Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 133
Unsatisfactoriness, ɐnsatisfaktərinəs, subst. v. Unsatisfactory, ɐnsatisfaktəri, onvoldoende, onbevredigend; Unsatisfied = onvoldaan, ontevreden, niet overtuigd, onbevredigd; Unsatisfying = onvoldoende.
Unsaturated, ɐnsatjureitid, niet verzadigd.
Unsavouriness, ɐnseivərinəs, subst. v. Unsavoury, ɐnseivəri, onsmakelijk, walgelijk, smakeloos.
Unsay, ɐnsei, herroepen, intrekken: To say and — = nu eens ja, dan weer neen zeggen.
Unscalable, ɐnskeiləb’l, onbeklimbaar.
Unscared, ɐnskêəd, niet verschrikt.
Unscarred, ɐnskâd, zonder litteeken(s).
Unscathed, ɐnskeidhd, ɐnskeitht, ongedeerd.
Unschooled, ɐnskûld, ongeletterd, ongeoefend.
Unscientific, ɐnsaiəntifik, onwetenschappelijk.
Unscorched, ɐnskötšt, niet geschroeid.
Unscreened, ɐnskrînd, onbeschut, niet gezeefd.
Unscrew, ɐnskrû, losschroeven.
Unscriptural, ɐnskriptjur’l, niet naar de Schrift.
Unscrupulous, ɐnskrûpjulɐs, gewetenloos; subst. —ness.
Unseal, ɐnsîl, ontzegelen, openen: —ed = ongezegeld, ontzegeld.
Unsearchable, ɐnsɐ̂tšəb’l, onnaspeurlijk; subst. —ness; Unsearched = niet onderzocht.
Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an — time of night = laat in den nacht; subst. —ness; Unseasoned = niet toebereid, niet gekruid, niet geacclimatiseerd, onervaren, ongewend: — deal = niet uitgedroogd vuren(grenen)hout.
Unseat, ɐnsît, van het paard werpen, van eene plaats (in het Lagerhuis) berooven.
Unseaworthiness, ɐnsîwɐ̂dhinəs, subst. v. Unseaworthy, ɐnsîwɐ̂dhi, niet zeewaardig.
Unseconded, ɐnsek’ndid, niet ondersteund.
Unsectarian, ɐnsektêriən, neutraal.
Unseemliness, ɐnsîmlinəs, subst. v. Unseemly, ɐnsîmli, onbetamelijk, ongepast.
Unseen, ɐnsîn, ongezien, onzichtbaar: The — = geestenwereld, hiernamaals; Latin —s = à vue vertalingen.
Unselfish, ɐnselfiš, onbaatzuchtig; subst. —ness.
Unsent, ɐnsent, ongezonden: — for = ongenood, ongevraagd.
Unsepulch(e)red, ɐnsep’lkəd, onbegraven.
Unserved, ɐnsɐ̂vd, niet (op)gediend; Unserviceable, ɐnsɐ̂visəb’l, ondienstig, onbruikbaar.
Unset, ɐnset, niet geplaatst (gezet, geplant, ondergegaan).
Unsettle, ɐnset’l, doen weifelen, uit de voegen of uit het verband rukken, schokken: Your tidings have —d me = mij van streek gebracht; —d = niet geregeld, onzeker, troebel, veranderlijk, weifelend, onbetaald.
Unsex, ɐnseks: Ambition has —d her = haar het (zacht-)vrouwelijke ontnomen; To — oneself = zich emancipeeren.
Unshackle, ɐnšak’l, ontkluisteren.
Unshaded, ɐnšeidid, onbeschaduwd, zonder schaduw = Unshadowed, ɐnšadoud.
Unshak(e)able, ɐnšeikəb’l, onwrikbaar; Unshaken, ɐnšeik’n, onverwrikt.
Unshapely, ɐnšeipli, wanstaltig.
Unsheath(e), ɐnšîdh, uit de scheede halen: To — the sword = het zwaard trekken.
Unsheltered, ɐnšeltəd, onbeschut.
Unshielded, ɐnšîldid, niet verdedigd.
