Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch
Part 102
Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig, snoevend; —ade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter; — verb. bluffen, schetteren.
Rody, rodi.
Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft — = hom; Hard — = kuit; —buck = reebok.
Rogation, rəgeiš’n, litanie: — days (— tide) = de drie dagen vóór Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; — week = Hemelvaartsweek.
Roger, rodžə, Zie Rodger.
Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en daardoor woest geworden olifant: He is a — in grain = aartsschurk; —’s march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt; —ry = schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig; subst. —ness.
Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.
Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; —(er) = snoever, rumoer(pret)maker.
Roland, roul’nd, Roland: To give a — for an Oliver = met gelijke munt betalen (fig.).
Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol, (presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; — verb. rollen, wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the — = appèl houden; To put on the — = op de rol plaatsen; To strike off the — = van de rol afvoeren; Master of the —s = eerste archivaris v. de Chancery Division of the High Court of Justice; Office of the —s = archief; —s of Court, —s of Parliament = officieele perkamentrollen van het hof of parlement, archieven; The ship —ed and pitched = slingerde en stampte; He —s himself in luxury (wealth) = baadt zich in weelde; He is like three persons —ed into one = tot één persoon vereenigd; To — into a ball = op een kluwen winden; To set the ball —ing = een zaakje aan ’t rollen brengen; —-call = appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf, lange en breede zwachtel, rolletje; —-blind = rolgordijn; —-skates = rolschaatsen; Rolling = het rollen, golven, etc.: —-fire = pelotonsvuur; —-mill = pletmolen, —-plant = —-stock; —-press = rolpers, mangel; —-stock = rollend materiaal (van een spoor); A — stone gathers no moss = op een rollende steen zet zich geen mos aan.
Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen, overmoedig zijn: The wood was jubilant with —ing children = van de dartelende kinderen; We had some —ing fun yesterday = dolle pret.
Roly-poly, roulipouli, kort en dik; —-pudding = opgerold pasteideeg met confituren; He has a — growlery of style = hij heeft zoo’n gezwollen brommerigen stijl.
Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).
Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of paardehaar gevlochten zweep (Amer.).
Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of gewone drukletter: — candle = Romeinsche kaars (soort van vuurwerk); — Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); — law; —ism = Roomsche leer; —ist = Roomsch-Katholieke; —ize = latiniseeren, Roomsch maken of worden.
Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting, het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; — verb. romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven, liegen; —r = Romancist = schrijver van romances of verdichte verhalen, opsnijder.
Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).
Romanesque, roumənesk, romanesk.
Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de Romant. school behoorend; ook subst.: These great —s; —ism = romantiek; —ist = iemand, die tot de romantische school behoort: He is neither a realist, nor a —ist; —ness = het romantische.
Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.
Rome, roum, Rome.
Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.
Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.
Romilly, romili; Romney, romni.
Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; — verb. stoeien, dol spelen; —ish = wild, uitgelaten; subst. —ishness.
Romulus, romjulɐs.
Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).
Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.
Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029 M.; —-loft = kruisgalerij (in eene kerk).
Roody, rûdi, geil, weelderig.
Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= — of the mouth); — verb. met een dak bedekken, onder dak brengen: — of Heaven; To be content with having a — over one’s head; —-tile = dakpan; —-tree = vorstbalk; —er = daklegger; —ing-felt = asphaltvilt; —less = dakloos; —let = dakje; —y = met een dak.
Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); — verb. bedriegen (in het spel vooral); —er = bedrieger; —ery = bosch met veel roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of robben; dievenhol(-kwartier), bordeel.
Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid, aanleiding, donkerblauwe verfstof; — verb. kamers bewonen: He gave (left) — = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make — there = ruimte daar! uit den weg! My — will be preferred to my company = ze hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your — = ik wensch, dat gij heengaat; There is no — for suspicion = aanleiding tot verdenking; He was appointed in (the) — of his brother = werd in zijn broers plaats benoemd; Cloak-—, Zie Cloak; Living-—, Sitting-— = woonkamer; —-mate = contubernaal; —iness = ruimte: Turin is unrivalled in the matter of —iness = er is geene ruimer gebouwde stad dan T.; —y = ruim.
Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; —y = heesch, schor.
Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok; — verb. slapen, op stok zitten: The hens are at — = op stok; His curse (chickens) came home to — = hij kreeg zijne trekken thuis; I am going to — = ga op stok; The barge lies at — in a boat-house = is opgelegd in; To retire to — = op stok gaan; —er = haan (Amer.).
Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; — verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the — out of 125 = trek den wortel uit; To go to the — of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That lies at the — of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike) — = wortel schieten; Dutch —s = Hollandsche bloembollen; — and branch = met wortel en tak; The sow has —ed (out) all the plants = omgewroet; Why do you not — it out? = roeit ge het niet uit? He stood —ed to the spot = als aan den grond genageld; —-bound = ingeworteld, onbewegelijk; —-crop = knollenoogst; —-leaf = wortelblad; —ed: A —ed hatred of injustice = ingewortelde haat; —er = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal; —less; —let = worteltje; —y = wortelrijk.
Rope, roup, subst. touw, rist; — verb. draderig zijn, tot draden uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij een wedstrijd): He gave me the —s = liet me vrij spel; I have not got — enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen; He knows (has learned) the —s = weet er alles van; He performed on the slack, tight — = danste op het slappe, strakke koord; I hope you will put me up to all the —s = mij geheel op de hoogte zult brengen; A — of onions = rist uien; A — of sand = zwakke band; To — in = met een touw omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To — in a remark with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten; —-dancer = koorddanser; —-ladder = touwladder; —-maker = touwslager: To play the —-maker = achteruitloopen; —-railway = kabelspoor; —-walk = lijnbaan; —-yarn = kabelgaren; —ry = lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy = touwachtig, draderig, kleverig, lijmerig.
Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.
Rorqual, rökwəl, vinvisch.
Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.
Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.
Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond, rozəm’nd.
Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell over the — = den rozenkrans bidden.
Roscid, rosid, met dauw bedekt.
Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.
Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig: No — without a thorn; Once he was very near the — = bijna geestelijke; They drank wine under the — in their rooms = stilletjes; I told him so under the — = onder de roos; Without the — = onverholen; Members of the White — = van eene vereeniging ter herinnering aan de terechtstelling van Karel I; She blushed — all over; —-bud = rozeknop; —-bug (—-chafer) = gouden tor; —-bush = rozestruik; —-cheeked = met blozende wangen; —-cold (—-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen; —-colour = rozenkleur; —-diamond = rozetsteen; —-drop = bonbon (met rozengeur), oorknopje, roode neus; —-faced = met rozig gelaat; —-hued = met rozentint; —-knot = rozet; —-leaf = rozeblad: They live in an age of —-leaves and velvet = zij hebben een leventje op een bordje; —-mallow = stokroos; —mary, rouzməri, rosmarijn; —-pink = rose(kleurig); —-rash = roseola, huiduitslag; roos; —-water = rozenwater: Revolutions cannot be made with —-water = die het doel wil, moet de middelen willen; —-window = rozet(venster); —-wood = rozenhout; —ry = rozenperk.
Rose, rouz, imperf. van to rise.
Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.
Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.
Rosebery, rouzbə’ri.
Rosetta, rəzetə: — stone, steen met hieroglyphen, enz., in Rosetta gevonden; — wood = O.-I. oranjekleurig hout.
Rosette, rəzet, rozet.
Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de 17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; —ism = leer, enz. van dit genootschap.
Rosin, rozin, hars: To give — = afranselen; —y = harsig.
Rosland, rosland, veengrond, heide.
Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).
Roster, rostə, rooster, naamlijst.
Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d), rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m, snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.
Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos...
Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin; — verb. verrotten, bederven: It’s all — = allemaal onzin, bedriegerij; It’s awful (dry, tommy) — = verschrikkelijk geklets, onzin; They drink —-gut = bocht; —ten = verrot, stinkend, wrak, aangestoken, gemeen, beroerd; —ten-ripe = beursch; subst. —tenness; —ter = kletser, onnut wezen.
Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.
Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The — motion of our earth round its axis = omdraaiende beweging; — pump = centrifugaalpomp; Rotate, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit, wielvormig; Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde opvolging: By (in) — = bij afwisseling, beurt om beurt; — of crops = wisselbouw; Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier, draaispier; Rotatory = omdraaiend, beurtelings: — motion = draaiende beweging.
Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By — = van buiten, in den sleur; — of business = routine.
Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.
Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. —ity = —ness.
Rotunda, rətɐndə, rotonde.
Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).
Rouen, rûən, Rouaan.
Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; — verb. (zich) blanketten: If you do not — you won’t tell in a ball, handsome though you may be = als ge u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; — et noir = hazardspel; —-pot.
Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; — adj. ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw schetsen, op scherp zetten, dresseeren: The London —s = het gepeupel van Londen; In the — = onafgewerkt, ruwweg; To be — on = hard zijn jegens, zwaar drukken op; —-and-ready = ruw doch flink; —-and-tumble = ruw en druk: It is a —-and-tumble farce = het is een woeste, dolle klucht; We have been —ing it = wij hebben het hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan; The weather was —, but our yacht —ed it out = maar ons jacht hield het goed uit; —-cast, subst. ruwe schets, beraping; adj. ruw gevormd, grof; — verb. ruw schetsen, berapen; —-draft, —-draught, ruwe schets; —-draw, in het ruwe schetsen; —-dry = laten drogen zonder mangelen; —-hew = in het ruwe houwen, ontwerpen, schetsen; —-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.); —-rider = pikeur; wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter; —-shod = op scherp gezet: He rides —-shod = hij rijdt maar toe, stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; —-wrought = grof bewerkt; —en = ruw maken of worden; —ish = ietwat ruw; —ness = zuurheid.
Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette, wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.
Roumania, rûmeinjə, Roemenië; —n, subst. en adj. (bewoner) van Roemenië.
Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis, ronde, cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond, vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; — verb. rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren tegen, schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six —s (of ammunition) = patronen; A — of applause = algemeene toejuiching; A — of beef = runderschijf; A — of cartridges = één patroon voor iederen soldaat; I have made my — of visits = mijne bezoeken; Shall we have a —? = zullen we eens vechten; Let us play one more — = nog één rondje; He is a — peg in a — hole = de rechte man op de rechte plaats; I assure you that I shall bring you — = dat ik u weer zal opknappen of beter maken; It is not easy to bring him — = te bepraten, over te halen; Christmas has come — again = het is weer kerstmis geworden; He came — to my room = kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came — = hij draaide bij; You won’t get — me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives — the corner = dicht bij; He gave the money — the corner = met tegenzin; (All) — my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat — = zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a hundred guilders in — numbers = het is in een rond getal een honderd gulden; To walk at a — rate = vlug doorstappen; To ride at a — trot = in vluggen draf; He is an honest man all — = in alle opzichten; The engine —ed a curve in the road = kwam om een bocht in den weg; To — off a story = een verhaal besluiten; The ship was —ed to = werd bijgedraaid; —about, subst. draaimolen, omweg, soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj. wijdloopig, omslachtig, veelomvattend, niet openhartig: I sent him to the —about = ik stuurde hem weg; —about the town = om de stad heen; —about way = omweg; —-backed = met ronden rug; —-dance = rondedans; —-games = gezelschapsspelen; —hand = rondschrift; —-head, subst. Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen; —-house = achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; —-ridge = ronde voren maken bij het ploegen; —-robin; Zie Robin; —-shouldered = rond in de schouders of rug; —sman = beambte die politie- en nachtwachtposten controleert (Amer.); —-turn = één slag v. een touw om een paal, etc.; —-up = ’t bijeendrijven van het vee; —ed = gerond van vokalen; —ers = een soort kaatsspel; —ing, subst. het ronden; adj. ongeveer rond; —ness = openhartigheid, volheid van klank, rondheid.
Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk (8 + 5 regels), rondedans.
Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; — verb. veilen.
Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was —d to anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend, geweldig, ontzettend: A — lie.
Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen; —-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot; leeglooper (Amer.).
Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer, rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; — verb. in verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met out): The — = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) — = op de vlucht slaan; Boys were —ing in the streets = waren aan het stoeien; I —ed out an edition of Tennyson among his books = schommelde op; The ferret —ed out the conies = joeg naar buiten, verdreef (uit hun hol); I —ed it up from my memory = ik bracht het mij na eenige inspanning te binnen; —-seats and chairs = zitbanken (tegen den muur) en stoelen voor een rout; He is a —er-out of antiquities = snort allerlei oudheden op.
Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: —-business = sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.
Routledge, rautlədž.
Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van touw of wol door een blok, uitpluizen; —r = roover, zwerver, wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a —r = is gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at —rs = zij schoten in het wild; —r of the seas = zeeschuimer.
Roving-shot = schot in ’t wild.
Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.
Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; — verb. roeien: In a — = in de rij, in ’t gelid; We had a splendid — = heerlijk roeitochtje gedaan; I guess you can hoe your own — = uw eigen zaakje wel opknappen, je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard — to hoe = had het hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a — = op een rij; He can — his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje alleen wel opknappen; They — in the same boat = zij zijn in hetzelfde schuitje; —boat = roeischuitje, roeibootje; —lock, roulok, rɐlək, keep of gat waarin de riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; —er = roeier; —ing-club; —ing-match = roeiwedstrijd.
Row, rau, standje, ruzie, twist; — verb. ruzie, lawaai maken, schelden: To get into a — with = standjes krijgen met; Hold your — = houd je mond; Don’t kick up a — = maak geen schandaal; What’s the — = wat is er aan de hand?
