Category: Novels

Menschenwee

Diep, in zandkuil van uitgespitte hei, weggeslobberd met zijn beenen, in blauw-zwarte glimmige klei, schoot ie rhytmisch-breed over, zwaar-ademend, grauwe zandbonken van z’n stompkorte graaf opwerpend in kracht-zwaai, àl meer roestige brokken en plakken naar den omgespitten gr...

Chapters

1. Part 1

Diep, in zandkuil van uitgespitte hei, weggeslobberd met zijn beenen, in blauw-zwarte glimmige klei, schoot ie rhytmisch-breed over, zwaar-ademend, grauwe zandbonken van z’n sto...

2. Part 2

Op het eind van zoo’n zomersche week, voelde ie zich gekraakt en trillend ging ie gloeibevend in handen en polsen, snakte ie naar den Zondag, één lang niksdoen, één juich-stil r...

3. Part 3

Ouë Gerrit was op z’n kousen door den stal heengesjokt, had even naar z’n beesten gekeken, en was moe-huiverig op z’n biezen kaal-korten gemakstoel bij den kachel geschoven. Z’n...

4. Part 4

Eergisteren nog had ie ’n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, ’n stel witgeschuurde klompen en ’n nieuwe overschieter.... Donders, vaa’n arme kerel, dat had ’m even heel erg g...

5. Part 5

Om tien uur ’s morgens stond ouë Gerrit voor het hek van jonkheer van Ouwenaar’s buitenplaats. Op het jachtterrein en bosch was houtveiling voor tuinders van Wiereland en omstre...

6. Part 6

Ouë Hassel liep op bonkig struik-ruw terrein, vlak achter notaris Breemsma, die ’m nu en dan vriendelijk aansprak en grapjes maakte op z’n doorregend, groenig slap-vilten hoedje...

7. Part 7

Lijzig nog bond de Ouë ’t spantouw om de achterpooten van ’t dier, voor ie melken ging, en lijziger ging ie zitten op ’n melkblok, als ’n stratenmaker op éénpootig krukje, met d...

8. Part 8

—Nou ik sel niet-en griene.... toe Piet.... feremp’l.... ikke sel niet-en griene.... ik bin d’r soo dol op.... op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke....

9. Part 9

Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, die...

10. Part 10

Kees wist wel, dat er duizend malle praatjes over ’m gingen, dat de katholieken vooral ’m meden, schuw, als ’n ziekte. Maar z’n onverwoestelijke koelheid en strakheid voor ’t ge...

11. Part 11

Ant, Kees’ vrouw, stond voor deuringang van achterend, fel lichtende gestalte, tegen donkere krotholte, wat vodde-kleeren de lucht in uitkloppend, dat ’t stof ’r den mond inwoei...

12. Part 12

—Ik wil nie.... ik wil nie, gilde ze, als ’n razende zich naar Kees toe dringend en in dreig-wilde zenuwgreep, met vingerkromme haak-handen vóór z’n gezicht gekrampt, tartte ze...

13. Part 13

—Meskien!.... meskien!.... huildrensde Ant’s stem, en plots in ’n schreeuw opspringend greep ze rood-sproetige Mietje van twee, die op den grond zat vuil te doen, bij den arm. ’...

14. Part 14

—Nou ikke seg...., daa’k g’laik hep Jaàn, se heppe sàin pàkt. S’n vrouw en sullie allegoar ’n noakende boel.. S’n broer hep ook op de ploats woont.... moar daa’s hài nie.... nou...

15. Part 15

—Ophange? nasaalde dwergelijke Bolk, staanblijvend achter het donkere groepje werkers, dat geheim-vaag voor ’m uitging in mistdamp, en stil wegdonkerde weer. Ophange? joa.... mo...

16. Part 16

Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw òp. Langs hem trokken tuinders van alle kanten do...

17. Part 17

Hooger draaide ie ’t lampje òp. Ingekneld stond ie tusschen duister-stillen kelder-rommel, groote vaten, die scherpe pekellucht uitzuurden. Boven z’n hoofd in ’n hoek, reuzewors...

18. Part 18

Heel lang bleef nog nachtdonkerte in ’t holletje voor z’n oogen gonzen. En heel langzaam jubelde ’r weer iets in ’m, zoete mijmering, dat geen sterveling ’m toch snapt had.... d...

19. Part 19

Lichter raakte geel schijnsel z’n doods-hoofdje, nu in angstgebaar vrouw Zeilmaker van z’n bedje wegdonkerde, ’t licht uit.—In groezel lampschemer van de kamer staarde ’t, in st...

