Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 114

Chapter 1143,296 wordsPublic domain

Spelt, spelt, spelt.

Spelter, speltə, ongezuiverd zink.

Spencer, spensə, spencer.

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten, uitputten, verliezen: To — and be spent = geld en krachten opofferen; To — one’s breath = te vergeefs praten; We were invited to — the evening there, but —ing the evening did not begin until 10 = den avond door te brengen, maar de vroolijkheid begon eerst tegen 10; To — money on a garden = besteden aan; The horse had spent its strength = was doodaf; You — your words in vain = je verspilt je woorden te vergeefs; —er; —thrift = verkwister; adj. verkwistend.

Spenser, spensə, Edm. Spenser; —ian, spensîriən: The —ian stanza = bepaalde versbouw van Spenser’s Faery Queene.

Spent, spent, P. Imp. en P.P. van to spend, uitgegeven, afgemat, doodop: A — rifle-shot = matte kogel; A horse quite — = doodop; — with hunger and fatigue = uitgeput.

Sperm, spɐ̂m, zaad, kuit; —-oil = spermaceti olie; —-whale (—aceti-whale) = spermaceti walvisch, cachelot; Spermaceti, spɐ̂məsîti, spɐ̂məseti, spermaceti; Spermatozoon, spɐ̂mətəzou-on, spermatozoïde.

Spew, spjû, braken.

Spey, spei.

Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven, wegvreten; subst. Sphacelation; Sphacelus, sfasilɐs, koudvuur, kanker, beeneter.

Sphagnum, sfagn’m, veenmos.

Sphenodon, sfînədon, hagedis (N.-Zeeland).

Sphenoid, sfînôid, wigvormig: — bone.

Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopbaan, schijf, omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf; — verb. onder de hemellichamen plaatsen, rood maken: — of action; — of influence; To be summoned to a wider — of usefulness (van predikanten); That is out of my —, within my — = ligt buiten (binnen) mijn gebied of (werk)kring; —-melody, —-music = de harmonie der sferen; Spherical, sferik’l, bolvormig: — triangle = boldriehoek; — trigonometry = boldriehoeksmeting; Sphericity, sfərisiti, bolvormigheid; Spheroid, sfîrôid, spheroïde.

Sphinx, sfiŋks, sfinx.

Spicate, spaikit = Spicous.

Spice, spais, subst. specerij, bijsmaak, zweempje; — verb. kruiden: He has a — of the wilful in his character = is wat eigenzinnig; —-bush (—-wood) = benzoëboom; The — Islands = de Molukken; —ry = specerijen in ’t algemeen, specerijbergplaats; Spiciness = kruiderigheid.

Spick, spik, nagel, spijker: —-and-span = spiksplinternieuw.

Spicous, spaikəs, arendragend.

Spicular, spikjulə, met scherpe punten, gebaard; Spiculate, spikjulit, adj. bedekt met fijne punten; Spicule, spikjûl, (ijs)naald.

Spicy, spaisi, geurig, pikant.

Spider, spaidə, spin, driepoot: To step into the parlour of the — = in de val loopen; —-catcher = muurkruiper; —-crab = zeespin; —-web = spinrag; —’s web = spinneweb.

Spigot, spigət, zwikje (in een vat).

Spike, spaik, subst. aar; lange spijker, nagel, pin, stekel, doorn; — verb. vernagelen: This argument —d his battery = bracht hem tot zwijgen; To — guns = vernagelen; —-lavender = smalbladige lavendel; —-nail = lange nagel; —-team = driespan (Amer.); Spiked: — fence = schutting met spijkers erop; — helmet.

Spikenard, spaiknâd, spaiknəd, nardus(olie).

Spiky, spaiki, met scherpe punten.

Spile, spail, pen, spil, staak, paal.

Spill, spil, subst. fidibus; val, tuimeling; “krach”; — verb. storten, vergieten, morsen, doen vallen, omwerpen; bak brassen (scheepst.): He twisted a piece of paper into a —; —s are of common occurrence = ongevallen komen vaak voor; —ing-lines = geilijnen, gordingen. Zie Spilt.

