Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch

Part 5

Chapter 52,962 wordsPublic domain

Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl. Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize, verengelschen.

Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; —-American = Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst; —-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; —-catholicism, anglo-katholicisme; —-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman wonende in Indië; —-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien Stammen” waren; —-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden; —phobe, iemand die Engeland vreest (haat); —phobia = vrees voor Engeland; —-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.

Angora, aŋgôrə: —-cat (-goat, -wool).

Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken, pijnlijk: — at (a person); — about, with (a thing); To get (grow, become) — = boos worden.

Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.

Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: — of (the) mind = zielesmart.

Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek...; Angularity = hoekigheid, stijfheid; Angulate(d) = Angular.

Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.

Anight(s), ənait(s), in den nacht.

Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).

Anile, an(a)il, kindsch.

Aniline, anil(a)in, aniline.

Anility, əniliti, kindschheid.

Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt, critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen; berispen, etc. (on).

Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: — charcoal = beenderkool; — food = vleeschvoeding; — kingdom = dierenrijk; — spirits = levenslust; —s Protection Act = wet op de dierenbescherming; Society for the Prevention of Cruelty to —s = genootschap ter bescherming van dieren; Animalcule, animalkjûl, microscopisch diertje; meerv. Animalcula, animalkjulə; Animalism = dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven.

Animate, animeit, bezielen, opwekken: —d nature = dierenrijk; adj. animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid, animo.

Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.

Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were dictated by — and self-interest = hun ingegeven door hunne vijandige gezindheid.

Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the — and cu(m)mins of literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII, 23); Aniseed = anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers van eene zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e. een net of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den grond gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels “oil of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw volgen.

Anisette, aniset, anisette.

Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).

Ankle, aŋk’l, enkel: —-deep; —-jacks = halve laarzen; —-joint = enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.

Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.

Anlace, anleis, hartsvanger.

Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.

Annal, an’l: —s, annalen; Annalist, schrijver van annalen.

Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien; —ing-furnace = temperoven.

Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs...; Annex, əneks, aanhechten, toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = —e; Annexation, bijvoeging, annexatie.

Annesley, anzli.

Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation, vernietiging; Annihilator: Fire — = bluschapparaat.

Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The four hundredth — of the discovery of America.

Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative; Annotator, schrijver van annotaties.

Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); —ment, aankondiging.

Annoy, ənôi, subst. (= —ance) = plaag, ergernis; schade, beschadiging; — verb. ergeren, kwellen, hinderen; The —ing boy read a tedious book = vervelende (lastige) ... vervelend.

Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant, jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.

Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity, ənjûiti, jaargeld, annuïteit.

Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; —ment, vernietiging, etc.

Annular, anjulə, ringvormig, ring..: — eclipse of the sun; Annulate(d) = geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet, ringetje; Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.

Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.

Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.

Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s —ed = de Gezalfde des Heeren; subst. —ment.

Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.

Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and — = telkens weer, nu en dan.

Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit; —ous, anonimɐs, anoniem; subst. —ousness.

Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One — = elkander; Such — creature = een dergelijk schepsel; Have — glass = neem nog een glas (ter onderscheiding van; an other glass = een ander glas); One misfortune rides upon —’s back = een ongeluk komt nooit alleen; He is a fool, and I am — = en ik ook; One thing with — = het eene met het andere.

Anselm, ans’lm, Anselmus.

Anser, ansə, gans; —ine, ansər(a)in, als van een gans, dom.

Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.

Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; — verb. antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An — will oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no — = er werd niet op antwoord gewacht; To call a person to — = ter verantwoording; To — the bell (call, door) = opendoen; To — a letter; What you say there, does not — our purpose = is niet geschikt voor; It seldom —s to break treaties = men komt zelden verder met...; To — for = instaan voor, rechtvaardigen, boeten voor; To — to = antwoorden op; passen bij; overeenkomen met; The ship —ed to the helm = luisterde naar; —able (to, for), verantwoordelijk; subst. —ableness; —er = weerlegger.

Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier; —-bear, —-eater = miereneter; —-hole, —-hill = mierennest.

Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander, tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic, antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.

Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).

Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The — Pole, de Zuidpool.

Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang; Antecedent, antecedent: His —s = vroegere gedragingen.

Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.

Antedate, antideit, subst. vóórdatum; — verb. vroeger dateeren, vooruitloopen op, anticipeeren.

Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan, ouderwetsch mensch.

Antelope, antiloup, antilope.

Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.

Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.

Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.

Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.

Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.); Antennal, voelhorensdragend of betreffend.

Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.

Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.

Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.

Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan, voorrang; hoogere ouderdom.

Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.

Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national — = het volkslied.

Anthemis, an-thəmis, kamille.

Anther, an-thə, helmknop.

Anthology, an-tholədži, bloemlezing.

(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).

Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.

Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology, an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig, menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid; vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi, an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi, ontleedkunde (van den mensch).

Anti, anti, tegen, strijdig met.

Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).

Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.

Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst; klucht, grimas.

Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het Christendom; vijand van het Chr.

Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen, vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen, verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond — = boven verwachting; By (In) — = bij voorbaat: He rejoiced in — = al vooruit; Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.

Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene (in stijl).

Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum, tegengift.

Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an anti-smokist and an —.

Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de koorts; adj. koortsstillend.

Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging; —ism, antifederalisme; —ist, antifederalist.

Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen beenbeschermers, soort rijlaarzen.

Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.

Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.

Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.

Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon...; subst. antimoniumhoudende medicijn; Antimony, antimoon.

Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.

Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.

Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi, antipathie.

Antiphon, antifon = —y, antifəni, antiphoon.

Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter; —s, antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at —s in our political views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean = Antipodal.

Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel); Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.

Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri, oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique, antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in — furniture; subst. —ness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.

Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).

Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).

Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de antistrophe betreffend.

Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l), tegenstellend.

Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).

Antler, antlə, tak (van het gewei); —ed = met een gewei, knoestig; —s, antləz, het gewei.

Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.

Antral, antr’l, hol...

Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.

Anus, einəs, anus.

Anvil, anv’l, aambeeld: On the — = in voorbereiding; Between hammer and — = tusschen twee vuren.

Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen; Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the — seat = hij zit leelijk in de klem; I am — to increase my collection of stamps = verlangend; subst. —ness = bezorgdheid; verlangen.

Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you — money for me? = ook? Is my father — better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.: That don’t comfort me — = geen sier; Will that help you —? = in eenig opzicht; If I had slept — last night = ook maar een oogenblik); You have not been here — time = nog maar zoo kort; You will be welcome at — time, (—when) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.

Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan ook, etc.: For — I know = voor zoover ik weet; Like — = zooveel mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for — = onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; — but = alles behalve; My clock is, if —, fast = loopt in elk geval voor; — like forty times = lang geen 40 keer; He ceased to think of her as the most beautiful or the most — woman = of superieur in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe dan ook, in allen gevalle; Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei wijze.

Aonian, eiounj’n, dichterlijk.

Aorist, eiərist, aoristus.

Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.

Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.

Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow — = onkruid vergaat niet.

Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.

Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot consider the one — from the other = de beide dingen zijn niet te scheiden; subst. —ness.

Apartment, əpâtm’nt, vertrek: —s, reeks vertrekken (als woning); —s to let = kamers te huur (ook fig.); — house (Am.) = huizen in verdiepingen verhuurd met gemeenschappel. ingang.

Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.

Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher the — goes, the more he shows his tail; An —’s an —, a varlet’s a varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; —ry = apenstreek; naäperij.

Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.

Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.

Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.

Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.

Aperture, apətjuə, opening, spleet.

Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.

Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.

Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.

Aphelion, əfîliən, aphelium.

Aphidian, əfidiən, adj. bladluis...; subst. = Aphis, eifis of afis, bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).

Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.

Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.

Aphtha, af-thə, spruw.

Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.

Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker; Apiary, eipjəri, bijenstal.

A-piece, əpîs, per stuk, elk.

Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. —ness.

A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.

Aplomb, əploŋ, aplomb.

Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.

Apocope, əpokəpî, apocope.

Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament); —l = aprocief.

Apodictic, apədiktik, apodictisch.

Apogean, apədžîən: — tides = Neap —; Apogee, apədži, apogaeum.

Apograph, apəgraf, afschrift.

Apollo, əpolou, Apollo: — and the Nine.

Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).

Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist = apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie, verdediging, excuus: He made an — = maakte excuus.

Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.

Apoplectic, apəplektik, beroerte...: — fit (stroke) = aanval van beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of — = aanval van beroerte.

Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.

Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.

Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the —s = Handelingen d. Apostelen; —-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij het doopen); —ship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit; Apostolic = apostolisch: — fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; — succession = machtsoverdracht van af de apostelen.

Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken; Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.

Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert 1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): —’s Bill = apothekersrekening (fig.); —’s Latin = potjeslatijn.

Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize, apəthîəsaiz, verheerlijken.

Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.

Appanage = Apanage.

Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The digestive — = de verteringsorganen.

Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; — verb. kleeden, uitrusten, opschikken.

Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir — = rechtmatige troonopvolger; — horizon = schijnbare horizon; — time = ware tijd; — from = blijkend uit.

Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; —al = schijnbaar, zichtbaar; spookachtig.

Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.

Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding; smeekbede: — verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord Justice of — = lid van Her Majesty’s Court of — (Hof van Beroep); Without — = in laatste instantie; He gave notice of — = gaf kennis dat hij wou appelleeren; He —ed from this Court of Justice to the king’s mercy = hij appelleerde... van deze rechtbank op; The ministry will — to the country = zal de Kamer(s) ontbinden; —able = vatbaar voor beroep.

Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken (by, from): It would — that = lijkt wel of; —ance, verschijnen, voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up (save) —ances = den schijn redden; To keep up a proper —ance = fatsoenlijk voor den dag komen; He put in an —ance = kwam, verscheen.

Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen, bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.

Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party — = de appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl betreffend: — Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n, benaming, naam; Appellative: — name = soortnaam; Appellee, beschuldigde, aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s (Queen’s) Evidence; wraker v. partijdige Jury-leden.

Append, əpend, aanhechten, bijvoegen; —age = aanhangsel; —ages = bijbehoorende terreinen; —ant, bijgevoegd, begeleidend; subst. aanhangsel; afhankelijke; Appendicitis = blindedarmontsteking; —ix = aanhangsel.

Apperception, apəsepš’n, apperceptie, waarneming, voorstelling met bewustheid.

Appertain, apətein, behooren tot, toebehooren; —ment = toebehooren.

Appetence, apətens, begeerte; attractie; Appetent = begeerig.

Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an — = honger krijgen; To give an — = opwekken; To have an —; To sharpen one’s — = eetlust geven; To take away the — = benemen; The — is concealed under the teeth = al etende krijgt men eetlust; Appetitive (əpetitiv of apətaitiv): — power (faculty) = begeervermogen; An appetizing book = boeiend, smakelijk.

Applaud, əplôd, toejuichen; He was received with general applause (əplôz); Applausive = bijvals...

Apple, ap’l, appel: — of the eye; — of discord = twistappel; —-cart = appelkar; lichaam, wezen: To upset one’s —-cart = een streep door de rekening halen; —-jack = appelcider (Amer.); —-john = appel, die lang goed blijven kan, doch dan ook rimpelig wordt; —-pie bed = bed, opzettelijk zoodanig opgemaakt, dat men zijn beenen niet kan uitstrekken; Everything is in —-pie order = in volmaakte orde; —-tree; —-woman; —-yard = boomgaard.

Appliance, əplaiəns, toepassing, middel, toestel, toebehooren.

Applicability, aplikəbiliti, toepasselijkheid, bruikbaarheid, Applicable, toepasselijk (to); Applicant, sollicitant; requestrant; Application (= aplikeiš’n) toepassing (to) gebruik; ijver, vlijt; aanvraag, sollicitatie; For outward — = voor uitwendig gebruik; On — = bij inschrijving, op aanvraag; A personal (written) —; — for membership in a club; —s are invited for the post = sollicitanten worden opgeroepen; —s are to be made in writing = zich schriftelijk aan te melden.

Apply, əplai, leggen op, brengen aan; toepassen, aanwenden, gebruiken; zich wenden tot (to), solliciteeren (for), betrekking hebben op (to), van toepassing zijn; — oneself (to) = zich toeleggen op.

