Menschenwee

Part 8

Chapter 83,337 wordsPublic domain

—Nou ik sel niet-en griene.... toe Piet.... feremp’l.... ikke sel niet-en griene.... ik bin d’r soo dol op.... op die moorde, aa’s sullie vechte en d’r binne allegoar ongelukke.... nou, dan hou ’k jòu vrai.... sullie vechte d’r mit messe.... Geert Grint hept veleje joar self sien.... toe Piet.... sel je nie beroue.... kaik.... soo hiet ’t.... waor is ’t krantje?.. hé moeder! gaif hier!.... kaik.... Lesoare de Veehoeder.... kaik, vaif tefreele.... de moord in de herberg.... en.... wachters van ’t pelais woakt.... Te dansen begon Guurt, te stem-vleien. Ze hield dol van vreeslijke dingen. Bij elk vechtpartijtje in Wiereland was ze te zien, vooraan, en toch vond ze ’t vreeselijk naar en griezelig. Als ze bloed zag vloeien met vechtpartijen, dan krampte ’r iets in er van heerlijke naarheid. Van moorden, spoken en ongelukken wou ze alles haarfijn weten, en hoe bloederiger, hoe naarder, hoe griezeliger ze genoot.

Maar Piet was niet te vermurwen. Van avond, strooiavond, nee, dan most ie de ploats op, lollen met de meiden en zuipers.

—Wa’ geep, nijdigde Guurt, nou, dan goan ’k alleenig!....

Dirk zat lichtelijk te ronken, met kop tegen kachelpijp.... z’n ingezakt lijf stonk van grondvuil.... z’n stomp-wreed gezicht stond grimmig als van ’n slapenden bloed-dog en z’n vurige zeerende wimpers, streepten pijnlijk-rood onder z’n in gelen lampschemer, duisterende oogen. Hem vroeg ze niet eens.

IV.

Tegen acht uur stapten de jongens op.

In Wiereland joolden door de donkere straatjes, strooiavondgangers. St. Nikolaas was in wit gewaad neergedaald in ’t stedeke. Tegen den avond, uit grauw-grijze lucht dwarrelde wemelend, stil-blank geschitter en gevlok, windloos neersuizend, ruischloos blank, héél stil vertooverend daken en boomen. Het stille dorp-stadje was als dichtgeweven met blank schuim in enk’le uren, en overal schimden, wit-hoekige geveltjes, schuin en laag, zwaar besneeuwde dak-vlakken, schuimblank, met schaduwblauw van kousjes-koud licht, in de hoofdstraten. Langzaam aan kwam vertier en rumoer uit de achterwijkjes, sneeuw-scheem’rig verlicht, wègdroomend, in donker rossig-goud schijnsel van ’n paar ouë vlamgaslantaarns.

Naar de groote handelsstraat ging òp, gekrioel van schreeuwende kinderen en luid-pratende menschen. Door elkaar liepen deftige burgerij, lollende, flappende meiden en jongens, in blanken sneeuwval, en geluid-dempend verbleekte de straat in stille verwitting. Het voorplein van stedeke bij ’t station, waar ’n groot weibrok witte, schimmig onder donkeren hemel, lag roerloos; en van verre, op Lemperweg, naar ’t dorp Lemper, bronsden in duisterdiep, ’n paar rossige gaslantaarns op geheimzinnig verwitten boomendrom.

De Baanwijk schitterde in winkellicht, aan weerskanten en overal achter gloedglazen, spatte blinkering en fonkeling van kleur-voorwerpen. Voor iederen winkel stonden troepjes kinders, opgeduwd door grootere jongens en meidenvolk, en ’n stroom stommelende drukte-menschen ging en kwam de straat af en op. Soms, uit de massa, bleven er plots staan, ’n groepje, om te lach-kijken naar gillende dienstmeisjes en tuinders-dochters, die besneeuwbald en wit-gebombardeerd werden, bangelijk vluchtten in winkels en portieken. Telkens joolden kleine en groote stoeten dwars door den wandelstroom, sneeuw-bombardeerend als woeste donkere duivels omraasd van witte projektielen.

