Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 141
Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten): “Quawk”, said the pig, and —d off; These pictures are wobbly = onzeker in prijs. Zie Wabble.
Woburn, wubən, woubən.
Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: — is me = wee mij; — worth the chase = wee zij de jacht; — worth the day = wee den dag; —begone = naargeestig, in smart gedompeld; —ful = treurig, ellendig, naargeestig, droevig; subst. —fulness; —-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.
Wolcot(t), wulkət.
Wold, would, woud, bosch, heuvelland.
Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; — verb. op de wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A — in sheep’s clothing = een wolf in een schapevacht; He always cries — = maakt altijd valsch alarm; I have a — by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a — in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the — from our door = nauwelijks den mond open houden; —-dog = wolfshond; —-fish = zeewolf; —-net = wonderkuil (soort v. net); —’s bane = gele monnikskap; —’s-claw, —’s foot = wolfsklauw; —’s-peach = tomaat; —ish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig; —kin, —ling = jonge wolf.
Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston, woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi; Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.
Wolverine, wulvərin, veelvraat.
Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.
Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: — of the town = prostituée; — of the world = vrouw van de wereld; My good — = vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s — = kamenier; The New — = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet — = de moeder van alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley — = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the — = speelde de rol der zwakke vrouw; There is a — in the wind = daar zit eene vrouw achter; —-born = uit eene vrouw geboren; —-built = door vrouwen gebouwd; —-doctor = doctores; —-hater = vrouwenhater; —-saint; —-servant; —hood = vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; —ish = vrouwelijk, vrouwen...; (— tears), verwijfd; subst. —ishness; —kind = het vrouwelijk geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; —like = vrouwelijk, zacht; —liness, subst. v. —ly = —like; Women, wim’n, vrouwen; —-folk = vrouwvolk; —’s rights = rechten der vrouw; —’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; —kind = Womankind.
Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the — = uitzakken; —-fury (med.); —-passage = (hals der) scheede.
Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.
Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; — verb. verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: —s will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform, work) —s = wonderen doen; To look all — = groote oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine days’ — = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’ — = baart ooit lang opzien; In the name of — = om ’s hemels wil; It is no — he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a — = zoowaar (vreemd genoeg); The seven —s of the world = de zeven wonderen der wereld; I — where he can have been = ik ben benieuwd; I — how much he left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; —land = land der wonderen; —-stricken = —-struck = verbaasd, door verwondering getroffen; —-working = wonderdadig; —er = wie zich verbaast, etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. —ness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.
Won’t, wount, samentr. v. Will not: It — do = dat gaat niet.
Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; — verb. gewend zijn, plegen; zich gewennen (— oneself): —ed = gewoon, gewend; —less = ongewoon, niet gewend.
Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen: They — the battle = zoeken den strijd; —er; —ing: To go a-—ing = uit vrijen gaan.
Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; — verb. met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn from the — = van het vat getapt; In a — = verward, verlegen; The ale is in the — = in het vat: The Palace in The — = Het Huis ten Bosch; I shall soon be out of the — = buiten gevaar of de moeilijkheid te boven zijn; She is out of the — again = is weer bij (kennis); Have you taken in your stock of — yet? = al hout opgedaan; He doesn’t see the — for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch niet; —-ant = boschmier; —-ashes = houtasch; —-band = houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; —bine = wilde kamperfoelie; —-bird = boschvogel; —-bound = ingesloten door hooge en zware heggen; —-carver = houtsnijder; —-carving = houtsnijwerk; —chuck = soort v. marmot; — coal = bruinkool; —cock = houtsnip; sukkel; —craft = bedrevenheid in boschcultuur of jacht; jachtvermaak; —cut = houtsnee(plaat); —-cutter = houthakker, maker van houtsneden; —-drink = afkooksel van medicinale planten; —-engraver = houtgraveur; —-engraving = houtgraveerkunst, houtgravure; —-fretter = houtworm; —-gear = raderwerk van hout; —-grouse = auerhaan; —-hole = —-house = houtloods; —-knife = hertsvanger; —land, subst. boschland, adj. bosch.., woud.., boschachtig; —lark = boomleeuwerik; —-lot = stuk land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); —-louse = houtluis; —man = boschwachter, boschbewoner, houthakker; —-mite = houtworm; —-mouse = boschmuis; —-nymph = boschnimf; —-paper = papier uit hout vervaardigd; —-pavement = houten bestrating; —pecker = specht; —-pigeon = houtduif; —-pile = houtmijt; —reeve = houtvester; —-rick = —-pile; —-rock = bergvlas, soort v. asbest; —-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; —-sare = koekoekspog; —-screw = houtschroef; —shed = houtloods; —-skin = boot of kano van boombast (Guyana); —-soot = houtroet (bemesting); —-sorrel = boschklaverzuring; —-spite = groene specht; —-tar = houtteer; —-vetch = soort lathyrus; —-wale = —pecker; —-wax(en) = verfbrem; —work = houtwerk; —-worm = —-mite; —ed = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What are you so — about? = hoe ben je zoo suf; — horse = paard (gymn.); ook strafmiddel (To ride the — horse); — shoes = klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; —ness = houterigheid, stijfheid: That particular —ness which has in all ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v. Woody = houtachtig, boschrijk: — fibre (tissue) = houtvezels (weefsel).
