Part 9
Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met ’t stelletje afgesproken. Wat zou ’t; gevochten most d’r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen ’n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partijtrekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Achterhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken zwijmelkoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidriften. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, vergroenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. ’n Kerkvaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken ’n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hùn beidjes op elkaar inhakken gingen. Wierelander krijschte rauw.
—Bai jullie verdomme.... bai jullie op da gat.... da krot.. stong ommirs ’n bord.... en stong d’r’op.... hier hout ’t minsdom op.... da hai je t’met de beeste....
—Daa’s proat! loddermeroàkel.... nou.... ikke seg uit volle borst.... Duinkaik bóófe.... Wiereland ònder....
Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.... Duinkaik bóófe.
—Hou je smoel.... boerekinkel, of ’k sel je ’n lik onder je koàkebeen gaife....
—Sakrejenne.... wie breng je mee?.... seg.... snof’rjenne! beskimmelde huspot.
Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aanwarrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van meiden, met rokken hoog opgezwaaid in schuimwit. Maar Duinkijker drong achteruit, stompte met z’n armen, roeide op ruggen en schouers terug naar z’n plaats.
—Kaik se stoan.... krek an ’n raitje.... aa’s aarepels in duin.... is da bier van sain?
—Joa!.... van sain.... blaif d’r af mi je poote.... Kaik die varkessnuit....
Meiden, verhit door danszwijmel lachten en giegelden belust op vechtpartij.
—Nou sel ’t puur uitsain, krijschte ’n Duinkijker midden in, of je hep ’n slag f’r je roap beet!....
—Bin’k self bai hée? venijnig-bleek giftte Wierelander terug, grauw-groen van drift.
—Wa hê jai mi An van doene!....
—Sjeis an je An, krijschte ie rauwer, z’n bierglas in woesten kring rondzwaaiend, dat ’t schuim vlokte om ’m heen.. Gesist en opgehitst werd er: kss!.... kss!....
Bloedschijn lag wild en begeerig in dronken zwijmeloogen van kerels, en de meiden, verlekkerd, wouen beroering, wouen gekerm en gekreun van ondergelegden, gekneusden, gebeukten, melodramatisch opgevlamd en verschroeid van zinnendrift. Midden in, drong Piet met Rink den polderreus, door de stilstaande paren.... Hevig-rauw krijschte geluid van lijf-reus, daa se moste deurgoan....
—Seg krente-mik, snait de fint an rieme, sloa’m sain beene stuk.... en timmer sain mit de bloedige ende op s’n pet!....
—Bàrst jai.
—Blaif jai heel!.... en meteen trok Rink z’n jas uit, om in z’n overhemd, meesliertend verkronkeld-oranjige halsdoek, nek-ontbloot, de eerste striemen weg te patsen, ’n Meid, blond in koniginne-statuur, slank en reuzig-forsch, was plots midden ingedrongen en uitrazend met tartende gebaren, duim onder kin woest wègstrijkend, gierde ze tegen Duinkijker kerel....
—Rooie!.... rooie!.... rooie!.... kaik ie tippele!..... kaik ie tippele!
—Laileke skarretje.... wa mo jai d’r vàn!
—Kaik ie tippele.... so glad aa’s ’n flesch....
—Debies jai.... ik stink tog nie suur.... duufelstoejoàger!
—Jai? an main jassie.... sie ie main van veure.... kaik nou doàr’.... En wild draaide furie om, met haar achterste hoog opwippend naar ’m toe, in dwazen hoonenden wellust-sprong.
—Vuile kwieb!....
—Mô je se maid siene.... puur soo breed aa’s hai.... soo pot!.... soo pan!.... gierde ’n kleine furie.
—Enn jai dan prop.... onder- en boofe-deurtje!.... mit je lange skele rot van ’n vraier....
—Debies, tartte de forsche meid weer, spitisger met ’r duim langs glimkin strijkend, in duivelend scherp gebaar, rooie tonglap er hoonend uitpuntend.
—Dubbel-debies jai muurvarke!.... stoppelkat!.. gaif jai je kindere te vrete!....
Plots opgestookt door verstoorde bende die dansen wou, kwam goeiig politie-mannetje, verlegen aan z’n rossige bakkebaard aaiend, tusschen de ruzie-lijven staan.