Unship, ɐnšip, ontschepen, lossen, over boord werpen, losmaken: We —ped the oars = wij namen de riemen uit de dollen.
Unshocked, ɐnšokt, ongeschokt.
Unshot, ɐnšot, adj. niet afgeschoten, niet getroffen; — verb. een kanon of geweer ontladen.
Unshrinkable, ɐnšrinkəb’l, krimpvrij.
Unshrinking, ɐnšriŋkiŋ, onvervaard.
Unsifted, ɐnsiftid, ongezift, onervaren.
Unsight, ɐnsait, ongezien: To buy a thing —.
Unsightliness, ɐnsaitlinəs, subst. v. Unsightly, ɐnsaitli, afzichtelijk, leelijk, wanstaltig.
Unsilvered, ɐnsilvəd, niet met (kwik)zilver bedekt.
Unsisterly, ɐnsistəli, niet zusterlijk.
Unsized, ɐnsaizd, ongesteven, niet geplaneerd of gegrondeerd.
Unskilful, ɐnskilful, onbekwaam, onbedreven; subst. —ness; Unskilled, ɐnskild, onbedreven: — labour = eenvoudige handenarbeid; — labourers = werklui die geen vak verstaan.
Unslacked, ɐnslakt, Unslackened, ɐnslak’nd, onverminderd.
Unslaked, ɐnsleikt, niet gelescht of gebluscht.
Unsmoked, ɐnsmoukt, niet (uit)gerookt.
Unsoaped, ɐnsoupt, niet gezeept, ongewasschen: The — = het janhagel.
Unsociability, ɐnsoušəbiliti, subst. v. Unsociable, ɐnsoušəb’l, ongezellig; subst. —ness; Unsocial, ɐnsouš’l, eenzelvig.
Unsocket, ɐnsokət, uit eene holte of kas nemen: The storm has —ed the oak = den eik ontworteld.
Unsoiled, ɐnsôild, onbezoedeld.
Unsold, ɐnsould, niet verkocht.
Unsolder, ɐnso(l)də, lossoldeeren, scheiden.
Unsoldierlike, ɐnsouldžəlaik, een soldaat onwaardig = Unsoldierly.
Unsolicited, ɐnsəlisitid, ongevraagd.
Unsolicitous, ɐnsəlisitɐs, onbezorgd.
Unsolved, ɐnsolvd, niet opgelost.
Unsophisticated, ɐnsəfistikeitid, onbedorven, echt, kunsteloos.
Unsought, ɐnsôt, ongezocht: To come — = onverwacht.
Unsound, ɐnsaund, ongezond, zwak, ziekelijk, niet gaaf, wormstekig, wrak, onwaar, ijdel, valsch, onbetrouwbaar, onrustig: — doctrine, ice; A man of — mind = met gekrenkte geestvermogens; — pleasures, sleep; subst. —ness.
Unsoured, ɐnsauəd, ongezuurd, niet verbitterd.
Unsown, ɐnsoun, ongezaaid: — flowers = wilde.
Unsparing, ɐnspêriŋ, ongenadig; mild, royaal; subst. —ness.
Unspeakable, ɐnspîkəb’l, onuitsprekelijk, jammerlijk, afschuwelijk: An — kind of person = onmogelijke vent.
Unspecified, ɐnspesifaid, niet afzonderlijk vermeld.
Unspent, ɐnspent, onverbruikt, nog niet uitgeput: — ball = nog niet matte.
Unspilt, ɐnspilt, ongestort.
Unsplit, ɐnsplit, ongespleten.
Unspoiled, ɐnspôild, onbedolven.
Unspoken, ɐnspouk’n, niet geuit: — of = onvermeld.
Unspotted, ɐnspotid, ongevlekt, zonder blaam, volmaakt, zonder gebreken; subst. —ness.
Unsquared, ɐnskwêəd, niet vierkant bekapt, onregelmatig, ongeschikt.
Unstable, ɐnsteib’l, onvast, wankelend, labiel.
Unstaid, ɐnsteid, onstandvastig, vluchtig.