Woest, in heete feest-stemming braakten kerels hun lol uit, tierend en stoeiend. Zwaarder joeg rumoer door de anders doodstille winterstraatjes, als allure van groote stads-woeling. Lachend, gedempt, deftig, trokken notabelen van de plaats, voorbij opgedirkte winkeltjes, lachend minachtend om stedekepraal. Staan bleven ze alleen om kindertjes te plezieren; kindertjes juichend bij poppen die te star-oogen lagen tegen ’t koue winkellicht, in kleurige kleertjes en strakke waskopjes; oogengulzigend naar fornuisjes en kookstellen die kopervonkten in etalage-extaze; naar groote paardekoppen, omstrooid met zilveren en gouden snippers. Tegen half negen zuiverde de straat zich van het heerige volk, bleef alleen het woelige, arme, zuipende en stoeiende Wiereland, de tuinders jongens en meiden, armen, schorem, lawaaiend in de witte sneeuwhal, verplompend zijn stil-vonkend rein-blank, met zware donkere voeten, vol gloei-hartstocht en stoei-lust, beestig bijeen gekliekt, onder daverend schorre stemmenlol. Van uit het Kloosterpad, smal kronkelwegje, uitloopend op de groote Baanwijk, kwam opzetten zangkoor van jongens- en meisjesstemmen, donker kinderstoetje, achter elkaar áángerijd. Voorop praalde ’n snuitertje, bemombakkest, met zilveren haardotten aan masker onder de kin, bisschoppelijk beplakt met zilveren papieren mantel en hoog besteekt, omrand van sterretjes-rood, en ritselige goudloovertjes. Naast ’m ging ’n roetig besmeerde kleuter, kannibaalsch wild, in witte oogappelswoestheid, gooiend met sneeuwballen naar ieder die voorbijkwam. Dàn gedragen, dàn gesleurd en geduwd werd Sinterklaas. In z’n hand hield ie ’n schommelende lampion, overgebleven siersel van Drie-Koningen, in kwijnerig rood en groen licht, afschijnend op z’n beschilderd mombakkes, dat schaduw-geelde zwaar en bang. Om lampion, in zwak rood schijnsel, droomerig en diep, draaide ’n wiel van zilveren sterretjes door ’n ander, met ’n touw naast ’m, in gang gewenteld, dat ’t wemelde, glans-zilverig als waterkringen van fontein, om de half-belichte kinderhoofdjes. En zoo, kronkelend achterelkaar, donker-stoetig, grillig-rood bewasemd in lampiondamp en groenige dooreenschommeling van vale lichttintjes, slangde ’t troepje de bleek-besneeuwde Baanwijk over, tusschen de boomrijen door, in schaduwdans achterhaald op sneeuwgrond, de stoeikerels en wijven tegemoet, onder jongensgekrijsch en meisjesgegil. Van ver klonk soms even, stemzwakte van kleuterige achterblijvers, die met stukkende lampionnetjes en afzakbroeken, meezongen en roffelend rommelpot sloegen in ’t verwarde gegalm,.... liedjes van Driekoningen dat komen ging:

Drie koninge drie koninge Gaif main ’n nuute hoed Main ouë is f’rslete Main foàder maa’g’t nie wete Main moeder hep gain geld Achter de rooseboom is ’t teld....

Aan het eind van de Baanwijk stonden de achterwinkels opgepropt met troepen hurriënde meiden en jongens te smakken, vettig-glimmende feestgezichten, beglunderd en opgedirkt in kleeren-schetter, voor ’n geïmproviseerde toonbank, opgeslagen in ’n leeggeruimde kamer.

Blikjes gingen van hand tot hand als ’n smak over was.