Spillikins. Zie Spellicans.

Spilt, spilt, imp. en p. perf. van to spill: It is no use crying over — milk = gedane zaken nemen geen keer.

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken beweging, snelle rit of loop; — verb. spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbewegen, voortsnorren, zakken, etc.: Your life is not worth the — of a farthing = is geen duit waard; A — on a bicycle = toertje; He was spun at courting = liep een blauwtje; He was spun at the examination = hij zakte; I’m glad that the prig has got spun = dat die verwaande fat den wind van voren kreeg, zakte; The carriage was seen —ning along the road = zag men voortsnorren; The blow sent him —ning back = deed hem achteruit vliegen; The blood spun from the wound = gutste uit; To — round = ronddraaien; To — a top = zetten; I will — you a yarn = een verhaal doen (gew. uit het zeemansleven); —-drift = nevel van opgewaaid schuim; —-text = langdradig prediker; —ner = spinner, spinmachine, spinnekop: A capital —ner of a yarn = verteller; —neret = spinklier; —nery = spinfabriek; —ning: —ning-jenny = spinmachine; —ning-mill = spinfabriek; —ning-wheel = spinnewiel.

Spinaceous, spineišəs, tot de spinazieplanten behoorende; Spinach, Spinage, spinidž, spinazie: All gammon and — = allemaal bedriegerij.

Spinal, spain’l, tot de ruggegraat behoorende: — column = ruggegraat; — consumption = ruggemergstering; — cord (— marrow) = ruggemerg; — curvature = verkromming; Spine, spain, doorn, stekel, ruggegraat, rug.

Spindle, spind’l, spoel, dunne en puntige as, spille-linie, dunne stengel: Her mouth is a —-edition of her uncle’s = de vrouwelijke pendant van; —-legged, —-shanked = met spillebeenen; —-legs, —-shanks = spillebeenen; —-shaped = spoel- of spilvormig; —-side = vrouwelijke (spille) linie.

Spinescent, sp(a)ines’nt, doornachtig; Spiniferous, spainifərɐs, doornig, doornen hebbend.

Spink, spiŋk, boekvink, schildvink.

Spinnaker, spinəkə, groot bijzeil van yachts.

Spin(n)et, spinət, spinet.

Spinn(e)y, spini, struikgewas, boschje.

Spinose, spainous, spainous, doornig, vol doornen; Spinosity, spainositi, doornigheid, netelige kwestie; Spinous, spainəs = Spinose.

Spinozism, spinouzism, spainəzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza; Spinozist = volgeling van S.

Spinster, spinstə, jonge dochter, ongetrouwde vrouw; ook adj.; —hood = —ship.

Spiny, spaini, doornig, moeielijk, delicaat.

Spiracle, sp(a)irək’l, luchtgat, luchtbuis.

Spiraea, spairîə, spiraea.

Spiral, spair’l, subst. spiraal; adj. puntig, met eene spits, kronkelend, schroefvormig: — spring = spiraalveer; — staircase, stairway = wenteltrap.

Spirant, spair’nt, schuringsgeluid.

Spire, spaiə, subst. sprietje, halm, spits toeloopend voorwerp, top, torenspits, spiraallijn; — verb. zich verheffen als eene piramide of spits, uitspruiten, opschieten.

Spires, spaiəz, Spiers.

Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning, spook, geestkracht, opgewektheid (gew. meervoud), aard, temperament; geestrijke dranken (steeds meerv.); — verb. bezielen, aanvuren, in stilte wegvoeren of doen verdwijnen: The (Holy) — = de H. Geest; Father, Son and —; Evil (Good) — = kwade (goede) geest; Public — = belangstelling in de publieke zaak; — of the age (time) = tijdgeest; — of turpentine; — of wine; Animal —s = opgewektheid; Ardent —s = spiritualiën; Choice —s = buitengewone geesten; To be in —s = opgewekt, vroolijk; dronken; He was in low, in high —s = terneergeslagen, opgewekt; His flow of —s was wonderful = zijne vroolijkheid; You cannot raise a person’s —s = iemand opmonteren; She recovered her —s = kreeg haar bewustzijn terug; It was —ed away = verdween ongemerkt; The servant was —ed out of the country = in alle stilte buiten het land gebracht; —-lamp = spirituslamp; —-level = luchtbelwaterpas; —-license = vergunning; —-rapper = geloover in —-rapping = spiritistische manifestaties, zooals geklop, het bewegen van tafels, enz.: She has gone stark mad on the —-rapping imposition = die spiritistische koolverkooperij heeft haar stapelgek gemaakt; —-trade = handel in spiritualiën; Spirited = bezield, levendig, opgewekt: Dull-— = saai, suf; A high-— man = fier; Low-— = terneergeslagen; Mean-— = laag; Narrow-— = bekrompen; —ism = spiritisme; —ist = spiritist; —less = geesteloos, terneergeslagen, suf; Spiritual, spiritjuəl, geestelijk, onstoffelijk, verstandelijk: — adviser = geestelijk adviseur; — court = geestelijk gerechtshof; — wife = elke volgende vrouw na de eerste, bij de Mormonen; —ism = geestelijke aard, leer dat geest geheel onderscheiden is van stof, spiritisme; —ist = spiritist; —istic, spiritjuəlistik: —istic meetings = spiritistische bijeenkomsten; Spirituality, spiritjualiti, onstoffelijkheid, geestelijke aard; Spiritualities = inkomsten v. een bisschop; Spiritualization, subst. v. Spiritualize, spiritjuəlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene geestelijke beteekenis geven; Spirituous, spiritjuəs: — liquor = sterke drank; Spiritus = ademhaling; spiritus: — asper = geaspireerde letter; — lenis = niet geaspireerde letter; Spirometer, spairomətə, spirometer.

Spirt, spɐ̂t. Zie Spurt.

Spiry, spairi, spits.

Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spadevol (spit), speeksel, koekoeksspog (v. het schuimbeestje), evenbeeld; — verb. aan het spit steken, doorboren, spuwen: That boy is the (dead) very — of his father = evenbeeld zijns vaders; He was spat upon (at) everywhere = men spuwde op (naar) hem; —box = —toon; —fire = driftkop.

Spitalfields, spit’lfîldz.

Spitchcock, spîtškok, subst. speetaal; — verb. aal in de lengte splijten en braden.

Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid; — verb. kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen: I did it (in) — of warnings = ten spijt van; I bear you a — = koester wrevel (wrok) tegen u; —ful = spijtig, kwaadaardig; subst. —fulness.

Spittle, spit’l, speeksel; Spittoon, spitûn, spuwbak, kwispeldoor.

Splash, splaš, subst. bemoddering, plons, geplas, geklater; — verb. bespatten, beslijken, plassen, klateren: He made a big — = baarde heel wat opzien; The undertaking is sure to make a — in the book world = zal heel wat opzien baren; The — of the great fountain = het klateren; —-board = spatbord; —er = spatbord; —y = modderig, slijkerig; chic.

Splatter, splatə, plassen, klateren; —-dash = spektakel.

Splay, splei, subst. binnenwaartsche verwijding v. eene opening; adj. buitenwaarts gekeerd, lomp, plomp; — verb. naar binnen verwijden; —-foot = buitenwaarts gekeerde voet; —-mouth = groote mond, scheeve mond; —-shouldered = kreupel.

Spleen, splîn, milt, miltzucht, zwaarmoedigheid, wrok, toorn, haat: To vent one’s — on = zijn wrok koelen aan; —-sick = miltzuchtig, zwaarmoedig; —ful = toornig, gemelijk, zwaarmoedig = —ish = —y.

