Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 36

Chapter 363,106 wordsPublic domain

Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; — verb. aren vormen: No — for music = geen muzikaal gehoor; I am all —, all —s = geheel gehoor; I would not say anything against him in the public — = in het openbaar; He is up to the —s (= over head and —) in debt = tot over de ooren; He has a flea in his — = is niet op zijn gemak; To send one off with a flea in his — = kort en scherp afwijzen; To be together by the —s = elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the —s = elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our —s = viel boven ons hoofd in; It goes in at one — and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth about their —s = verachtten hen; We have set them by the —s = tegen elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the —s = deed ... opvliegen; He has bitten this man’s — = hem beleedigd, geërgerd; They eat their —s off = ergeren zich dood; Lend me your —s = verleen mij gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the — = daar zit meer achter; To turn a deaf (favourable) — to = doof zijn voor (een gunstig oor leenen aan); —-ache, îreik, oorpijn; —-bob = oorknopje; —-cap = oorklep (tegen de koude); —-cockle = ziekte in de tarwe; —-deafening = oorverdoovend; —-drop(per) = oorknopje; —-drum = trommelvlies; —lap = oorlel; —-mark = merk: — verb. schapen merken; —-pick(er) = oorlepeltje; —-piercing = oorverscheurend; —-shot = gehoorsafstand: The man was within — = de man kon ons hooren; —-trumpet = spreekhoren; —-wax = oorvuil, oorsmeer; —wig, subst. oorworm; oorblazer, verklikker; — verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; —ed = met ooren of aren; —ing = het aren vormen; steekbout (zeeterm).

Earl, ɐ̂l, graaf; —-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; —dom = rang of waardigheid v. een earl.

Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s — days = wel wat spoedig; — English = het Engelsch tusschen 1250–1350; An — party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; — times = vóórhistorische tijd; — in May = in ’t begin v. Mei; As — as May = reeds in Mei; — to bed and — to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The — bird catches the worm; Easter fell — that year = het was een vroege Paschen.

Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To — a living = den kost verdienen; —ings = verdiensten.

Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst, vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) — = ik meen het; This is an — of further honours = wekt gegronde verwachtingen op; I shall be — to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten; —-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop, handgeld, godspenning; —ness = ernst, vuur, ijver, enz.

Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; — verb. in den grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his millions right up from the bare — = na met niets begonnen te zijn; How on — could you do it = hoe ter wereld; —-bag = zandzak; —-board = ploegzool (die de aarde omwerkt); —-bob = pier; —-born = aardsch, laaggeboren; —-bound = in de aarde bevestigd; —-bred, (—-fed) = laag, verachtelijk; —-created = uit stof geschapen; —-drake = monster, draak; —-flax = amant (soort asbest); —-hunger = begeerte naar grond- of landbezit; —-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (= —-shine); —-nut = aardkastanje, aardaker; —quake = aardbeving: Blind force and violence played —quake(s) with peace and order = vernietigden; —-work = aardwerk (Mil.); —-worm = aardworm; —en = aarden; —enware = aardewerk, potten en pannen; —ling = aardbewoner, sterveling; wereldling; —ly = aardsch, stoffelijk; mogelijk, begrijpelijk; —ly-minded = aardschgezind; subst. —ly-mindedness; —y, aardsch, aard—, ruw: They are of the —y = door en door aardschgezind, wereldsch; An —y savour = grondlucht.

Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; — verb. geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At — = op zijn gemak, zonder pijn; Chapel of — = hulpkerk; A lady of — = in goeden doen; To set a person at his — = iemand op zijn gemak zetten; Stand at — = op de plaats, rust! To take one’s — = het zich gemakkelijk maken; He —d my mind = stelde mij gerust: To — a screw = losser draaien; To — the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To — a ship = wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was —d of his pain = verlost; The rope was —d away (off) = het touw werd langzaam gevierd; The cyclists —d up = reden langzamer (om stil te houden); —ful = kalm, vreedzaam; —less = ongemakkelijk; —ment = verlichting, verzachting; recht van overgang (bijv. over eens anders land).

Easel, îz’l, schildersezel; —-picture = klein schilderijtje, paneeltje.

Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid, welwillendheid: — of belief = lichtgeloovigheid; — of mind = gemoedsrust.