—Wie hepp sàin, leste blikkie?.... tien cent, krijschte armelijk schorre kerel achter de toonbank,—’n venter die op den dag met afvalgroenten door de plaats ging, en nu, tot laat in den nacht, met schreeuwen en smak-opgejaag voor de winkeliers, nog ’n extratje verdienen wilde. Achter ’m stond deftig banketbakker-eigenaar met witte baret, blufferig in ’t wit, vettig-grinnekend bij stormgeloop van menschen, lacherig-kontroleerend, met z’n handen frommelend onder z’n blank schort.

—Nou, is nou dààn, la moar beginne, riep ’n ongeduldig bochelig kereltje.

—Nog één blikkie,.... nog één, schorde de venter met armelijken zangdeun in z’n stem, om fut in den dobbel te houen. Achter ’t kereltje, grabbelde ’n hand naar ’t blikje.

Nou kon gesmakt worden. Ratel-dof bonkten de dobbelsteenen in den smallen houten smakbak. Jans Brielle gooide negentien.

—Neeg’tien gooit, neeg’tien,.... schorde pijnlijk heesche venter, en duwde ’n anderen grijparm, die opdrong met z’n blikje, in ruil, dobbelsteenen in de hand.... Dof rolden ze den bak in....

—Sestien gooit.... neeg’tien blaift winne...., deunde de venter.... de hoogste hep sain, twee pond paling of ses pond speek’laos.....

—twoalf gooit.... neegtien blaift.... Jans je stoat prechtig mait....

En telkens bonkte ’n andere worp den smakbak in, onder heet gedrang om te zien, uitbarstende hoera’s, gevloek, geraas en gelol van lage en hooge gooiers. Het stonk vunzig, tusschen jassen en mantelgoed. Onder de hitte wasemde natte sneeuwlucht uit de kleeren op. Pilows, jekkers en duffelen manteltjes zweetten, tusschen ranzige vischlucht van paling, poonen, gebak en brokken. Straaltjes nat sieperden van hoeden in nekken en telkens raasde gevloek òp van kerels en meiden die dachten dat er sneeuwballen gegooid werden.

—Seg Jans.... jai hep sain vast.... hoor.... t’met ses pond vraiers.... wa mo je mit soo’n vracht.... puur ses pond....

Piet Hassel zang-deunde achter Jansie, komiekerig afwerend onder ’t spelen, aanvallen van stoeiende giechelmeiden, die ’m telkens op z’n neus wilden tikken met kop van Sinterklaasvrijer.

—Nou, lachte Jans terug,—mooie hoog-stevige boerinnemeid met dikken wellustkop en glimmig opgepoetst wangrood—bin je jeloersch?....

—Waa’n geep.... moar ken ’n mensch nou mi-sonder fesoen.... ses vraiers àn....

—Sevetien gooit, schorde rauw er doorheen, grauwe venter met zenuwknuisten op oude toonbank trommelend.... sevetien.... neegtien blaif winne....

Maar Jansie zag ’r geluk niet in woede.

—Geep, geep, daa’s je suster maan.... bi je beduufeld, en in ’n kwaadaardigen duw aan ’r kuifblond, wrong ze overbodig ’n haarspeld dieper in ’r kapsel, met zenuwgebaar.

—Dwarrel, stoppelkat, lolde half gebelgd Piet terug, kabbeloebelaap.... waa’n fiselemie.... waa’n muurvarke.... waa’n binnebeer.—’t Kijlde scheldnamen, met zwaar gelach van omstanders bij elk nieuw grapwoord, dat z’n mond uitflapte. De smak was om.

Jans, die negentien gegooid had, won.

—Neegtien hep wonne.... wa mot sain.... twee pond paling of ses pond speekeloas?

Dolgraag had Jans de vrijers gekozen. Maar nou er Hassel zoo gesmeerd had, durfde ze niet voor de omstanders. In heeten wrevel nam ze de paling, zich zelf in stilte verwenschend dat ze de vrijers liet liggen. Rammelend gingen de blikjes in zakschort van den venter. Z’n schorklankige stem, rauw, roggelde weer.