20. Part 20

Geen duimbreed voor oogen kon ie zien. ’t Pad weggezwachteld in diep-duisteren nacht, de lucht nog zwarter.—Hevig teisterende windhuil uit alle duinhoeken, raasde op ’m áán. ’n...

21. Part 21

Even klonk stemmengedreig van Delker en Breugel in ’t duister, tegen Plomp. Uit de nachtbefloersde koppen gromden zware vloeken.... Koome kon niet ophouên. Nijdig hakte Kees in...

22. Part 22

Wimpie, schrik-ontzet, z’n bedje uitkijkend, begreep er niets van. Dat had ie nog nooit gezien. Het kinderstoetje, goor, met afgezakte, gat-doorvreten stankplunje, dromde terug...

23. Part 23

Ja, nou ie zoo keek Ouë Gerrit, wijd-om, tot aan de boomdiepte van ’t bosch, prachtig wijd brok land over, nou giftte ’t duivelsch in ’m dat ie hier af moest, ’t beste stukkie....

24. Part 24

En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant, winde-voetjes door ’t loofgroen, in ruischenden stap, en dieper de zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden...

25. Part 25

En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rond...

26. Part 26

Z’n oudste Willem, keek uit naar de rooiers, die hurkend, diepe geulen slagwielden in ’t zand, met hun knieën. Gretig graaiden hun handen in den stuifgrond, in zware rukkende, k...

27. Part 27

Mank vrouwtje stond, nòg triester in ’t gezicht, voor toonbank, half verdrongen nu door ouë Gerrit, die wrevelig begon te worden van ’t wachten. Maar nijdig, bang toch, brak ze...

28. Part 28

—Moar stommeling! sprong Kees inéén woest op, zien jullie dan nie da die skoelje d’r ’n sloatje van moakt?.... Jullie bin ommers ’n vetje veur sàin, ’n kalfkoetje.... ’t is netu...

29. Part 29

Hoog, hals-gerekt, in zij-lingschen oogstaar, waakte vadergans, in blanken waggel achter de pikkende kuikens áán, soms even stappend in natten zonneschitter, dat er licht van z’...

30. Part 30

Overal was woeste jacht onder de tuinders, gezweet en gehijg van ploeter en sjouw, zonder opkijken. Alles stond gelijk in bloei, alles in één jacht moest gedaan. Dat ging zoo va...

31. Part 31

Zon was uit zilverdrommigen wolkenstoet doorgevlamd in kringen van violet vuur, begon priem-strak te steken op hooierskoppen. Witte hoeden en strooien kiepen lichtten en blondde...

32. Part 32

—Kè’ je nou nog effe mi’ f’soen doene, moar wacht, erais, maàn, aa’s de groote hoal d’r is, he je om half elf nog nie daan,.. Lap jai ’t dan erais?.... aa’s je om half elf kloar...

33. Part 33

De groote plukkers, mannen en meiden, knielden en hurkten, telkens wisselend van knie en houding, in gloeipijn niet meer wetend, hoe te graaien; schoven voort, zwijgend in koort...

34. Part 34

Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie ke...

35. Part 35

Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers woeste rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld met hun knieën, schoven ze voort, de rooie...

36. Part 36

Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, krop...

37. Part 37

Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote...

38. Part 38

Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-tr...

39. Part 39

Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met...

40. Part 40

Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek va...

41. Part 41

—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.... mi je drieë.... éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.... een vaif en dertig.... éen moà...

42. Part 42

Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots...

43. Part 43

Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon...

44. Part 44

Aan walkant bralden en drongen weer meiden en joodjes, wachtend op laten aanvoer, geschrikt en ontnuchterd plots als ze gèèn dronken tuinder tegenover zich kregen. Tegen half vi...

45. Part 45

Dirk voelde zich lam in de beenen. Hij had ’n schat verzopen, maar Klaas niets en de neven waartegen ie nooit sprak ook maar weinig. Dat hinderde ’m nou, maakte ’m barsch en nij...

46. Part 46

Van Lemper-polderkant wolkte paars de lucht, rose, gloedloos, in zachte verglijing van purper-weeke tinten. Dáár in ’t eindeloos luchtstille, was heimvol naspel van zonnegloren,...

