Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 79
Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; — verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the —; — of wax = meegaand persoon; You had best follow your — = rechtuit te gaan; As plain as the — on one’s face = zoo klaar als een klontje; To cut the — off one’s own face = zijn aangezicht schenden (fig.); All my life my — was kept to the grindstone = heb ik hard moeten werken; You can lead them by the — = blindelings leiden of doen volgen; To pay through the — = duur betalen, duur te staan komen; That has put his — out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came the little boy’s — was put out of joint = was de kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s — off = afsnauwen; He speaks in the — = spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his — into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He turned up his — at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb to his — = bracht ... aan (ook als teeken van minachting); He did it under my very — = hij deed het waar ik bij was; —-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum reading-room is made a —-bag of by many = velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; —-band = neusriem; —-bleed = gemeen duizendblad; —-gay = ruiker; —hole = neusgat; —-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.; —-ring = ring door den neus; —d: Flat —d = met een platten neus; —less = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.
Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee hebbend.
Nostril, nostril, neusgat.
Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.
Nosy, nouzi, met grooten neus.
Not, not, niet: — at all = geenszins, integendeel; — by a very long way = geenszins; — in the least = in het minst niet; — if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? — they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.
Notabene, nouta bînî.
Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele; Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend, berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele: Assembly of —s = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. —ness.
Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.
Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = — public = Public —.
Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.
Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); — verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was —ed across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; —-board = wang van een trap.
Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang, (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota, rekening, orderbriefje, promesse (ook: — of hand), toon, noot; — verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen maken, laten protesteeren: — of charges = onkosten-nota; — of exclamation (interrogation); A thing worthy of — = merkwaardig iets; He is a man of — = man van aanzien en gewicht; As per — = volgens nota; We compared —s together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a — of = aanteekenen; To take —s = aanteekeningen maken; To take no — (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; —-book = aanteekenboek; —-paper = klein formaat schrijfpapier; —-shaver = iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche bankbiljetten; —worthiness, subst. v. —worthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a —d general = vermaard; —dness = vermaardheid.
Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For — = te vergeefs; Next to — = zoo goed als niets; — at all = in ’t geheel niets; The piece was — like so witty as I expected = het leek er niet op, dat; There was — for it but to get out = er zat niets anders op dan; To have — on = niets aan hebben; That’s — to me = dat kan mij niet schelen; He is — to us = we hebben niets met hem te maken; There’s — in it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have — to say to you = niets met u te maken hebben; It is — to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to — = er is niets van gekomen; I can make — of it = kan er niet uit wijs worden; — venture, — have = wie niet waagt, die niet wint; —ness = waardeloosheid.
Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie; — verb. opmerken, waarnemen, notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: To escape — = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me — (to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given — as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes — in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s — = onmiddellijk; At (a) short — = op korten termijn; We —d the work in last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken; Do not — me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken; —-board = aanplakbord; —-paper = agenda; —able = opvallend, opmerkenswaard: Actresses generally go about with —able dress = zijn nogal dikwijls opzichtig gekleed.
Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling, het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken, verwittigen, kond doen.
Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (—s = kleinigheden, snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a — of doing it = denkt er niet aan; I had no — of it = ik had er geen flauw idee van; —al = denkbeeldig, droomerig, begrips...: —al words = begripsnamen.
Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid, onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs, bekend, berucht: A — burglar = berucht inbreker; subst. —ness.
Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).
Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.
Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.
Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: — that = ofschoon.
Nougat, nûgâ, noga.
Nought, nôt. Zie Naught.
Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper — = eigennaam.
Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; —able = wat gekweekt of gevoed kan worden; —er; —ing = voedzaam; —ment = voeding, voedsel.
Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your — for that = daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; —-box = “kop”, kersepit.
Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.
Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The purpose — = tendenzroman; A — point = een nieuw gezichtspunt; A —-writer = romanschrijver; —ette, novəlet, novelle; —ist = romanschrijver; —istic = roman..; —ty = nieuwigheid, nieuw artikel: That is quite a —ty = dat is wat nieuws.
November, nəvembə, November.
Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate, Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.