—Wie mot.. wie blief ’n pond paling of drie pond speek’loas?..

Plots dromde ’n woeste groep van zestien kerels, den winkel in. In gillende, krijschende herrie kaapten ze duwend den groenteman, vóór dat een ander nemen kon, de blikjes uit de schort, dat ie waggelde achter z’n toonbank. Een uit de groep, kerel met rood-behaarden kop, ottergezicht, snee-geulen om z’n mond en korst-rooie haak-krabben dwars over den neus, stak hoog, boven hun hoofden ’n gonjen zak, schreeuwend:

—Hier kailt de mikmak in!....

In ’n oogenblik waren de blikjes afgekocht, verdrongen ze andere smakkers die gromden en vloekten. Zware rookwolken dampten ze tusschen de menschen, rossig opkronkelend boven gelige koppen-donkerte. Hun pet-kleppen glimmerden onder ’t lamplicht, als mes-flikkeringen, bij hun wilde hoofdbewegingen. Telkens had één uit de groep bij wilden dobbel een smakprijs, die met rauwe hoera’s en stemme-donderingen den grooten zak van den rooie ingekwakt werd, onder gedrang en geduw naar den kerel.

In tien smakhuizen was de groep van zestien al rondgeduiveld.... Dit was de elfde.

—Wie mot blikkies, schorde venter beverig en ontdaan.... drie krentebroode of vier varkeslappies!....

Tegen de troep drongen nu anderen in die ook blikjes hebben wilden; ’n metselaar nam er acht, voor zich, en vier meiden die naast ’m stonden. Maar zij, één met hun zestienen, gierden en stem-rochelden er tusschen door, en weer had met dobbel-rondgang ’n kerel uit hùn bende den smakprijs.

De rood-behaarde kerel met z’n verwrongen smal ottergezicht, gilde als ’n razende, zwaaide den zak boven de paffende menschenkoppen en rukte de bloederige varkenslapjes, ’n help-juffer, achter toonbankje, uit d’r beenige handen. En telkens weer won er één uit hun midden, rauwden ze hoera’s, onder wilde zwaaiingen van den zak, dat bezadigde smakkers krompen van schrik.—Telkens weer kwakten ze, op en door elkaar in den donkeren gonjen muil, Sinterklaas en druipende bloedbeuling, paling en banket, chokolade en konijnen, onder dolwoest gekankaneer van den stoet, die in z’n kring trok, angstige meiden, dwingend ze mee te gieren. En òpstaarden in wilde extaze allen naar den grauwen zak, hoog in armstrekking van rooien dolleman, boven koppen, slingerzwaaiend door mistig-verlichte rooksfeer. Bleek als z’n bakkersbaret hielp de winkelier, bevend van drift. En z’n vrouw, in de lage kamer, naast ’m, groen-grauw van angst, trok ’m telkens aan z’n mouw, dat ie zich bedwingen zou. Onverschilliger in ’t geraas, ringelde de venter voor-zich-uit, in schorder stemrauwte....

—Wie mot.... wie blief.... drie kenijne of twee pond beuling.

V.

Piet Hassel, sterke oproerige Wierelander, was kroeg in, kroeg uit geloopen op de haven, waar wit-schimmig de spoordijk weg te donkeren lag, achter het breeë watertje en vèr, ver, nevelig-blank van alom polderland, waarin fantomig reservoirs van gasfabriekje opdoemden.—Groote molen rechts, naar ’t station, omkneld van donkere huisjesgroep, vaagde sneeuw-schimmig in duistere lucht, melancholiek over verren polder starend, den versneeuwenden bleeken nacht in.