Unstained, ɐnsteind, onbesmet, onbezoedeld, ongeverfd.
Unstamped, ɐnstampt, ongestempeld, zonder zegel.
Unstanched, ɐnstânšt, ongestelpt, niet dicht.
Unstatesmanlike, ɐnsteitsm’nlaik, een staatsman niet passend of waardig.
Unsteadiness, ɐnstedinəs, subst. v. Unsteady, ɐnstedi, ongestadig, flikkerend, onvast, wispelturig, lichtzinnig.
Unstep, ɐnstep, (een mast) uitnemen.
Unstilled, ɐnstild, ongestild.
Unstinted, ɐnstintid, onbegrensd, onbekrompen.
Unstirred, ɐnstɐ̂d, niet be- of geroerd.
Unstitch, ɐnstitš, lostornen.
Unstop, ɐnstop, openen, de belemmering wegnemen, ontkurken.
Unstrained, ɐnstreind, ongefiltreerd, niet gespannen, ongedwongen, natuurlijk.
Unstraitened, ɐnstreit’nd, onbekrompen.
Unstrengthened, ɐnstreŋth’nd, niet versterkt of gesteund.
Unstring, ɐnstriŋ, losmaken, ontspannen, de snaar of snaren afnemen: She was quite unstrung = van streek.
Unstudied, ɐnstɐdid, onbestudeerd, natuurlijk, onkundig, onervaren.
Unstuffed, ɐnstɐft, niet volgestopt, niet gefarceerd.
Unsubdued, ɐnsəbdjûd, onverwonnen.
Unsubstantial, ɐnsəbstanš’l, onwerkelijk, ingebeeld, slap, niet voedzaam of degelijk.
Unsuccessful, ɐnsəksesful, niet gelukkig, zonder resultaat: He has been — = hij is niet geslaagd; subst. —ness.
Unsufferable, ɐnsɐfərəb’l, on(ver)dragelijk.
Unsuitable, ɐnsiûtəb’l, ongepast, ongeschikt, onvoegzaam, onbekwaam; subst. —ness; Unsuited = ongeschikt, etc.; —ness.
Unsullied, ɐnsɐlid, onbevlekt.
Unsupported, ɐnsəpötid, niet gesteund.
Unsurmountable, ɐnsɐ̂mauntəb’l, onoverkomelijk.
Unsurpassable, ɐnsɐpâsəb’l, onovertreffelijk; Unsurpassed = onovertroffen.
Unsusceptible, ɐnsəseptib’l, niet vatbaar (voor = of).
Unsuspected, ɐnsəspektid, onverdacht; Unsuspecting = niet achterdochtig; Unsuspicious, ɐnsəspišəs, niet wantrouwend, argeloos; subst. —ness.
Unsustainable, ɐnsəsteinəb’l, onhoudbaar; Unsustained = niet gesteund.
Unswayable, ɐnsweiəb’l, niet te beheerschen; Unswayed, ɐnsweid, niet bewerkt of door invloeden beheerscht.
Unswept, ɐnswept, ongeveegd.
Unswerving, ɐnswɐ̂viŋ, niet afwijkend.
Unsworn, ɐnswön, niet beëedigd.
Unsymmetric(al), ɐnsimetrik(’l), niet met goede verhoudingen.
Unsystematic(al), ɐnsistəmatik(’l), stelselloos.
Untack, ɐntak, losmaken.
Untainted, ɐnteintid, onbesmet, niet bedorven.
Untalked, ɐntôkt, onvermeld, niet besproken (met of).
Untam(e)able, ɐnteiməb’l, ontembaar; Untamed, ɐnteimd, ongetemd, woest, wild: — beauty = woeste schoonheid.
Untarnished, ɐntâništ, zonder smet of blaam.
Untasked, ɐntâskt, zonder taak.
Untasted, ɐnteistid, onaangeroerd.
Untaught, ɐntôt, onwetend, onervaren, ongeletterd.
Untaxed, ɐntakst, onbelast, niet beschuldigd.
Unteachable, ɐntîtšəb’l, onleerzaam; niet te leeren.
