Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 45

Chapter 453,229 wordsPublic domain

Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: —s = bezinksel; — by —; Sure of —; On — = te voet, gaande, op touw; At a —’s pace = stapvoets; To put one’s best — forward = zijn beste beentje voorzetten; To put one’s — in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s — = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from his feet = verliet zijn land; I never set — in America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on — = aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s — = iemand doorgronden; To — it = loopen; These stockings must be —ed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was —ed = de rekening werd betaald (Am.); —-and-mouth disease = mond- en klauwzeer; —-band = troep infanterie; —-ball = voetbal, met leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; —-barracks = infanteriekazerne; —-board = treeplank, voeteneind; —-boy = loopjongen, livreiknechtje; —-bridge = brug voor voetgangers; —fall = (hoorbare) voetstap; —-guard = voetbekleeding (bij paard); —-guards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); —-hold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; —-iron = voetboei, rijtuigtrede; —-licker = lage vleier; —-lights: He was before the —-lights = voor het voetlicht; —man = voetknecht, livreiknecht; —-mark = voetspoor, indruk van den voet; —-muff = voetenzak; —-note = aanteekening onder aan de bladzijde; —pace = wandelpas; verhoogde vloer; —pad = struikroover; —-passenger = reiziger te voet, wandelaar; —-path = voetpad; —-plate = staanplaats op een locomotief; —-post = voetbode; —-pound = voetpond; —-print = indruk van den voet; —-race = wedloop; —-rest = voetbankje; bok; —-rot = rotziekte bij schapen; —-rule = duimstok (30 c.M. lang); —-scraper = voetenkrabber; —-shackles = voetboeien; —-soldier = infanterist; —-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; —-stall = vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; —step = voetstap: Follow his —steps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; —-stool = voetbankje; —-stove, —-warmer = (warm water)-stoof; —way = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; —-worn = met pijnlijke (zeere) voeten; —ed = voetig; —er = voetbal: A six-—er = iemand van 6 voet; —ing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his —ing = stapte mis; It is difficult to get a firm —ing there = om daar vasten voet te krijgen; He has to pay his —ing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First —ing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is called its first —; —y = waardeloos, onbeduidend: This sugar is very —y = deze suiker is onzuiver; They are little —y falderals = kleine niets beduidende prullen.

Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; — verb. knoeien, onzin doen.

Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; — verb. knoeien; Foozlified = dronken.

Fop, fop, modegek; —pery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of vormen); adj. —pish.

For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have done it — the best = uit bestwil; You have taken each other — better — worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; — convenience’ sake = gemakshalve; — example (= — instance) = bij voorbeeld; Eye — eye and tooth — tooth = oog om oog en tand om tand; — fear of = uit vrees van; — good and all (Once — all) = eens vooral; A man can live — much less = van veel minder; He won’t sleep — long = lang; Do it — my sake = om mijnentwil; A house — sale = te koop; — shame = schaam je; I shall take this — want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character — all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it — all the world = wat de wereld er ook van zegge; That’s it — all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen — all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; — all you know = zoo goed (gauw) als je kunt; — as much as I can say = voor zoover ik weet; — the matter of that = wat dat betreft: — one thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; — ought I see = voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home — a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame — it = ik alléén draag daarvan de schuld; To be sorry — = spijt hebben over; I do not care — him = geef niet om hem; I felt uneasy — him = was ongerust over hem; To go in — an examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed — the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you — my model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited — him to resume his story = ik wachte er op, dat hij ... zou hervatten; Now — it = nu er op los, nu begint het; Oh — a horse = ach, had ik maar een paard; I — one = wat mij betreft; But — me he would be unhappy = zonder mij; It is not — you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not — the life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.

For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.

Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; — verb. fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; —-cap (Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); —-contractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; —r = fourageur.

Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous, fəraminəs, vol kleine gaatjes.

Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; — verb. plunderen, verwoesten.

Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; —ance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid: —ance is no acquittance = uitstel is geen afstel; —ingly = lijdzaam.

Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.

Forbes, föbz.

Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: God, Heaven — = dat verhoede God, de Hemel! —den fruit = verboden vrucht (Bijbel); —ding = onaangenaam, terugstootend: Those are —ding subjects = onaangename onderwerpen.

Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.

Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls —s); — verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere — of habit = uit louter kracht der gewoonte; Conservation of — = krachtsbesparing; Correlation of — = krachtsverhouding; External —s = van buiten werkende krachten; Land —s; Marine —s; Moral — = zedelijke kracht; Natural —s = natuurkrachten; Physical — = natuurlijk vermogen; By main — = met geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in — = in grooten getale; To be of — = van kracht; The law will come into — (be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That must follow of — = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I discovered where his — lay = wat zijn “fort” was; To — along = voortdrijven, meeslepen; To — back = terugdrijven; To — down the throat = doen slikken; His sword was —d from his hand = aan zijne hand ontwrongen; He —d that word into a new meaning = gaf eene gedwongen nieuwe beteekenis aan; He —s a passage of Macaulay into his service = hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren bij; They were —d out = met geweld verjaagd; The ministers —d the queen’s hand = dwongen ... zoo te handelen; —-meat = gehakt (en sterk gekruid) vleesch; —-pump = perspomp; —d = gedwongen, gekunsteld; getrokken; subst. —dness; —ful = krachtig; —less = krachteloos.

Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).

Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig, indrukwekkend: — entry and detainer = gewelddadige inbezitneming (Jur.); —-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt; adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. —ness.

Forcing, fösiŋ; —-house = broeikas; —-pump = perspomp.

Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.

Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; — verb. doorwaden; —able = doorwaadbaar.

For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.

Fordyce, fədais.

Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the — = naar voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the — = kreeg naam; He is well to the — = hij heeft veel naam; — and aft = de geheele lengte v. het schip; —arm, subst. voorarm; —arm, fô-âm, vooraf wapenen; —warned, —armed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; —bode, föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; —boding = voorgevoel; —-brace, —-bits = betingen der fokkebrassen; —-bow = zadelknop; —-cabin = voorkajuit; —cast = voorspelling, voorziening: The weather —cast = weervoorspelling; —cast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen, ontwerpen; —castle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en den boeg); —close, föklouz, tegenhouden: To —close a mortgager = een hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne bezittingen ontnemen; —closure = ontneming van dit recht; —doom, födûm, veroordeelen, doemen: The attack was —doomed to failure; —elder = voorouder; —-end = eerste gedeelte; —father = voorvader: —fathers’-Day = 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620); —fend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; —finger = voorvinger; —foot = voorpoot; —front = voorste deel; —go, fögou, afstand doen, afzien van, zich ontzeggen: That is a —gone conclusion = dat is eene uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; —going = voorafgaande; —ground = voorgrond; —gather, fögadhə, samenkomen; —hand, subst. vóórhand, voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; —head, föhed of forəd, voorhoofd; —hold = voorste gedeelte van het scheepsruim; —-horse = voorste paard van een span; —judge, födžɐdž, eene klacht afwijzen wegens niet verschijnen van den klager; —know, fönou, vooraf weten; —knowledge, fönolidž, het vooruitweten; —land = landtong, kaap; ruimte tusschen vestingmuur en gracht; —leg = voorpoot; —lock = voorlok, voorhaar; stift, pin: I will take time by the —lock = ik zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; —man = eerste, eerstaanwezende, woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; —mast = fokkemast; —mast-man = gewoon matroos; —-mentioned, fömenš’nd, voormeld; —most = voorste, eerste, voorop; —name = vóórnaam; —named = voornoemd; —noon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; —ordain, fôrödein, voorbeschikken (Bijbel); —ordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking; —part = voorste deel; —past, —passed, föpâst, voorbij, verleden; —-peak = hel (scheepst.); —-rank = voorste rij of gelid, voorkant, —reach, förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); —reading = voorafgaande doorlezing; —run, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn; —runner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; —sail = fokkezeil; —see, fösî, voorzien, vooraf weten; —seeable consequences = te voorziene gevolgen; —shadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; —-sheet = fokkeschoot; —-sheets = voorplecht; —shore = het gedeelte kust tusschen eb en vloed; —-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen (perspectief); —show, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen; —side = voorzijde; —sight = het vooruitzien, overleg; —skin = vóórhuid; —sleeve = vóórmouw; —stall, föstôl, vooruitloopen op, berooven, verstoppen: You — life with your talk = gij neemt door uw gepraat al het aangename en belangwekkende van het leven weg; He —ed the market = hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They — my wishes = raden vooruit; —taste = subst. voorsmaak; — verb. föteist, een voorsmaak hebben van; —tell, fötel, voorspellen, voorzeggen; —thought = subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd; —-tooth = vóór- of snijtand; —top = vóórmars; —warn, föwön, vooraf waarschuwen of kennis geven (Zie —arm); —wind = gunstige wind; —woman = vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; —word(s) = voorrede, inleiding.

Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): — affairs = buitenlandsche zaken; — attachment = beslaglegging op het eigendom van een buitenlander in Engeland: — news = buitenlandsch nieuws; — Office = ministerie van Buitenl. zaken; — Secretary = minister van B.Z.; — trade; This is — to our business = is vreemd aan, staat buiten, heeft niet te maken; —-built = in ’t buitenland gebouwd; —er = vreemdeling.

Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; —-medicine = gerechtelijke geneeskunde.

Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; — verb. in een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig, landelijk; —-fly = luisvlieg (bij paarden); —-laws = boschwetten; —-officer = ambtenaar bij het boschwezen; —-walk = schaduwrijke wandelweg; —er = houtvester, boschbewoner, boschwachter; —ry = boschcultuur, boomkweeking.

Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; — verb. verbeuren, verliezen: To cry —s = de panden oproepen; They were playing (at) —s = waren aan het pandje-verbeuren; —ure, föfitjə = verbeuring, verlies, boete.

Forfex, föfeks, schaar.

Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; — verb. smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk voortbewegen, vooruitwerken: He —d his way home = kwam (ging) met moeite ...; —-man = smids-meesterknecht; —r = smid, vervalscher; —ry = valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; —tive = vindingrijk.

Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I — = ik ben vergeten; I shall — my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To — oneself = zich vergeten; —-me-not = vergeetmenietje; —ful = vergeetachtig, slordig; subst. —fulness.

Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven, vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst. —ness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. —ness.

Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.

Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.

Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc., moeilijkheid, lastig geval, stemvork; — verb. met eene vork opheffen en aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You shall — it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst opdokken; —-head = gevorkte pijlspits; —-tail = naam voor visch met gevorkten staart; —ed = gevorkt, zigzag: —ed lightning = zigzag bliksemstralen; —y = gevorkt.

Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen, vermagerd: —-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste redmiddel; subst. —ness.

Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante, stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank (zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas), geschiktheid, goede figuur; — verb. vormen, scheppen, oefenen, zich richten of vormen: To be bad — = onnet, ongepast; To be in good — = netjes, zooals het behoort; The horse was not in — to-day = niet “in conditie”; The prime minister was in splendid oratorical — = des eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went through the — of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They —ed for a dance = zij traden aan om te dansen; They —ed in front = zij plaatsten zich in de voorhoede in ’t gelid; —al = vormelijk, precies, stellig, stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a —al order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; —alism = vormendienst; —alist = vormelijk mensch, formalist; —ality, fömaliti, vormelijkheid; uiterlijke schijn; formaliteit; —ation = vorming, samenstelling of afleiding, formatie; —ative = vormend, niet tot den stam behoorend; —er = Schepper, vormer, vorm, model.

Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; —ly = vroeger, te voren.

Formic, fömik, van mieren; —-acid = mierenzuur; —ation = jeuking.

Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).

Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. —ness.

Formula, fömjulə, formule, recept: —rize = formuleeren; —ry, subst. = formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus; —te = —rize = Formulize.

Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht, bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder, afgodendienaar.

Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə). Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; —n = part. perf.; Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.

Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).

Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).

Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.

Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed gedaan.

Forsyth, fösaith.

Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj. sterk, machtig.

Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.

Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).

Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten gaande, voort: To be —-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation of the report was —-coming = het gerucht werd niet bevestigd; —-going, föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; —-issuing = uitkomend; —right = recht vooruit, oprecht; —rightness of phrase = juistheid van uitdrukking; —with, föthwidh, föthwith, föthwith, onmiddellijk, op staanden voet.

Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).

Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai, versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.

Fortnight, fötnait, veertien dagen; —ly = alle veertien dagen; veertiendaagsch.

Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.

Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; —ness, toevalligheid; Fortuity, fötjûiti, toeval.

Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. —ness; Fortune, fötš’n, subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; — verb. begunstigen, gebeuren: By — = toevallig; — favours the bold = wie waagt, wint; As — would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his — = hij kreeg zijn erfdeel; —-book = voorspellingsboekje; —-hunter = iemand, die bij het trouwen op geld uit is; —-hunting = het zoeken van eene rijke vrouw; —-tell = waarzeggen; —-teller = waarzegger; —-telling = waarzeggerij.

Forty, föti, veertig: In — seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take my — winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot 50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.

Forum, fôr’m, forum, rechtbank.

Forward, föwəd, subst. een vooraan geplaatst speler bij football; adj. voorste, vroeg, ver gevorderd in, vroegtijdig, niet achterlijk, wijsneuzig, brutaal, vooruit; adv. (—s) vooruit, voorwaarts; — verb. bevorderen, aansporen, verhaasten, overzenden; interj. voorwaarts! The book is in a — state = het boek is een heel eind op weg; I beg to — this letter = ik ben zoo vrij u dezen brief te doen toekomen; From this day — = in het vervolg; —er = verzender, expediteur = —ing agent; —ing firm = expeditiezaak; —ing note = vrachtbrief (Amer.); —ness = vroolijkheid, vroegrijpheid, wijsneuzigheid, brutaliteit.

Fosbroke, fosbruk. Fosse, fos, vestinggracht, halte.

Fossick, fosik, verlaten goudmijnen of waschplaatsen nasnuffelen; lastig en druk zijn, aanhoudend zoeken; —er (Austr.).

