Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 44
Flection, flekš’n. Zie Flexion.
Fled, fled, imperf. van to flee.
Fledge, fledž, vederen krijgen; —d = bevederd, kunnende vliegen; Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.
Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.
Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; —-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: — clouds = schapewolkjes.
Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; — verb. spotten, grinniken.
Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The — = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; — verb. heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; —-dike = kade, dijk; —-footed = snelvoetig; —ing = snel voorbijgaand, vergankelijk; —ness = snelheid, vergankelijkheid.
Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamingen: — bricks = klinkersteenen.
Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; — verb. met vleesch voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden, gewennen, harden: I saw him in the animated — = in levenden lijve; An arm of — = menschelijke kracht of hulp; — and blood = de menschelijke natuur; They are one — = zij zijn één; You are gathering — = gij wordt dik; That story made my — creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal; —-clogged = log van dikte; —-colour(ed) = vleeschkleur(ig); —-diet = vleeschkost; —-fly = vleeschvlieg; —-meat = vleeschspijzen; —-tint = vleeschkleur; —-worm = made, trichine; —er = slager (Schot.); —iness = vleezigheid; —ings = vleeschkleurig tricot; —ly = vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: —ly minded = materialistisch; —y = vleezig, dik, zwaar, grof.
Flew, flû, imperf. van to fly.
Flex, fleks, (doen) buigen; —ibility = buigzaamheid; —ible = buigzaam, handelbaar, gedwee; —ile = buigzaam; —ion = (ver)buiging, bocht; —or = buigspier; —uose, fleksjuous, —uous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag, flikkerend; —ure, flekšə, buiging, bocht.
Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.
Flick, flik, subst. tik; — verb. tikken, wegknippen, afkloppen.
Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam); —-mouse, Zie Flittermouse.
Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel, rechte trap.
Flight, flait, vlucht, zwam: — of stairs = reeks van treden = gedeelte van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies were put to — = op de vlucht geslagen; —iness = vluchtigheid, enz.; —y = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.
Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.
Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun, zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet: A — box = een los in elkaar getimmerde kist.
Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.
Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to —s = in splinters gaan; —-mouse. Zie Flittermouse.
Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien, verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a — at him = ik moet er hem eens goed van geven; To have one’s — = fuiven, veel uitgaan, pierewaaien; Young blood will have its — = de jeugd moet uitrazen; He had his — out = is uitgeraasd; We shall — in our swords if necessary = bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij; We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten varen.
Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a — = hij is buitengewoon gierig; —-age = steenen tijdperk; —-glass = flintglas; —-flake = steenen werktuig; —-lock = vuursteenslot (bij geweren); —-gun = ouderwetsche snaphaan; —-knapper (—-worker) = vuursteenmaker; —-stone = vuursteen; —y = steenachtig, hard, hardvochtig.
Flip, flip, tik; eierpunch; — verb. klappen, wegknippen met de vingers; —-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and —-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.
Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos: His wit is —ly dull = hij is een vervelende zwetser; He is — on serious subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft; subst. Flippancy.
Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).
Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.
Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; — verb. snel heen en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, spelen met: She —ed her fan elegantly; He —ed the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation = coquetteeren = —ing.
Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen; —ter-mouse = vleermuis; —ting = verhuizing; —ty = vluchtig, onvast.
Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.
Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; — verb. drijven, vlot zijn, vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us — a company = oprichten; The ship was —ed out of dock = werd uit het droogdok gelaten; The ensign —s half-mast high = waait halfstok; —-board = plank van een stoombootrad, schoep; —age = alles, wat drijvende gevonden wordt; —ed work = vlak pleisterwerk; —ing = drijvend, vlottend, loopend, onzeker: —-battery = drijvende batterij; —-bridge = schipbrug: —-capital = vlottend kapitaal; —-debt = vlottende schuld; —-dock = drijvend dok; —-light = lichtschip, lichtboei; —-pier = drijvend havenhoofd; —-rib = valsche (losse) rib; —-terms = koopvoorwaarden voor zeilende (stoomende) lading; —-wick = drijvend nachtpitje.
Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door stervenden.
Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig, aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.).
Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); — verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; —s of chickens; Birds of a feather — together = soort zoekt soort; —-bed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; —-master = opzichter over kudden schapen; —mel = in kudden; —y = vlokkig.