Untempered, ɐntempəd, niet toebereid, niet gehard, niet gematigd.
Untempted, ɐntem(p)tid, niet verleid of verlokt.
Untenable, ɐntenəb’l, onhoudbaar.
Untenantable, ɐnten’ntəb’l, niet (ver)huurbaar, onbewoonbaar; Untenanted = onverhuurd, onbewoond.
Untended, ɐntendid, onverzorgd.
Unterrified, ɐnterifaid, onverschrokken.
Untested, ɐntestid, onbeproefd.
Unthanked, ɐnthaŋkt, zonder dank; Unthankful = ondankbaar; subst. —ness.
Unthinkable, ɐnthiŋkəb’l, ondenkbaar; Unthinking = onnadenkend, onbezonnen; Unthought, ɐnthôt, niet gedacht, onverwacht (met of).
Untidiness, ɐntaidinəs, subst. v. Untidy, ɐntaidi, slordig, onordelijk.
Untie, ɐntai, losbinden, losknoopen, losmaken.
Until, ɐntil, tot: He did not write — yesterday = gister pas.
Untilled, ɐntild, onbebouwd.
Untimbered, ɐntimbəd, zonder boomen of timmerhout.
Untimely, ɐntaimli, ontijdig, ongelegen: — merriment = ongepaste vroolijkheid; He died — = vroeg, jong; Untim(e)ous, ɐntaiməs, al te vroeg: It reached an — end = het kwam vóór zijn tijd aan een eind.
Untinged, ɐntinžd, ongeverfd, ongetint, rein.
Untirable, ɐntairəb’l, onvermoeibaar, onvermoeid = Untired, Untiring.
Unto, ɐntû, tot (aan).
Untold, ɐntould, ongeteld, niet verhaald, onbeschrijfelijk.
Untouched, ɐntɐtšt, on(aan)geroerd, niet geretoucheerd.
Untoward, ɐntouəd, stijfhoofdig, weerbarstig, eigenzinnig, onaangenaam, ongunstig; —(li)ness.
Untraced, ɐntreist, ongebaand, ook = Untracked, ɐntrakt, niet opgespoord.
Untractable, ɐntraktəb’l, onhandelbaar.
Untrained, ɐntreind, niet geoefend of gedrild.
Untrammelled, ɐntram’ld, onbelemmerd.
Untransferable, ɐntransfərəb’l, niet over te dragen.
Untranslatable, ɐntr’nsleitəb’l, onvertaalbaar.
Untravelled, ɐntrav’ld, onbereisd.
Untraversed, ɐntravəst, niet doorsneden of betreden, niet doorreisd.
Untried, ɐntraid, onbeproefd, onervaren.
Untrimmed, ɐntrimd, niet gesnoeid, niet in orde gebracht of opgemaakt.
Untrod(den), ɐntrod(’n), onbetreden.
Untroubled, ɐntrɐb’ld, ongestoord, onbewogen (van de zee).
Untrue, ɐntrû, onwaar, trouweloos, wispelturig; adv. Untruly; Untruth, ɐntrûth, ɐntrûth, onwaarheid, trouweloosheid, leugen: To tell an —; —ful = onoprecht.
Untuck, ɐntɐk, losvouwen, een vouw nemen uit.
Unturned, ɐntɐ̂nd, ongekeerd: He left no stone — to get it = heeft hemel en aarde bewogen.
Untutored, ɐntjûtəd, niet onderwezen, onbeschaafd, ruw.
Untwine, ɐntwain, losdraaien, losgaan, uit de war maken, uitrafelen = Untwist.
Unused, ɐnjûzd, (ɐnjûst), ongebruikt, ongewoon (to); Unusual, ɐnjûžuəl, ongewoon, niet veelvuldig.
Unutterable, ɐnɐtərəb’l, onuitsprekelijk: —s = broek; Unuttered = niet geuit.
Unvaccinated, ɐnvaksineitid, oningeënt.
Unvanquished, ɐnvaŋkwišt, onoverwonnen.
Unvaried, ɐnvêrid, onveranderd, zonder afwisseling; Unvarying = onveranderlijk.