Piet had z’n vrienden opgevischt in een kroeg bij Schildert. Hendrik Gelder, de Haas bijgenaamd, Jan Sik, Kees Slooter, Kol en nog wat arme ploeter-schooiers, woelige, jolige losse tuinders en bloemistknechten met ’n paar sigarenmakers. Naast hen schuchterde bescheiden, ’n half-heerig klerk je van de fabriek van ingelegde groenten, ’n Wierelandsch burgertje, dat zich ’t liefst bij plebsche arme, schooiende herrieschoppers opdrong. Ieder in Wiereland kende ’t zuipende stelletje, als gevaarlijke vechtersbazen, nakende zwoegers en sjouwers, die in dronk-zwijmel opspogen tegen alles, allereerst tegen elkaar ruzieden omdat Kol en Slooter, katholiek, Sik en Gelder, protestanten, in hun hitte-buien, elkaar moèsten afrossen. Want verborgen ingetoomden, plòts soms uitziedenden schroei-haat sintelde en giftte er altijd tusschen bevolking, katholiek en protestant. Onder alle standen dàt gebruis, al wilde niemand ’t weten, omdat, gelijk verdeeld in aantal, men elkaar te veel noodig had. Maar soms barstten de belhamels los en helleveegden rond, braakten langgesmoorde driften uit van twee kanten. Nuchter, kon ’t Wierelandsche stelletje elkaar wel luchten. Iederen avond, in den naakten wintertijd, broeiden ze vast bijeen, in ’n kroeg. Eerste avondwerk was jacht op meiden, achter, op de stikdonkere kronkel-weggetjes, tusschen tuinderij en wandelpaden. Wellust-jacht van buurtmenschen waar geen simpel landelijke vrijage òp kon leven, of doodgetrapt werd ze, door rauwe spot en krijsch van verdierlijkte massa. Gewissel van meiden en jongens was overal. Leefdrang en passie werd genomen of betaald.

Na meidenjacht, gloeirig en wild, weer terug honkten ze in kroeg, om ronde tafels in kaartspel-gegier. Zoo, elken avond had schooierigste tuindersgroep hier samenkomst, kwam werkvolk van Wiereland, onder heet-ingehijsch van brandvocht bijéén, verzoende zich tijdelijk haat van katholiek, protestant en jood. Dààr, in dompige, donkere kroeg-holen waar geur van jenever zoetig-helsch doorheen schroeide, werd gezopen, uit wellust, uit hartstocht, om ploeterramp van komenden zomer te vergeten, om zorgen te zien vernevelen achter rooiig lichtende blijheid, glanzende dronken-oogen-kijk, om werkpijn te stillen, te dempen, met iets, dat warm-gloeiend inbeet, in hun brandend lijf. Zoo werd gezopen in Wiereland als nergens in andere streken, vloeide er één hittestroom van drank, dampend vocht; dromde er altijd gewriemel van schreeuwende, woedende, melancholiek-geslagene of komisch-beschonkene kerels; kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak, en gemoedelijk rondsloften, op hun gekleurde toffels, tusschen hun spuw-bakjes met zand, volgeklodderd van vuil.

Dien avond ging het vriendenstelletje kroeg in, kroeg uit. Burgervader had permissie gegeven, dat herbergen en danszalen later mochten openblijven. Zoo trokken de kerels heen en weer op ’t schemerend havent je, dat stil lag schichtig, onder sneeuwgeschemer, en zware donkering van masten en booten in watertje, somber-groot opschaduwend tegen spoordijk. Uit de danszalen golfde bij vlagen, onder deur-opengesmak, rumoer, dat zacht verdempte in sneeuwgrond; galmden doffig, in tierend gewar, koperen muziekscheuren en zangstemmen.

In lange smalle loodsen wriemelden opgepakt de dans-brandende Wierelanders. Opgejaagd, in gloeiende schroeiing, kookte ’t licht, ’t avondlicht, uitkoperend fel in brons-hevige vloeiing, van balken en wandbrokken neer. Lang uitgereept leegden zwart-bemorste banken, waarop vermoeide paren zweetig uitdampten, droef-schroeiend omneveld in rook, rossig walmgewolk. Stik-benauwing en heete adems persten zwoel-zwaar, door de lage smalle lolzaal. Wierelandsch zwoeg en plebs, zweetende meiden, rood en grauw van dans-hartstocht, kerels en jochies joegen in stormdwarrel op heesch, opjagend muziekgetoeter door de loods; joegen en tol-dwarrelden, dat kwijl langs hun monden liep, de wijven met opwaaiend rok-gefladder en giftige beensliertingen.