Splendent, splend’nt, schitterend; Splendid, splendid, prachtig, luisterrijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a — victory over the enemy = eene glansrijke overwinning; subst. —ness; Splendour, splendə, pracht, praal, glans: Sun in — = de zon voorgesteld met menschengelaat en door stralen omringd (Herald.); Splendrous, splendrəs, prachtig.

Splenetic, splənetik, gemelijk, slecht geluimd; subst. hypochonder; Splenic, splenik: — fever = miltvuur; Splenitis, splənaitis, ontsteking van de milt.

Splice, splais, subst. splitsing; — verb. splitsen, trouwen: He ran over to England to get —d = om te trouwen; To — the main brace = bezaanschoot aantrekken (een extra oorlam geven).

Splint, splint, splinter, spalk; —er, splintə, subst. splinter; — verb. splinteren; —er-bar = zwengelhout; —er-proof = bomvrij; —ery = uit splinters bestaande, als splinters, schilferig, met schilfers.

Split, split, subst. scheur of barst, scheiding, verdeeling, scheuring, halve flesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden; — verb. scheuren, splijten, scheiden, bersten, (ver)klappen, stranden, mislukken: — Infinitive = de door een bijw. gescheiden deelen v. een infinitive, zooals: Allow me to heartily congratulate you; To — a bottle of wine = met zijn tweeën drinken; Two brandies and a soda — = en een fleschje soda-water voor 2 personen; To — the difference = deelen; To — one’s votes = op kandidaten van verschillende partijen stemmen; We — (our sides) with laughing = barstten van lachen; The ship — on a rock = werd tegen eene rots verbrijzeld; He has — on a rock = is niet geslaagd, in zijne verwachtingen bedrogen; To — upon = een medeschuldige verklappen; —-peas(e) = spliterwten; A —ting headache = razende, brekende hoofdpijn.

Splosh, sploš, geld.

Splotch, splotš, vlek, smet; adj. —y.

Splutter, splɐtə, subst. gespat, gesputter, geraas, drukte; — verb. spatten, sputteren: My pen —ed = spatte; —er.

Spoil, spôil, subst. buit, plundering, roof; — verb. rooven, plunderen, bederven, schaden, verijdelen: The soup would have —ed = zou bedorven zijn; A —ed child; He —ed me of the best furniture I had = beroofde mij van; He came in, and was —ing for a fight in a minute = en dadelijk jeukten hem de handen om te vechten; —-sport = spelbederver; —er.

Spoke, spouk, spaak, sport, remketting: I’ll put a — in your wheel = eene spaak in het wiel steken.

Spoke, spouk, —n, spouk’n, imp. en p.p. van to speak: To be well (ill) —n = zich keurig (slecht) uitdrukken: (on)vriendelijke woorden gebruiken; Spokesman = woordvoerder, voorspraak.

Spoliate, spoulieit, (be)rooven, plunderen; subst. Spoliation; Spoliator = roover, plunderaar.

Spondaic, spondeiik, uit een spondeus bestaande; Spondee, spondî, spondeus.

Sponge, spɐnž, subst. spons, gerezen deeg, spoor v. een hoefijzer, klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher; — verb. (af)sponzen, uitwisschen, inzuigen, klaploopen; rijzen (van deeg): He chucked, threw up the — = hij gaf zich gewonnen; Let us pass a — over it = de spons er over halen (fig.); —-cake = een spongieus gebak; —let = sponsje; That fellow is a downright —r = een echte klaplooper; Sponginess = sponsachtigheid; Sponging-house, spɐnžiŋhaus, huis van een gerechtsdienaar waar gijzelaars 24 uur werden gehouden om hun vrienden gelegenheid te geven voor hen te betalen; Spongy = sponsachtig.

Sponsion, sponš’n, borgtocht.

Sponsor, sponsə, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely —ed = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels nam; To stand — = borg (peet) zijn voor; He had stood — for her dramatic talent = had ontwikkeld; —ial, sponsôriəl, tot een sponsor behoorende; —ship.

