-finch = goudvink (ook fig.); —-fish = goudkarper; —-foil = bladgoud; —-flower = vleugelnoot; —-hammer = geelgors; —-lace = goudgalon; —-leaf = bladgoud; —-smith(ry) = goudsmid(swerk); —-stick = hofceremoniemeester (met gouden staf) in Engeland; —-thread = gouddraad (om zijde gewikkeld); —-washer = goudwasscher; —-wire = gouddraad; —en = goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van groote waarde, gelukkig; —en age = gouden eeuw; —en cup = boterbloem; —en eagle = steenarend; —en fleece = gulden vlies; —en-mouthed = welsprekend; —en-number = guldengetal; —en-rule = gulden regel, regel van drieën; —en-tressed = met goudgele lokken; —ing = goudrenet; —ney = goudvischje; —y = goudvink; —ylocks, gouldiloks, gulden boterbloem; huidvaren, haarmos, etc.

Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; — verb. ’golf’ spelen; —-club = kolf, golfclub; —-link = golfbaan.

Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.

Goliath, gəlaiəth, Goliath: — beetle = groote kever (in de Tropen).

Golly, goli, gossie: —, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!

Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.

Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).

Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.

Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.

Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.); Gondolier, gondəlîə, gondelier.

Goneril, gonəril.

Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.

Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; —-punch. Zie Bell-punch (Amerik.).

Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri, goniometrie.

Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw; subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden: It’s no — = geeft niet(s); What’s the — of it = waartoe dient het? For the — of the house = ten voordeele van den landheer; For — (and all) = voor goed, volkomen; —s = goederen, waren, materiaal: —s and chattels = have en goed; —s shed = goederenloods; —s train = goederentrein; Ill-gotten —s seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five shillings to the — = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as — as gold = is erg zoet geweest; She gave her as — as she got = betaalde haar met gelijke munt; He is as — as his word = hij vervult trouw wat hij belooft; His fortune is as — as made = vrij wel; —! = dat is goed, mooi zoo! That is —! = dat is ook mooi! That is a — one! = een goeie grap, wat moois! A — deal, A — many = zeer vele; A — ten miles, A — two months = ruim, een goeie; In — sooth = in waarheid; In — time = tijdig, in gunstige omstandigheden; On (from) — authority = uit goede bron; Well and — = alles goed en wel; Not — for much = niet veel waard; That is —-for-nothing = dat is nietswaardig; A —-for-nothing (fellow) = nietswaardige (kerel); He has made — his name = zijn naam eer aangedaan; To make — damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought) — to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands — = is soliede; — behaviour: He was released on his — behaviour = hij werd ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed zou houden; — breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; —-conditioned = in goeden staat zijnde; —-day = goeden dag (bij komen of heengaan); —-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say —-bye yet = ik zie je nog wel; —-evening = goeden avond; —-faced = met gunstig uiterlijk; —-fellow = gezellige, goedaardige kerel; —-fellowship = kameraadschap; —-folk(s) = feeën; — Friday = Goede Vrijdag; —-graces = gunst; —-humour = opgeruimde aard; — lack = Hemeltjelief! (verbazing); —-looking = knap; —-manners = beschaving; —man = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; —-morning, —-morrow = goeden morgen; —-nature = goedaardigheid; —-natured = goedaardig; —ness = goedheid: —ness knows = de Hemel weet; I hope to —ness you will not do it = ik hoop waarachtig; —-night = goeden nacht; serenade; — now = Beware me! (verbazing); — sense = gezond verstand; A —-sized box = vrij groote; — speed = succes! —-tempered = goedgehumeurd; — Templar = geheelonthouder; —wife = huisvrouw; moedertje; —will = welwillendheid; gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the —will of a house; —will to man = “in menschen een welbehagen”; —woman. Zie —wife; He is —, almost to —iness = hij is zoo goed, dat hij haast over zich laat loopen; —ies = lekkernijen, bonbons; —ly = knap, edel, aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); —y = subst. sul, goeie vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look so —y-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked —y-—y to her = ik heb met haar zitten kwezelen.

Goorkha = Ghoorka.

Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.

Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken; (kleermakers)persijzer; — verb. uitfluiten: Every man thinks his own geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s — for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the — = uitgefloten worden; He is sound on the — = hij is ouderwetsch in de slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; —-berry = kruisbes, kruisbessenstruik: —-berry time = komkommertijd (ook The silly season); Old —-berry = de duivel; I am not going to play —-berry(picker) to you two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t “fatsoen” met jullie meegaan; He plays old —-berry with the British public = houdt voor den gek; —-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met room; zotskap; —-flesh (—-skin) = kippenvel; To go all over —-flesh = kippenvel krijgen; —-herd = ganzenhoeder; —-neck = zwaanshals (van giek of boom); —-quill = ganzeveer, pen; —-winged = met de leizeilen bijgezet (voor den wind zeilend).

Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); — verb. op goed geluk naar goud graven.

Gorboduc, göbədɐk.

Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.

Gordian, gödj’n: — knot = Gordiaansche knoop: He cut the — knot = hij heeft den knoop doorgebakt.

Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); — verb. doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.

Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe bergpas; — verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my — = het hart draaide me in mijn lijf om van; My — rises at it = ik walg er van; He —d himself with it = at veel van.

Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. —ness.

Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag of plooisel.

Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; —ean, —ian, gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; —ize = doen versteenen.

Gorilla, gərila, gorilla.

Gormand, göm’nd, gulzigaard; —ize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.

Gorse, gös, brem; Gorsy = vol —.

Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.

Goschen, gouš’n.

Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.

Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).

Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must not take his words for — = als de waarheid; That is — truth = de waarachtige waarheid; —ler = evangelist; voorlezer van het evangelie.

Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine as —; adj. —y.

Gosse, gos.

Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; — verb. babbelen, leuteren; —-monger = wauwelaar; —er; adj. —y = praatziek, prettig keuvelend.

Gossoon, gosûn, jongen, knecht.

Got, got, imp. en part. perf. van to get.

Goth, goth, Goth, barbaar; —ic = Gothisch, onbeschaafd; subst. Gothisch, Gothiek; —icism; —icize = Gothisch maken; —land.

Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).

Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.

Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger (Amer.); — verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen, bedriegen; —-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; —r.

Gough, gof; Gould, gûld.

Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; —iness = gezwel, stijfheid; —y = gezwollen (van paardepooten).

Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.

Gout, gaut, jicht, droppel; —y = jichtig, gezwollen.

Gout, gû, smaak.

Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; —able = bestuurbaar, volgzaam; subst. —ableness; —ess, gɐvənəs, subst. gouvernante; — verb. gouvernante zijn: That pleases me better than —essing = dan voor gouvernante te spelen; —ment = bestuur, regeling, regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; —or = bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in stoommachines); —orship.

Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).

Gower, gauə, gôə.

Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene universiteit: Town and — = studenten en professoren tegenover de stedelingen; Band and — = toga en bef; Morning—- = morgenjapon; Night— = nachtjapon; —-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; —(s)man = getabberde, student; burger.

Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.

Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; — verb. grijpen (naar = at), pakken, vatten; —ble = grabbelen, tasten, spartelen.

Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid, titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; — verb. begunstigen, versieren, vereeren: They said — = zij baden, dankten; He did it with a bad —, with (a) good — = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have the — to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days of — = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ — = ons werd slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good —s = bij haar in de gunst; The —s = de (drie) Gratiën; In the year of — 1894 = in het jaar onzes Heeren 1894; —ful = bevallig; subst. —fulness; —less = onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. —lessness; Gracious, greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) — = genadige goedheid, goeie hemel! subst. —ness.

Gracile, gras(a)il, dun, slank.

Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj. Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.

Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken: These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; —ly, greidli, gepast, voegzaam.

Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj. trapsgewijze, geleidelijk.

Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response gezongen na het epistle, gradueel of graduale.

Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren; promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad. graad; adj. = —d: —d income-tax = progressieve inkomstenbelasting; These lessons are carefully —d to the children’s powers = deze lessen klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling, promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid (door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.

Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. — ad Parnassum).

Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); — verb. enten; zwoegen; —ing-knife; —ing-wax.

Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite = vegetariër.

Grail, greil, (Heilige) Graal.

Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch), weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork, harpoen; — verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no — of sense = geen greintje verstand; He has a — of allowance = hij krijgt maar een bitter beetje; Against the — = tegen den draad in; It goes against the — with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed the old man against his —, and then smoothed him down again = eerst maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in — = in de wol geverfd; He is a rogue in — = doortrapte schurk; —s = afgewerkte mout: —s of Paradise Paradijskorrels; — shipments = korenladingen; —ed = ruw, korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); —er = schilder (die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog, looiersmes; —ing = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk; —-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; —y = vol graan, korrels of pitten.

Gram, gram, keker; gram.

Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!

Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs, grasetend.

Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; —-school = gymnasium, Latijnsche school; —ian, grəmêriən, taalkundige; Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.

Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).

Gramophone, graməfoun, gramophoon.

Grampian, grampiən: The —s = — Hills, Mountains.

Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.

Granada, granâdə.

Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.

Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig: They do the — at our expense = zij hangen den heer uit; — total = algemeen totaal; —-aunt = oud-tante; —child = kleinkind; —daughter = kleindochter; —-duke = groothertog; —father = grootvader; —father’s clock = ouderwetsche staanklok; —-juror = lid van de —-jury = de jury, die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury verhoord word; —-master = grootmeester; —mother = grootmoeder; —-nephew = achterneef; —-niece = achternicht; —-seignior = (oude) titel van den Sultan van Turkije; —-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); —sire = grootvader, voorvader; —son = kleinzoon; —-uncle = oudoom; —-vizier = grootvizier of eerste minister in Turkije; —am, grandəm, grootmoeder, oude vrouw; —ee, grandî, grande (Spaansch edelman); —e-garde, grandgâd, het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst beschermt; —eur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid; —iloquent, grandiləkwent, —iloquous, grandiləkwɐs, bombastisch, grootsprekend, opgeblazen, snoevend; —iose, grandious, (werkelijk of gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = —ness.

Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten, heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); —rs = Polit. Agrariërs (Amer.).

Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit andere boeken vandaan gehaald.

Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig (als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.

Granite, granit, graniet; adj. Granitic.

Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.

Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming, overdracht; — verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen, overdragen: There will be a — as prayed = de eisch zal toegewezen worden; I claim a — of letters of administration = ik eisch, dat er een administrateur worde benoemd; God — him success = God geve, dat hij slage; Let us — it for argument’s sake = laten wij het voor een oogenblik aannemen; To — a flavour to = een aangenamen geur (smaak) verleenen aan; I beg your pardon; —ed = ik vraag u excuus; gij hebt het; I take it for —ed = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; —ed you are right = toegegeven, dat; —s-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in nood), vooral bij werkstakingen; —able = inwilligbaar, overdraagbaar; —ee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen; concessionaris; —er = die toestaat of overdraagt; —or, grântə, grantö, die iets overdraagt of afstaat.

Grantham, grant’m.

Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit, granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje; Granulous, granjulɐs, vol korrels.

Granville, granvil.

Grape, greip, druif; —s = gezwel (op paardenhiel); —-shot = schroot; —-sugar = druivensuiker; —-stone = druivenpit; —-vine = wijndruif; —ry = druivenkweekerij (-kas).

Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology, grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer; Graphophone = klankschrijver.

Graphite, grafait, graphiet.

Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.

Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; — verb. aanklampen, vastgrijpen, vechten; —ment = worsteling van man tegen man; Grappling-iron = enterhaak.

Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven, druiven...

Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; — verb. vasthouden, grijpen, vatten, bezit nemen: He did not — the situation = begreep niet; All — all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus; —er = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon; —ing = inhalig.

Grass, grâs, subst. gras; — verb. met gras of zoden bedekken, bleeken, op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen: We are at — = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to — = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to — = ruk uit! The horses were put to (taken (in) to) — = werden in de wei gedaan; To send to — = neerslaan; What made him have his horse up from — = waarom heeft hij het paard uit de weide gedaan? He never lets the — grow under his feet = laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While the — grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men er niet; —-blade = grassprietje; —-cloth = graslinnen; —-green, subst. graskleur; adj. grasgroen; —-grown = met gras begroeid; —-hand = (nood)letterzetter; —-hopper = sprinkhaan; —-plot = grasveld; —-widow = onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; —y = met gras bedekt, groen.

Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; — verb. van rooster of traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen, kwellen, krassen, knarsen: It —s upon my ears = het doet mijne ooren pijn; —r, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.

Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. —ness.

Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.

Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify, gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn: That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen zijn.

Gratis, greitis, gratis.

Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.

Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond; subst. —ness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.

Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.

Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.

Grave, greiv, subst. graf; — verb. graveeren, beitelen; —-clothes, —-kloudhz, lijkwade; —-digger, —-maker = doodgraver; —-mound = grafheuvel; —-stone = grafsteen; —-yard = kerkhof; —less = onbegraven; —n = gesneden, gegraveerd; —r, greivə, graveur, graveerstift.

Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. —ness.

Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock = droogdok.

Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; — verb. met kiezel(zand) bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken: The editor was —led for matter = de redacteur was verlegen om copie; —-pit = kiezelkuil; —-walk = kiezelpad, grintpad.

Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.

Gravid, gravid, zwanger.

Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot; Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht, belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of aantrekkingskracht: Specific — = soortelijk gewicht; Centre of — = zwaartepunt.

Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).

Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont, das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; —beard = grijsaard; steenen kruik (Schotl.); —-fly = paardenvlieg; —-friar = Franciskaner monnik; —-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek aan heeft).

Grayling, greiliŋ, vlagzalm.

Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); — verb. schaven, strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden met; —r = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.

Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; — verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the — = ongezuiverd; We shall let him stew in his own — = in zijn eigen vet laten gaarkoken: —-box; —-man (= —r, grîzə) = smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); —-pot = vetpot; smeerpoes; Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil, mistig, modderig, zalvend.

Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste, dik, gezwollen, enz.: We bought them by the — = wij kochten ze in de massa; A — deal = zeer veel; A — many = vele; A — while = sedert lang; —-coat = overjas; —-go of —s = examen voor de B.A. graad; —-grand-aunt = overoudtante; —-grandfather = overgrootvader; —-grandson = achterkleinzoon; —-hearted = dapper, grootmoedig; He rides the — horse = hij zit op zijn paardje (fig.); — seal = grootzegel; — Spirit = naam van het Opperwezen bij de Indianen; —ness = grootheid, enz.

Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.

Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; —ize, grîšənaiz, vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in het Grieksch vertalen, vergriekschen.

Gre(e)be, grîb, fuut.

Greece, grîs, Griekenland.

Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = —iness; adj. —y = begeerig, schrokkig: —y of honour = eerzuchtig; —y-gut = schrokker, slokop.

Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch; — met — = twee Joden weten wat een bril kost; — Church = de Grieksche kerk; — cross = kruis met vier gelijke armen; — fire = Grieksch vuur; — orders = de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.