East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The — = het Oosten, het morgenland; de Levant; — of North = N.-Oostelijk; Bounded to the — by France = ten oosten door F. begrensd; —-end = oostzijde; armenbuurt in Londen; —-ender = bewoner van die buurt; —-India = Oost Indië (The —-Indies); —-Indiaman = Oostindievaarder; —-Indian = Oost Indisch; Oost Indiër; —erling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; —erly = oostelijk; —ern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten: —ern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; —ern question = Oostersche; —ing = oosterende wind; —erner = bewoner der oostelijke staten (Amer.); —ward = oostelijk, oostwaarts(ch).

Easter, îstə, Paschen: —-eggs = Paascheieren; —-holidays = Paaschvacantie; — Monday = 2de Paaschdag; — Sunday.

Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc., gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: — come, — go = zoo gewonnen, zoo geronnen; — of digestion = licht verteerbaar; — with it = kalmpjes aan! He is in — circumstances = hij is in goeden doen; I fell into — chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make yourself — on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand —! = op de plaats rust; To take it — = rust; To — = zachter voortbewegen; —-chair = gemakstoel; He is an —-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things —.

Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas — very well = smaken lekker; To — dirt = zoete broodjes bakken; To — one’s terms = de jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen aan een der Inns of Court; To — one’s words = zijne woorden terugnemen; To — into = uitbijten; They have —en far into the pudding = een heel gat gegeten in; I’ll — my head off, if it isn’t true = mag sterven; The horses are —ing their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren niets uit; To — one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of verdriet; A sense of his wrongs had —en him up = verteerd; —able = eetbaar: —ables and drinkables = eet- en drinkwaren; —er: A great, a poor — = een groote, kleine eter; —ing: —-house = ordinaris.

Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The Pickwick Papers).

Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.

Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: —drop, subst. het v. den dakrand druppelend water; — verb. afluisteren, den luistervink spelen; —dropper = luistervink.

Ebb, eb, subst. ebbe, verval; — verb. ebben, achteruitgaan, in verval geraken: — and flow, — and tide = eb en vloed; To be at an — = at a low — = aan lager wal, gedrukt; To — away = afnemen; —-tide = eb.

Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.

Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of — = hel.

Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; —ize = ebbenhoutkleurig maken; Ebony = ebbenhout: A bit of — = neger; Dealer in — = slavenhandelaar.

Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen; adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen, uitstorting.

Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.

Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.

Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling; subst. excentriek; —-rod = excentriekstang; Eccentricity = excentriciteit, zonderlingheid.

Ecclefechan, ekləfek’n.

Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic, eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk = Ecclesiastical: The — States = de Kerkelijke Staat.

Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs, zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.

Echo, ekou, subst. echo; — verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen, herhalen: The speech was cheered to the — = uitbundig toegejuicht; I —ed his sentiment = deelde zijn gevoelen; —ism = onomatopee; —meter, ekomətə, klankmeter.

Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst. eclecticus; —ism, eklektisizm = eclecticisme.

Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; — verb. verduisteren; Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.

Eclogue, eklog, herdersdicht.

Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; —s, îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; —al = spaarzaam; Economist = spaarzaam gebruiker: Political — = economist; Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = economie (= Political —) = besparing, zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken, regeling.

Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).

Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering; ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.

Ectype, ektaip, copie, afgietsel.

Ecuador, ekwədö, əkwâdö.

Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.

Eczema, eksîmə, eczeem; adj. —tous, əksemətɐs.

Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht, gulzigheid.

Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.

Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; — verb. dwarrelen, draaien; —-water = zog, kielwater; —-wind = wervelwind.

Eddystone, edist’n.

Eden, îd’n, Eden, Paradijs.

Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.

Edgar, edgə.

Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid, scherpheid; — verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen, zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To — one’s way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on — = het doet mij griezelen; It has taken away (off) the — of hunger = het heeft den eersten honger gestild; To turn up the —s of one’s trousers = de broekspijpen omslaan; To — away from the coast = zich van de kust langzaam verwijderen; We —d in with the coast = langzamerhand naderden wij de kust; He —d me on = zette mij aan; —-rail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); —-tool = snijdend of scherp werktuig; He plays with —-tools = speelt met vuur; —ways, —wise = met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word —ways = er geen woord tusschen krijgen.