Drie danszalen was Piet Hassel met z’n vriendenstel al ingestormd, maar teruggedrongen werd ie overal, door kleurig-helsche warreling van donker-verlichte paren, die telkens plompiger aandromden van hout-kaal buffet naar ingang-deur. Eindelijk was Piet met de anderen in grootste danszaal meegezogen met afdeinende dansgroep. Achter ’n dikstrakken kop van ’n rossig zwaar bebakkebaard agentje bleef ie staan, ingekneld van lol-lachers, achter z’n rug, klown-dolle grimassen makend. Toen omzag agent, gooide Piet zich wild met de anderen in helschen kleurkolk van dansende paren, meiden die vlammen ketsten van hun blouzes, rokken en befonkelden haarpronk. Plots voelde Piet zich in-gebonsd, omkneld van allen kant. Wegwemelend rok-gezweef en geruisch van meiden joeg in zinlijke vlucht-geur en plooi-ruzie voorbij. Harkig sleurden de kerels mee in stronkige armenknel. Vriendenstelletje was uitelkaar getrokken. Alleen Gelder zag Piet naast zich, midden in ’t dans-gewemel, die niet af kon zien van het witte onderrok-gefladder, dat telkens vèr onder opgeschorte rokken uitzinlijkte. Plots greep Piet, Gelder vast, begonnen ze stijf-komieke stappen rond zich te trappen, telkens opbotsend en wankelend, zich schijn-teeder omarmend als jong paartje. Schatering en hittend gejoel joeg om ze heen, zwaarder bonsden lichamen áán tegen de twee harkige kerels, dat ze waggelden, en dobberden gierlollend.

—Haej.... kanteloepp! je fiel droait.... snof’rjenne.... twee kerels.... krijschte Kol.

—Kaik, die klebakkium kaike.... t’met skiet ie op je af.. hai is puur ’n vuile smakwammes!.... lachte ’n tuindersmeid, die met zweet-rood hoofd naar ’t agentje bukte, kanaljeus, ’m ’n ruk aan z’n baard gaf.

—Nou aa’s j’r senie in hep ka je f’nacht in ’t koarte-huis maffe.... zong Wierelandsch stemgalm er doorheen van ’n meid die bukkend d’r kouseband toehalen wilde maar weer omgebotst werd door ieder paar dat ’r zag staan, kuit-naakt.

Zoo, zangerig doorwarrelde stemme-gons, schel gelach en schoffel-bonkend geraas, schal-scheurden felle trombone-dreun en hoornstooten uit van poepers, die half gekneusd en gebeuld op hoogtetje, achter groen hekje troonden, tusschen buffet en plee in. Op hun vaal-groene buizen, schemerden de rood-vuile epauletten, als bloedvlekken, verkleurd in stofstuifsel, dat opjoeg van zandgrond, lichtende hoozen, zacht weer neerpoeierend over gekromde speelruggen, en vervaagd rooiig, hun blazende walmkoppen bolden als barstend gespannen gas-ballonnetjes in oranjigen nevel-brand.