Spontaneity, spontənîiti, vrijwilligheid, eigen aandrift; Spontaneous, sponteinjəs, vrijwillig, uit eigen beweging, spontaan, in ’t wild groeiend, zelf...: — combustion = zelfont- en zelfverbranding; — generation; subst. —ness.

Spontoon, spontûn, soort kleine piek.

Spoof, spûf, bedrog: To play — = bedriegen.

Spook, spûk, spook; — verb. spoken.

Spool, spûl, spoel, klos.

Spoom, spûm, lenzen (scheepst.).

Spoon, spûn, subst. lepel, kolfstok, sukkel; liefje; — verb. met een lepel eten, vangen (met lepelhaak) “flirten”, vrijen: To be past the — = de kinderschoenen ontwassen; Brought up with a — = met kunstmatig voedsel grootgebracht; Don’t stand staring like a — = sta daar niet zoo ezelachtig te gapen; He is dead —s on the girl = hij is “smoorlijk” op het meisje; He is the wooden — = hij is de laagste op de ranglijst bij het wiskundig Honours Exam. voor den B.A. graad te Cambridge; Dessert-—, Gravy-—, Table-—, Tea-— (in Sport Slang respectievelijk 10, 20, 15 en 5 duizend £); He has —ed her for ever so long = hij heeft naar haar gevrijd; He had all the tackle, necessary for —ing pike = om snoek met een lepelhaak te vangen; —-bill = lepelaar (zwemvogel); —-diet = soep-dieet; —-meat, —-victuals, —vit’lz = lepelkost; —-wort = gewoon lepelblad; —ful; —(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig, “smoorlijk”: He is —(e)y on her = vol verliefd op haar.

Spoon-drift, spûndrift, opgejaagd, warrelend schuim.

Spoor, spûə, subst. spoor (v. een dier); — verb. een spoor volgen (Z. Afr.).

Sporadic(al), spəradik’l, verspreid, sporadisch voorkomend: — plants, — disease.

Spore, spö, spoor (bij cryptogamen); Sporiferous, spəriferɐs, sporen dragend.

Sporran, spor’n, tasch of beurs der Hooglanders.

Sport, spöt, subst. vermaak, spel, tijdverdrijf, scherts, (voorwerp van) spot, speeltuig (fig.), speling, sport; — verb. zich vermaken of verlustigen, spelen, geuren met, varieeren (biolog.): In (For) — = uit de grap; — of nature = speling; That is — to him = dat doet hij spelend; He made — of (with) me = hield me voor ’t lapje; I won’t spoil — = de spelbreker zijn; To spoil a person’s — = een streep door de rekening halen; He —s a gold watchchain = geurt met een gouden horlogeketting; —ful = vroolijk, dartel, uit de grap; Sporting: —-dog = jachthond; I am not a — man = ben geen sportsman; —-paper = sportblad; Sportive = vroolijk, speelsch, wat op sport betrekking heeft: His — knowledge is very wide = hij is van sport geheel op de hoogte; Sportsman = iemand die aan sport doet, jager: —like = zooals een sportsman past; —ship = bedrevenheid in en liefde voor sport; Sportswoman = vrouw die aan sport doet.

Spot, spot, subst. spat, vlek, smet, klad, plek(je), oog, acquit (bilj.); — verb. besmetten, bevlekken, marmeren, bespikkelen, acquit geven, herkennen, indentificeeren, ontdekken, snappen: Do it on the — = onmiddellijk; That went to the — = die was raak; Dove-colour —s with the rain = vlekt; I —ted it at once = ik snapte het dadelijk; He attacked Mr. “Spots” with his sword = den luipaard; —-ball = de roode bal; —-hazard = stoppen van den rooden bal van ’t acquit in een der bovenzakken; —-price = naaste prijs; —-stroke = een serie van —-hazards: —less = vlekkeloos; subst. —lessness; —ted = gevlekt, bont: —ted fever = vlektyphus; —ter = detective, tramcontroleur (Amer.); —tiness, subst. v. —ty = vol vlekken, gespikkeld.