Unvarnished, ɐnvâništ, ongevernist, onverbloemd, onopgesmukt, eenvoudig.
Unveil, ɐnveil, ontsluieren, onthullen.
Unvendible, ɐnvendib’l, onverkoopbaar.
Unventilated, ɐnventileitid, niet van frissche lucht voorzien.
Unversed, ɐnvɐ̂st, onbedreven (in).
Unvindicated, ɐnvindikeitid, niet verdedigd.
Unviolated, ɐnvaiəleitid, ongeschonden.
Unvisited, ɐnvizitid, onbezocht.
Unvoiced, ɐnvôist, zonder stemtoon.
Unvowelled, ɐnvauəld, zonder klinkers.
Unwalled, ɐnwöld, zonder muren.
Unwarlike, ɐnwölaik, onkrijgshaftig.
Unwarned, ɐnwönd, ongewaarschuwd.
Unwarped, ɐnwöpt, niet getrokken; onbevooroordeeld; Unwarping = onbuigzaam.
Unwarrantable, ɐnwor’ntəb’l, onwettig, onverantwoordelijk, onverdedigbaar; subst. —ness; Unwarranted, ɐnwor’ntid, ongewettigd, onverantwoordelijk, ongewaarborgd.
Unwariness, ɐnwêrinəs, subst. v. Unwary, ɐnwêri, onbezonnen, overijld.
Unwashed, ɐnwošt, ongewasschen, vuil: The (great) — = het janhagel.
Unwatched, ɐnwotšt, niet bewaakt.
Unwatered, ɐnwötəd, onbesproeid, droog.
Unwavering, ɐnweiv’riŋ, standvastig.
Unweaned, ɐnwînd, niet gespeend, niet ontwend.
Unwearied, ɐnwîrid, onvermoeid.
Unwebbed, ɐnwebd, zonder zwemvlies.
Unwed(ded), ɐnwed(id), ongetrouwd.
Unweeded, ɐnwîdid, ongewied.
Unwelcome, ɐnwelk’m, niet welkom, onaangenaam: He has made me — = heeft mij onhartelijk ontvangen.
Unwell, ɐnwel, niet wel, ongesteld.
Unwept, ɐnwept, onbeweend.
Unwhipped, ɐnwipt, ongestraft.
Unwholesome, ɐnhouls’m, ongezond, verderfelijk; subst. —ness.
Unwieldiness, ɐnwîldinəs, subst. v. Unwieldy, ɐnwîldi, onhandelbaar, niet te hanteeren, zwaar, lomp.
Unwilling, ɐnwiliŋ, onwillig, ongenegen: I am (feel) — to go there = heb geen zin; Willing or — = willens of onwillens; —ness = ongeneigdheid.
Unwind, ɐnwaind, loswinden.
Unwise, ɐnwaiz, onwijs, dwaas.
Unwished, ɐnwišt, niet gewenscht: — for circumstances = ongewenschte.
Unwithered, ɐnwidhəd, onverwelkt; Unwithering = onverwelkbaar.
Unwitnessed, ɐnwitnəst, ongezien, niet door getuigen gestaafd, nooit beleefd.
Unwitting(ly), ɐnwitiŋ(li), zonder te weten: With unwitting irony = onbewuste.
Unwomanly, ɐnwum’nli, onvrouwelijk.
Unwonted, ɐnwɐntid, ɐnwountid, ongewoon, ongewend; subst. —ness.
Unworkable, ɐnwɐ̂kəb’l, onpraktisch, onuitvoerbaar.
Unworkmanlike, ɐnwɐ̂km’nlaik, niet goed afgewerkt, prullerig.
Unworldliness, ɐnwɐ̂ldlinəs, subst. v. Unworldly, ɐnwɐ̂ldli, niet wereldsch, onbaatzuchtig.
Unworn, ɐnwön, niet gedragen: — out = niet versleten.
Unworried, ɐnwɐrid, niet gekweld.
Unworthiness, ɐnwɐ̂dhinəs, subst. v. Unworthy, ɐnwɐ̂dhi, onwaardig, ongepast, verachtelijk.