Appoint, əpôint, subst. saldo; — verb. bepalen, bescheiden, bestemmen, aanwijzen, vaststellen, inrichten, benoemen, aanstellen: He was —ed governor of the town = aangesteld; I must hear the two voices in my breast; it has been —ed me = God heeft het bepaald, het is Zijn wil; Well-—ed = keurig; Appointee = vruchtgebruiker; Appointment = aanstelling, afspraak, honorarium, inrichting of uitrusting: He got his formal — = benoeming; Mr. B. by —! = die belet heeft laten vragen; —-book = agenda; By — (tailor) to his Majesty = hofleverancier.

Apportion, əpöš’n, evenredig verdeelen, aanwijzen: The wages —ed to this post = verbonden; —ment = verdeeling, toedeeling.

Appose, əpouz, leggen (drukken) op; tegenover elkaar stellen.

Apposite, apəzit, geschikt, voegzaam, te pas: This argument is — to the case in question = toepasselijk op; subst. —ness.

Apposition, apəziš’n, bijvoeging; bijstelling; adj. —al.

Appraisable, əpreizəb’l, taxeerbaar; Appraisal = schatting; Appraise, əpreiz, waardeeren, schatten; —ment = schatting, taxatie; —r = taxateur, schatter.

Appreciable, əprîšiəb’l, schatbaar, merkbaar; Appreciate, əprîšieit, waardeeren, hoogschatten, op prijs stellen; verhoogen (toenemen) in prijs (Amer.); Appreciation, waardeering; prijsverhooging; Appreciative, waardeerend; Appreciatory = waardeerend, erkennend.

Apprehend, aprihend, vatten, grijpen, begrijpen, verstaan; onderstellen; duchten; Apprehensibility = begrijpelijkheid; adj. Apprehensible; Apprehension = bevatting; vrees: To be dull of — = traag v. bevatting; He was in no small — for his life = vreesde zeer voor; Apprehensive, bevreesd (of); bevattelijk.

Apprentice, əprentis, subst. leerjongen, leerling; — verb. in de leer doen: To bind (put) a person — to = in de leer doen bij; I was —d to a very kind master at a very moderate —-fee = leergeld; —ship = leertijd (meest 7 jaar in Eng.).

Apprise, əpraiz, bekend maken met.

Approach, əproutš, subst. nadering; toegang, oprit; — verb. naderen, nabij komen, gelijken op; —es = loopgraven; To — a subject = aanroeren; Some relative pronouns — to demonstratives; —able, toegankelijk (ook fig.).

Approbate, aprəbeit, goedkeuren, machtigen; adj. (aprəbit) goedgekeurd; Approbation, goedkeuring: Sent on — = op zicht; —-bill = onteigeningsontwerp.

Appropriable, əproupriəb’l, toepasselijk; Appropriate, əprouprieit, verb. (zich) toeëigenen; voor een bepaald doel bestemmen, besteden: That sum was —d for buying furniture; The balance of the amount will be —d towards the sum due = het saldo van het bedrag zal in vermindering strekken van; He —d the thing to himself = eigende zich toe; — adj. (əproupriit) geschikt, voor een bepaald doel aangewezen; subst. —ness; Appropriation, toeëigening, bestemming, aanwijzing, toestaan; Appropriative, strevend naar toeëigening; Appropriator, bezitter v. een prebende.

Approvable, əprûvəb’l, loffelijk; subst. —ness; Approval = goedkeuring: To be sent on — = op zicht gezonden; Approve, əprûv, goedkeuren; toonen; aanbevelen; bevestigen: I cannot — (of) these means = goedkeuren; Time —s it true = heeft bewezen; —d = beproefd: An —d method; An —d author = erkend schrijver; To — oneself = blijken te zijn; To — oneself to = zich aangenaam maken bij; —ment = verbetering; —r = King’s (Queen’s) Evidence.

Approximate, əproksimit, adj. naderend, bijna juist, bijna gelijk; — verb. (əproksimeit) nabij komen, naderen; By approximation, bij benadering; Approximative = bij benadering.

Appurtenance, əpɐ̂tən’ns, aanhangsel, bijvoegsel, servituut; Appurtenant, bijbehoorend; toebehooren.

Apricot, eiprikot of aprikot, abrikoos.