Fossil, fosil, subst. delfstof, versteend lichaam; iemand ten achteren bij zijn tijd; adj. opgedolven, verouderd: —iferous = versteeningen bevattend; Fossilization = versteening; —ize, fosilaiz, versteenen, verouderen.

Fossroad, fosroud, een der 4 groote heirbanen door de Romeinen aangelegd, met slooten aan beide kanten, ook Foss(e)way geheeten.

Foster, fostə, voeden, zoogen, kweeken, aanmoedigen, koesteren; —-brother = zoogbroeder; —-child = voedsterkind; —-daughter = pleegdochter; —-father = pleegvader; —-mother = zoogmoeder; —-sister = zoogzuster; —-son = pleegzoon; —er = voedster, zoogster, bevorderaar.

Fother, fodhə, wagenvracht; ook verb.: To — a leak = stoppen.

Fotheringay, fodhəriŋgei. Fotmal, fotmâl, 70 Eng. ponden (31,751 K.G.) lood.

Fought, fôt, imperf. en part. perf. van to fight.

Foul, faul, vuil, onrein, stinkend, heiligschennend, gemeen, zondig, misdadig, onwettig, onbillijk, storm- of regenachtig, bewolkt, belemmerend; subst. aanrijden, aanvaren, ongeoorloofde slag; — verb. bevuilen, besmetten, in botsing komen, vuil worden, verward raken: — means = oneerlijke; A — pipe = vuile; — play = valsch spel, bedrog; I had a — taste in the mouth; — wind = tegenwind; We fell (ran) — of a rock = stieten op eene rots; These two persons fell — of each other = kregen samen twist; He —ed my course and received all my weight = hij kwam mij in den weg, en kreeg mijne geheele zwaarte op zich; —-anchor = onklaar anker; —-proof = vuile proef; —-mouthed, —-spoken, —-tongued = vuile taal sprekend; —ness = vuilheid, etc.

Foulard, fulâd, zijden (hals)doek.

Found, faund, imp. en p.p. van to find.

Found, faund, metaal gieten; stichten, grondvesten, oprichten, begiftigen; —ation, faundeiš’n, grondslag, fundeering, stichting, begiftiging, fundatie (—ationer = alumnus); —ation-muslin = stijf gaas; —ation-school = door corporaties of privaat-personen gestichte school; —ation-stone = eerste steen; —er, subst. metaalgieter; stichter, maker, begiftiger: He is the —er of the feast = aanlegger; vr. —ress; —ry = metaalgieterij; —ry-goods = gietijzeren artikelen.

Founder, faundə, verb. zinken, zakken, vergaan, mislukken; doen zinken, vallen, kreupel worden of maken (van paarden): A —ed copy = slecht uitziend (onderhouden) exemplaar; I am —ed with cold = stijf van koude.

Foundling, faundliŋ, vondeling: —-hospital = vondelingshuis.

Fount, faunt, bron, fontein, put; —ain, fauntin, bron, fontein, waterreservoir; —ain-head = oorsprong of bron v. eene rivier (ook fig.); —ain-pen = vulpen.

Four, fö, vier: To form —s = in vieren opmarcheeren; To be folded in —s = in vieren; We are (run) on all —s = wij zijn (loopen) op handen en voeten; They go on all —s = zij stemmen volkomen overeen; That is on all —s with it = dat komt er geheel mede overeen; To place on all —s with = gelijkstellen; —-ale = goedkoop bier (4d. het quart): —fold, adj. viervoudig; subst. viervoud; — verb. verviervoudigen; —-footed = viervoetig; —-handed = vierhandig; —-horse = door vier paarden getrokken; —-in-hand, subst. rijtuig met vier paarden; adj. door vier paarden getrokken; —-legged = met vier pooten, viervoetig; —penny, —pence = vierstuiverstukje; —-poster = groot ledikant met stijlen aan de vier hoeken; —score = tachtig; —square = vierkant, vast gegrond, vast staand: The Eiffel tower stands —square on feet of solid masonry = staat onwrikbaar vast op; —-wheeler = vigelante; —teen = veertien; —teenth = veertiende; —th = vierde; —th-rate = vierklassig (bij de marine); —thly = ten vierde.

Fourbisseur, fûəbisɐ̂, zwaardveger.

Fourgon, fûəgon, fourgon, ammunitie- of bagagewagen.

Fourierism, fûriərizm, het socialistisch stelsel, aanbev. door Charles Fourier.

Fowl, faul, subst. gevogelte, het vleesch daarvan, gezamenlijke vogels, haan, kip; — verb. vogels vangen of schieten; —er = vogelaar; —ing-piece = ganzenroer; —ing-shot = ganzenhagel.