Rowan, rauən, gewone lijsterbes = —-tree.
Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig, oproerig = —ish; —ism = herrie, baldadig optreden.
Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring van een toom); — verb. wieltje of seton zetten in; —-head = de as van een spoorwieltje.
Rowena, rouînə.
Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).
Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.
Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier, bovenbramzeil (The —s = vroeger het eerste regiment infanterie; thans — Scots); adj. koninklijk, edel: — Academy = Koninklijke (kunst)academie; The — Assent is, under the Constitution, still essential to the validity of an Act of Parliament = de koninklijke goedkeuring; — bounty = fonds ter ondersteuning van de betrekkingen van gesneuvelde officieren; — grants = jaargeld aan de leden der koninklijke familie; — Society = Eng. Academie van Wetenschappen; —ism = koningschap, koningsgezindheid; —ist, subst. en adj. koningsgezind(e); —ty, subst. koningschap, majesteit, koninklijke bezitting of rechten; tantième, aandeel: We don’t often see —ty = de leden der kon. fam.; The author gets a —ty of twopence on the shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs; —ty rents = vergoeding voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers).
Royster(er). Zie Roister.
Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp; — verb. wrijven: There’s the — = daar zit ’m de knoop; I —bed my eyes at that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To — elbows (shoulders) with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to — noses = op vriendschappelijken voet te komen; They —bed their way along the streets = baanden zich een weg; To — (up) the wrong way = plagen, ergeren; The horse was being —bed down = werd geroskamd; The piece of sugar was —bed down = werd al kleiner door het wrijven: I —bed the dirt off him = wreef het vuil van hem af; He —bed it out = hij veegde het uit; Shall I — up your memory? = eens opfrisschen; The chairs and tables were —bed up = gewreven; —stone = slijpsteen; —-a-dub = getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt, slijpsteen, het beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A — of whist = drie spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na elkander gewonnen spellen; If you play at bowls, you must look out for —s = wie kaatst, moet den bal verwachten; —-stamp = caoutchouc stempel.
Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: — shot here = plaats voor puin, enz.: —y = pruilerig.
Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; —-cart; —-stone = bovenste losse deelen van eene steenmassa; —-work = metselwerk met ruwen, onregelmatigen steen; adj. Rubbly.
Rubeola, rûbîələ, mazelen.
Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the — = een beslissenden stap doen.
Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. —ity, rûbikɐnditi; Rubific = roodmakend.
Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.
Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken; subst. Rubrication.
Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.
Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.
Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; — verb. rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the — = ongewoon.
Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.
Rudder, rɐdə, roer; —-post = roersteven.
Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.
Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; — verb. met roodaarde merken (zooals b.v. schapen): Faces —d with rouge and pearl-powder.
Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst. goudstuk; —-faced.
Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest, sterk: Don’t be — = wees niet lomp, onbeschoft: It was a — awakening = een onaangenaam ontwaken; —ness = lompheid, ruwheid.
Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.
Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The —s of grammar; —al, rûdiment’l, —ary, rûdimentəri, eerste, aanvangs...; niet geheel ontwikkeld: —ary organs = rudimentaire organen.
Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.
Rue, rû, subst. wijnruit; — verb. betreuren, treuren om, beklagen, berouwen: You will — the day, my boy = de dag zal je rouwen: To — a bargain = een koop ongedaan maken; —-bargain = rouwkoop; —ful = droevig, treurig; subst. —fulness.
Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het aftroeven, kemphaan, duivensoort; — verb. aftroeven: —ed grouse = gekraagd hazelhoen.
Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest, gemeen; —ism; adj. —like, —ly.
Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust, beroering, opwinding; — verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de war brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs geven: To — a person’s feathers = iemand boos maken; His temper was —d = hij was uit zijn humeur; To — it = geuren; —r = bluffer, schetteraar: He was a —r of the camp = hij was een schreeuwer (vechtersbaas) van het kamp.
Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.
Rufus, rûfəs.
Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.
Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. —ness.
Rugose, rûgous, rugous, gerimpeld; subst. Rugosity.
Ruin, rûin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne; — verb. in het verderf storten, bederven, te gronde gaan (—s = overblijfselen, ruïne): To be the — of a person, To bring him to — = iemand te gronde richten; To fall into —s = tot puin vervallen; On the brink of — = op den rand des ondergangs; To go to wreck and — = te gronde gaan; He has —ed me = mij ongelukkig gemaakt; He —ed his eyes with reading = bedierf; —ation = verderf, ondergang; —er; —ous = bouwvallig, verderfelijk, nadeelig, enorm (van prijzen); subst. —ousness.