De zweethoofd-meiden, in hun opgedirkte kleur-helsche japonnen en lijfjes, plomp-hevig en boersch-echt, met schitteroogen, die gilden van genot, zopen langzaam smakkend, opgedrongen tegen buffet aan, bier, groot glas, omkneld in bonkige goud-beringde werk-knuisten. Enkele koketteerden met armbandsiersels, omrammeld, kannibalerig-woest bepronkt, wild in haar en hals, getatoeëer van tulpenvurige doeken en strikken. Vóór ’t drinkstoetje van meiden duivelde heet gegons van wemelparen onder lichthoek, schroeide rossige walm, stinkdamp van zweetlijven en asemen. Dronken tronies van mannen en meisjes lachten al ààn in zuipgrijns; uit de wemel-stoeten dampten op, rooie wilde oogen van verhitte vrouw-koppen. In gestoot en geduw werd gillerig en jagender de pret. De mooiste meiden smakkelden en koketteerden in boerenwaan, stijf en plomp-rauw met wreed gebaar, damesnadoenerig-stijf. Bij hoeken gedrukt stonden paartjes, in knie-knikkenden stand, krachteloos te mondzuigen en zoen-lebberen. Op de banken plonsten groote groepen neer, dood-affe, hijgende, zweet-druipende paren, elkaar zoetig verliefd bewaaierend met zakdoeken, waaruit duf en vergoord goedkoope patjoulie-reukjes en vieze eau-de-kolognerige zeepstank opluwde. Telkens sprongen uit de hijg-moeë groepen uitgeruste meiden op, nog bleek-rood van inspanning en dansdrift, in woest en zang-gier met d’r jongens zich weer stortend, in den wemel-stroom van zwirrelende parenwarreling, en slingerkolk van bruisend rokkenwit. Al nauwer drong òp en stormden ààn, nieuw-ingezogenen bij ingang-deur. Geen plaats meer bleef om te bewegen. Heele troepjes omsloten en ingeperst kleefden als aan elkaar, hobbelden rhytmisch op muziek-stooten, met lijven op één plek, zonder van plaats te kunnen wegbeenen. Soms spuide plots ’n beetje ruimte en dobberde menschenkluit wat van elkaar. Maar telkens weer botsten de lijven òpéén, trapten en stootten de meiden, pijnlijk-gespijkerd tusschen dierlijk-harkige omknelling van d’r dansende kerels.

Maar andere meiden, vuriger, verhit van demonischen dans-wellust en lijfgeschuur, onkenbaar verwrongen d’r koppen onder walm-brand, waarop hartstocht rammeide en ingroefde donkere lusten om oogen en toegeknepen kwijl-monden,—opjagend en lokkend met enkel heesch woord d’r kerels, niet òmziend, als verstard, kijkend pàl in minnaarsoogen, wezenloos en bezwijmeld, warrelden dóór, tot plots ze weer stuitten op paren-kluit, die vast-gezogen deinde, in ordeloos gedrang; opsukkelde naar deur als buffelbende, stoer aangestormd éérst, plots als omkluisterd aan pooten. Dan klonterden weer de zweetkoppen bij-een, ontstrakten de zwijmelgezichten, kwam er geduw, gejouw en lach-schalm onder heetste, gemeenste jongens-meiden. Herrie-gejoel barstte los, om elken tuindersjongen van Duinkijk en Kerkervaart, die danste met meid van Wiereland. Dan ging gegrom rondom en beflodderden ze elkaar met scheldnamen, kwam er hanige haat, vuurrood kamgesidder van nijd en geweldige mondspuwingen van vloeken-donder. Tegen het hekje, waarachter de blazende roodgezwollen muzikant-koppen, sidderend als in goudgaas van opgewoeld stoflicht en oranje rook,omzwierd en verwaasd, op hun hoogtetje dromden, stond nauw opgeplet in damp en stuifsel, ’n troep blonde forsche meiden, bepaaiend, besussend, woede-kerels, met smak-zoenen en wangstrijkingen. Anne Donke en Griet Karsen twee knappe tuindersmeiden van de plaats, praatten fier, ongenaakbaar, met loodgieter Ruig en smid Wenke. Naast hen, in gedrang, hurkten op de banken ’n troep jochies van twaalf en veertien jaar, met bierglazen in de hand, stoeiend en opgejaagd door schorem bollekweekersknechten, en ’t stelletje dat lol had in de kloek-zuipende groot-doenerige kerel-kinders. Telkens propten ze zich den mond vol met pruimpies, spogen in ’t rond, vloekten als grooten; be-gutsten de meiden met woordvuil, sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.