Woof, wûf, inslag, weefsel.
Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little — = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than —; To draw (pull) the — over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; —-ball = wolbal (in magen van dieren); —-bearing = woldragend; —-comber, wolkammer; —-combing = het wolkammen; —-cotton = boomwol; —-dyed = in de wol geverfd; —-gathering, subst. het vergaren van pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are a-—-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; —-grower = schapenfokker; —-man = wolkooper; —-market; —-merchant; —-mill = wolspinnerij; —pack = baal wol (± 108,826 K.G.); —sack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords; —sorter = wolsorteerder = —-stapler, dit laatste ook wolhandelaar; —-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; —-trade = wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: —s = wollen stoffen, wollen goederen = — articles of — goods; — trade = wolhandel; —-draper = lakenkooper, handelaar in wollen goederen; —-printer = woldrukker; —-scribbler = machine om wol te kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt, dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; —-haired; —-head = neger; —-minded men = suffers.
Woolwich, wulidž.
Woom, wûm, beverbont.
Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.
Worcester, wustə.
Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel, wachtwoord, parool, motto; — verb. onder woorden brengen: The — = de H. Schrift; Money is the — = geld is de boodschap; He is as good as his — = houdt zijn woord = He has not been worse than his —; There were angry —s between us = we hadden hooge woorden; At a — = met één woord; By good — = met goedheid; He communicated it to me by — of mouth = mondeling; I repeated it to him — for — = woord voor woord; In a (one) — = in één woord, kort en goed; There you have it in a — = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a hero in —(s) = een held met den mond; To a — = woordelijk; Upon my — = op mijn woord; To come to —s = woorden krijgen; He tried to get away from his — = van zijne belofte af te komen; I could not get in a — edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to one’s — = zijn woord houden; I take you at your — = houd je aan; To take up the — again = weer opvatten; To understand at half a — = met een half woord verstaan; To bring — = bericht brengen; You shall eat your —s = terugnemen; He gave me many kind —s = sprak zeer vriendelijk; I must have a — with you = u even spreken; To have a few —s = woorden (ruzie) hebben; To have the final — = het laatste woord hebben; I have your — = uw woord, verzekering; I won’t have any —s about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good — to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To keep one’s — = houden; To leave — with the servant = boodschap achterlaten; I should like a — with you = je gaarne even spreken; To put in a good — for = een goed woordje doen voor = To say a good — for; He has not said his last — = zijn laatste woord nog niet gezegd (fig.); I’ll send you — = ik zal u eene boodschap zenden; To speak a good — for, Zie Put in; You may take my — for it = gij kunt erop aan; To take the — = het woord nemen; To write — = bericht zenden; —-book = woordenlijst; —-building = woordvorming; —-catcher = woordenzifter, woordenvitter; —-catching; —-painter = woordkunstenaar; —-painting = woordkunst; —-picture = beeld of beschrijving; —-spin = met woorden schermen: Journalists can —-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel woorden niets te zeggen; —-spinner = redekunstenaar; —-square = reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously —ed = voorzichtig gesteld; A well-—ed letter = een goed gestelde brief; —ing = redactie, bewoordingen; —iness, subst. v. —y; —less = sprakeloos, niet uitgesproken; —y = woordenrijk, langdradig: —y warfare = woordentwist.
Wordsworth, wɐ̂dzwəth.