—Blaif jullie nou je fesoen houe.... toe nou.... kalm an.... kalm an.... jai die weg uit.... en jai die.—Zacht begon ie den polderreus te verduwen, die beenplakte, als ’n rots onwrikbaar, uitdagend, met z’n moker-armen tegen muzikantenhekje bombardeerend, dat de kerels trilden achter walmlicht. Rink’s groen-valsche oogen, lichtten als fosfor, donker-woest diep in z’n ruwen kop verdoken. Ruzie was geslabakt en wilde warrel joeg weer door de loods, die walm-zwaar pafte, in stofpoeier boven het geschetter, dat rood-sferig brandde. De koperen instrumenten van blazers flitsten in licht-glimsels.—Toortsig-helsch en satanisch, dreunden donkere monden van trombones, hun zwaarlijvige tonen den stankwalm in, dat wanden te barsten dreigden; fel boorden de hoorn-stooten als priemend geluid door de broeiing; schommelend gingen de lijven weer in rhytmisch gehobbel, in koorts van draai en tolling, geilde de zwijmeldans weer door de loods, in rossigen rook, die meid-gezichten schroeide en oranjerig-rood begloeide in zwelling van bezweete huid.
Piet zoende in ’n storm, tien meiden te gelijk, achter den arm van hun dansers, waarin ze omschroefd pletten, en met Rink achter ’m aan, wien hij iets in ’t oor schreeuwde, drong ie naar den uitgang.
—Wie main lief hep, volgt main!....
’n Twintig kerels hadden ’t sein begrepen. Buiten, op de verwittende havenkaai zouen ze ruim-rustig kunnen zuipen. Zacht vlokte sneeuw neer, wemel-schimmig op zwak lichtend haventje. Vlak bij tuindersboot, die donkerde in watertje, met fel-groen ooglichtje half-mast, holden en slinger-lijzigden de kerels aan, donkere stoet in wittigen vlokwarrel, schuw, om lantaarn-paal, die rossig-goud hun tronies beschemerde tegen nacht-duister. Piet en Rink smakten zich in de sneeuw, plat op hun achterste, met beenen vooruit, en schimmig cirkelde heele stoet, neergesmakt op straat, schimmig en schaduw-vreemd, zwakkelijk verrood in den gouïgen vlokkenmist onder lantaarn-paallicht. Achter de zuipers verwitten stil, huizen en boomgestalten, karren en manden. Inééngekromde pakhuizenrij, waarop bàng-wild, rossige schijnselkring van kleine lantaarn, makabren donk’ren bronsgloed kaatste, school droef weg in diepe droomtonen àchter sneeuw-wemeling. En geheim-zacht in ’t rosse licht dáár, zweefden de vlokken voor de droeve vensterblinden en schemerluikjes.
Piet had ’n groote kruik onder z’n jekker uitgehaald. Rink presenteerde ’n diendertje. Gretig ging rond nu in den kring mank glas en kruik, tot ’t onder beestig, koortsig-heet gekrijsch bij Piet weer terugkeerde. Kannibalig donkerde de hurkende zuipstoet, in den licht-schichtigen lantaarnkring en bang-groot slagschaduwden hun handen, koppen en lijven bij slingergebaren dooreen, in paarsdiepe silhouetten op rossigen, trillenden sneeuwgrond. Lallend zangden de heesche beest-stemmen. Even van kerels af, die in ’t vlok-schimmige als bedouïnen-stoet in sneeuw-nacht woelden,—kwam angst-gekijk van Baanwijkbewoners soms, schuw op haventje loerend.
En stil, ruischloos boven donker-rossige, woeste zuiptronies, omkaatst van schimmig straatwit, vlokte om lantaarnpaal heen, zacht sneeuwgeweef, kuisch, smetloos wonder van vlokkenschemer, zachte warreling vergouend in ros-vlam, ontroerende smelting van licht, heilig en stil, dichtwevend duisteren nacht rondom.
Politie was gewaarschuwd. De burgervader, met ’n paar mannetjes kwamen aansjokken, vooruit voelend, dat ’t niet goed afloopen zou.
Jeneverkruik was leeggezogen en de helft van stoet stond weer, waggel-zwaar, en nijdig vloekend op Piet en Rink dat ze niet eerlijk gedeeld hadden. Piet, met bloeddorstige natuur, voelde vechtjeuk, schold terug, aldoor één woord, liederlijk. Rink zag schuw den burgervader aanstappen. Verdoken achter den kring, gooiden ’n paar sneeuwballen, vuil-modderig, van ’n groentenkar uit, naar agenten. Piet lolde, rauw, mikte steenen pal op zwak-geligen blinkhelm van kleinsten agent onder schuw licht. De heele troep was plots van de straat-hurk opgesprongen.