Spousal, spauz’l, subst. huwelijk, bruiloft (gew. meerv.); adj. huwelijks - - -, echtelijk: — ring = trouwring; Spouse, spauz, gemaal, gade: The — of Christ.

Spout, spaut, subst. tuit, pijp, buis, spuit, waterstraal, soort lift voor goederen (vooral in de pandjeshuizen); — verb. uitgieten, spuiten, met vertoon of hoogdravend spreken (declameeren), verpanden: My watch is up the — = is bij “Oome Jan”; He —ed some poetry of Byron = reciteerde (ironisch); If I had a gold watch, I would — it like a shot = ging het dadelijk naar den lommerd; —er = hoogdravend redenaar of acteur; walvisch.

Sprain, sprein, subst. verrekking, verstuiking; — verb. verrekken, verstuiken: I have —ed my ankle = mijn enkel verstuikt.

Sprang, spraŋ, imperf. van to spring.

Sprat, sprat, sprot: To throw (To fling away) a — to catch a whale = een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen.

Sprawl, sprôl, languit en nonchalant (gaan) liggen, zich rekken, spartelen; onregelmatig ontplooien (v. cavalerie): To go —ing = languit neervallen.

Spray, sprei, subst. schuim, sproeiregen, irrigator, sproeier; takje, rijsje; verb. (be)sproeien.

Spread, spred, subst. uitgebreidheid, omvang, uitgestrektheid, ontplooiing, disch; — verb. zich uitstrekken, verbreiden, ontplooien, verspreiden, dekken, spreiden, bijzetten, smeren: The pea-cock —s his tail = pronkt; Yours is a good figure for our artist to — himself on = aan uwe taille kan onze coupeur zijne kunst eens toonen (Amer.); You — it thin = gij smeert de boterhammen dun; The report was — abroad everywhere = werd overal bekend gemaakt; The table was — (over) with good cheer = het was een welvoorziene disch; —-eagle, subst. adelaar met uitgespreide vleugels (herald.); gebraden, opengesneden en met truffels opgediende vogel; adj. bombastisch, ijdel: To make a —-eagle of a person = voor de brits geven; —-eaglism = bombast, grootspraak; nationale bluf, chauvinisme (Amer.); —er = spatel.

Spree, sprî, pret, drinkgelag: On the — = aan den boemel: Berlin is a merry town, being always on the —.

Sprig, sprig, subst. takje, rijsje, stift; — verb. m. takjes of bloemen versieren, spijkertjes slaan in; —gy = vol takjes of spruitjes.

Spright, sprait, subst. geest, gesteldheid; — verb. rondwaren, spoken; —liness, subst. v. —ly = levendig; vroolijk, opgewekt, dartel.

Spring, spriŋ, subst. sprong, veerkracht, veer, drijfveer, bron, lente, fontein; — verb. springen, opspringen, ontspringen, voortkomen, opkomen, aanbreken, opschieten, doen springen, boren, opjagen (van wild): The lion took a — = deed in eens een sprong; He sprang at us = sprong naar ons toe; The water —s forth from the earth = borrelt uit den grond; He had sprung from the people = was voortgekomen uit; All his faults — from neglect = komen uit achteloosheid voort; The mountain-goat sprang on from rock to rock = sprong van rots tot rots; Plants — (up) from the earth = komen uit den grond; The diplomat sprang this treaty on the congress = verraste het congres met; The death of the heroine is sprung upon the reader = de schrijver valt den lezer onverhoeds op het lijf met; To — a leak = een lek krijgen; The police sprang their rattles = sloegen hunne ratels op; To — a well = graven, boren; —-bed = springveermatras; —-board = springplank; —bok = antilope (Z. Afr.); —-carriage = rijtuig op veeren; —-cart = karretje op veeren; —-chicken = piepkuiken; —-halt = hanespat (v. een paard); —-head = fontein, bron, oorsprong; —-mattress; —-tide(s) = springtij; —-time = lentetijd; —-wheat = zomertarwe; —al, spriŋg’l, spring-in-’t-veld; —er = springer, opjager van wild, naam voor springbok en jonge dolfijn; —iness = elasticiteit; —ing: —ing-board = springplank: He used his position as a —ing-board to higher flights; —y, spriŋi, elastisch.