Floe, flou, ijsveld.
Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were —ging a dead horse = trokken aan een dood paard; —ger = zweep.
Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; — verb. overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises in — = komt hij in volle kracht uit; He swam the —ed stream = den hooggaanden stroom; They —ed the market with diamonds; —-gate = sluisdeur; —-mark = hoogwatertij; —-tide will soon make = de vloed komt weldra op.
Flook, flûk. Zie Fluke.
Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; — verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the — last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a — = gelijkvloers; That —ed me = bracht mij tot zwijgen; The child was —ed by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be —ed = zakken; He can — a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for honours’ doen; He has —ed his problem = goed opgelost; The problem has —ed him = was hem te machtig; —-cloth, subst. wasdoek voor vloerbedekking, linoleum; — verb. een vloer met linoleum bedekken; —-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); —-timbers = onderbalken, waarop eene vloer rust; —ing = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; —less.
Flop, flop, subst. flap, klap; — verb. flappen, kleppen, neerslaan, neerploffen: It came — down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.
Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land; —l = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend, schitterend: —-faced = met frisch gelaat; subst. —ness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van bloemen.
Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.
Florida, floridə.
Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.
Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal te brengen.
Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met pijpvormige bloempjes.
Floss, flos, floretzijde, wollige stof: —-thread = vlokzijde voor borduurwerk.
Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten; Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.
Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and — of literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.
Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; — verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien: She —d out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; —d = met strooken.
Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; — verb. worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He —ed in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden.
Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); — verb. met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; —-dredge(r) = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien; —-mill = korenmolen; —y = melig, met bloem v. meel bedekt.
Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een zwaard); overdreven versiering, fanfare; — verb. gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: — of trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A —ed letter = krulletter.
Flout, flaut, subst. beleediging, spot; — verb. (be)spotten, beleedigen, verachtelijk behandelen.
Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand; — verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen, smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His — of spirits is something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the — of his words = zijn woordenvloed; It —s in upon us = het wordt voor ons hoorbaar; —ing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.
Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); — verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren; —-de-lis (luce) = zwaardlelie; —-gentle = amarant; —-head = bloemkroon; —-show = bloemententoonstelling; —-soft = teeder, buitengewoon zacht; —-stalk = bloemstengel; —ed = met bloemen versierd, bloemen dragend; —et = bloempje; —less; —y = bloemrijk, figuurlijk: The —y land = China; —y-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.
Flown, floun, part. perf. van to fly.
Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan; subst. Fluctuation.
Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont, pluisjes; —-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza (ook Flu).
Fluellen, fluel’n.
Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent = vloeibaar, welbespraakt, praatziek.
Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; — verb. uitspreiden als veeren: To — out a fringe = uit-, en opkammen; —iness, subst. v. —y = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.
Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; —ness = Fluidity.
Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a — = ik kreeg een punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A — stroke = een beest.
Flume, flûm, bergbeek, waterloop.
Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.
Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).
Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.
Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; — verb. missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.
Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier; onervaren beursspeculant (Amer.); He has a —fied pronunciation = als een lakei; —dom; —ism.
Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.
Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (— of wind), lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); — verb. in de war brengen, doen ontstellen, verbijsteren.
Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak; — verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen (door een waterstroom): He isn’t — of money just now = niet goed by kas; You will hardly get —ed over that work = in extase geraken; —deck = doorloopend dek; —ness = frischheid, overvloed.
Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.
Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; — verb. door drank verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.
Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi; fluit; — verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien; German — = dwarsfluit; Armed in — = slechts voor een deel bewapend (schip); —d = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica; Flutist = fluitist.
Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; — verb. fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a — = maakte me gejaagd; A —ed bird = gejaagde.
Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil, tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.
Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling, samensmelting; — verb. smelten, zuiveren, purgeeren: — and re— = vloed en ebbe; —ibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; —ible = smeltbaar; —ion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of —ions = integr. en different. rekening; adj. —ional = —ionary.
Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig; — verb. vliegen, snellen, opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen, verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij de hand: As drunk as a — = zoo dronken als een tol; There is a — in the honey = roet in de brij; I don’t care a — = ik geef er geen zier om; When I became — to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let — = aanvallen, afschieten, slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles; To — into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; To — the garter = een soort bokspringen; Shall we — our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? —-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; —-boat = vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; —-blow, subst. vliegenei; — verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); —-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; —-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; —-cage = soort vliegenvanger; —-clapper = —-flap; —-clip = blad (reep) uit een —-book; —-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); —-flap = vliegendooder; —-leaf = schutblad, strooibiljet; —man = koetsier van een fly; —-powder = insectenpoeder; —-speck = vliegenspatje; —-trap = vliegenvanger (ook de plant): —-wheel = vliegwiel; —er, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend: —-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling); —-artillery = rijdende artillerie; —-bridge = ponton, gierbrug; — colours: They entered the town with — colours = triomfantelijk (met vliegende vaandels); —-dragon = vliegende draak = —-lizard; —-pinion = onrust van eene klok; —-post-office = postwagen (in een trein).
Foal, foul, subst. veulen; — verb. een veulen werpen: To be in — = drachtig; —-teeth = melktanden (v. een —).
Foam, foum, subst. schuim; — verb. (doen) schuimen: He —ed at the mouth = schuimbekte van woede; —-crested = met schuim bedekt; —y = schuimend.
Fob, fob, horlogezakje (in de broek); — verb. beetnemen: They were —bed off with a front attic = afgescheept; To — off on = aansmeren.
Focal, fouk’l, van een brandpunt: —-distance = brandpuntsafstand.
Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; — verb. naar een brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He fixed and —sed the girls = fixeerde erg; He —sed the palace = richtte zijn kijker op; How shall he — all the light of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?
Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture = groen veevoeder); — verb. voederen.
Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = —man.
Foetid, Zie Fetid.
Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen; adj. dik, mollig; — verb. in verlegenheid (in de war) brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a — = ik ben er verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am —ged = In a —; —-bank = zware mistbank; —-dog = heldere plek in eene —-bank; —-horn = misthoorn; —-ring = zwarte mistkring; —giness = mistigheid; —gy = mistig; vol gras, mosachtig.
Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.
Foh, fou, bah!
Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.
Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild; — verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one was a — to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen = They were set off by a —; —-stone = valsche steen; —er = verijdelaar; —ing = spoor van een hert op gras.
Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.
Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A —ed up affair = zwendel.
Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.
Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw; -voudig (in samenstellingen); — verb. opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are —ed down = hebben ezelsooren; He was received within the — of the church = in den schoot der kerk opgenomen; —er = vouwbeen, vouwer; A pair of —ers = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: —-chair = vouwstoel; —-doors = vleugeldeuren; —-net = slagnet; —-screen = vouwscherm; —-stool = klapstoel; —-table = klaptafel.
Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž, subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; — verb. met loofwerk versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n, metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72 woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); — verb. folieeren; Folious, fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd.
Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend, overgeleverd: How are the old —(s) = hoe gaat het met de oudjes; —lore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; —-medicine = huismiddeltjes; —-mote = volksvergadering; —-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); —right = gewoonterecht; —-song = volkslied, populair lied; —-tale = volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.
Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.
Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Something better was to — = het zou nog beter worden; It does not — that he is idle = daaruit volgt niet; We —ed (acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you — me? = begrijpt gij mij? He —s his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To — suit = kleur bekennen, navolgen; To — the trade of a blacksmith = uitoefenen; He —ed out his principles = handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to — her up, you must know where she lives = werk maken van; This work —s closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet; —er = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No —ers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A —ing breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a —ing of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.
Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.
Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen; subst. —ation; —er = opruier, aanstichter.
Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is — of her children = gek met haar kinderen; —le = liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her —ling = hartje, lieveling; —ness = teederheid.
Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. —al.
Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel; seton, etterdracht.
Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s — is another man’s poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily — = almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; —s = voedingsstoffen = —-stuffs.
Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade, slachtoffer; — verb. voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of —s = hoofdleider der dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of —s = oud feest op Nieuwjaarsdag; That’s a — to it = haalt er niet bij; He has made a — of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him play the — = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t — away your time = verbeuzel uw tijd niet; —’s-errand = vruchteloos onderzoek: He is out on a —’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na; —’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a —’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden bergen; —hardiness, subst. v. —hardy = roekeloos, domdriest; —s-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; —ery = dwaasheid, dolheid; —ing, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; —ish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. —ness.