Unwound, ɐnwaund, imp. en p.p. van to unwind.
Unwounded, ɐnwûndid, ongewond.
Unwrap, ɐnrap, loswikkelen, openmaken.
Unwritten, ɐnrit’n, ongeschreven: — law = gewoonterecht, ongeschreven wet.
Unwrought, ɐnrôt, onbewerkt, ruw: — goods, iron.
Unyielded, ɐnjîldid, onovergegeven; Unyielding = niet toegevend, halsstarrig.
Unyoke, ɐnjouk, uitspannen, het juk afnemen.
Up, ɐp, verb. opspringen, aanleggen; adv. op, omhoog, op de been, in het zadel, etc.: He —ped gun, and let drive at a young hare = legde aan en schoot op; His blood is — = hij kookt van woede; Shall we play fifty —? = vijftig uit (bilj.); The game is — = het spel is uit, verloren; The House is — = het Parlement is gesloten; The quarter is — = het kwartaal is verschenen; The street is — = is opgebroken; The sun is — = is op; Time is — = de tijd is om; All the town is — = in rep en roer, opstand; To be — at seven = op(gestaan); It is all — with him = hij is totaal geruïneerd; We shall be — with another covey in five minutes = binnen 5 minuten treffen we weer aan; What’s —? = wat is er aan de hand; He came — to me = kwam naar mij toe; He came — with me = hij haalde mij in; The river is frozen — = dichtgevroren; The emigrants went — (the) country = trokken verder het land in (Amer.); We went — to the hub = tot het uiterste punt; He will not go — for his examination = zal zich niet onderwerpen; The students go — to-morrow = keeren naar de academie terug; To sail — a river, stream = de rivier op, tegen den stroom op; — and down = op en neer; The —s and downs of life = de wisselvalligheden des levens; I have been attached to him from my youth — = van mijne jeugd af; He is well — in English = kent goed Engelsch; Hold your tongue — there = daar ginder, daar boven; To go — to town = naar stad; He agreed with me — to a certain point = tot op zekere hoogte; That fellow is — to snuff (to a thing or two, a trick or two) = dat is een gladde kerel, slimme kwant; — to this time = tot dezen tijd toe; We waded — to our knees through the snow = tot aan de knieën; What are you — to? = wat voert gij uit (in ’t schild); He is — to mischief = voert kattekwaad uit; I am — to what you mean = begrijp; Do you think he is — to the task? = berekend voor die taak; The candidate is not — to the mark = is onvoldoende.
Upas(-tree), jûpəs(trî), upas(boom).
Upbear, ɐpbêə, ondersteunen, schragen, opheffen: His firm faith upbore him = zijn onwankelbaar geloof schraagde hem.
Upbraid, ɐpbreid, verwijten, berispen: He —ed me for having been there = nam mij onder handen; —ing; —er.
Upbringing, ɐpbriŋiŋ, grootbrengen, opvoeding.
Upham, ɐpəm.
Upheaval, əphîv’l, verheffing, opheffing, omwenteling; Upheave, əphîv, opheffen, zich verheffen.
Upheld, ɐpheld, imp. en p.p. van to uphold.
Uphill, ɐphil, bergopwaarts(ch), moeilijk: That’s — work = dat werk valt niet mee.
Uphold, ɐphould, omhoog houden, steunen, schragen, handhaven, verdedigen: Their Lordships upheld the judge’s finding = bevestigden de uitspraak; —er = verdediger, steuner.
Upholster, əphoulstə, bekleeden, stoffeeren; —er = stoffeerder; —y, bedden, gordijnen, karpetten, kleeden, kussens, enz. enz. om de huizen te meubileeren; stoffeerderij: Mere — = louter schijn.
Upkeep, ɐpkîp, onderhoud.
Upland, ɐpl’nd, subst. hoogland, binnenland; adj. hooglandsch, binnenlandsch.
Uplift, ɐplift, subst. verheffing; adj. opgeheven; — verb. opheffen, optillen: Her victory had —ed her = vroolijk (trotsch) gestemd.