Springe, sprinž, subst. strik, lus, valstrik; — verb. strikken, in een strik vangen.

Sprinkle, spriŋk’l, subst. gesprenkel, stofregen (= — of rain); — verb. (be)sprenkelen, sprengen, bestrooien, stofregenen: To — the linen; The floor had been —d with sand = met zand bestrooid; —r = sprengvat (-kwast); Sprinkling = sprenkeling, sprankel: He has got a — of Spanish = weet een hap en een snap van het Spaansch; There was a fair — from the two universities at the meeting = de beide hoogescholen waren op de bijeenkomst vrij goed vertegenwoordigd.

Sprint, sprint, korte, snelle wedloop (= —-race); — verb. er hard van door gaan; —er = deelnemer aan een —-race.

Sprit, sprit, subst. spriet, boegspriet; —sail = sprietzeil.

Sprite, sprait, geest, kabouter.

Sprod, sprod, zalm in het tweede jaar.

Sprout, spraut, subst. spruit, loot; — verb. (uit)spruiten, opschieten: —s = spruitjes.

Spruce, sprûs, subst. gewone spar; adj. netjes, keurig, vlug, piekfijn; — verb. keurigjes opschikken of opflikken; —-beer = jopenbier, bier waarbij de bladen en takjes van de —-fir (soort spar), in plaats van hop worden gebruikt; subst. —ness = keurigheid.

Spruit, sprût, stroompje: A little — or runnel of water (Z. Afrika).

Sprung, sprɐŋ, part. perf. van to spring.

Spry, sprai, levendig, vlug, wakker; bij-de-hand, glad (Am.): As — as a lark = zoo vlug en vroolijk als een leeuwerik.

Spud, spɐd, korte spade om wortels uit te graven, alles wat kort en dik is, dwerg, aardappel.

Spume, spjûm, subst. schuim; — verb. schuimen; Spumescence, spjûmes’ns, het schuimen; Spumescent, spjûmes’nt, schuimend; Spumous, spjûməs, schuimend, sponsig.

Spun, spɐn, imperf. en p. perf. van to spin: — butter = door een zeef geperste boter; — glass; — hay = gesponnen hooi (mil.); — silver; — yarn = schiemansgaren.

Spunge, spɐnž. (Zie Sponge): Her black gown was —d and turned and lengthened into something like decent mourning = werd geperst en gekeerd en verlengd tot ze een fatsoenlijke rouwjapon geleek.

Spunk, spɐŋk, tonder, zwam; vuur, geest; — verb. ontvlammen: Man of — = driftkop; —y = vurig.

Spur, spɐ̂, subst. spoor, prikkel, spoorslag, aansporing; hoofdwortel, uitlooper van een gebergte, sneb, kniestuk, moederkoren; — verb. de sporen geven, aanzetten, van sporen voorzien, zich haasten, snel rijden: To clap (give, put, set) —s to, To strike with the —s = de sporen geven, aansporen; The horse did not obey the rider’s — = luisterde niet naar de sporen; To win one’s —s = zijne sporen verdienen (fig.); He did not know what to say on the — of the moment = zoo gauw zou antwoorden; He acted on the — of the moment = hij volgde zijne ingeving; He was —ring on at the top of his speed = hij reed spoorslags voort; —-gall, subst. spoorwond; —-royal = gouden munt uit den tijd van Eduard VI; —-rowel = spoorraadje; —-way = rijpad; —-wheel = tandrad; —less; —red rye = moederkoren; —rer; —rier = sporenmaker.

Spurge, spɐ̂dž, wolfsmelk; —-laurel = laurierbladig peperboompje.