Wore, wö, imperf. van to wear.
Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling, etc.; —s = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven, versterkingen, vestingwerken; — verb. werken, arbeiden, zich inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen, afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s — = eene flinke dagtaak; It’s hard and slow — = moeilijk en langzaam vorderend werk; Bicycling is warm — = warm werk; At —! = aan het werk! They were at — on the map = aan het werk; A maid of all — = meid alléén; To be out of — = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your — cut out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person — = werk verschaffen; I must try to get through all this — to-day = al dit werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to — = legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to — with a will = met ijver aan het werk gaan; To go out to — = uit werken gaan; To make sad — of = verknoeien; To make short — of = korte metten maken met; To set to — = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up the — you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out of — = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-—s = gasfabriek; An iron-—s = ijzergieterij; The Board of —s = een lichaam, dat de secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft overgenomen (Zie Vestry); To — guns = bedienen; He —ed his men fewer hours = liet werken; To — a mill = aan den gang brengen, drijven; To — arithmetical problems = oplossen; To — a railway = exploiteeren; If I could — my will = mijn zin kon doorzetten (Vergel. To — with a will = flink aanpakken); —ed in iron, gold, etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard —ed man = hij moet hard werken; Stocks are —ing down = de effecten gaan naar beneden; The ship is —ing to windward = kruist naar loevert op; I have been —ing at my grammar = heb gewerkt; He —ed himself into the king’s favour = drong zich in; I had a headache but I have —ed it off = maar ze is met werken overgegaan; That did not — on him = had geen invloed; It has —ed out something good = heeft uitgewerkt; I left these things to — out their own problems = om vanzelf tot oplossing te komen; To — out one’s dinner, passage = zijn middagmaal, overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily —ed through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan; He —ed up his rage = hij werd al woedender; It was —ed up into something quite different = er kwam geheel iets anders van; He —ed himself up into a passion = maakte zich driftig; —aday = —-a-day = daagsch, alledaagsch; —-bag = werktaschje; —-basket = mandje; —-box = werkdoos, naaikistje; —-day = werkdag; —-folk(s) = werklui; —-girl = fabriekarbeidster; —house = werkhuis (waarin de armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen worden); soort tuchtschool of werkinrichting; —man = arbeider, werkman; —manlike = knap, handig, vaardig; —manship = wijze van uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box of excellent —manship = een fraai bewerkte; —-people; —-room = werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; —-season = campagne; —shop = werkplaats; —-shy = afkeerig van werken; subst. leeglooper; —-table = werktafel(tje); —woman = werkvrouw, werkster; —able = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht, geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a —able theory, proposal = practisch; —er = werker, werkman, arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow —er for a time = wij hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting, beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam, werkzaam, bruikbaar: —-account = exploitatierekening; —-beam = drijfstang; —-class(es) = arbeidende klasse; —-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon; —-drawing = plan of teekening, constructieteekening; —-expenses = exploitatiekosten; —-man = werkman, arbeider; —-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; —-point = deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht; Workless = zonder werk, werk(e)loos: The —, the Thriftless and the Worthless, a book by Francis Peek.
World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A — of pains = ontzettend veel moeite; — without end = eeuwig; The next (other, future) — = The — to be (— to come) = het hiernamaals; The fashionable (great) — = de groote wereld; It’s him, for all the — = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the — = voor niets ter wereld; What in the — do you mean by it? = wat ter wereld; History (Knowledge) of the —; He is a man of the — = een man van de wereld; He is of the — worldly = een echte wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the —, all the — over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the — say so = alle menschen; All the — and his wife go(es) there = Jan en alleman; She was beginning the — = trad de wereld in; I wish I could begin the — over again = dat ik nog eens weer van voren af aan kon beginnen: I would have given —s = alles; He has renounced the — = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the — of his nephew = heeft een hoog idée van; As the — goes = zooals het gaat in de wereld; That is how the — wags (Such is the —, This is the way of the —) = is ’s werelds beloop; —-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell; —-famous; —-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); —-wearied = de wereld moede, levensmoede; —-wide = oneindig, zeer groot; —-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling = wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk; —-minded = wereldsgezind; subst. —-mindedness; —-wise = wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).
Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging, schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; — verb. kruipende vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden — will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He —ed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He tried to — that secret out of me = van mij los te krijgen; —-cake = wormkoekje; —-eaten = wormstekig; subst. —-eatenness; —-fever = wormkoorts; —-grass = muurpeper; —-hole = wormgaatje; —-powder = wormpoeder, wormkruid; —-seed = alsem, welriekende ganzevoet, boerenkers; —-shaped = wormvormig; —’s meat = voedsel voor wormen, lijk; —-wheel = schroefrad, snek; —y = vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.
Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) — to him = hij wormt er over, het grieft hem.
Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.
Worrier, wɐriə: He is a — = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt; Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t — yourself = plaag jezelf toch niet, zit toch niet (zoo) te kniezen.
Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; — verb. kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken, uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy, my dear old — = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over; The chief had been —ing for her for two hours = naar haar gevraagd, overal gezocht.
Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to — = van kwaad tot erger; — luck = ongelukkigerwijze; To be — = erger, zieker zijn; To be ¼ — = ¼ procent lager staan; I am no — = I am none the — for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the — for = minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the — for drink = aangeschoten zijn; The — for wear = versleten; To change for the — = minder worden; To get — and — = al erger worden; He is — off than his brother = slechter af; And, to make things —, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen (schertsend).
Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbewijzen, aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van magistraatspersonen); — verb. aanbidden, vol eerbied behandelen, vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your — = ja, edelachtbare; —ful = grootachtbaar (titel): —ful Master; subst. —fulness; —per = aanbidder: —per of idols = afgodendienaar.
Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e), snoodst(e); — verb. verslaan, overwinnen: At the — = op zijn minst, in ’t ergste geval; In the event of the — = If the — comes to the — = als het op het ergst loopt; The — of the thing was = het ergste van de zaak was; Let him do his — = het ergste doen wat hij kan; He had (got) the — of it = hij verloor het, trok aan het kortste eind; Why should you suppose the —? = het ergste onderstellen; They were —ed in the battle = zij werden in den strijd totaal verslagen.
Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of — = een kluwen sajet.
Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).
Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe —” met volgenden datief: Woe — the chase, woe — the day, That costs thy life, my gallant grey = wee de jacht en wee den dag.
Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj. waard: To be — = gelden, waard zijn; What’s that man —? = hoeveel bezit die man; Take all I’m — = neem alles wat ik bezit; It is hardly — looking at = haast geen aankijken waard; It is as much as my place is — to let him see it = het zou me mijn betrekking kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was — = dien hij bezat; He liked to think that he was — his salt = dat hij den kost waard was; You are not — a two-penny rope = je bent het ophangen niet waard; He danced for all he was — = zooveel en zoo goed hij kon; —iness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd, uitstekendheid; —less = waardeloos, verachtelijk; subst. —lessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj. waardig, edel, verdienstelijk: The Nine —ies = de negen helden der Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am — to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not — of your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is — of his hire = zijn loon waard.
Would, wud, imperf. van will: — to God = God gave; He — often go there = placht te gaan; — you have me go there? = woudt ge, dat ik daarheen ging? What — you have me do? = wat woudt ge (dan) dat ik deed; I — have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst. bluffer; adj. zoogenaamd: A — friend = valsche, zoogenaamde vriend; A — sportsman = Zondagsjager.
Wound, wûnd, subst. wonde, smart; — verb. wonden, kwetsen: To give (inflict) a — = eene wonde toebrengen; To — to death; To — to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; —-fever; —-wort = andoorn.
Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.
Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: —(n) paper = velijnpapier.
Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort (Sumatra).
Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world go to — = ten onder gaan.
Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.
Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow — = niets dan eene schim, eene holle klank.
Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; — verb. kijven, rumoerig twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler = twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben behaald; de beste heette Senior — (afgeschaft in 1909); —ship; Wrangling = twist, ruzie.
Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel, morgenjapon; — verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen, hullen, opgaan in: The world was —ped in silence, darkness = in stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so —ped up in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt ingenomen; —page = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal, morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra —s = sigaren met S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To wrap.
Wrasse, ras, lipvisch.
Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; —ful = vol toorn en gramschap; subst. —fulness; —y = toornig, gramstorig.
Wreak, rîk, subst. wraak, woede; — verb. wreken, koelen: To — one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll — my vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.
Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: —s of smoke; Wreath(e), ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi, gewonden, etc.