Up-line, ɐplain, lijn naar het hoofdstation.
Upmost, ɐpmoust, bovenste.
Upon, əpon, op, bovenop, omtrent, bij, etc.: — his arm = aan zijn arm; — my arrival (arriving) = bij mijne aankomst; — bread and water; You do it — your own danger = op eigen risico; — duty = in dienst, op post; I learned this — inquiry = bij onderzoek; It was just — midnight = tegen; — the whole = over het geheel; I call — this assembly to do away with such an abuse = doe een beroep op deze vergadering; I called — (on) him = ik ben bij hem aangeloopen; I do not want to be imposed — = bedrogen te worden; This town lies — a river = ligt aan; He lives — his mother = op kosten van; To live — vegetables = van groenten; Look — me = zie mij aan; To make war — a people = den oorlog aandoen; I don’t wish to be played — = voor den gek te worden gehouden; Don’t rely — such people = vertrouw niet op; To stand — ceremonies = staan op complimenten; To stand — one’s dignity = op zijn waardigheid gesteld zijn; I will think — it = zal me er eens op bedenken; He took — himself to arrange the matter = nam op zich.
Upper, ɐpə, adj. hooger, bovenste, boven; subst.: —s = bovenleer: To be on one’s —s = in armzalige toestand zijn; — crust = de hoogere kringen, aristocratie = The — ten (thousand); — deck; — guard = hoofdconducteur; — hand = overhand, bovenhand; — House = het Huis der Lords, Senaat, Eerste Kamer; — leather = bovenleer; — lip = bovenlip; — Rhine; — story = bovenverdieping: He is not right in his — story = het scheelt hem in zijn bovenste verdieping; — teeth = boventanden; — works = het gedeelte van het schip, dat boven water is; bol (kop); — world = bovenwereld; Uppermost = bovenste, hoogste, heerschend, beste: That fellow says whatever comes — = zegt maar wat hem voor den mond komt; To float belly — (van visch).
Uppish, ɐpiš, trotsch, aanmatigend; subst. —ness.
Upraise, ɐpreiz, opheffen.
Uprear, ɐprîə, oprichten.
Upright, ɐprait, subst. opstand van een gebouw, gevel, paal, pilaar; adj. rechtop, oprecht: His hair stands — = zijne haren rijzen te berge; subst. —ness (ɐpraitnəs), opgerichte stand, rechtschapenheid, oprechtheid.
Uprising, ɐpraiziŋ, verheffing, opgang, glooiing, opstand.
Uproar, ɐprö, oproer, verwarring, drukte, lawaai: To make an — = herrie maken; To set in(to) — = in opstand brengen; Unproarious, əprôriəs, oproerig, lawaaierig; subst. —ness.
Uproot, ɐprût, ontwortelen, verdelgen.
Uprouse, ɐprauz, opwekken.
Upsaddle, ɐpsad’l, opzadelen.
Upsala, ɐpsâlə.
Upset, ɐpsət, ɐpset, subst. het omvallen of omgevallen zijn, het mislukken, schrik, ontroering; adj. vast: —-price = inzet (van goederen op verkoopingen).
Upset, ɐpset, omverwerpen, onderstboven gooien, van zijn stuk brengen, overstuur maken, teleurstellen, omvallen, omslaan: To be — = omslaan; kapot zijn (fig.).
Upshot, ɐpšot, resultaat, uitkomst, einde: That’s the — of the rumour = daar komt het gerucht op neer; When it comes to the — = van naderbij beschouwd.
Upside, ɐpsaid, bovenzijde; —-down = onderstboven, in volkomen verwarring.
Upstairs, ɐpstêəz, ɐpstêəz, boven: He was kicked — = hij werd vooruitgeschopt, voortgeholpen.
Upstart, ɐpstât, opspringen, opschieten.
Upstart, ɐpstât, subst. parvenu; adj. plotseling tot groote macht gebracht; parvenuachtig: — pride.
Up-stroke, ɐpstrouk, ophaal, opwaartsche beweging.