Now, nau, nu, thans: — ... — ... = nu eens ... dan weer ...; — and again = telkens; — and then = nu en dan; Every — and then = telkens; Before — = reeds vroeger; By — = op dit oogenblik; But (Even) — = net nog; Just — = zooeven; Till — = tot nu toe; Don’t spill oil on my dress, — = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; —, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he —? = och kom! I shan’t tell you, So —! = basta! Sure —? = Heusch? (Iersch); — for it! = nu moet het maar wezen; — for them! = laten ze nu maar komen! — that = daar nu, omdat; —adays, nauədeiz, heden ten dage.
Noway(s), nouwei(z), geenszins.
Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is — = beteekent hij niets meer; My horse was — = verloor het royaal, viel geheel uit; His new play is — = trekt geen publiek; It is — by comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen; Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.
Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. —ness.
Noyau, Fr. uitspr. persico.
Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.
Nub, nɐb, knobbel; adj. —bly.
Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames); —n = Nubiër, negerslaaf.
Nubile, njûbil, huwbaar.
Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.
Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The — = het naakte (lichaam); —ness = Nudity.
Nudge, nɐdž, subst. duwtje; — verb. eventjes aanstooten: He —d me (with his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.
Nudity, njûditi, naaktheid.
Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.
Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.
Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a — = dat is vervelend; Don’t be a — = hinder me zoo niet; Commit no —! = verontreiniging van deze plaats is verboden.
Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some voting-papers were — = van onwaarde; —ification = vernietiging, nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; —ity = ongeldigheid.
Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).
Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; — verb. verdooven, verstijven; subst. —ness.
Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; — verb. rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: —s = verzen, poëzie; Numeri; To look well after — one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) — = talloos; To the — of 40 = ten getale; In great —s = in gr. getale; It’s the —s that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; — off = nummert u! (mil.); They can be —ed on the fingers of one hand = zij zijn op de vingers te tellen; —er; —less = talloos.
Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.
Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit, tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l: — difference = verschil in getal; — frame = rekenmachine; Numero = nummer; Numerous = talrijk; subst. —ness.
Numidia, njumidjə, Numidië; —n = Numidiër, Numidisch.
Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; —s = penningkunde; Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.
Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; —ed = dom.
Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): —’s veiling = soort voile-stof; —nery = nonnenklooster.
Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.
Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou, pauselijk gezant, nuntius.
Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.
Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A — will = mondeling gemaakt testament.
Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: — laws.
Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.
Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.
Nuptial, nɐpš’l huwelijks....: — benediction = huwelijksinzegening; — tie = huwelijksband; —s = huwelijk, bruiloft.
Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.
Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry —, of Monthly —); min (= Wet —); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; — verb. zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht blijven bij: The child was at —, was put out to — = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; He put out his income to — and accumulate = zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te houden (bilj.); He —d his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You must — your cold = wat doen tegen; To — one’s face = de handen voor het gezicht houden; He —d his leg = hij zat met over elkaar geslagen of hoog opgetrokken knieën; —-girl = kindermeisje; —-maid; —-pond = vijver voor vischcultuur; —ry = kinderkamer; kweekerij (van planten); wedstrijd voor 2 jarige paarden; —ry-cannon = kanonnetje uit de speelgoeddoos; —ry-gardener = gardenier, kweeker; —ry-governess = kinderjuffrouw; —ry-man = kweeker, gardenier; —ry-plant = stekje; —ry-rhyme = kinderversje; —ry-tale = sprookje; Nursing-bottle = zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.
Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding; — verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.
Nustle, nɐs’l = Nuzzle.
Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat, dandy, nootjeskool, kop; — verb. noten plukken: He is as close as a — = zoo dicht als een pot; As sweet as a — = als uit een doosje; Hard —s to crack (tackle); I have a — to crack with you = appeltje met je te schillen; That is —s to me = een kolfje naar mijn hand; It is —s to read that letter = het is een genot; She is dead —s on him = smoorlijk verliefd op; Juggles, the policeman, is dead —s on poachers = is fel op; You are always dead —s on that school = je geeft altijd af op die inrichting; He is off his — = gek; —-brown = licht bruin; —-cracker(s) = notenkraker; ingevallen mond; —-gall = galappel; —-hatch = boomklever; —-hook = notenhaak; dievenvanger; —-key = schroevensleutel; —meg = notenmuskaat; —meg-grater = notenmuskaat-raspje; —meg-oil = muskaatolie; —shell = notedop (ook fig.): The world in a —shell = de wereld in een doosje; The whole matter lies in a —shell = is doodeenvoudig; —-tree; —-wood = notenboomhout; —ter = notenplukker; —ting: To go a-—ting = gaan noten plukken; —ty = vol noten, als noten smakende; lief.
Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment, njûtriment, voedsel: —al, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding, voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. —ness; Nutritive = voedzaam; subst. —ness.
Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).
Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover loopen.
Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; —-like of —ly = als eene nimf; —aea, nimfîə, witte plomp; —ean, nimfîən, nimfachtig = —ical = —ish.
O.
O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;
Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick — = touw pluizen; He has been picking — these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.
Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; — verb. roeien: To boat the —s = de riemen innemen; To have an — in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s —s = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s —, To put one’s — in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s —s = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the —s = inleggen (uitleggen); —ed: Four-—ed = vierriems...; —sman, —swoman = roeier, roeister; —y = met riemen, riemvormig.
Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.
Oast, oust, mouteest.
Oat, out, haver (meest —s): He has sown his wild —s = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; —-cake = haverkoek; —-meal = havermeel; —-malt = havermout; —en: —en pipe = herdersfluit; —en straws = haverhalmen.
Oates, outs.
Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) — = onder eede; Upon my — = ik zweer het; False — = meineed; You are on — = onder eede; To administer (To tender) an — to a person, To put a person to (on) his — = iemand een eed afnemen; He took — on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an — = ik heb een eed gedaan; — of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); — of allegiance (— of fealty) = eed van trouw; — of office = ambtseed; —-breaking = eedbreuk.
Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.
Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. —ness.
Obea(h), oubiə, toovermiddel.
Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive — = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to — = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, —ly yours = hoogachtend, Uw dw. dr.
Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an — (to).
Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.
Oberon, oubəron, obəron, Oberon.
Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. —ness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.
Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; —er.
Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; —d = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.
Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post — = na den dood; Obitual = dood(en)..., begrafenis...; —uary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: —uary notice = doodbericht.
Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: — dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.
Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no — = op salaris zal minder worden gelet; To look an — = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an — = zich bespottelijk optooien; —-glass = objectief; —-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; —-matter = hoofdzaak, inhoud; —-teaching = aanschouwingsonderwijs; —less = doelloos.
Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I — to your going there = heb er bezwaar tegen; —ion = tegenwerping, bezwaar; —ionable = laakbaar, onaangenaam: —ionable pictures = aanstootelijke; —ional = —ionable; —or = opponent.
Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: — case = 4de nv.; — point = doel; —ness = Objectivity.
Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.
Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.
Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. —ness.
Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.
Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an — = verplicht zijn; To incur an — = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: — personal military service = persoonlijke dienstplicht.
Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you — me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will — = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to — you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will — = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will — = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.
Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; — verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: — angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; — case = verbogen naamval; — dealings = indirecte of slinksche manier van doen; — plane = hellend vlak; — speech = indirecte rede; —ness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.
Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: —d pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.
Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of — = amnestie; To bury in —; To pass into —; Oblivious: — of a thing = iets vergetend; subst. —ness.
Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.
Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast — upon = belasteren; To fall into — = in kwaad gerucht komen; To lie under — = in kwaad gerucht staan.
Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is — to me = ik mag hem niet zien; subst. —ness.
Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.
Obolus, obəlɐs, obolus (⅙ Drachma); penninkske.
Obreption, obrepš’n, insluiping, verschalking; Obreptitiously, obreptišəsli, tersluiks, op slinksche wijze.
O’Brien, əbraiən.
Obscene, obsîn, vuil, onkiesch, ontuchtig; subst. —ness = Obscenity, əbseniti, vuile woorden of daden, ontucht, onkieschheid.
Obscurant, əbskjûr’nt, duisterling, domper; Obscurantism = domperzucht; Obscurantist, dompersch; subst. domper.
Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; — verb. verduisteren, bewolken, verkleinen, verbergen, verlagen: He lives very —ly = teruggetrokken; —ness = Obscurity = duisternis, donkerheid, onduidelijkheid, onleesbaarheid, onbekendheid: To retire into — = zich uit het openbare leven terugtrekken; Obscurities = onbekende personen.