Edgecombe, edžk’m.

Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.

Edible, edib’l, eetbaar; subst. —ness.

Edict, îdikt, edict, verordening.

Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory = stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen: An —ing sermon = stichtelijke preek.

Edile, îdail, aedilis.

Edinburgh, edinbɐrə.

Edison, edis’n.

Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren: Dickens’ Letters —ed by his daughter, and published by L.; —ion, idiš’n, uitgave, druk; —or = uitgever, redacteur; —orial, editôriə’l, redactioneel; subst. hoofdartikel: — management = redactie; — staff = redactie (personeel); —orship = redacteurschap; —ress = redactrice.

Edith, îdith.

Edomite, îdəmait.

Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n, opvoeding, onderwijs: Board of — = Raad van Onderwijs; Educational = opvoedings..., paedagogisch: — institutions = opvoedingsgestichten, —inrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren paedagoog; Educator = opvoeder.

Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.

Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.); conclusie: The —s of an analysis; —ion pipe, valve = afvoerbuis; klep voor afgewerkten stoom.

Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst. Edulcoration.

Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.

Eel, îl, aal, paling: —-buck, (—-pot) = aalkorf (om ze te vangen); —-fare = broedsel palingen; —-pout = aalpuit; —-spear = aalgeer, elger.

E’en, în, verkorting van Even, Evening.

E’er, êə, verkorting van Ever.

Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig; Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.

Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; —able = uitwischbaar, enz.; —ment = uitwissching, enz.

Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg (—s = effecten, waarden, bezittingen); — verb. uitwerken, teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For — = om den schijn, om den indruk te verhoogen; In — = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) — = van geene kracht; To no —, Without — = vergeefs; His words were to this — = kwamen hier op neer; He gave — to this resolution = voerde uit; The cannon took — = miste zijne uitwerking niet; To carry into — = ten uitvoer brengen; They —ed their escape = bewerkstelligden; —ive = werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An army with an —ive of 80.000 men in time of peace = met een effectief; subst. —iveness; —ual = bindend, dringend, krachtig: The blow —ually pitched him into the water = deed hem pardoes... vallen; —uate = bewerkstelligen; subst. Effectuation.

Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate, efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); — verb. (efemineit) verwijfd maken, verweekelijken.

Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).

Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of uitbarsten; subst. —nce, Effervescency; —nt = opbruisend: — powder = bruispoeder.

Effete, efît, afgeleefd, versleten.

Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. —ness = Efficacy, efikəsi, kracht, invloed.

Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt, werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak; afgeëxerceerd soldaat.

Effigies, efidžîz. Zie Effigy.

Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was hanged in — = in effigie (beeltenis) gehangen.

Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst van witte kristallen bedekt worden; —nce = bloei, het uitbotten, huiduitslag, vorming van kristallen; adj. —nt = bloeiend.

Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.

Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.

Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.

Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag: That is an — to me = kost mij inspanning; —less = werkeloos, zonder inspanning.

Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.

Effulge, efɐldž, uitstralen; —nce = glans; —nt = stralend, glanzend.

Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion = uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid, rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me —ly = onstuimig.

Eft, eft, watersalamander.

Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw, dadelijk.

Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!

Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.

Egg, eg, subst. ei: As sure as —s is (are) —s = zoo zeker als wat; To beat up an — = klutsen; To count one’s —s = zien wat men heeft; To put all one’s —s into one basket = alles op ééne kaart zetten; —-boiler = eierkoker; —-cup = eierdopje; —-flip = warm bier met suiker etc., en daarin geklutste eieren; —-glass = kleine zandlooper; —-nog(g) = advocaat; —-plant = eierplant; —-shell = eierschaal; —-slice = pannekoeksmes; —-whipper = —-whisk = eierklopper; —ery = nest met eieren; eierbergplaats, eierrekje; —ler = eierenhandelaar; eierenverzamelaar.

Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.

Eginhard, edžinhâd.

Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).

Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.

Ego, egou, îgou, ego; —ism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) = egoistisch; —tism = het te veelvuldig gebruik van “ik”; zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf praten of schrijven.

Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: — folly = kolossale dwaasheid.

Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.

Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering; zaadpluimpje; —te, igret, pluim, bos, lintversiersel.

Egria, îgriə, Eger.

