Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 99

Chapter 993,087 wordsPublic domain

Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. —ness; Remedial, rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk, onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel, rechtsmiddel, vrije namiddag; — verb. genezen, verhelpen: There is no — for it, It is beyond (past) — = er is niets aan te doen; It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden.

Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden, gedenken, groeten: Well —ed = goed dat gij er om denkt; — the Sabbath = gedenk den Sabbatdag; I do not — having seen him before = ik herinner me niet; — me kindly to your friend = doe mijne vriendelijke groeten aan; He has “—ed me” very handsomely = goed bedacht (in zijn testament); I should be glad to be —ed = doe alstublieft mijn groeten; Remembrance, rimembr’ns, herinnering, geheugen, heugenis, aandenken: Do it in — of him = doe het te zijner gedachtenis; Within my — = zoolang mij heugt; I cannot call it to — = ik kan het mij niet herinneren: Give my kind —s to = groet van mij; Remembrancer = The City — = vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind — = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.

Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that —s me = wacht eens, daar schiet me te binnen; — me of it = help het mij onthouden; Reminder: A gentle — = een vriendelijke aanmaning, wenk; A little — note = briefje om te herinneren aan; Remindful of = gedachtig aan.

Remington, remiŋt’n.

Reminiscence, reminis’ns, herinnering: —s of Carlyle = herinneringen aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be — of = zich herinneren; herinneren aan.

Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz, afstand; huurrijtuig: To — a claim = afstand doen van.

Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very — correspondent; subst. —ness.

Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming, afstand, vergiffenis: At last there was a — of the hot weather = eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.

Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen, verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; —ting fever = afgaande koorts: The King —ted the sentence of death; His fine was —ted to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht; —tance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld, remise; —tee, ontvanger van de remise; —tent = beurtelings op- en afgaande in kracht: —tent fever; —ter = remittent.

Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special — day = lappendag.

Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely —led = het werk is geheel omgewerkt.

Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant, subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate, rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen, onderhouden: I frequently —d with him on his behaviour = heb hem herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.

Remora, remərə, de groote zuigervisch.

Remorse, rimös, berouw, wroeging; —ful = berouwhebbend, medelijdend; subst. —fulness; —less = meedoogenloos, wreed, onbarmhartig: subst. —lessness.

Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan, afgezonderd, gering: He made a — allusion to this = hij zinspeelde er heel in de verte op; — antiquity = grijze oudheid; — kinsman = verre bloedverwant; — resemblance = flauwe gelijkenis.

Remould, rîmould, opnieuw vormen.

Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; — verb. opnieuw bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army — Commission = remonte commissie; We were getting —s for the cavalry = remontepaarden.

Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l, afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing, afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap, graad, klasse, bevordering; — verb. verwijderen, wegzenden, verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his — to the form above = ging over; The boy missed his —, was not —d = ging niet over, bleef zitten; He is my cousin to the second — = neef in den tweeden graad (A cousin four times —d = in den vierden graad); Elections at two —s = getrapte verkiezingen; These buildings will be —d = zullen worden afgebroken; I think we shall — the first of July = zullen verhuizen (overgaan); —d = verwijderd, afgelegen, dood; —r: Furniture —r = verhuizer.

Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst. Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst. Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.

Renaissance, rineis’ns, renaissance.

Renal, rîn’l, nier...

Renard, renəd, Reintje de Vos.

Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte, herleving; adj. Renascent.

Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht, duel; — verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen worden.

Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To — in two, to pieces; It has rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.

Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een muur), overgave, verklaring: To — account = rekenschap afleggen; To — assistance = hulp verleenen; To — homage = hulde bewijzen; To — judgment = vonnis vellen; He wouldn’t — reason = geene reden geven; Would you — me a service? = een dienst bewijzen; To — thanks = dank betuigen; This —ed him unfit for work = maakte hem ongeschikt; The fortress was —ed up to the prince = werd overgegeven; —er.

Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst; — verb. verzamelen, samenkomen; —-flag = verzamelplaatsvlag.

Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.

Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.

Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw beginnen, herhalen; —able = hernieuwbaar; —al = verniewing, herleving; —er.

Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.

Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.

Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.

Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); — verb. verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren (in ’t kaartspel): I — you and your party = wil niets gemeen hebben met; subst —ment; —r.

Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; —r of Renovator; subst. Renovation, renəveiš’n.

Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; — verb. beroemd of vermaard maken; —ed = vermaard, beroemd.

Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; — verb. imperf. en p.p. van to rend.

Rent, rent, subst. rente, huur (—s = inkomsten); — verb. huren, in huur hebben, verhuren: —-charge = erfpacht; —-day = betaaldag (van huur of rente); —-free = kosteloos; —-roll = opgaaf of lijst der pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; —al: The house commanded a good —al = deed eene hooge huur; —al right = erfpacht; —er = huurder, pachter, verhuurder, verpachter.

Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).

Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien; subst. —er. Zie Rent.

Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.

Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.

Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools — = de scholen beginnen weer; To — a wound (sore) = een oude wonde openrijten (fig.).

Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz, opnieuw organiseeren of inrichten.

Rep(p), subst. rips; adj. geribd: — note-paper = geribd postpapier.

Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; — verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven: Beyond — = niet meer te herstellen; In (good) — = goed onderhouden; In bad —, out of —, under — = slecht onderhouden, in verval, in reparatie; To undergo —; Everything was soon —ed to its former state = in vroegeren toestand teruggebracht, hersteld; He —ed to the subject again and again = kwam telkens terug op; I —ed to him for information = wendde mij tot hem; I do not know where to — to = waar ik zal heen gaan, waar mij te bergen; adj. —able; —er (rijwiel)hersteller.

Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).

Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling, genoegdoening, schadeloosstelling: He made — for his offensive words = maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.

Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in — = slagvaardig.

Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.

Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.

Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.

Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To — oneself = zich schadeloos stellen; adj. —able; subst. —ment.

Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; — verb. intrekken, herroepen, afschaffen; —able = herroepelijk; subst. —ableness; —er = voorstander v. de — of the Union = de unie van Engeland met Ierland (1843).

Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; — verb. herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me — to you = opzeggen, reciteeren; I had to — him three times before he answered = moest het hem herinneren; —-order = nabestelling; I have warned him —edly = herhaaldelijk; —er = herhaler, opzegger, repeteerende breuk (= —ing-decimal), repetitiehorloge (= —ing-watch), repeteergeweer of pistool, iemand, die zijn stem tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).

Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I — such terms = kom op tegen; —lence = afstootende kracht; adj. —lent: Intoxicating drinks are —lent to me = staan mij tegen; —ler.

Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I — of it = het berouwt me; She —ed her of her choice = had berouw van; Repentance = berouw: Stool of — = zondaarsbankje; Repentant = berouwhebbend, boetvaardig.

Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.

Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.

Repertoire, repətwâ, répertoire.

Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A — of useful science = een schat van nuttige kennis.

Repetend, repətend, repətend, repetent.

Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious, Repetitive.

Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods wil.

Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen, opvolgen: I must — the borrowed sum next week = het geleende teruggeven; He has —d his opponent in the people’s esteem = zijn tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can this word be —d? = kan men dit woord vervangen; subst. —ment.

Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.

Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. —ation.

Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t — his small fire = kon niet aanvullen; subst. —ment.

Replete, riplît, vol: — with filth and misery = vol vuil en ellende; Repletion = overlading, volheid.

Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin = (bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het bezit krijgen, lossen.

Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf), herhaling (muz.): A — of his father = evenbeeld; In Maggie we have Dot in —.

Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord, repliek, herhaling.

Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; — verb. antwoorden, repliceeren, hernemen: He made a poor — = gaf een ongelukkig antwoord; The barrister replied on this case = repliceerde met betrekking tot deze zaak; Why did you not — to his accusation? = antwoorddet gij niet op, weerlegdet gij niet; —-(post)card = dubbele briefkaart.

Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.

Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag, knal, gebulder; — verb. berichten, verslag doen, rapporteeren, vertellen: To draw up a — = samenstellen; I am your friend in (through) good and evil — = wat de wereld ook van u zegge; The — of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het kanongebulder; He was —ed missing, but he soon —ed himself = als vermist opgegeven, doch meldde zich; It is —d = het gerucht gaat; To — against = ongunstig rapporteeren over; The committee —ed upon the bill = bracht rapport uit over; School —; Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a parliamentary — = stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; —s’ gallery = tribune voor de pers.

Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; — verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take — = rust nemen; To — confidence in a person = vertrouwen stellen; Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, — beauty = ademt kalme, stille schoonheid.

Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.

Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was —ed of his property = werd weer in het bezit zijner goederen gesteld; subst. —ion.

Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst. —ness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj. Reprehensive, Reprehensory.

Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen, afbeelden: —ed by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj. —able; —ation = voorstelling, rolvervulling, uiteenzetting, vertegenwoordiging; —ative, subst. voorsteller, plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend, vertegenwoordigend, typisch: This work is —ative of the spirit of our age = drukt den geest uit; subst. —ativeness; —er; —ment.

Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; —ation = vernieuwd aanbod.

Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; —ible = bedwingbaar; —ion = bedwinging, beteugeling; —ive = bedwingend, beteugelend.

Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; — verb. opschorten, uitstellen, bevrijden.

Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; — verb. reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.

Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).

Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.

Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding, weerwraak: Letters of — = kaperbrieven; That is a just — against them = rechtmatige represaille op; To make —s (on); Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein: —s = jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van de inkomsten uit landerijen.

Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer; — verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is the — of the family, brings (draws) — on (upon) the family = strekt zijne familie tot oneer; He incurred several —es = haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; —es = beurtgezang tijdens de kruisaanbidding in de R.K. kerk op Goeden Vrijdag; I —ed myself for forgetting it = nam mezelf kwalijk; What did he — you with? = wat heeft hij u ten laste gelegd; —ful = schandelijk, verwijtend: His was a —ful conduct = was schandalig; subst. —fulness.

Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd; — verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation, reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of — = het leerstuk der verwerping of verdoeming.

Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven; —r; Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.; Reproductive, Reproductory = voortbrengend, copieerend.

Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv, berispen, een standje maken; —r.

Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).

Reptant, rept’nt, kruipend.

Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj. kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren; Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).

Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: — of letters = rijk der letteren en geletterden; —an, subst. en adj. republikein(sch); —anism = republikeinsche gezindheid; —anize = in eene republiek veranderen.

Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish, rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.

Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen; Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.

Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj. Repugnant.

Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering, teleurstelling; — verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got (met with) no second — = hij werd niet voor de tweede maal afgescheept; —r; Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw; Repulsive = terugstootend, afschuwwekkend.

Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; — verb. weder- of terugkoopen.

Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst. —ness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting; Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute, ripjût, subst. goede naam, roem; — verb. achten, houden voor: He is a man of (good) — = van goeden naam; He is held (stands) in high, in bad — = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well —d = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; —dly = naar verluidt, vermeend.

Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; — verb. verzoeken, een request richten: At your — = op uw verzoek; At the — of; In great — = veel gevraagd = Much in —; To accede to, To comply with, To grant a — = aan een verzoek voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a — = een verzoek doen; —er.

Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= —-mass).

Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben, vereischen: What do you — me to do? = verlangt ge dat ik doen zal; —ment = eisch, vereischte, geëischte; —r; Requisite, rekwizit, subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst. —ness; Requisition, rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen, schriftelijke oproeping, requireering; — verb. eischen, requireeren: To lay under (Put in) — = requireeren; —s of food = opeisching van levensmiddelen; The horses were —ed for the Royal Artillery = werden gerequireerd; —ist.

Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait, beloonen, vergelden, wreken; —r.

Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen, hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.

Reremouse, rîəmaus, vleermuis.

Resail, rîseil, terugzeilen.

Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.

Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. —able; Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings ...

Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak, pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.

Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp, gewelddadige bevrijding; — verb. bevrijden, verlossen, te hulp komen, redden: To come to the — in time = te hulp komen; He was —d from danger; —-home = asyl voor gevallen meisjes; —r.

Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; — verb. ook rîsɐ̂tš, nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made —es into it = van alle zijden nauwkeurig onderzocht; —er.

Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.

Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. —ion.

Reseda, risîdə, reseda.

Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst. Reseizure, rîsîžə.

Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.

Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l, gelijken: He —d my father = geleek op.

Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.

Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene beleediging opvatten: I — such opinions = protesteer tegen zulke meeningen; —er; —ful = geraakt, gebelgd; —ment = wrok, toorn, verbolgenheid: He did not show the least —ment = scheen er volstrekt niet gebelgd over.

Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd terrein (Amer.): Mental — = innerlijk voorbehoud.

Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud, behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere lichtingen der soldaten; — verb. achterhouden, bewaren, voorbehouden: To accept a statement with some — = onder eenige reserve; He kept it in — = hield dat achter, in voorraad; I dare state this without — = zonder voorbehoud; The —s were called out = de reserve werd opgeroepen; I have —d the best for the last moment = heb bewaard; I — to myself the right of refusing = behoud mij het recht voor; —d = gereserveerd, teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; —r = wie of wat voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö, bewaarplaats, regenbak: Balancing — = watertoren.

Reset, rîset, opnieuw zetten; —ter.

Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; —ter = heler.

Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of installeeren, tot rust komen; subst. —ment.

Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren; subst. —ment.

Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning, verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his — there = hij vestigde zich; Board and — = kost en inwoning; Residency, rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van den Resident (Brit. Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner, (minister)-resident; adj. woonachtig, inwonend: — doctor, pupil, teacher; —ship = ambt van een —; —ial, rezidenš’l, met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider = bewoner, verblijfhouder.

Residual, rizidju-əl, overgebleven: — product = netto opbrengst; Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend goed komt na aftrek van legaten; — legatee = aan wien al het roerend goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden alles, waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû, overschot, rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim der maatschappij.

Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen, ontslag nemen: He was appointed, but —ed = werd benoemd, maar bedankte; I would not — my grief = zou niet willen missen; He suffered much, but was —d = maar droeg het gelaten; He —ed himself up to the decrees of Providence = onderwierp zich aan; Resignation, rezigneiš’n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods wil), ontslag: To hand in, To offer, To tender one’s — = indienen, aanbieden; Resignee, rizainî, rezainî, rizainî, wien iets afgestaan wordt; Resigner = die afstand doet; Resignment = afstand, berusting, onderwerping.

Resign, rîsain, opnieuw teekenen.

Resilient, risilj’nt, terugspringend.

Resin, rezin, hars; — verb. met hars bestrijken; —iferous = hars voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) —-electric = negatief electrisch; —-electricity = negatieve electriciteit; Resinous, rezinɐs, harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.

Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He —ed all such attempts successfully = bood met succes weerstand aan; —ance = tegenstand; weerstand (natuurk.): To offer, To meet with —ance = weerstand bieden, ondervinden; —ant = wie of wat weerstand biedt; ook adj.; —er; —ibility, subst. v. —ible = weerstaanbaar; —ibleness = weerstand, weerstandsvermogen; —ive = vermogen weerstand te bieden; —less = onweerstaanbaar; subst. —lessness.

Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. —ness.

Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst. —ness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit, vastbeslotenheid, resolutie: — of an equation = oplossing van eene vergelijking; — of forces (of motion) = ontbinding van krachten; The — of the plot = ontknooping van de intrigue; He took a firm — and stuck to it = nam een vast besluit en bleef erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.