In wilden grabbel graaiden krampige handen over sneeuwgrond. ’t Regende ballen naar burgervader en agenten, zacht aanpaffend tegen hun kleeren. Bleek-streng bij ’t licht,—den stoet verjagend, die achteruitdrongen was,—draaide burgervader zich om, beval barsch agenten te staan. Even stemmen-gefluister tusschen hem en agentje. Sabeltrekkend in ’t schuwe licht, donkerde ’t mannetje met z’n klein gevolg, stijf, in versnelden pas op bende aan, die onder vijandig uitdagend vinger-gefluit en heet-lustig vechtgeschreeuw van Rink, zich achter karren en mandstapels bij ’n schuit verschanst hadden.
Onder hagelstorm van moddersneeuwballen, was agentje den duisteren wallekant genaderd en luk-raak, in sneeuwgewemel, dat ruischloos donkere mondholte inzweefde, schreeuwde hij iets voor zich uit, onverstaanbaar terugslaand op gegier van dronken stoet. Toen kwamen, op fijn fluitsignaal van agent uit z’n staf, onder lantaarn uit, twee nieuwe mannetjes aanzetten, sprongen wild uit den rossigen lichtkring met sabels de lucht invlijmend, maakten schijncharge om te laten voelen, dat ’t ernst kon worden.
Uit de danszaal holden meiden, gillend in lawaai, en nieuwe kerels dromden áán, heet-nijdig op politie, drongen samen met vecht-stoet.
—Hak’ker puur op in, krijschte een agent, die lust had te ranselen, dwars door de dronken bende. Weer volgde van klein troepje dienders, ’n schijncharge. Achter karren, die schuin opstonden, met kruk de lucht in, vluchtte weg, donker gestoet van meidentroep naar wallekant, in angsthaast over glibbervuile loopplank dringend, naar tuindersboot. Achter kisten en manden uit, striemden steenen, hout en groentenvuil zwarte streepen door sneeuw-wemel, die als in stormhoozen weer wegwarrelde in andere richtingen.
Boven alle geweld uit krijschten de stemmen van Rink en Piet, dat sullie de kerels ’t water in mosten douwen. Plots trokken ze allen, met brok-scheppen, hooi- en mestvorken,—die ’n paar kerels uit afslagloods bij ’n pakhuis hadden losgewerkt uit den rommel,—op het viertallig agentenkringetje af, waar burgervader bleek-strak midden-in ordonneerde. De agentjes hadden de sabels ingehouen en de dronken stoet, in brullend gekrijsch en gefluit, drong weer, uit donkering van besneeuwde handkarren en kisten, in rossigen schemer van lantaarnlicht, midden op haventje, zwaaiend met scheppen, steekvorken, rijzenknuppels en boomstronken. Vooraan gilden dronken meidentronies, sommige woest-bleek beschenen, nat van sneeuw, met schuimige vlokken op neuzen, wenkbrauwen en oogranden. De burgervader, voelend dat ie te sterk had ingezet, schuchterde achteruit, wou ’t z’n klein agentje weer zoetjes laten bijleggen. Aarzeling was er, die de stoet voelde, want raker en striemender bonkten steenen, koolstruiken en hand-ingekneusde sneeuwballen in ’t kringetje, waarvan burgervader mikpunt werd. Klein agentje trad even weer uit den kring, vlak voor de donkere woelige bende, kerels die slagschaduwden op lichtschuwen sneeuwgrond, als wemelende gedrochten uit chineesch schimmenspel.
—Jonges, schreeuwde agentje met vredestichtend timbre in z’n stem,.... hou jullie je nou kalm.... wa geeft ’t nou!.. sukke herrie!.... goan jullie nou kalmpies uit mekoar!....
Woeling gierde er los uit den stoet, die nu weer vooruitstrompelend, in kring om alleene havenlantaarn duivelde, rossig, in wilde schijnsels.
—Barst jai, gilde Rink uit, jullie benne begonne.... laileke dood-van-ganzebord.... jullie sa’k levent f’rbrande.... aa’s we je nie mosse fille....
—Kalm nou, kalm àn, deemoedigde agentje, z’n sabel weer in de schee neerpuntend.