Egypt, îdžipt, Egypte; —ian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: —ian type = egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; —ologist = Egyptoloog; —ology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten, enz.

Eh, ei, ə, He? Wat?

Eidam, aid’m, Edammer kaas.

Eider, aidə: —down = eiderdons, kussen gevuld met —; —-duck.

Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.

Eigh, ei, Hé! Och!

Eight, eit, acht: An —-day clock = die acht dagen loopt; —een = achttien; —eenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); —eenth = achttiende; —fold = achtvoudig; Eighth = achtste; —ieth, eitiəth, tachtigste; —-score = 160; —y = tachtig.

Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.

Eirie, îri = Eerie.

Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en letterkunde.

Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In — case = in het eene of andere geval.

Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation = uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.

Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven, verbannen, afzetten; subst. —ion; —ment = uitstooting, uitzetting, verdrijving; —or = verdrijver, veer of inrichting waarmee patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.

Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The meat was —d out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The lion’s skin was —d (out) with the fox’s = moed en list gingen samen; Parish —-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham, etc.).

Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig, uitgebreid; — verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen: To — an idea = uitwerken; —ness = zorgvuldige en uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative faculty = onderscheidingsvermogen.

Elaine, ilein.

Eland, îl’nd, eland.

Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.

Elastic (= —al), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An — = A piece of — = een elastiekje; —s = kousebanden; —-sided boots = bottines met elastiek; — stockings; — tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity, îləstisiti, elasticiteit.

Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; — verb. verheffen (van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; —r = springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.

Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The — system of poor relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.

Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; — verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your — = vlak bij u; He is out at —(s) = hij is in slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to my —s in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged) my — = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s — = onmatig drinken; To shake one’s — = dobbelen, spelen; He —ed people about = duwde op zij; He —ed his way through the crowd = baande zich met geweld een weg door; —-chair = armstoel; —-grease = harde handenarbeid; —-rest = leuning; —-room = ruimte van beweging.

Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of —.

Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior; —-brethren = de regenten van Trinity House; — hand = speler aan de voorhand (kaartspel); My —s = ouderen dan ik; The —s = voorvaderen; ouderlingen; An —ly gentleman = bejaard, oudachtig heer; —ship = de betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom; eerstgeboorte; Eldest = oudste: — born = eerstgeborene.

Elder, eldə, vlier: —-gun = proppenschieter.

El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.

Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.

Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.

Elecampane, elək’mpein, alant.

Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen; — verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor — = de nieuw gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The — = de uitverkorenen Gods; —ion = keus, verkiezing, praedestinatie, genadekeus: —ion auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing; —ion cry = verkiezingsleus; —ion judges = twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing onderzoeken; —ioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen: —ioneering-agent = verkiezingsagent; —ive = uitkiezend, verkiezend: —ive affinity = chem. verwantschap, affiniteit; —ive franchise = kiesrecht; —or = kiezer, keurvorst; —oral college = kiescollege; —oral law = kieswet; —oral offences = knoeierijen; —orate, ilektərit, de gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; —orship = ambt van een keurvorst; —ress = keurvorstin.

Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.

Electric, ilektrik, electrisch, electriseer...: — battery = electr. batterij; — car = electr. tramwagen; — circuit = kringstroom; — clock; — column = kolom van Volta; — current = electr. stroom; — eel = sidderaal; — jar = Leidsche flesch; — launch = motorboot met electr. beweegkracht; — light; — machine = electriseermachine; — plant = electr. installatie; — railway; — ray = sidderrog; — shock = electr. schok; — spark = electr. vonk; — wire = telegraafdraad; —al engineer = electr.-technicus; —al engineering = electrotechniek; —ian, ilektriš’n, elektriš’n = electricien; —ity, ilektrisiti, elektrisiti, electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren; — verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization, ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; — verb. Electrize, ilektraiz.

Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; —cution, ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); —logy, ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; —lyze, ilektrəlaiz, door electriciteit ontleden; —-motion, ilektrəmouš’n, beweging door electriciteit; —phorus, ilektrofərɐs, electrophoor; —-plate, ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.; —scope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.

Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver, zilverhoudend gouderts.

Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.

Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.

Elegance, —cy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: —s = beschaafde gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.

Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist, dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy = elegie.