47. Part 47

Sneller achter elkaar, in den smoorheeten zwoelenden zonnebrand stootten windrukken òp als zeng-adem uit strak-blauw luchtwelfsel, ’t gloeiende hooi versliertend tegen Dirk’s an...

48. Part 48

In geurenzwijmel dronken, volgesapt van zoeten honing, slingerden de hommels door ’t luchtblauw, en de klavervelden in den rose-witten en rooden bloemengloei, knapperden van lic...

49. Part 49

Ouë Gerrit dommelde voort, onrustig zich voelend, naast z’n zoons. Hij was ’t nou eenmaal gewend, Zondags vóór de kerk, alleen ’n slentertje te maken. Dan was ’r nog altijd wel...

50. Part 50

Er was weer overstrooming van werk bij Ouë Gerrit, en Kees had ’t bij Dirk gedaan gekregen, dat Ant mee plukken mocht. Eerst had z’n vrouw gevloekt en geraasd, dat ze bij die ke...

51. Part 51

Langs hun akkers strooide de tingelingende bellezang van tramkoetsiers vroolijke jubel-klanken rond, vergalmend over de zwoegkoppen, als een trillend zomersch vreugdgeluid door...

52. Part 52

Onder ’t jongezellen-landvolk van Wiereland furiede de kerels-uitgelatenheid los, lichtelijk flirtend met woelig wellustige meiden, brutaal en fel van passie. Troepjes werkers s...

53. Part 53

Klaas Koome, nù vriend van den guldenszwaren Hassel, hoonde stekelig en driftig terug, schold op Kees den „dief”, den moordenaar en strooper,—Willem gierde wat gemaakt mee bij e...

54. Part 54

Brommend en vloekend ging Ouë Gerrit wèg, radeloos, toch stom van angst. Wel had ie fellen lust in ’m om te gaan kijken, maar hij was d’r doodelijk bang voor z’n eigen natuur dá...

55. Part 55

Ze schreeuwde, schreeuwde maar. Telkens sprong ze òp van ’r krukje om dronken kerels en meiden te helpen, angstig ’r bevonkte oogjes naar joodschen buurman gericht, rekenend op...

56. Part 56

Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs...

57. Part 57

Daaràchter, de eindelooze poldernacht, ruisch-stil en starend geheimzinnig. Telkens uit andere hoeken van Haven schoten vlammen òp, doofden weer wèg in nachtzwart, en soms, uit...

58. Part 58

Nou zat ie ingekneld tusschen ’n paar meidendijën half op ’r schoot, kneep ’r in de beenen en zinlijkte, met opgeblazen rooien kop, in ronkend-stillen wellust. Onderofficier zoe...

59. Part 59

—Ik sien joù ànkomme! Nainet foader! daa’s glad- en al mis, blaif jai d’r bai je waif! denkkie daa’k main jonge laife soo slaite wil?.. niks gedaan! En ze was weggerend voor hij...

60. Part 60

Geraas van orkaan bulder-loeide al sterker over de akkers, en de lucht plots stond laag, roetig-geel, onweer-bang.—En telkens vuiler geel doorzwamde den hemel, als vitriool dat...

61. Part 61

—Best man, maar je moet kunnen betalen.. ik heb je destijds ’n drieduuzend vijfhonderd hypotheek gegeven op je brokje grond... Dat is nou ’n heelen tijd geleden... je grond is e...

62. Part 62

Het was alles heel vaag en heel vreemd voor ’m, maar toch lichtend en glanzend in z’n kinder-verbeelding.—Z’n gepeinzen over God den Heere, Jezus, en den Heiligen Geest overdauw...

63. Part 63

Hij juichte even gesmoord van bang genot. Los.. los! nou sou die d’r sain.... Maar weer onder ’t losschroeven bleef de lens vastzitten. Nou gloeide toch ’t koper glad in z’n zwe...

64. Part 64

Guurt voelde „politie” in huis, ’t ergste, bangste, dacht ze, dat er bij fatsoenlijke menschen ooit kon gebeuren.—Ze rilde, schreide, en kermde en zuchtte als ’n oude hond.—Als...

65. Part 65

Overal door Wiereland verklonk doodenzang van zomer; kweelden geluiden van vreemde vluchtende vogels; gromden gebroken en doffe rateling van karren op den goudrooden bladerig be...

66. Part 66

Als ’n verschoppeling liep ie ’n pad af, z’n huis voorbij met ’n smart-knagend wee, eindeloos van angstige gejaagdheid, in ontzette vereenzaming van leven, niet wetend waarheen....