—Kalm, kalm, m’neer salm-salm, zang-gierde Piet.... komp bai de huur t’regt.... nou kort en goed, duufelstoejoager.... aa’s jai.... mi je k’rnuite.... aa’s jai nie ofer-dwars te woater mòt, ruk dan in.... mars!!
Schatering daverde òp uit den troep, meiden liepen gil-lawaaiend weer terug over loopplank. Donker gegons van áánpaffende sneeuwballen, verschimmend in kruisworpen naar agenten-kringetje, dat stil nu afweerde, bàng voor ergere opwinding.
—Doe jullie je latjes weg, krijschte éen uit den stoet.
—Verdomd aa’s de duufel jullie sette ken, verdomd,.... vloekte moedig klein agentje,—goan jullie nou deur.... mot ’r nou geranseld worde.
—Joà joa! krijschten meiden.... kok-kok-kok!.... kok-kok-kok!.... moeder weer ’n eai!....
—Op jullie bakkesse!.... die skar van ’n burgerfoader mô te woater.... galmden anderen weer.
—Smait sain onder de kar, breek se de strot, gierde Rink uit den stoet.
Een jolige meid duivelde plots vóór agentje, gaf ’m ’n ruk aan z’n baard, haastig in den donkeren stoet weer wegspringend, die al meer kwam aandreigen met zwarte harken, vorken en zware gereedschapbrokken.
Rink zwaaide met ’n ijzeren moker, maar agent je was ’t minst bang voor hèm. Vlak bij ’m ging ie staan.
—Wees jai nou verstandig Rink, vleide agentje, zeg jai an Hassel nou, da se goan motte.... jai ben tog de boas hier....
—Nee, huil-woedde Piet, die ’t half gehoord had,—doe jai die spitsboef doàr de boeie àn.... geef sain ’t kettinkie in z’n klauwe.
Rink, dronken-duizelig, half wetend wat ie zei, was gevleid door agentje.
—F’rjakkerjenne, spoog ie uit.... hou jai je bek:.... ikke bin boas hier.... ikke!....
Zwaar zwaai-suizelde moker boven z’n schemer-rossigen dreigkop; z’n lippen sputterden schuim en voort brulde ie, doffe klanken onder zwaarder geslinger van schamp-lichtenden hamer. Plots greep ie de vork van ’n meid voor ’m, sloeg de punten woest tegen z’n moker in, boven z’n kop, dat stàlen tanden, lichtflitsend, vonkten tegen ijzer....
—Weg d’r mee!.... de maa’n het glaik.... snurkers!....
En weer slingerde ie de mestvork woest tegen den stoet in..
—Fort jullie.... ’t skeelt t’met nies.... nies.... of wullie gonge de bak in....
Allo jonges.... wai saine waiser.... loate wai de vuilike links legge.... links legge.... wai.... wài.... binne vuilike.... wài.... sài binne ’t.... sài....
—Agentje klopte ’m gemoedelijk tegen z’n rug.
—Flink soo Rink.... soo is ’t.... goan jullie d’r moar van deur.
Maar Piet wou niet, bleef halstarrig, schold Rink uit voor ’n verrajer, ’n kabboebelaap!....
—Jai transvoalsche seemeeuw, stinkbunsum!.... jai.... Engilsche boef!....
—Hou jai je bek.... ik seg moar.... ik seg moar, waggelde Rink er uit, stomdronken, donkerhoog boven den stoet uitschouderend,—ik seg moar.... da je.. da je te veul neusiesverf hàt hep.... jài bin dronke.... f’rdomd!.... dronke!..
De vrouwen wouen niet langer staan in kou en nattigheid. Telkens scheurde zich ’n groepje af van den stoet, dat lollend en zingend, onder vermaning van agenten, de haven langsslingerde, onder boomen door; soms afbrokkelde, dàn weer arm-in-arm haakte, als donkere schutters in rijen, opmarcheerend naar hoek van achterhaven, tegen schuwen pakhuizenschemer in, den polderweg op. En achter hen áán, kreupelden al meer schamele hinkstoetjes, scharminkels in duister bewustzijn, verkoortst van karnavalshitte, onmenschelijk en ramp-zwaar geslagen, havenweg áfslingerend; landloopersellende, verspokend in langzamen schaduwtocht tegen oneindig donker-schimmige gat van besneeuwde-wei-poldernacht.
Piet alleen, bleef doorrazen, met nog ’n stoet je waggel-kerels, om lantaarn-paal heen. Rink drensde mee, Piet zeurde tong-zwaar met hoog-piependen stem-overslag.