Obsecrate, obsikreit, smeeken, bidden; Obsecration = smeeking.
Obsequial, əbsîkwiəl, lijk...; Obsequies, obsikwiz, lijkstaatsie, plechtige begrafenis.
Obsequious, əbsîkwiəs, kruipend, onderdanig; subst. —ness.
Observable, əbzɐ̂vəb’l, waarneembaar, opmerkenswaardig; subst. —ness; Observance, əbzɐ̂vəns, waarneming, viering, inachtneming; regel, voorschrift, gebruik; Observant, əbzɐ̂v’nt, oplettend, gehoorzaam: He was — of his mother’s slightest wishes = lette op; To be — of forms = gesteld op vormen; Observation, obzəveiš’n, waarneming, opmerking, ervaring: To fall under a person’s — = onder iemands aandacht vallen; adj. —al; Observatory, əbzɐ̂vətəri, sterrenwacht; Observe, əbzɐ̂v, waarnemen, gadeslaan, opmerken, vieren, letten op, opnemen: They —d the sun’s altitude = zij waren bezig de zon te schieten; —r = waarnemer, etc.
Obsess, əbses, bezoeken, kwellen, drukken; —ion, obseš’n, het bezeten (bezocht, gekweld) zijn, obsessie.
Obsolescence, obsəles’ns, veroudering, atropie; Obsolescent = verouderend, in onbruik gerakend, rudimentair; Obsolete, obsəlît, verouderd, onontwikkeld; subst. —ness.
Obstacle, obstək’l, hindernis, beletsel: To put —s in the way.
Obstetric(al), əbstetrik(’l), verloskundig; Obstetrician, obstitriš’n, verloskundige, vroedvrouw; Obstetrics, əbstetriks, verloskunde.
Obstinacy, obstinəsi, koppigheid, hardnekkigheid; Obstinate, obstinit, hardnekkig, stijfhoofdig; subst. —ness.
Obstipation, obstipeiš’n, verstopping.
Obstreperous, obstrepərɐs, luidruchtig, woelig, rumoerig; subst. —ness.
Obstruct, əbstrɐkt, versperren, verstoppen, belemmeren, verhinderen; —er; —ion = belemmering, beletsel, verstopping; taktiek eener Parlementaire minderheid om door lange discussies of tallooze amendementen, etc. de behandeling van een wetsontwerp te vertragen; —ionist = iemand, die den voortgang op die wijze belemmert; —ive, adj. belemmerend, hinderlijk, verstoppend; ook subst. —ness = streven om te belemmeren, enz.; —or; Obstruent = hinderend, stoppend (middel).
Obtain, əbtein, verkrijgen, verwerven, behalen, nemen; bestaan, voortduren, heerschen, algemeen in gebruik (regel) zijn, behelzen: This custom —s in some of our cities = heerscht; In complexion, as the common reports —, she surpassed the lily and rose = naar luid van de algemeene berichten; This —s with most people = geldt voor; —able = verkrijgbaar, enz.; —er; —ment = verkrijging.
Obtrude, əbtrûd, (zich) opdringen, indringen, opdringerig zijn: He —d himself upon the company = drong zich op aan; —r; Obtrusion, əbtrûž’n, opdringing; Obtrusive, əbtrûsiv, opdringend, hinderlijk, opvallend; subst. —ness.
Obtund, əbtɐnd, stomp maken, verdooven; —ent = verdoovend middel.
Obtuse, əbtjûs, stomp, dom, dof: — angle = stompe hoek; subst. —ness; Obtusion, əbtjûž’n, verstomping, dof- of sufheid.
Obverse, obvɐ̂s, əbvɐ̂s, toegekeerd, de andere zijde betreffend; obvɐ̂s, subst. vóórzijde, keerzijde: The — and the reverse of a medal; There is an — to the coin = de penning heeft zijn keerzijde (fig.); Obversion = omkeering; Obvert = omkeeren.
Obviate, obvieit, voorkómen, verhoeden, uit den weg ruimen: The difficulty was —d = weggenomen; subst. Obviation.