Uptake, ɐpteik, opneming, begrip, begrijpen.
Uptear, ɐptêə, opscheuren.
Up-to-date, ɐptudeit, volgens de nieuwste mode, (hyper)modern.
Up-town, ɐptaun, in de bovenstad (het beste gedeelte) gelegen (Amer.).
Up-train, ɐptrein, opkomende trein.
Upturn, ɐptɐ̂n, omwerpen, omslaan, opslaan.
Upward, ɐpwəd, adj. bovenwaartsch, stijgend, naar boven; —s = naar boven, opwaarts: —s of = meer dan; It costs —s of a hundred guilders = over de honderd gulden; Ten guilders and —s = meer dan; From five guilders —s = van af vijf gulden en hooger.
Upwhirl, ɐpwɐ̂l, opwarrelen.
Upwind, ɐpwaind, oprollen.
Ural, (j)ûr’l, Ural(isch), adj. Uralian, Uralic.
Urania, jureinjə, Urania; Uranography, jûrənogrəfi, uranographie; Uranology, jûrənolədži, uranologie; Uranus, jûrənɐs, Uranus.
Urban, ɐ̂b’n, subst. Urbanus.
Urban, ɐ̂b’n, stedelijk, stads - -; Urbane, ɐ̂bein, hoffelijk, beschaafd, wellevend.
Urbanist, ɐ̂bənist, soort Franciscaner non.
Urbaniste, ɐ̂bənist, soort peer.
Urbanity, ɐ̂baniti, hoffelijkheid, wellevendheid.
Urchin, ɐ̂tšin, schalk, rakkertje, deugniet.
Urdu, ûədû, taal van Hindostan.
Ureter, jurîtə, jûritə, urineleider.
Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to — the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid v. het onderzoek aan te dringen; He —d it on me = drukte het mij op het hart; He was —d into doing it = aangezet om het te doen; He —d me to this act = spoorde me aan; Urgency, ɐ̂dž’nsi, drang, aandrang, ernstig verzoek, noodzakelijkheid: — was declared = de urgentverklaring werd aangenomen; Urgent = dringend noodzakelijk: To be in — need of = dringend behoefte hebben aan; To be — for a thing = sterk aandringen op.
Uriah, juraiə, Uria; Uriel, jûriəl.
Urim, jûrim: — and Thummim, thɐmim, zie Exodus 28, 30.
Urinal, jûrin’l, waterplaats, urinaal; Urinary, jûrinəri, subst. ierbak; adj. urine - -: — bladder; Urinate, jûrineit, urineeren; subst. Urination; Urine, jûrin, subst. urine.
Urn, ɐ̂n, subst. urn, theeketel.
Uroscopy, jûrəskoupi, juroskəpi, onderzoek van urine.
Urquhart, ɐ̂kət.
Ursa, ɐ̂sə, de Beer: — Major = Groote Beer; — Minor = Kleine Beer; Ursiform, ɐ̂siföm, beerachtig, als een beer; Ursine, ɐ̂s(a)in, beer - -; Urson, ɐ̂s’n, Canad. stekelvarken.
Ursula, ɐ̂siulə, Ursala; Ursuline, ɐ̂siul(a)in, ursuline.
Urubu, ûrûbû, zwarte gier (Midden-Amer.).
Uruguay, ûrugwai, (j)ûrugwei.
Us, ɐs, ons: All of — = wij allen; Both of — = wij beiden.
Usage, jûzidž, gebruik, gewoonte, behandeling, spraakgebruik.
Usance, jûz’ns, gebruik, uso, usance: According to — = volgens usance.
Use, jûz, gebruiken, behandelen, uitputten, gewennen, gewoon zijn: To — force = geweld gebruiken; To — one’s endeavour = moeite doen; — legs, and have legs = willen is kunnen; To — a person ill = slecht behandelen; I —d (jûst) to go there = placht daarheen te gaan; They are —d (jûst) to hardships = aan ontberingen gewoon; To get —d (jûst) to = gewoon raken aan; I am —d (jûzd) up = op, uitgeput; —r = gebruiker, etc.