—Sien je.... sien je.... jai!.... jai!.... jai-bint ’n fârrike.... sel ’k moar segge.... moar ik seg.... ik seg.... fierkant wa je bin....
—Nou.... en ikke, treurstemde terug Rink, ik seg.... ikke.... ik seg.... da jài ’n boef.... ’n boef.... ’n Sjemperlan bin.... ’n skar.... sien je!.... moar.... i i i i ikke.. ikke.... ikke.... ikke seg-’t.... i-i-i-in je smoel.... sien je.. sien je.... e’e eerlik!....
—Jeaijsis.... jeaijsis!.... daa’s net...., lolde Piet vroolijk.... Ikke.... i i i kke.... i i i n.... ’n ploert.... sien je.. é é énne.... enn jai.... jai.... ’n boef...., nie.... ?.. nie?... daa’s eerlik.... geef màin nou.... nou ’n poot kameroat!.... daa’s net.... jai ’n.... boef!.... é é é.... é é é.. enne.... ikke.... ikke.... ’n Sjamperlan!....
En roerend innig, verrast en verzoend, tegen elkaar opwaggelend, met kwijl van lach-pret om hun monden, tast-zochten ze naar lantaarnpaal voor houvast, in been-waggelend geduizel; grijnsden hun rossige tronies, lachend onder het licht, probeerden ze elkaars handen te grijpen. Piet met z’n mouw, poogde zwaar gevlok van z’n sneeuwgezicht en brauwen weg te strijken. Laatste troepje, waggel-breed, slingerde den polderkant op, den spoorweg òver. Rink alleen achteraan, waggelde een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.
Stilte was nu geweven.... Van ver klonk telkens áán, melancholiek gegalm van Rink’s zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z’n lied:
Ik bin moar.... ’n swainke.... allain stoan ’k hieeeer! Allain op de weijrelt.... mi-sonder pelsieeer....
Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in ’t slijknat, kon zich niet meer op z’n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z’n gezicht in den sneeuwmodder.
Eindelijk kwam erbarming; werd weggedragen z’n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan ’t hoofd.
Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.
VIERDE HOOFDSTUK.
Kees Hassel, of Kees de Strooper, zooals oudste zoon van Gerrit overal genoemd werd, bij Wierelandsch en Duinkijksch volk, klomp-klapperde over deftig-stille Beekstraatje van ’t stedeke. Het nauwe, stille straatje, waar vierkantjes en netjes knussige huisjes van fatsoenlijke burgerij nestelden, lag nog in slaperige ochtend-stilte. Van hoek- en dwarsstraatjes uit, ratelde soms ’n boerenkar áán, met mest of rijzenlading. Twee kerels achter ’n groentenkar bonkerden juist de stille straatkromming in, uitglibberend achter hun wagen op ijzeligen grond. ’n Paar werklooze tuindersjongens, kwamen plots ’n zijwegje uithollen, schreeuwend ’t straatje vol met stemlawaai, staanblijvend voor drogisterij. Ze gierden, bij ’t plan, den Gaper, die suf z’n tong uitstak, mal lachend onder z’n kleurigen tulband, den mond dicht te kwakken met sneeuwballen. Z’n rooie holtemond kwijlde de ballen uit. ’t Was of z’n keel vol borrelde met schuim en z’n oogen, goliath-groot, angstiger sperden van benauwing.
—F’rsjue Jààn, hai hep t’met nog honger.... schaterde één, met twee zwarte, ingekneusde sneeuwballen klaar, om te gooien, springend van lol, alsof ie op gloeiende platen te dansen stond.
Weer bonkte ’t raak tegen rooien kokkert van Gaper, en wezenloos, z’n stommen lachmond, breed, als scheur in rauw vleesch, met schuim op bloed-rooie lippen druipend, bleven staren, z’n angst-oogen; plakten sneeuwbrokken op neuskromming, dwaas en klownig.
Ze gierden, de straatjongens, al doller grimassend vóór den roerloozen lachkop. Kees klapperde voorbij, z’n hoekig-reuzige lijf, in groenig-schimmeligen jekker, loom opkijkend naar jongenslawaai, los-onverschillig van gang, z’n armen afbengelend langs zwaar gelapte broek. Z’n geestige scherpe kop stond strak-onverschillig. Z’n lippen knepen fijn op elkaar gedrukt; lippen als van ’n visch, dunne snoekige mondlijnen, strak, wreed.—Klos.... klos, klapperde ie door ’t fatsoenlijke wijkje, waar elk gezin voor Kees den Strooper bang was. Van de heele plaats tot Kerkervaart toe, ging er roep uit van Kees, Kees durfde alles. Ook ’n moord te doen. Eenigen zeien, dat ie al twee vrouwen vermoord en tien jaar gezeten had. Bange katholieken maakten ’n kruisje als ze ’m zagen aankomen. Weer anderen vertelden, dat ie bij de Ruïne van Braale, ’s nachts, twee koddebeyers, die ’m op de hielen zaten, bij ’t stroopen, den hals afgesneden, en de bloed-koppen in z’n zak meegenomen had.
Politie en oppassers tartte, bespotte ie, omdat ie sterker nog was, dan Rink van den polder. Niet een uit de plaats durfde met ’m vechten, of om prijzen buksschieten. Geen strooper, die tegen hem kon vangen. Bijna altijd stroopte ie alleen, zonder lichtbak, in stikdonker, soms zelfs met helder maanlicht, want alles tartte ie. En als geen sterveling eruit durfde, de dolste wind door de bosschen gierde, en Satan schaterde; als heksen op den misthoorn bliezen in sidderenden loei, dat ’t bijgeloovige Wiereland, in d’r slaapsteën te beven lag in angst-luistering naar het kokend kraak-gebulder, dat zoo-van-zee, òver het stedeke uitraasde, dichter, al dichter bij de plaats,—kwam hij, uit holst van den nacht, met beste vangst, bevend van kou, druipend van regen, maar stil en mor-loos. Ieder hield hem voor ’n gevaarlijken rakker, met den duivel in de ziel. Nooit sprak ie bijna, maar als ie wat zei, was ’t raak, hevig, oproerig.
Zoo was er over Kees’ doen en leven, door dorp-stadje Wiereland, een legende geweven, waaraan iedereen wat bijsierde. In de kleine havenkroegjes dobbelden en vochten ze er om of ie wèl of niet gesnapt was. En als ie soms heel onverwacht daar verscheen, werd ’t stil, zakte rumoer, en praatten ze vriendelijk-bangelijk met ’m. Nooit nog had een ’m dronken gezien. Ze zeien dat ie stil zoop, want geen sterveling kon er ooit meer dan één borrel bij ’m inkrijgen. Wierelandsche notabelen en nette burgerij, braaf en verstandig, lachten goeiigjes, in soos en hoofd-kafé, aan de kletstafel, om dwaas gezwets en gefantazeer van het plebs. Ze vergoorden dáár, de onbewuste poëzie van klein-levend volksmassatje, met hoon, hoog-wijze knikjes en lachjes. Maar ook zij toch hadden respekt voor den reuzigen, eenzelvigen strooper. Als ze ’m zagen, keken ze den vent na. En nooit dronken ontmoetten ze ’m, nooit sprekend, nooit werkend, in één stil voor-zich-uitturen, met z’n grijze, fel-guitige oogen, ernstig en wreed-strak.
Toch, achterhoeksch volkje, bleef ’m omweven in legende-sfeer. Een strooper vertelde, met zwaar-klinkenden ernst, dat ie ’m gezien had, ’s nachts bij de Ruïne, in woest hondeweer, met z’n geweer geschouderd, hand aan den trekker loerend, op den duivel. Armelijke verbeelding van katholieke en protestantsche jochies, maakten zich onder elkaar van den strooper gedrochts-voorstellingen. Vooral in den winter, ’s avonds en ’s nachts. Vast waar was ’t, dat ’t spookte om de hut bij Kees, daar tegen het woeste duin van Duinkijk, ver achter straatweg naar Zeekijk, waar hij al jaren woonde.
Daar, achteruit-geduwd met z’n krot, z’n vrouw en kinderen, in het woeste duinhart, waar geen sterveling in donker den weg wist, gebeurden spokige, beangstigende dingen. Vaders vertelden ’t nà voor hun kinderen en vooral in katholieke kringen, gingen schriklijke verhalen over moord en geesten, van kind tot kind, elke week wat nieuws, dat de zieltjes er van beefden. En als ze ’m, na zoo’n verhaal, in den avond soms ontmoetten, was ’t hun, of z’n lichaam ’n bloedige schaduw vooruitwierp, op de straatjes, te zien nog éven, achter het rossige gaslichtschijnsel.